HOOFDSTUK XV.

De tour door het Schwartzwald. Pols maakt kennis met Engelsche

dames bij onweder, en met Ohlsbachsche bij feestmuziek.

De groote route van Baden-Baden naar Zwitserland loopt midden door

het steile gebergte en de donkere bosschen van het Schwartzwald,

dat een weinig noordoostelijk van Baden bij Pforzheim begint, en

door den Rijn tusschen Schaffhausen en Bazel begrensd wordt. Wanneer

men een beminnaar is van woeste natuurtooneelen, niet tegen zware

vermoeienissen opziet, en niet al te veel gewoon is aan de comfortable

logementen van den Rijn en in Zwitserland, kan men hier met genoegen

en vrucht eenige weken doorbrengen; men kan kale rotsen beklimmen,

en van daar langs gedruischmakende bergstroomen naar digtbegroeide

valleijen neêrdalen, waar men altijd overvloed van zwart brood

tot voedsel vindt, en de aarde genoeg met mos is begroeid, om voor

vermoeide leden tot rustbed te strekken. Men kan zich overtuigen,

dat er in het midden van beschaafde landen nog streken zijn, waar

de weelde niet is doorgedrongen, en de zeden van de vroegste eeuwen

zijn bewaard gebleven; waar de kleeding aan geene nieuwe modes is

onderworpen, en de taal noch door verbastering, noch door beschaving,

heeft geleden. In één woord, wie zien wil, hoe de oude Teutonen

omtrent huishielden, wanneer zij niet met de wapenen in de vuist op

veroveringstogten uittrokken, ga naar het minst bezochte gedeelte van

het Schwartzwald, en hij zal op eene zeer weinig kostbare wijze tot de

resultaten komen, waarnaar hij verlangt. Maar die liever wat meer op

zijn gemak reist, en die gaarne bij een goed _souper_ over het schoone

wil nadenken, dat hij des daags zag, en in een welgeschud bed van zijne

vermoeienissen wil uitrusten, bepale zich tot kleine uitstapjes in

de meer bezochte streken, en volge voor het overige de groote route,

waar hij nog gelegenheid genoeg zal hebben, om met nederige hutten,

eenvoudige landbewoners en slechte maaltijden kennis te maken.

Onze reizigers behoorden tot de laatste soort: zij namen zes plaatsen

in den _Grossherzoglichen Badischen Eilwagen_, en verlieten daarmede

des morgens ten 12 ure de badplaats. De helft der vrienden kreeg

plaatsen binnen in den wagen, waar zij drie Engelsche dames ontmoetten;

