De tour door het Schwartzwald. Pols maakt kennis met Engelsche
dames bij onweder, en met Ohlsbachsche bij feestmuziek.
De groote route van Baden-Baden naar Zwitserland loopt midden door
het steile gebergte en de donkere bosschen van het Schwartzwald,
dat een weinig noordoostelijk van Baden bij Pforzheim begint, en
door den Rijn tusschen Schaffhausen en Bazel begrensd wordt. Wanneer
men een beminnaar is van woeste natuurtooneelen, niet tegen zware
vermoeienissen opziet, en niet al te veel gewoon is aan de comfortable
logementen van den Rijn en in Zwitserland, kan men hier met genoegen
en vrucht eenige weken doorbrengen; men kan kale rotsen beklimmen,
en van daar langs gedruischmakende bergstroomen naar digtbegroeide
valleijen neêrdalen, waar men altijd overvloed van zwart brood
tot voedsel vindt, en de aarde genoeg met mos is begroeid, om voor
vermoeide leden tot rustbed te strekken. Men kan zich overtuigen,
dat er in het midden van beschaafde landen nog streken zijn, waar
de weelde niet is doorgedrongen, en de zeden van de vroegste eeuwen
zijn bewaard gebleven; waar de kleeding aan geene nieuwe modes is
onderworpen, en de taal noch door verbastering, noch door beschaving,
heeft geleden. In één woord, wie zien wil, hoe de oude Teutonen
omtrent huishielden, wanneer zij niet met de wapenen in de vuist op
veroveringstogten uittrokken, ga naar het minst bezochte gedeelte van
het Schwartzwald, en hij zal op eene zeer weinig kostbare wijze tot de
resultaten komen, waarnaar hij verlangt. Maar die liever wat meer op
zijn gemak reist, en die gaarne bij een goed _souper_ over het schoone
wil nadenken, dat hij des daags zag, en in een welgeschud bed van zijne
vermoeienissen wil uitrusten, bepale zich tot kleine uitstapjes in
de meer bezochte streken, en volge voor het overige de groote route,
waar hij nog gelegenheid genoeg zal hebben, om met nederige hutten,
eenvoudige landbewoners en slechte maaltijden kennis te maken.
Onze reizigers behoorden tot de laatste soort: zij namen zes plaatsen
in den _Grossherzoglichen Badischen Eilwagen_, en verlieten daarmede
des morgens ten 12 ure de badplaats. De helft der vrienden kreeg
plaatsen binnen in den wagen, waar zij drie Engelsche dames ontmoetten;
de helft boven op, waar zij den _cavalier_ der _Ladies_ aantroffen, die
gaarne de zorg voor zijne jonge vrouw en hare zusters aan de vreemde
heeren overliet, zoo hij maar zijne plaats _outside_ niet verloor. De
vrienden zouden nu en dan onderling van plaatsen verwisselen, om zoo de
mooie uitzigten, die zich op hun tour voordeden, eerlijk te deelen. Het
toeval plaatste Pols met de Morder en Van Aartheim het eerst binnen
in de koets; de eerste begon zich zeer gegeneerd te gevoelen, daar
hij volstrekt geen Engelsch verstond, en toch zoo gaarne met drie
zulke lieve dames een praatje wilde maken; De Morder vond dat zij
het beroerd troffen, om op zulk een warmen dag zoo opgepropt in een
wagen te zitten; en Van Aartheim wachtte eene geschikte gelegenheid
af, om een discours met de _Ladies_ te beginnen. Hij scheen niet te
veel verwend door de voorkomendheid en beleefdheid zijner landgenooten
omtrent vreemdelingen, om bang te zijn voor de stugheid en stroefheid,
die men zoo zonder uitzondering aan de Engelschen ten laste legt; ook
_Mistress_ Hunshow en hare zusters Emma en Mary schenen er haar _fort_
niet van te maken, om beleefdheden van vreemde heeren met lompheid
te beantwoorden. Toen Van Aartheim haar attent had gemaakt op een
schoon natuurtooneel, dat zich op hunnen weg voordeed, namen zij
daaruit terstond aanleiding, om over de schoonheden te spreken, die
zij op hare Rijnreis hadden opgemerkt, en die zij nog in Zwitserland
verwachtten. Alle de dames legden hierbij veel schoonheidsgevoel en
een geoefenden smaak aan den dag; en toen het gesprek langzamerhand
van landschappen op landbewoners werd overgebragt, sprak vooral
de schoone Emma zeer onderhoudend over originelen, die zij op reis
ontmoet had, zonder daarbij hare of Van Aartheims landgenooten te
sparen. Zij verhaalde onder anderen van eene zekere familie Dufduin,
die zij in Mainz hadden leeren kennen; hoe Mijnheer haar gevraagd had,
of de Engelschen niet jaloersch waren op den Hollandschen handel, en
of er te Londen ook zulke mooie winkels waren als in de Kalverstraat
te Amsterdam; en hoe zijne zwaarlijvige zuster haar verlangen had
geopenbaard, om eens het Kanaal over te steken, daar zij de echte
plumpudding wel eens proeven wilde, en zich zeer verwonderd had, dat
er in Engeland ook kaas gemaakt werd, daar er toch zooveel Hollandsche
werd ingevoerd.
