Bevattende eene al te lange beschrijving van eene voetreis en
eene al te korte van een watertogtje.
Hoe aangenaam is het, eene voetreis te maken! Dat is eigenlijk toch
maar de ware manier van reizen. Dan smaakt men zeker dubbel zoo veel
genoegen, als wanneer men zich afhankelijk maakt van paarden, die in
redelooze haast voorthollen, of van stoommachines, die ook al niet
volkomen begrijpen, waarom zij zich zoo gezwind bewegen. Luchtig
en vrij wandelt men voort, in alles volkomen zijn meester, en met
innig welgevallen slaat men het oog op het valies, dat men torscht,
daar men met zelfvoldoening kan uitroepen: "_Omnia mea mecum porto!_"
Waar een schoon natuurtooneel bijzonder de oogen boeit, vertoeft men
zoo lang men lust heeft; en hoeveel ziet men niet, dat anders voor
het oog verborgen blijft! De voetreiziger dringt door op plaatsen,
waar anderen moeten achterblijven; wat hun beletselen zijn, zijn het
hem niet meer.
Hoe bekoorlijk zijn de aanlokselen van deze manier van reizen! hoe
zalig is het, zich er in te verdiepen, vooral wanneer men in een
gemakkelijken fauteuil neêrzit, of op eene welgevulde sofa ligt
uitgestrekt!
Maar ook wanneer de gewigtige morgen aanbreekt en den voetreiziger
met moed en in vrolijkheid zijnen togt begint, en gedurende den
geheelen dag, dien hij aan de negen of tien uren afstands besteedt,
zijn de genoegens onuitputtelijk. Ziet hem daar met luchtigen tred
voortstappen; het ongewone pak, dat hij torscht, geeft hem meer gemak
dan last. Hij fluit, en neuriet, en zingt; maar niet om zich den tijd
te korten, want hij bereikt het eerste station, terwijl hij nog meende
er een half uur van af te zijn.
Maar was die al te groote dartelheid misschien hemzelven hinderlijk,
na de eerste pauze wordt hij bedaarder. Met gematigder tred vervolgt
hij zijn weg: de koelte des morgens is geweken en de liefelijke
stralen der zomerzon koesteren zijn gelaat; de poriën worden geopend,
en in milden overvloed stroomt het vocht van zijn voorhoofd af.
Indien hij later halfweg van zijnen togt is, dan de zon van de haren,
dit bevreemde hem niet; want de voetreiziger weet, dat zij haar
dagelijksch tourtje maakt in een wagen, met fiere genetten bespannen.
En waren deze de genoegens, die hij de eerste uren van zijnen togt
smaakte, wat zijn zij in vergelijking van de verrassingen, die nog
wachten! Als hij gemeend heeft dat er een abuis in de opgave des
afstands is, daar het wel drie uren zal zijn in plaats van twee,
is de kastelein in de herberg, waar hij weêr zal rusten, in staat
hem meê te deelen, dat men het gemakkelijk in anderhalf uur kan
gaan. Vraagt hij, als de togt op het laatst loopt: "Hoe ver nog van
de stad?" dan is het antwoord: "Anderhalf uur."--Dit bevreemdt hem,
want het is een half uur langer dan hij dacht; maar grooter nog is
zijne verwondering, als hij, na nog een half uur voortgegaan te zijn,
op dezelfde vraag tot antwoord bekomt: "Zeven kwartiertjes."
Meent hij dat hij steentjes in de schoenen heeft, het blijkt
hem bij nader onderzoek, dat het eenvoudig blaren zijn, die zijn
voeten als extra schoeisel dekken. Vreest hij op het laatst, dat
hij nooit het doel zijner reize zal bereiken, hij vergist zich en is
aangenaam verrast, als de toren, die voor hem scheen uit te wandelen,
toch eindelijk vlak voor hem staat. Had hij den moed verloren, om de
straten der stad door te wandelen, als hij de groote steenen onder zich
voelt, worden de gewaarwordingen der ganzen op de gloeijende platen te
Straatsburg hem duidelijk. Meent hij dien dag, daar hij vermoeid is,
niet veel van de stad te zullen zien, al wederom eene verrassing;
zijn logement is aan het andere eind gelegen. En als hij dan, na
50 trappen opgeklommen te zijn, de uitsluitend voor voetreizigers
bestemde apartementen bereikt, bespaart hij zich, door gebrek aan
eetlust, groote kosten. In den slaap meent hij een berg te beklimmen,
die al hooger en hooger wordt, en den volgenden morgen, daar hij,
zijne harkstijve beenen op den grond zettende, op spelden meent te
trappen, mag hij, ten behoeve zijner voetzolen, _kirschwasser_ en
een draad saijet doen aanrukken.