de helft boven op, waar zij den _cavalier_ der _Ladies_ aantroffen, die

gaarne de zorg voor zijne jonge vrouw en hare zusters aan de vreemde

heeren overliet, zoo hij maar zijne plaats _outside_ niet verloor. De

vrienden zouden nu en dan onderling van plaatsen verwisselen, om zoo de

mooie uitzigten, die zich op hun tour voordeden, eerlijk te deelen. Het

toeval plaatste Pols met de Morder en Van Aartheim het eerst binnen

in de koets; de eerste begon zich zeer gegeneerd te gevoelen, daar

hij volstrekt geen Engelsch verstond, en toch zoo gaarne met drie

zulke lieve dames een praatje wilde maken; De Morder vond dat zij

het beroerd troffen, om op zulk een warmen dag zoo opgepropt in een

wagen te zitten; en Van Aartheim wachtte eene geschikte gelegenheid

af, om een discours met de _Ladies_ te beginnen. Hij scheen niet te

veel verwend door de voorkomendheid en beleefdheid zijner landgenooten

omtrent vreemdelingen, om bang te zijn voor de stugheid en stroefheid,

die men zoo zonder uitzondering aan de Engelschen ten laste legt; ook

_Mistress_ Hunshow en hare zusters Emma en Mary schenen er haar _fort_

niet van te maken, om beleefdheden van vreemde heeren met lompheid

te beantwoorden. Toen Van Aartheim haar attent had gemaakt op een

schoon natuurtooneel, dat zich op hunnen weg voordeed, namen zij

daaruit terstond aanleiding, om over de schoonheden te spreken, die

zij op hare Rijnreis hadden opgemerkt, en die zij nog in Zwitserland

verwachtten. Alle de dames legden hierbij veel schoonheidsgevoel en

een geoefenden smaak aan den dag; en toen het gesprek langzamerhand

van landschappen op landbewoners werd overgebragt, sprak vooral

de schoone Emma zeer onderhoudend over originelen, die zij op reis

ontmoet had, zonder daarbij hare of Van Aartheims landgenooten te

sparen. Zij verhaalde onder anderen van eene zekere familie Dufduin,

die zij in Mainz hadden leeren kennen; hoe Mijnheer haar gevraagd had,

of de Engelschen niet jaloersch waren op den Hollandschen handel, en

of er te Londen ook zulke mooie winkels waren als in de Kalverstraat

te Amsterdam; en hoe zijne zwaarlijvige zuster haar verlangen had

geopenbaard, om eens het Kanaal over te steken, daar zij de echte

plumpudding wel eens proeven wilde, en zich zeer verwonderd had, dat

er in Engeland ook kaas gemaakt werd, daar er toch zooveel Hollandsche

werd ingevoerd.

Terwijl was _outside_ Mijnheer Hunshow in een druk discours gewikkeld

over de Engelsche en Hollandsche politiek: hij gaf zijne tevredenheid

te kennen over de pasbegonnen regering van de jonge Koningin, en zijne

vrees, dat zij moeijelijk tot een huwelijk zou besluiten, en zoo,

bij haar eventuëel overlijden, de gehate Beer van Hanover op den

troon zou komen. Wat Holland betreft, baarde het hem verwondering,

dat men klaagde over de vermeerdering van schuld, daar ieder burger

toch nationaal genoeg moest wezen, om, indien de rente moeijelijk

meer betaald kon worden, zijne pretentie op den staat op te geven;

en hij kon zich niet begrijpen, waarom een land zichzelf vrijwillig

onder curatelen stelde. Torteltak lichtte hem omtrent sommige punten

nader in, en beweerde naar waarheid, dat er in Holland wel enkele

renteniers zouden gevonden worden, die iets tegen zijne wijze van

schuldvernietiging zouden hebben in te brengen. Hij maakte natuurlijk

ook van de gelegenheid gebruik, om over het goede figuur te spreken,

dat zijn Vaderland in de laatste omstandigheden had gemaakt. Maar

schoon de Engelschman den Hollanders in vele opzigten regt deed

wedervaren, scheen hij niet geheel in de opgewondenheid te deelen,

die Torteltak omtrent deze zaken aan den dag legde. Onze vriend moest

het daarom bejammeren, dat de Gedenkboeken van Hollands Roem en de

stukjes over Ontwaakte Leeuwen, Waterleeuwen enz. zoo weinig in den

vreemde gelezen werden, daar zij zoo geheel in staat zouden zijn om

de dingen onpartijdig te leeren beschouwen.

Het was intusschen avond geworden; het _diner_ was te Buhl gebruikt,

en ook Offenburg was reeds achter den rug. Men verlangde sinds

vele uren naar de frischheid van den avond; want de hitte was

broeijend. Men had het aan de digtheid der bosschen toegeschreven,

dat geen enkel koeltje eenige verademing aanbragt; maar men zou in

eene open vlakte niet meer verkwikking hebben genoten. De lucht deed

zich aan het oog voor, alsof zij strak gespannen was en met ongewone

kracht de warmte naar beneden drukte. Maar nu verscheen op eens, daar

de zon in de zee neêrzonk, aan de andere zijde hoog in de lucht een

zwart wolkgevaarte, en begon de wind de toppen der boomen te bewegen,

zonder dat men lager zijne koelte nog gevoelde. Meer en meer naderde

het wolkgevaarte en scheen de warmte voor zich heen te jagen; dikke

droppelen begonnen neêr te vallen en werden door de drooge aarde met

gretigheid ingeslurpt. Weldra barste een onweêr in volle kracht over

het hoofd der reizigers los. Het schemerlicht maakte plaats voor

dikke duisternis, alleen voor ondeelbare oogenblikken afgewisseld

door het felle licht des bliksems; de wolken schenen met donderend

geknal van een te barsten en zich in regenvloeden neder te storten;

de bergstroomen zwollen op en vielen kletterend in de diepte;

rotsklompen werden afgebroken en stortten naar den afgrond af; de

bliksemschichten schenen de zwarte bosschen in vuur te verteren,

en de bergen weêrkaatsten honderdvoud het geratel des donders.