Terwijl was _outside_ Mijnheer Hunshow in een druk discours gewikkeld
over de Engelsche en Hollandsche politiek: hij gaf zijne tevredenheid
te kennen over de pasbegonnen regering van de jonge Koningin, en zijne
vrees, dat zij moeijelijk tot een huwelijk zou besluiten, en zoo,
bij haar eventuëel overlijden, de gehate Beer van Hanover op den
troon zou komen. Wat Holland betreft, baarde het hem verwondering,
dat men klaagde over de vermeerdering van schuld, daar ieder burger
toch nationaal genoeg moest wezen, om, indien de rente moeijelijk
meer betaald kon worden, zijne pretentie op den staat op te geven;
en hij kon zich niet begrijpen, waarom een land zichzelf vrijwillig
onder curatelen stelde. Torteltak lichtte hem omtrent sommige punten
nader in, en beweerde naar waarheid, dat er in Holland wel enkele
renteniers zouden gevonden worden, die iets tegen zijne wijze van
schuldvernietiging zouden hebben in te brengen. Hij maakte natuurlijk
ook van de gelegenheid gebruik, om over het goede figuur te spreken,
dat zijn Vaderland in de laatste omstandigheden had gemaakt. Maar
schoon de Engelschman den Hollanders in vele opzigten regt deed
wedervaren, scheen hij niet geheel in de opgewondenheid te deelen,
die Torteltak omtrent deze zaken aan den dag legde. Onze vriend moest
het daarom bejammeren, dat de Gedenkboeken van Hollands Roem en de
stukjes over Ontwaakte Leeuwen, Waterleeuwen enz. zoo weinig in den
vreemde gelezen werden, daar zij zoo geheel in staat zouden zijn om
de dingen onpartijdig te leeren beschouwen.
Het was intusschen avond geworden; het _diner_ was te Buhl gebruikt,
en ook Offenburg was reeds achter den rug. Men verlangde sinds
vele uren naar de frischheid van den avond; want de hitte was
broeijend. Men had het aan de digtheid der bosschen toegeschreven,
dat geen enkel koeltje eenige verademing aanbragt; maar men zou in
eene open vlakte niet meer verkwikking hebben genoten. De lucht deed
zich aan het oog voor, alsof zij strak gespannen was en met ongewone
kracht de warmte naar beneden drukte. Maar nu verscheen op eens, daar
de zon in de zee neêrzonk, aan de andere zijde hoog in de lucht een
zwart wolkgevaarte, en begon de wind de toppen der boomen te bewegen,
zonder dat men lager zijne koelte nog gevoelde. Meer en meer naderde
het wolkgevaarte en scheen de warmte voor zich heen te jagen; dikke
droppelen begonnen neêr te vallen en werden door de drooge aarde met
gretigheid ingeslurpt. Weldra barste een onweêr in volle kracht over
het hoofd der reizigers los. Het schemerlicht maakte plaats voor
dikke duisternis, alleen voor ondeelbare oogenblikken afgewisseld
door het felle licht des bliksems; de wolken schenen met donderend
geknal van een te barsten en zich in regenvloeden neder te storten;
de bergstroomen zwollen op en vielen kletterend in de diepte;
rotsklompen werden afgebroken en stortten naar den afgrond af; de
bliksemschichten schenen de zwarte bosschen in vuur te verteren,
en de bergen weêrkaatsten honderdvoud het geratel des donders.
