HOOFDSTUK XVII.

Bevattende eene al te lange beschrijving van eene voetreis en

eene al te korte van een watertogtje.

Hoe aangenaam is het, eene voetreis te maken! Dat is eigenlijk toch

maar de ware manier van reizen. Dan smaakt men zeker dubbel zoo veel

genoegen, als wanneer men zich afhankelijk maakt van paarden, die in

redelooze haast voorthollen, of van stoommachines, die ook al niet

volkomen begrijpen, waarom zij zich zoo gezwind bewegen. Luchtig

en vrij wandelt men voort, in alles volkomen zijn meester, en met

innig welgevallen slaat men het oog op het valies, dat men torscht,

daar men met zelfvoldoening kan uitroepen: "_Omnia mea mecum porto!_"

Waar een schoon natuurtooneel bijzonder de oogen boeit, vertoeft men

zoo lang men lust heeft; en hoeveel ziet men niet, dat anders voor

het oog verborgen blijft! De voetreiziger dringt door op plaatsen,

waar anderen moeten achterblijven; wat hun beletselen zijn, zijn het

hem niet meer.

Hoe bekoorlijk zijn de aanlokselen van deze manier van reizen! hoe

zalig is het, zich er in te verdiepen, vooral wanneer men in een

gemakkelijken fauteuil neêrzit, of op eene welgevulde sofa ligt

uitgestrekt!

Maar ook wanneer de gewigtige morgen aanbreekt en den voetreiziger

met moed en in vrolijkheid zijnen togt begint, en gedurende den

geheelen dag, dien hij aan de negen of tien uren afstands besteedt,

zijn de genoegens onuitputtelijk. Ziet hem daar met luchtigen tred

voortstappen; het ongewone pak, dat hij torscht, geeft hem meer gemak

dan last. Hij fluit, en neuriet, en zingt; maar niet om zich den tijd

te korten, want hij bereikt het eerste station, terwijl hij nog meende

er een half uur van af te zijn.

Maar was die al te groote dartelheid misschien hemzelven hinderlijk,

na de eerste pauze wordt hij bedaarder. Met gematigder tred vervolgt

hij zijn weg: de koelte des morgens is geweken en de liefelijke

stralen der zomerzon koesteren zijn gelaat; de poriën worden geopend,

en in milden overvloed stroomt het vocht van zijn voorhoofd af.

Indien hij later halfweg van zijnen togt is, dan de zon van de haren,

dit bevreemde hem niet; want de voetreiziger weet, dat zij haar

dagelijksch tourtje maakt in een wagen, met fiere genetten bespannen.

En waren deze de genoegens, die hij de eerste uren van zijnen togt

smaakte, wat zijn zij in vergelijking van de verrassingen, die nog

wachten! Als hij gemeend heeft dat er een abuis in de opgave des

afstands is, daar het wel drie uren zal zijn in plaats van twee,

is de kastelein in de herberg, waar hij weêr zal rusten, in staat

hem meê te deelen, dat men het gemakkelijk in anderhalf uur kan

gaan. Vraagt hij, als de togt op het laatst loopt: "Hoe ver nog van

de stad?" dan is het antwoord: "Anderhalf uur."--Dit bevreemdt hem,

want het is een half uur langer dan hij dacht; maar grooter nog is

zijne verwondering, als hij, na nog een half uur voortgegaan te zijn,

op dezelfde vraag tot antwoord bekomt: "Zeven kwartiertjes."

Meent hij dat hij steentjes in de schoenen heeft, het blijkt

hem bij nader onderzoek, dat het eenvoudig blaren zijn, die zijn

voeten als extra schoeisel dekken. Vreest hij op het laatst, dat

hij nooit het doel zijner reize zal bereiken, hij vergist zich en is

aangenaam verrast, als de toren, die voor hem scheen uit te wandelen,

toch eindelijk vlak voor hem staat. Had hij den moed verloren, om de

straten der stad door te wandelen, als hij de groote steenen onder zich

voelt, worden de gewaarwordingen der ganzen op de gloeijende platen te

Straatsburg hem duidelijk. Meent hij dien dag, daar hij vermoeid is,

niet veel van de stad te zullen zien, al wederom eene verrassing;

zijn logement is aan het andere eind gelegen. En als hij dan, na

50 trappen opgeklommen te zijn, de uitsluitend voor voetreizigers

bestemde apartementen bereikt, bespaart hij zich, door gebrek aan

eetlust, groote kosten. In den slaap meent hij een berg te beklimmen,

die al hooger en hooger wordt, en den volgenden morgen, daar hij,

zijne harkstijve beenen op den grond zettende, op spelden meent te

trappen, mag hij, ten behoeve zijner voetzolen, _kirschwasser_ en

een draad saijet doen aanrukken.

