HOOFDSTUK XVI.

Aankomst in Zwitserland en verblijf te Schaffhausen; bevattende

tevens belangrijke opmerkingen omtrent den invloed van een nieuw

schoeisel op lichaam en ziel.

"Zoo zijn wij dan nu waarlijk in Zwitserland!" riep Torteltak uit,

toen de conducteur den grenspaal aanwees, en de reizende heeren met

hem naast de diligence voortstapten.

"Ik moet ronduit zeggen, dat het mij tegenvalt," verklaarde De Morder;

"en schoon ik er mij heel weinig van had voorgesteld, dacht ik niet,

dat de reizigers zoo onbeschaamd konden liegen in het opvijzelen der

schoonheden van dit land."

"Maar het kan immers nog komen," zei Pols; "evenwel moet ik u ook

zeggen, dat het mij zeer verwondert, dat men van den _Mont blanc_

nog niets kan ontdekken."

"Dat zullen allemaal wel praatjes wezen van dien _Mont blanc_,"

zei zijn ontevreden vriend; "ik geloof er ten minste niets van,

voordat ik hem met mijne eigene oogen zie."

"Pas maar op," zei Veervlug, "dat de witte reus niets van uw ongeloof

verneemt. Hij mogt zich anders eens wreken, door u bij gelegenheid

met een _avalanche_ op te frisschen."

"Het moet u een heele studie geweest zijn," zei Van Aartheim

aan De Morder, "om de tevredenheid en opgeruimdheid, die ik mij

verzekerd houd, dat dikwijls in uwe ziel plaats vinden, in termen

van ontevredenheid en wrevel te leeren uitdrukken."

"Hm!" bromde de ander tot antwoord; "ik kan het niet helpen, dat mij

alles in de wereld tegenloopt."

"En dat juist de _Mont blanc_ u tegen_staat_," grinnikte Veervlug.

"Ik ben nu toch benieuwd naar die Arcadische schoonen en hare gracieuse

costumes," zei Torteltak. "Ik hoop toch eens in de gelegenheid te

zullen zijn, om den minnekout van een paar Zwitsersche geliefden af

te luisteren."

Juist ontmoetten zij eene kar, die den berg afreed. Een jonge

Schaffhauser man lag er boven op te slapen; zijne pijp was hem

uit den mond gevallen; zijne bruin verbrande echtgenoote, met wolle

rokken en bloote voeten, hield het paard bij den teugel, om het tegen

het uitglijden te behoeden. Eene gracieuse beweging, die zij met de

lippen maakte, en een zekere dikte aan de linkerwang deden vermoeden,

dat de schoone niet afkeerig was van 't gebruik van pruimtabak.

"Weet je wat mij spijt," zei Pols, "het is, dat ik te Donauëschingen

vergeten heb, het lapje groene zijde uit mijn koffer te krijgen. Dat

is, volgens Ebel, zoo goed voor de oogen, als men in Zwitserland

reist. En wij mogen nu, zoodra wij te Schaffhausen zijn, wel werk

maken van konijnenwollen kousen en schoenen met spijkers; anders kan

men hier in dit land niet loopen."

"En dan mogen wij ook wel terstond voor Alpenstokken zorgen," zei

Torteltak; "want die zullen wij morgen ook wel noodig hebben, als

wij per diligence naar Zurich reizen."

De Engelschman hield terwijl een zeer geanimeerd discours met zijn jong

vrouwtje, dat haar hoofd uit het portier hield; en toen de conducteur

de heeren verzocht weêr in te klimmen, daar men de hoogte had bereikt,

stond een van onze vrienden hem met genoegen zijne plaats in het

rijtuig af, en Hunshow had dus gelegenheid zijn gesprek fluisterend

voort te zetten.

Ten twee ure arriveerde men te Schaffhausen; gelukkig nog met heldere

oogen en gezonde voeten, hoe zich ook Pols over het veronachtzamen

der in Zwitserland noodige voorzorgen had verontrust.