De gewaarwordingen van het personeel voor, in en op den
_Grossherzoglichen Badischen Eilwagen_ waren zeer verschillend. Het
vierspan rende met neêrgebogen koppen in volle vaart over de bergen,
en scheen geheel te vergeten, dat verscheidene menschenlevens door
hunnen woesten ijver werden in gevaar gebragt; de postiljon hield met
alle magt de teugels in, die ieder oogenblik uit zijne handen dreigden
te glippen; de dames sloegen van verrukking de handen ineen, en riepen
niets dan "_beautiful, beautiful indeed_;" Van Aartheim deelde in hare
verrukking, maar had geene termen, om zijne bewondering te uiten;
De Morder vond het al heel akelig, voor een enkelen keer, dat hij
door het Schwartzwald reed, door eene donderbui overvallen te worden;
Pols beschouwde het geval als zeer verontrustend, en beantwoordde
het _beautiful_ der _Ladies_ met een _very inquietant indeed, very
yes_. Hij voorspelde, dat men wel van ongelukken zou hooren, en dat
het weêr hier of daar wel in een molen zou inslaan. Buitenop werd
de verrukking wel eenigzins bekoeld door het nederdalende vocht;
maar toch de Engelschman gaf zijne groote vreugde te kennen, dat
het hem gebeurde, een onweder tusschen de bergen bij te wonen; de
andere heeren wikkelden zich in hunne jassen en mantels, en zagen
het schouwspel in stilte aan.
Het onweder was bedaard; de donderwolken waren overgedreven; en de
woeste onstuimige stortvloed maakte plaats voor eenen geregelden
aanhoudenden regen; de wind zweeg, en de stilte des avonds werd nu
alleen gestoord door het gedruisch der watervallen. Maar nog hield de
duisternis aan. De paarden, van hun rennen afgemat, stapten nu met
moeite langs den glibberigen weg voort. De postiljon hield raad met
den conducteur, en maakte hem opmerkzaam op de afgronden, waarlangs
zij heengleden. Holstaff, dit hoorende, hield beide handen voor zijne
oogen, en las reeds in verbeelding de aandoenlijke advertentie, die
men omtrent hem, den veelbelovenden jongeling, in den bloei zijns
levens door een nootlottig toeval omgekomen, in de Haarlemsche courant
zou plaatsen. Zoo arriveerde men te Ohlsbach; de conducteur meende
vrijheid te vinden, hier af te wachten tot de lucht wat opklaarde,
en zich over deze wijze van handelen wel bij het _Postamt_ zullen
kunnen verantwoorden.
Het was een vreemd schouwspel, dat zich aan de reizigers bij het
binnenkomen der herberg voordeed. De zaak zelve was niets ongewoons,
want het was eene bruiloft; maar wanneer men, na eenige uren in
duisternis en stormachtig weêr te hebben doorgebragt, op eens eene
buitengewoon verlichte kamer binnenkomt,--wanneer men geen ander geluid
gehoord heeft, dan het neêrstorten des regens en het kletteren der
paarden door het water, en men in geruimen tijd niets, zelfs niet zijne
medereizigers, gezien heeft,--dan weet men naauwelijks waar men zich
bevindt, wanneer men op eens vrolijke muziek hoort en opgetooide paren
zich in vrolijke dansen ziet verlustigen.--In de herberg te Ohlsbach
werd de bruiloft van des kasteleins dochter gevierd; haar huwelijk met
een klompenmaker van Gengenbach was dien morgen voltrokken. Bijna al
de jongelingen en boerendeernen der beide plaatsen, in feestkleederen
uitgedost, waren verzameld in het grootste vertrek der woning. De
zwartberookte muren waren voor deze gelegenheid met bonte kleuren
beschilderd; bloemenkransen hingen aan stevige touwen van de zoldering
af, en guirlandes over de kleine, in ijzer gevatte vensterruiten;
vetpotten, in de hoeken der zaal geplaatst, verlichtten en bewalmden
dit vertrek; op eene stellaadje lagen twee bekranste vaten met jong
bier, waaruit de dansers hunne dames verkwikking aanboden; in een
grooten rooden pot was eene soort van geestrijk vocht, met honig
aangemengd, waaruit de speelnooten nu en dan eenen kroes vulden en
aan bruid en bruidegom aanboden. Het jonge paar was schoon; schooner
waren er in de geheele streek sedert lang geene jongelieden verbonden:
donkergele lokken hingen den jongeling over de breede schouders, en
zwierden op het lange vuurroode kamizool en de witte hemdsmouwen, die
er uit te voorschijn kwamen; eene korte broek van groene saaiachtige
stof, een paar lichtgrijze kousen, en schoenen met hooge hakken en
roodkleurige linten op den voet, maakten het overige van zijn kostuum
uit. In zijne handen had hij de bouquetten, bestaande uit een paar
boomtakken, ter lengte van drie voet, met dikke kransen van bladeren
en veelkleurige bloemen omwonden. Aan zijne zijde stond de bruid, rond
en kolossaal gebouwd, met vuurroode wangen en lichtblonde vlechten; een
geel keursje was met rozeroode veters geregen; een bonte halsdoek, van
voren om den hals vastgeknoopt, hing van achteren in vierkante plooijen
af; daarover daalden de lange tressen haar, met linten doorvlochten,
neder, en hingen haar tot de knieën. Zij droeg heden voor het laatst
deze versierselen; want die linten zijn de onderscheidingsteekenen
van den maagdelijken staat. Haar kort bontgestreept rokje werd ten
halve door een wit voorschoot bedekt, en puntige schoentjes waren met
linten om de donkerkleurige kousen vastgestrikt. Haar speelnootjes,
even als zij uitgedost, misten alleen het witte voorschoot.--Juist
toen de reizigers binnenkwamen, voerde men een volksdans uit, waarbij
de bruidegom zijne bruid aan hare vriendinnen, in wier midden zij
stond, moest ontrooven; doch op het zien der vreemdelingen, hielden
de speellieden op, en de voeten der dansers waren dus niet meer in
de gelegenheid om aan de toonen der muziek te gehoorzamen. De dames
verlieten hare positie; den bruidegom werd de moeite bespaard, om
zijne bruid te schaken; want toen haar de speelnooten loslieten,
was zij hem terstond in de armen gevlogen.