Ongelukkigen, die met postpaarden rijdt, hoe geheel anders zijn

uwe gewaarwordingen, wanneer gij in uw logement aankomt! Hoe

weinig aanlokkends heeft de kanapé, die u wacht! Gij put op éénen

dag genoegens uit, waarvan de voetreiziger twee of drie dagen

jouisseert. Wanneer gij in uw bed stapt, moet gij u nog de moeite

geven om de oogen te sluiten, daar ze hem van zelve toevallen; geen

enkele droom doet u in uw slaap opspringen. Al de recepten tegen

de ongemakken, die eene voetreis ten gevolge heeft, zijn voor u te

vergeefs opgeschreven.

En o, hoe was het u te moede, toen gij daar, tegen de kussens van uw

rijtuig aangeleund, de wandelaars voorbijsneldet! Zaagt gij den blik

niet, waarmede zij uw lot beklaagden? Was het niet, alsof zij u om

uws zelfs wil smeekten uit te stappen? Waart gij niet jaloersch op

het zweet dat hunne aangezichten, het stof dat hunne schoenen bedekte?

Leert dan inzien, waarin het wezenlijk genoegen bestaat. Leert het

van uwe postpaarden, dat slechts eene voetreis onuitputtelijk genot

oplevert; ziet hoe mismoedig zij de koppen naar de aarde laten hangen,

als zij worden afgespannen, en hoe het zweet hun uitbreekt van angst,

dat zij reeds naar den stal moeten terugkeeren. Leert het van een

troep militairen, die een geheelen dag met marscheren doorbrengen,

niet slechts in de eerste uren, wanneer hun lied: "Wij zijn mannen van

Oranje," of "Wie praalt aan 't hoofd der heldenstoet?" met luider stem

wordt opgezongen; maar later, wanneer zij stilzwijgend voortwandelen,

en hunne zaligheid overpeinzen, terwijl zij de zachte drukking van hun

modelgeweer nu eens aan hun linker, dan weêr aan hun regter schouder

gunnen; leert het vooral van hen, die op het laatst van den marsch

vreezen, dat hunne wandeling al te spoedig zal zijn afgeloopen, en

zich in het mulle zand neêrvlijen, totdat de onderadjudant door eene

vriendelijke manoeuvre met zijn stok hen aanport, hunne kameraden

niet te verlaten.

Wanneer gij in uw rijtuig zit en uwen weg begint, dan is uw eenig

verlangen alles te zien; de wenschen van den wandelaar strekken zich

verder uit; hij verlangt naar den oogenblik, dat hij alles gezien

heeft. Wanneer gij te huis komt, hebt gij niets te vertellen, dan dat

de route heerlijk mooi was. De voetreiziger maakt hiervan naauwelijks

gewag; hij kan meêdeelen dat hij zoo moê was als een hond, en dat

hij in zooveel uren zijne knieën niet gebogen had.

Het was misschien de overtuiging van dit alles, die Joachim

Polsbroekerwoud en zijn gezelschap deed besluiten, om, in plaats van

nog heden van calêche-gelegenheden gebruik te maken, de Zwitsersche

voetreis reeds te Schaffhausen te beginnen. Ebel gaf negen uren

afstands op van daar tot Zurich; en het was alleen omdat men het

noodzakelijke inzag, om in die stad een weinig te vertoeven, dat

men besloot den eersten dagmarsch niet langer te nemen. Van Aartheim

bragt wel in het midden, dat hem de tour vrij groot scheen, daar hij

het voetreizen bij ondervinding kende; maar dit scheen den overige

heeren niet genoegzaam, om hun plan op te geven. De ransels werden

door de moedige voetgangers met het noodige niet alleen, maar ook

met het overbodige gevuld, en de togt begon. Te Neuhausen passeerde

hun de calêche met de Hunshows, die men 's avonds te Zurich weêr zou

aantreffen; te Eglisau trachtte men eenige zwaarte, die zich in de

beenen deed gevoelen, door het drinken van Champagne bij het _diner_

te verligten; te Bulach gebruikte men tot hetzelfde einde thee; te

Seeb begonnen de ranselriemen te knellen; schoon de ransels zelve

volstrekt niet hinderden; te Claudia was de _sehnsucht_ naar Zurich

tot den hoogsten trap gestegen; en toen men laat in den avond de

stad bereikte, waren de meesten in zulk eene stemming, dat het hun

onverschillig zou geweest zijn, indien zij, in plaats van te Zurich,

te Nes op Ameland of te Khruntschehow in Siberië waren aangekomen,

zoo er maar ordentelijke kamers met heel goede bedden voorhanden waren.