Ongelukkigen, die met postpaarden rijdt, hoe geheel anders zijn
uwe gewaarwordingen, wanneer gij in uw logement aankomt! Hoe
weinig aanlokkends heeft de kanapé, die u wacht! Gij put op éénen
dag genoegens uit, waarvan de voetreiziger twee of drie dagen
jouisseert. Wanneer gij in uw bed stapt, moet gij u nog de moeite
geven om de oogen te sluiten, daar ze hem van zelve toevallen; geen
enkele droom doet u in uw slaap opspringen. Al de recepten tegen
de ongemakken, die eene voetreis ten gevolge heeft, zijn voor u te
vergeefs opgeschreven.
En o, hoe was het u te moede, toen gij daar, tegen de kussens van uw
rijtuig aangeleund, de wandelaars voorbijsneldet! Zaagt gij den blik
niet, waarmede zij uw lot beklaagden? Was het niet, alsof zij u om
uws zelfs wil smeekten uit te stappen? Waart gij niet jaloersch op
het zweet dat hunne aangezichten, het stof dat hunne schoenen bedekte?
Leert dan inzien, waarin het wezenlijk genoegen bestaat. Leert het
van uwe postpaarden, dat slechts eene voetreis onuitputtelijk genot
oplevert; ziet hoe mismoedig zij de koppen naar de aarde laten hangen,
als zij worden afgespannen, en hoe het zweet hun uitbreekt van angst,
dat zij reeds naar den stal moeten terugkeeren. Leert het van een
troep militairen, die een geheelen dag met marscheren doorbrengen,
niet slechts in de eerste uren, wanneer hun lied: "Wij zijn mannen van
Oranje," of "Wie praalt aan 't hoofd der heldenstoet?" met luider stem
wordt opgezongen; maar later, wanneer zij stilzwijgend voortwandelen,
en hunne zaligheid overpeinzen, terwijl zij de zachte drukking van hun
modelgeweer nu eens aan hun linker, dan weêr aan hun regter schouder
gunnen; leert het vooral van hen, die op het laatst van den marsch
vreezen, dat hunne wandeling al te spoedig zal zijn afgeloopen, en
zich in het mulle zand neêrvlijen, totdat de onderadjudant door eene
vriendelijke manoeuvre met zijn stok hen aanport, hunne kameraden
niet te verlaten.
Wanneer gij in uw rijtuig zit en uwen weg begint, dan is uw eenig
verlangen alles te zien; de wenschen van den wandelaar strekken zich
verder uit; hij verlangt naar den oogenblik, dat hij alles gezien
heeft. Wanneer gij te huis komt, hebt gij niets te vertellen, dan dat
de route heerlijk mooi was. De voetreiziger maakt hiervan naauwelijks
gewag; hij kan meêdeelen dat hij zoo moê was als een hond, en dat
hij in zooveel uren zijne knieën niet gebogen had.
Het was misschien de overtuiging van dit alles, die Joachim
Polsbroekerwoud en zijn gezelschap deed besluiten, om, in plaats van
nog heden van calêche-gelegenheden gebruik te maken, de Zwitsersche
voetreis reeds te Schaffhausen te beginnen. Ebel gaf negen uren
afstands op van daar tot Zurich; en het was alleen omdat men het
noodzakelijke inzag, om in die stad een weinig te vertoeven, dat
men besloot den eersten dagmarsch niet langer te nemen. Van Aartheim
bragt wel in het midden, dat hem de tour vrij groot scheen, daar hij
het voetreizen bij ondervinding kende; maar dit scheen den overige
heeren niet genoegzaam, om hun plan op te geven. De ransels werden
door de moedige voetgangers met het noodige niet alleen, maar ook
met het overbodige gevuld, en de togt begon. Te Neuhausen passeerde
hun de calêche met de Hunshows, die men 's avonds te Zurich weêr zou
aantreffen; te Eglisau trachtte men eenige zwaarte, die zich in de
beenen deed gevoelen, door het drinken van Champagne bij het _diner_
te verligten; te Bulach gebruikte men tot hetzelfde einde thee; te
Seeb begonnen de ranselriemen te knellen; schoon de ransels zelve
volstrekt niet hinderden; te Claudia was de _sehnsucht_ naar Zurich
tot den hoogsten trap gestegen; en toen men laat in den avond de
stad bereikte, waren de meesten in zulk eene stemming, dat het hun
onverschillig zou geweest zijn, indien zij, in plaats van te Zurich,
te Nes op Ameland of te Khruntschehow in Siberië waren aangekomen,
zoo er maar ordentelijke kamers met heel goede bedden voorhanden waren.