Dit alles vernamen de vreemdelingen terstond, en zij bemerkten alras,
dat zij eene warme schuilplaats tegen den regen hadden gevonden. De
meesten hunner waren zeer in hun schik, dat de storm hen genoodzaakt
had, in deze haven binnen te loopen. Maar nog bleef de muziek zwijgen
en stonden de bruiloftsgasten op eenen eerbiedigen afstand. Zij lieten
de helft der zaal aan de vreemdelingen over. Pols, zich eenigzins
verontrustende, dat hunne tegenwoordigheid de vrolijkheid dezer goede
menschen zou verstoren, deed eenige stappen voorwaarts, en zeide in
zuiver Hollandsch: "Eilieve, laat onze komst u niet verhinderen!" Dit
gezegde nu schijnt omtrent even zoo te klinken, als de Teutonische
uitdrukking: "Wil niemand der dames met mij dansen?" althans eene der
speelnooten kwam terstond naar hem toe, en hare linkerhand op zijn
regterarm leggende, trok zij hem mede.--"Zoo was het niet gemeend,"
riep Pols, door deze manoeuvre verbaasd; "waarlijk, ik kan niet
dansen." Hoe nu dit gezegde in de ooren der dansgrage Ohlsbachsche
klonk, zouden wij niet weten te bepalen; maar de deern trok hem steeds
meer naar zich toe. Pols zag haar smeekend aan; hij wist geen uitkomst
meer. "Komaan, dans maar eens! je bent nu aan 't lijntje vast,"
riep Veervlug, die achter hem stond. De muziek begon; daar was geen
mogelijk meer om te ontwijken. Joachim Polsbroekerwoud danste voor
de eerstemaal van zijn leven, en wel in eene boerenherberg te Ohlsbach.
Eén ding had onze goede vriend vooruit boven de andere heeren, die uit
de diligence gekomen waren: een boerenvolksdans uit het Schwartzwald
was hem niet vreemder, dan een wals of eene galoppade. Hij had
slechts flaauwe noties van de danskunst; hij wist dat het bij zulke
gelegenheden voornamelijk op de beenen aankomt, en dus legde hij zich
hoofdzakelijk toe, om die maar van den grond op te ligten. Hij liet
zich overigens door zijne dame leiden als een kind; hij sprong,
tot het zweet hem met groote stralen van het voorhoofd afliep;
hij slingerde zijne armen, totdat zij hem als lam langs het lijf
neêrhingen; nu en dan wierp hij een smeekenden blik op de speellieden,
of zij toch maar ééns wilden ophouden; en toen nu de dans eindigde
in een rondzwieren der heeren om de stilstaande dames, werd de goede
man zoo duizelig, dat hij op den grond zou zijn neêrgestort, zoo zijne
_danseuse_ hem niet had vastgehouden. Alles draaide hem voor de oogen;
en toen eindelijk de muziek ophield, en hij zijn hoofd op de borst
der Schwartzwaldsche schoone liet neêrvallen, scheen hij door een
schaterend gelach van al de toeschouwers uit een droom te ontwaken,
en riep hij op luiden toon uit: "Hemel! waar ben ik?"
"Je bent een slimme vogel," fluisterde Veervlug hem in 't oor.