In het _Hôtel de l'Epée_ werd het vermoeide gezelschap goedgunstig

opgenomen. Zij hadden de satisfactie, den kastelein te hooren

aanmerken, dat de door hen afgelegde weg de moeite der beschouwing

naauwelijks waardig was. Met treurigheid had de inspectie der voeten

plaats; in stilte werd de avond doorgebragt, in zwaren slaap de nacht;

en bijna vermoeider dan men naar bed ging, stond men den volgenden

morgen op.

In deze positie ontvingen zij het bezoek van den Heer Hunshow, die hen

kwam uitnoodigen, om gezamentlijk een tourtje op het meer van Zurich

te maken, en daartoe terstond per as naar Rapperschwijl te trekken,

om 's avonds in een schuitje naar de stad terug te keeren. Het had

wel in het plan der vrienden gelegen, om nog heden tot Zug te reizen,

maar men meende zulk eene lieve propositie niet te kunnen afslaan,

en zag, behalve het aangename gezelschap en den heerlijken tour,

ook een dag te gemoet, waarop men de knieën gebogen kon houden; het

denkbeeld van rusten was in de gegeven omstandigheden het aangenaamste,

dat men zich kon voorstellen.

De westelijke oever van het meer van Zurich levert zulke schoone

gezigten op, dat de personen, die geen Engelsch verstonden, zich niet

behoefden te vervelen, als zij niet wilden; maar anders was het wel

hard, geen enkel woord te begrijpen van een discours, dat met veel

levendigheid gevoerd werd, en allen, die er aan deelnamen, tot de

hoogstmogelijke vrolijkheid opwond. Vooral Van Aartheim en _Miss_ Mary

schenen heden onuitputtelijk in geestige gezegden, of, zoo als Pols

zich uitdrukte, in boertige kwinkslagen. Het doet ons zeer leed, niet

in staat te zijn gesteld, het gesprek hier meê te deelen; misschien

evenwel is het goed; want daar is in zulk soort van gesprekken dikwijls

zooveel, dat zijne charmes van de omstandigheden en de plaats ontleent,

dat zij bij de overbrenging te veel verliezen. Torteltak was verrukt;

nog nooit was hij met Engelsche dames zoo na in aanraking geweest,

en het was zijn lot nog al veel geweest, met zoodanige zijner schoone

landgenootjes te converseren, die, zoodra het discours eenigzins van

het heel gewone vervreemdt en de onderwerpen van toilet, amusementen

en de dingen van den dag een weinig op zij laat liggen, terstond in de

weer zijn met haar: "Heden, mijnheer! wat wilt u daarmeê zeggen?" of

"zoo hoog kunnen wij niet vliegen." Hij moest misschien wel vreezen,

dat deze dames op verre na zulke goede huishoudsters niet zouden

zijn, als de gemelde landgenootjes, daar zij veel belezenheid, ja

zelfs veel studie aan den dag legden; maar hij getroostte zich een

aangenaam discours te voeren, zelfs met zulke meisjes, wier handen

geheel verkeerd stonden tot het opdoen der natte wasch, en die op

geen handvol na konden berekenen, hoeveel zout er tot het koken van

aardappelen werd vereischt.

In het logement _de Paauw_ te Rapperschwijl werd het middagmaal

gebruikt. Terwijl het gezelschap aan tafel zat, kwam een jong

mensch, armoedig gekleed, van een zacht, innemend voorkomen, maar

in wiens trekken iets heel melancholieks was, met een oude vrouw,

wier voorkomen minder innam, in de zaal. Zij plaatsten zich op een

kleinen afstand van het gezelschap, en de jongeling stemde de viool,

die hij onder den arm droeg.

"Kom aan, muziek!" zei Veervlug: "dat is goed; dan kunnen wij ons

eten op de maat in den mond brengen."

De jonge man begon een dier stukken uit te voeren, die men aan alle

publieke tafels in Duitschland hoort.

"'t Is wat nieuws," zei De Morder. "Kastelein, je tracteert ons op

beroerde muziek."