De stad Schaffhausen is omtrent even merkwaardig, als sommige plaatsen

in ons dierbaar Vaderland, met name Kuilenburg, Buren en Montfoort. De

belangstellende vreemdeling kan daar zijne oogen doen weiden over

ouderwetsche gebouwen en vervallen woningen; hij kan struikelen over de

ongelijke keisteenen, die in bevallige wanorde in de straten schijnen

neêrgeworpen; hij kan opmerken, dat onder de takken van nijverheid

het bedelen eene aanzienlijke plaats bekleedt, en ervaren, dat, zoo de

kasteleins de manier niet verstaan om iemand behoorlijk te recipiëren,

zij evenwel in de kunst van declaraties in te leveren aanzienlijke

vorderingen hebben gemaakt. De merkwaardigheden aldaar zijn het

Opvoedingsgesticht voor dienstboden in, en de groote Rijnval buiten

de stad. In het eerste worden de beginselen der brei- en spelkunst

gedoceerd; ook geeft men er grondig onderrigt in het straatschrobben

en vaatwasschen. Weinige vreemdelingen geven zich evenwel de moeite

deze merkwaardige inrigting te gaan opnemen, misschien wel, omdat de

slechte bediening van de in dit gesticht opgevoeden hun geen groote

denkbeelden van deszelfs onontbeerlijkheid inboezemen. De kastelein

uit den _Faucon d'Or_, opmerkende dat onze reizigers veel eetlust

hadden, en voor 's hands nog geen kans ziende om hieraan naar eisch te

voldoen, ried hun aan, van deze oogenblikken gebruik te maken, om het

Dienstboden-instituut te gaan zien, daar het heden Maandag was, en men

dan onderwijs gaf in het stoven van aardappelen. De Engelsche dames

werden hierdoor geanimeerd, en daarom ook de Hollandsche heeren. Pols

bleef te huis; want hij wachtte den schoenmaker, om de schoenen met

spijkers te passen; hij durfde zijn Rotterdamsch schoeisel niet aan

de ongelijke straatsteenen van Schaffhausen wagen.

Zeer voldaan keerde het gezelschap van dien togt terug. Zij hadden van

den _chef_ van het etablissement belangrijke wenken omtrent opvoeding

ontvangen, en waarlijk met bewondering de liefde van den ouden man

voor het dienstbare menschdom opgemerkt, die zelfs zoo ver ging, dat

hij voornemens was, het volgende jaar eenen Almanak voor dienstboden

uit te geven; iets, waartoe hij te meer aangemoedigd werd, omdat

deze klasse in Schaffhausen de talrijkste is. Veervlug merkte aan,

dat dan misschien de uitgave van een Annual voor bedelaars ook niet

onbelangrijk zou zijn, daar, gelijk wij reeds opmerkten, dit vak in

de stad zeer ijverig werd beoefend.

Het _diner_ had niets merkwaardigs, dan dat men voor het eerst

Zwitsersche florellen nuttigde, die ongemeen grondig smaakten. Het

product van eenige nijvere bijen, in den vorm van eene honigraat,

sierde het dessert, en scheen zeer naar den smaak te zijn van een

aantal gonzende vliegen, die, in dit hotel gelogeerd, zware verteringen

schenen te maken, daar zij zich niet ontzagen iederen dag met een

grooter aantal vrienden aan den maaltijd te komen deelnemen. De

familie Hunshow kreeg den inval om den Portwijn van den kastelein te

proeven, en daar hij vrij goed scheen te voldoen, volgden onze vrienden

hun voorbeeld. Pols, dien middag zeer dorstig zijnde, en gewoon den

Duitschen landwijn in groote hoeveelheid te gebruiken, ledigde dikwijls

zijn glas en werd buitengewoon vrolijk; hij gevoelde zich luchtiger

dan ooit, en scheen nu wel lust te gevoelen, om den dans, waarin hij

gisteren zoo uitgemunt had, nog eens te beproeven. Hij schreef deze

luchtigheid toe aan de konijnwollen kousen, die sedert een paar uren

zijne beenen omsloten. Toen hij van tafel opstond, gevoelde hij op eens

de vrijmoedigheid om een Engelsch discours te voeren. Hij wendde zich

daarom tot _Miss_ Mary, en vroeg haar op vrolijken toon: "_How do you

do_?" De dame keek hem verwonderd aan. Zij scheen deze vraag vreemd

te vinden van iemand, met wien zij gedurende meer dan 24 uren bijna

onafgebroken in gezelschap was geweest, en die haar nu voor het eerst

bepaaldelijk toesprak. "_You speak English, Sir!_" vroeg zij hem.--"_A

little_," antwoordde Pols naar waarheid; want toen Mary nog een paar

andere phrases tot hem uitte, kreeg zij geen ander antwoord meer, dan:

"_I cannot understand you._" Van Aartheim, die in de nabijheid was,

nam spoedig het discours over, en spaarde Pols daarna ook de moeite,

om de _Miss_ op den togt naar den Rijnval te geleiden.

Een uur vóór zonneondergang bereikte men dit punt. Men had den raad

van Ebel opgevolgd, om den togt derwaarts niet over Neuhaus te nemen,

maar den overkant van den rivier te houden tot aan het kasteel van

Lauffen. Reeds meer dan een half uur, voordat men aan de plaats kwam,

had men het gedruisch gehoord, door de nederploffing der rivier van

een hoogte van meer dan zestig voet veroorzaakt. In het eerst had

Pols gemeend, dat het kraken zijner nieuwe schoenen dit gedruisch

veroorzaakte; maar toen hij er de ware oorzaak van vernam, gaf hij

zijne verwondering te kennen, daar hij nooit iets dergelijks bij de

watervallen op Hartjesberg of Rozendaal vernomen had.