"Pols, Pols, als Mijntje je zoo eens zag!" zei Torteltak.
"Ik hoop in 's Hemels naam maar niet, dat dit meisje een vrijer heeft,"
zei De Morder; "want je zult zien, dan krijgen wij hier een standje."
Alles liep evenwel goed af: Pols was geen slimme vogel, Mijntje zag
hem niet, en het meisje scheen geen minnaar te hebben. De goede man
zette zich op eene bank bij de biertonnen neêr, en de kastelein bood
hem een verfrisschenden dronk aan.
Terwijl kwam eene andere der speelnooten, en bragt aan de Engelsche
dames een kroes, met den bruidsdrank gevuld; het brouwsel, hoe zoet
ook, smaakte de _Ladies_ evenwel minder dan gewone Portwijn; maar om
nu toch deze beleefdheid te beantwoorden, namen zij de uitnoodiging
van Van Aartheim, Torteltak en Veervlug aan, om aan den dans deel
te nemen; Hunshow nam de dame van Pols over, en dezelfde dans werd
nog eens uitgevoerd. De Ohlsbachers en Gengenbachers schenen in
deze handelwijze veel genoegen te scheppen; zij gaven nu aan hunne
vrolijkheid den vollen teugel, en de reizigers zouden misschien nog
lang aan het feest hebben deelgenomen, zoo niet de conducteur op eens
op luiden toon had uitgeroepen: "Heeren en dames voor Schaffhausen,
de paarden zijn voorgespannen!"
Door Hunshow en Van Aartheim werd namens het gezelschap aan den
bruidsvader een geschenk in geld ter hand gesteld, met verzoek, om
daarvoor het jonge paar eene gedachtenis aan hunne tegenwoordigheid
bij de bruiloft te koopen.
Het schoone gedeelte van Ohlsbach tot Donauëschingen werd door
de meeste onzer vrienden slapende doorreisd. Het was jammer; maar
men troostte zich met het denkbeeld, dat men niet alles kan zien,
en hoopte maar, bij den retour in Holland, geene reizigers te zullen
aantreffen, die, hun _fort_ gemaakt hebbende van de Schwartzwaldreis,
zouden zeggen, dat het nu voor hen net zoo goed was, alsof zij geheel
waren te huis gebleven.
Het uur poozens, dat den reizigers te Donauëschingen wordt toegestaan,
werd doorgebragt, zoo als dat daar gewoonlijk geschiedt: men maakte van
de gelegenheid gebruik, om zich met waschwater te verfrisschen en door
een stevig ontbijt te versterken; en door een uitstapje, dat weinige
minuten tijds vereischte, had men de voldoening, in het Schwartzwald
den oorsprong van ééne rivier, den Donau, te zien; zoo men, door het
korte oponthoud in die streek, al genoodzaakt was, om den Necker,
Wutach, Schwarzach, Kander, Vise, Treisam, Schulter, Kinrig, Murg,
Alb, enz. op hunne eigene gelegenheid te laten ontspringen.
Ten zes ure vervolgde men de reis. Het was een heerlijke morgen. Frisch
en heldergroen ontwaakte het gras, dat door stof bedwelmd en uitgeput
door droogte was ingeslapen. De vogelen hernieuwden het lied, dat
zij den vorigen avond door matheid waren gedwongen af te breken, en
koesterden hunne beregende vleugelen in de warmte der zonnestralen,
wier verschroeijenden gloed zij gisteren onder de schaduw van het
geboomte hadden ontdoken; de bloemen, door den plasregen neêrgebogen,
waagden het op nieuw hare kruinen omhoog te heffen; en het geboomte
spreidde weder zijne bladeren uit, die den vorigen dag slap hadden
neêrgehangen. Ook de slaap, waarin de nacht de diligencelocataires
had gedompeld, werd door een verkwikt ontwaken opgevolgd, en zoo
aan hunne frischheid het waschwater in het logement veel deel had,
het was omdat de waterdigte hoofddeksels en de lederen wagenkappen
zich tegen het doordringen van den regen hadden verzet.
De reizigers bragten de overige uren van den morgen door met in de
diligence de bergen af te draven, en bij het opklimmen hunne passen met
die der paarden te meten. Na nog eenige Badensche plaatsjes te hebben
gepasseerd, en geen het minste onderscheid te hebben gezien tusschen
het Duitsche Wies en het reeds op Zwitserschen bodem gelegen Oos,
hadden zij het land van belofte bereikt, in zichzelven de opmerking
makende, dat de natuur in hare overgangen niet conscientieus de
grensscheidingen der Mogendheden heeft geraadpleegd.