"Het is eene ongelukkige familie," antwoordde deze; "daarom laat

ik ze nog al eens aan de tafel toe. Die jonge man is van eene zeer

fatsoenlijke familie uit Zurich, en de vrouw, die hij bij zich heeft,

is zijne moeder. Haar man had, bij zijn sterven, zijn vrij groot

vermogen tusschen hen beiden verdeeld; maar zij heeft eerst haar

eigen goed en toen dat van haren zoon op eene schandelijke wijze

verteerd; later raakte zij ook aan den drank verslaafd, en haalde

zich door hare liederlijke levenswijs de verachting van iedereen op

den hals. De zoon was aan een meisje van eene ordentelijke familie

verloofd; maar zij verlangde van hem, dat hij zijne moeder aan haar

lot zou overlaten. Deze had toen juist het laatst van zijn vermogen

verteerd, en nu wilde de zoon haar niet aan armoede prijs geven; en

daarom offerde hij zijn geluk--want het meisje wilde nu niets meer

van hem weten--om den wil zijner moeder op. De arme jongen! want in

plaats van hem uit dankbaarheid naar de oogen te zien, behandelt zij

hem nog schandelijk, en verteert het geld, dat hij zoo zuur verdient,

in dronkenschap. Ik wou dat ik hem maar van haar los kon krijgen."

De jonge muzikant was, toen hij de aanmerking van De Morder hoorde,

bloedrood geworden. Helaas! hij herinnerde zich den tijd, toen

iedereen hem om zijn middelmatig muzikaal talent toejuichte; maar

toen immers was hij rijk, en beoefende de edele kunst niet als eene

kostwinning. Doch toen nu de kastelein zijne geschiedenis verhaalde,

en hij de uitdrukkingen hoorde, die deze zich omtrent zijne moeder

veroorloofde, werd hij doodsbleek, en pijnlijke tranen kwamen in

zijne oogen. Hij wilde teruggaan; maar zijne moeder hield hem tegen,

en beet hem onvriendelijk toe: "Komaan! kunt ge niet meer spelen?"

"Het spijt mij, dat ik het gezegd heb," zei De Morder; "maar ik kon

ook niet weten, dat hij een fatsoenlijk mensch was."

"En gij vondt zeker de vrijheid," zei Van Aartheim, "om het eergevoel

van een minder fatsoenlijk mensch te kwetsen?"

Van Aartheim scheen niet van oordeel, dat gemeene menschen geen

eergevoel kennen.

Een weinig later ging de muzikant met zijn hoed in de hand bij het

gezelschap om. Van Aartheim had hem met belangstelling en innig

medelijden gadegeslagen. Misschien wist ook hij, hoeveel men soms om

den wil eener moeder moet opofferen. Toen de jongeling hem naderde,

wierp hij niet alleen ongemerkt een ruime gift in den hoed, maar

drukte tevens met hartelijkheid zijne hand.

Op nieuw sprongen de tranen uit de oogen van den jongen man; maar nu

waren zij hem toch zoo pijnlijk niet als daar even.

De familie Hunshow zag Van Aartheim met bevreemding aan. Deze deelde

haar de geschiedenis van den ongelukkige mede, zoo als hij die van

den kastelein gehoord had.

"Een zeldzaam voorbeeld van kinderlijke liefde," zei de Engelschman.

"Maar gelukkig een nog zeldzamer van moederlijke ontaardheid en

verhardheid," voegde Mary er bij.

Toen het armoedige paar de zaal verliet, zag de moeder met woeste

vreugd de ruime collecte na; de zoon sloeg nog eens eenen dankbaren

blik op Van Aartheim.

Een schuitje wachtte nu het gezelschap, om den tour over het meer naar

Zurich te maken. De togt werd door het heerlijkste weder begunstigd. Op

het lieve schiereiland Au stapte men voor een oogenblik aan wal,

en Torteltak deed zijnen vrienden het genoegen, de heerlijke Ode van

Klopstock, _der Zürchersee_, te reciteren. Het was laat, toen men in

het _Hôtel de l'Epée_ terugkwam, waar de vrienden van de Hunshows,

die nu eenen anderen weg dan zij heenreisden, moesten afscheid nemen,

in de verwachting evenwel van ze te Geneve weêr te zien.

Den volgenden morgen vertrokken de voetreizigers in eene calêche

over den Mont-Albis naar Zug, waar het bijna altijd mistig en slecht

weêr is, en waar de regering, om de nagedachtenis der burgers eer te

bewijzen, en de bedroefde betrekkingen der overledenen te troosten,

de doodskoppen, zoodra het vleesch genoegzaam tot ontbinding is

overgegaan, met de namen van hen, wien zij toebehoorden, op den

schedel geplakt, in eene traliekast ten toon stelt.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 21 / 43 题