In het _Hôtel de l'Epée_ werd het vermoeide gezelschap goedgunstig
opgenomen. Zij hadden de satisfactie, den kastelein te hooren
aanmerken, dat de door hen afgelegde weg de moeite der beschouwing
naauwelijks waardig was. Met treurigheid had de inspectie der voeten
plaats; in stilte werd de avond doorgebragt, in zwaren slaap de nacht;
en bijna vermoeider dan men naar bed ging, stond men den volgenden
morgen op.
In deze positie ontvingen zij het bezoek van den Heer Hunshow, die hen
kwam uitnoodigen, om gezamentlijk een tourtje op het meer van Zurich
te maken, en daartoe terstond per as naar Rapperschwijl te trekken,
om 's avonds in een schuitje naar de stad terug te keeren. Het had
wel in het plan der vrienden gelegen, om nog heden tot Zug te reizen,
maar men meende zulk eene lieve propositie niet te kunnen afslaan,
en zag, behalve het aangename gezelschap en den heerlijken tour,
ook een dag te gemoet, waarop men de knieën gebogen kon houden; het
denkbeeld van rusten was in de gegeven omstandigheden het aangenaamste,
dat men zich kon voorstellen.
De westelijke oever van het meer van Zurich levert zulke schoone
gezigten op, dat de personen, die geen Engelsch verstonden, zich niet
behoefden te vervelen, als zij niet wilden; maar anders was het wel
hard, geen enkel woord te begrijpen van een discours, dat met veel
levendigheid gevoerd werd, en allen, die er aan deelnamen, tot de
hoogstmogelijke vrolijkheid opwond. Vooral Van Aartheim en _Miss_ Mary
schenen heden onuitputtelijk in geestige gezegden, of, zoo als Pols
zich uitdrukte, in boertige kwinkslagen. Het doet ons zeer leed, niet
in staat te zijn gesteld, het gesprek hier meê te deelen; misschien
evenwel is het goed; want daar is in zulk soort van gesprekken dikwijls
zooveel, dat zijne charmes van de omstandigheden en de plaats ontleent,
dat zij bij de overbrenging te veel verliezen. Torteltak was verrukt;
nog nooit was hij met Engelsche dames zoo na in aanraking geweest,
en het was zijn lot nog al veel geweest, met zoodanige zijner schoone
landgenootjes te converseren, die, zoodra het discours eenigzins van
het heel gewone vervreemdt en de onderwerpen van toilet, amusementen
en de dingen van den dag een weinig op zij laat liggen, terstond in de
weer zijn met haar: "Heden, mijnheer! wat wilt u daarmeê zeggen?" of
"zoo hoog kunnen wij niet vliegen." Hij moest misschien wel vreezen,
dat deze dames op verre na zulke goede huishoudsters niet zouden
zijn, als de gemelde landgenootjes, daar zij veel belezenheid, ja
zelfs veel studie aan den dag legden; maar hij getroostte zich een
aangenaam discours te voeren, zelfs met zulke meisjes, wier handen
geheel verkeerd stonden tot het opdoen der natte wasch, en die op
geen handvol na konden berekenen, hoeveel zout er tot het koken van
aardappelen werd vereischt.
In het logement _de Paauw_ te Rapperschwijl werd het middagmaal
gebruikt. Terwijl het gezelschap aan tafel zat, kwam een jong
mensch, armoedig gekleed, van een zacht, innemend voorkomen, maar
in wiens trekken iets heel melancholieks was, met een oude vrouw,
wier voorkomen minder innam, in de zaal. Zij plaatsten zich op een
kleinen afstand van het gezelschap, en de jongeling stemde de viool,
die hij onder den arm droeg.
"Kom aan, muziek!" zei Veervlug: "dat is goed; dan kunnen wij ons
eten op de maat in den mond brengen."
De jonge man begon een dier stukken uit te voeren, die men aan alle
publieke tafels in Duitschland hoort.
"'t Is wat nieuws," zei De Morder. "Kastelein, je tracteert ons op
beroerde muziek."