Het gezigt van den Rijnval bij Schaffhausen, van den kant van

Lauffenburg, is waarlijk indrukwekkend. Wanneer men, op eens voor de

houten balustrade geplaatst, van de hoogte den breeden stortvloed,

door twee rotspunten gebroken, _en profil_ ziet, verdringt de schrik

voor een oogenblik de bewondering, waarmede het heerlijke schouwspel

u vervult; en wanneer men daarna in de diepte nederdaalt en van de

vierkante galerij, die onder de voeten trilt, een oog naar boven

opheft, en men ziet eene onmetelijke massa water met donderend geweld

naar den afgrond storten, en, op de rotsen gebroken, in wolken als van

sneeuw omhoogvliegen, om daarna als schuim weêr in de diepte verzwolgen

te worden, dan is men.... Ja, wie kan zeggen, hoe men dan te moede is?

Van al de belangrijke punten nam ook ons gezelschap den grooten

waterval, die door menschen, welke nooit den Niagara gezien hebben,

dikwijls den Niagara van Europa genaamd wordt, in oogenschouw. Aller

verrukking was groot; maar ieder drukte ze op zijne wijze uit. De

Morder vond het heerlijk, maar miserabel dat het zoo'n barbaarsch

geweld maakte. Holstaff werd opmerkzaam, dat men, zoo men door den

vloed werd weggesleept, een gewissen dood ter prooi zou worden. Pols

wist niet wat hij zeggen zou, maar vond toch, dat die gewast linnen

manteltjes, die men daar, om niet doornat te worden, aantrekt, de

menschen allerkoddigst stonden. Hunshow kocht al de afbeeldingen door

den schilder Bleuler van de verschillende gezigtspunten des watervals,

schoon hij zelf moest bekennen, dat geen een er een flaauw denkbeeld

van uitdrukte. Van Aartheim begon met hem een geleerd discours over het

onvermogen der schilderkunst, daar, waar het treffende in de beweging

en in het gedruisch bestond, en was het ook niet met den Duitscher

eens, waarvan _M. le Comte_ De Walsh spreekt, die meende, dat men

zich door muziek van dit effect een denkbeeld zou kunnen vormen.

Men vond het gepast, na een geruimen tijd in bewondering te hebben

doorgebracht, den Rijn over te varen en zich in het logement een weinig

te verfrisschen. Daar aangekomen, begon Pols over duizeligheid te

klagen, en toen men hem vroeg, of hij daarvan geen reden kon gissen,

schreef hij die geheel toe aan den invloed van den waterval. De

duizeligheid had overigens voor onzen vriend geene gevolgen, dan dat

hij op de terugwandeling moeijelijk regtuit kon loopen, waarvan hij

evenwel de reden meende te zien, dat zijne schoenen scheef gemaakt

waren.

Torteltak, Veervlug en Holstaff hadden het genoegen de dames op dezen

togt te geleiden. Zij hielden het tot Neuhaus uit, met over den Rijnval

te spreken; maar toen dienden de discoursen op iets anders over te

gaan, zoo men niet in herhalingen wilde vallen. Men was wel onvoldaan,

dat men zoo weinig kon zeggen over iets, dat zoo diepen indruk gemaakt

had, maar vond het toch beter over iets anders te praten, dan te

zwijgen. De remplacerende gesprekken waren misschien belangrijk; maar

wij kunnen er niets van meêdeelen, dan dat de namen Grisi, Lablache,

Persiani en Rubini dikwijls door de _Ladies_ werden genoemd.

Hunshow had Van Aartheim onder den arm genomen, en na eerst over

onverschillige zaken gesproken te hebben, zei hij op eens tot hem:

"Mijnheer, ik houd u voor een regtschapen mensch, maar hoe kent

gij Lurgrave?"

Van Aartheim verbleekte en antwoordde niet.

"Ik zag u met hem te Baden-Baden in een druk discours. Ik meen u

tegen hem te moeten waarschuwen."

"Ik dank u voor uw raad," zei de ander; "maar ik ken hem door en door,

en verlang niets vuriger, dan voor altijd van hem ontslagen te zijn;

maar nog ben ik in zijne magt."

"Ik wil niet verder doordringen in uwe geheimen," zei Hunshow,

"maar ik wensch u toe, dat gij spoedig van hem verlost moogt worden."

"Dat geve de Hemel, en tevens, dat ik niet een der heeren, met

wie ik thans reis, door mijne onvoorzigtigheid aan zijne lagen heb

blootgesteld!"

Men arriveerde ten 10 ure in het logement, zeer verfrischt en

aangenaam gestemd door de avondwandeling. Pols evenwel had wat

ligtheid in het hoofd en loomheid in de beenen; hij schreef het toe

aan de konijnenwollen kousen en de schoenen met spijkers.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 20 / 43 题