"Het is eene ongelukkige familie," antwoordde deze; "daarom laat
ik ze nog al eens aan de tafel toe. Die jonge man is van eene zeer
fatsoenlijke familie uit Zurich, en de vrouw, die hij bij zich heeft,
is zijne moeder. Haar man had, bij zijn sterven, zijn vrij groot
vermogen tusschen hen beiden verdeeld; maar zij heeft eerst haar
eigen goed en toen dat van haren zoon op eene schandelijke wijze
verteerd; later raakte zij ook aan den drank verslaafd, en haalde
zich door hare liederlijke levenswijs de verachting van iedereen op
den hals. De zoon was aan een meisje van eene ordentelijke familie
verloofd; maar zij verlangde van hem, dat hij zijne moeder aan haar
lot zou overlaten. Deze had toen juist het laatst van zijn vermogen
verteerd, en nu wilde de zoon haar niet aan armoede prijs geven; en
daarom offerde hij zijn geluk--want het meisje wilde nu niets meer
van hem weten--om den wil zijner moeder op. De arme jongen! want in
plaats van hem uit dankbaarheid naar de oogen te zien, behandelt zij
hem nog schandelijk, en verteert het geld, dat hij zoo zuur verdient,
in dronkenschap. Ik wou dat ik hem maar van haar los kon krijgen."
De jonge muzikant was, toen hij de aanmerking van De Morder hoorde,
bloedrood geworden. Helaas! hij herinnerde zich den tijd, toen
iedereen hem om zijn middelmatig muzikaal talent toejuichte; maar
toen immers was hij rijk, en beoefende de edele kunst niet als eene
kostwinning. Doch toen nu de kastelein zijne geschiedenis verhaalde,
en hij de uitdrukkingen hoorde, die deze zich omtrent zijne moeder
veroorloofde, werd hij doodsbleek, en pijnlijke tranen kwamen in
zijne oogen. Hij wilde teruggaan; maar zijne moeder hield hem tegen,
en beet hem onvriendelijk toe: "Komaan! kunt ge niet meer spelen?"
"Het spijt mij, dat ik het gezegd heb," zei De Morder; "maar ik kon
ook niet weten, dat hij een fatsoenlijk mensch was."
"En gij vondt zeker de vrijheid," zei Van Aartheim, "om het eergevoel
van een minder fatsoenlijk mensch te kwetsen?"
Van Aartheim scheen niet van oordeel, dat gemeene menschen geen
eergevoel kennen.
Een weinig later ging de muzikant met zijn hoed in de hand bij het
gezelschap om. Van Aartheim had hem met belangstelling en innig
medelijden gadegeslagen. Misschien wist ook hij, hoeveel men soms om
den wil eener moeder moet opofferen. Toen de jongeling hem naderde,
wierp hij niet alleen ongemerkt een ruime gift in den hoed, maar
drukte tevens met hartelijkheid zijne hand.
Op nieuw sprongen de tranen uit de oogen van den jongen man; maar nu
waren zij hem toch zoo pijnlijk niet als daar even.
De familie Hunshow zag Van Aartheim met bevreemding aan. Deze deelde
haar de geschiedenis van den ongelukkige mede, zoo als hij die van
den kastelein gehoord had.
"Een zeldzaam voorbeeld van kinderlijke liefde," zei de Engelschman.
"Maar gelukkig een nog zeldzamer van moederlijke ontaardheid en
verhardheid," voegde Mary er bij.
Toen het armoedige paar de zaal verliet, zag de moeder met woeste
vreugd de ruime collecte na; de zoon sloeg nog eens eenen dankbaren
blik op Van Aartheim.
Een schuitje wachtte nu het gezelschap, om den tour over het meer naar
Zurich te maken. De togt werd door het heerlijkste weder begunstigd. Op
het lieve schiereiland Au stapte men voor een oogenblik aan wal,
en Torteltak deed zijnen vrienden het genoegen, de heerlijke Ode van
Klopstock, _der Zürchersee_, te reciteren. Het was laat, toen men in
het _Hôtel de l'Epée_ terugkwam, waar de vrienden van de Hunshows,
die nu eenen anderen weg dan zij heenreisden, moesten afscheid nemen,
in de verwachting evenwel van ze te Geneve weêr te zien.
Den volgenden morgen vertrokken de voetreizigers in eene calêche
over den Mont-Albis naar Zug, waar het bijna altijd mistig en slecht
weêr is, en waar de regering, om de nagedachtenis der burgers eer te
bewijzen, en de bedroefde betrekkingen der overledenen te troosten,
de doodskoppen, zoodra het vleesch genoegzaam tot ontbinding is
overgegaan, met de namen van hen, wien zij toebehoorden, op den
schedel geplakt, in eene traliekast ten toon stelt.