De gewaarwordingen van het personeel voor, in en op den

_Grossherzoglichen Badischen Eilwagen_ waren zeer verschillend. Het

vierspan rende met neêrgebogen koppen in volle vaart over de bergen,

en scheen geheel te vergeten, dat verscheidene menschenlevens door

hunnen woesten ijver werden in gevaar gebragt; de postiljon hield met

alle magt de teugels in, die ieder oogenblik uit zijne handen dreigden

te glippen; de dames sloegen van verrukking de handen ineen, en riepen

niets dan "_beautiful, beautiful indeed_;" Van Aartheim deelde in hare

verrukking, maar had geene termen, om zijne bewondering te uiten;

De Morder vond het al heel akelig, voor een enkelen keer, dat hij

door het Schwartzwald reed, door eene donderbui overvallen te worden;

Pols beschouwde het geval als zeer verontrustend, en beantwoordde

het _beautiful_ der _Ladies_ met een _very inquietant indeed, very

yes_. Hij voorspelde, dat men wel van ongelukken zou hooren, en dat

het weêr hier of daar wel in een molen zou inslaan. Buitenop werd

de verrukking wel eenigzins bekoeld door het nederdalende vocht;

maar toch de Engelschman gaf zijne groote vreugde te kennen, dat

het hem gebeurde, een onweder tusschen de bergen bij te wonen; de

andere heeren wikkelden zich in hunne jassen en mantels, en zagen

het schouwspel in stilte aan.

Het onweder was bedaard; de donderwolken waren overgedreven; en de

woeste onstuimige stortvloed maakte plaats voor eenen geregelden

aanhoudenden regen; de wind zweeg, en de stilte des avonds werd nu

alleen gestoord door het gedruisch der watervallen. Maar nog hield de

duisternis aan. De paarden, van hun rennen afgemat, stapten nu met

moeite langs den glibberigen weg voort. De postiljon hield raad met

den conducteur, en maakte hem opmerkzaam op de afgronden, waarlangs

zij heengleden. Holstaff, dit hoorende, hield beide handen voor zijne

oogen, en las reeds in verbeelding de aandoenlijke advertentie, die

men omtrent hem, den veelbelovenden jongeling, in den bloei zijns

levens door een nootlottig toeval omgekomen, in de Haarlemsche courant

zou plaatsen. Zoo arriveerde men te Ohlsbach; de conducteur meende

vrijheid te vinden, hier af te wachten tot de lucht wat opklaarde,

en zich over deze wijze van handelen wel bij het _Postamt_ zullen

kunnen verantwoorden.

Het was een vreemd schouwspel, dat zich aan de reizigers bij het

binnenkomen der herberg voordeed. De zaak zelve was niets ongewoons,

want het was eene bruiloft; maar wanneer men, na eenige uren in

duisternis en stormachtig weêr te hebben doorgebragt, op eens eene

buitengewoon verlichte kamer binnenkomt,--wanneer men geen ander geluid

gehoord heeft, dan het neêrstorten des regens en het kletteren der

paarden door het water, en men in geruimen tijd niets, zelfs niet zijne

medereizigers, gezien heeft,--dan weet men naauwelijks waar men zich

bevindt, wanneer men op eens vrolijke muziek hoort en opgetooide paren

zich in vrolijke dansen ziet verlustigen.--In de herberg te Ohlsbach

werd de bruiloft van des kasteleins dochter gevierd; haar huwelijk met

een klompenmaker van Gengenbach was dien morgen voltrokken. Bijna al

de jongelingen en boerendeernen der beide plaatsen, in feestkleederen

uitgedost, waren verzameld in het grootste vertrek der woning. De

zwartberookte muren waren voor deze gelegenheid met bonte kleuren

beschilderd; bloemenkransen hingen aan stevige touwen van de zoldering

af, en guirlandes over de kleine, in ijzer gevatte vensterruiten;

vetpotten, in de hoeken der zaal geplaatst, verlichtten en bewalmden

dit vertrek; op eene stellaadje lagen twee bekranste vaten met jong

bier, waaruit de dansers hunne dames verkwikking aanboden; in een

grooten rooden pot was eene soort van geestrijk vocht, met honig

aangemengd, waaruit de speelnooten nu en dan eenen kroes vulden en

aan bruid en bruidegom aanboden. Het jonge paar was schoon; schooner

waren er in de geheele streek sedert lang geene jongelieden verbonden:

donkergele lokken hingen den jongeling over de breede schouders, en

zwierden op het lange vuurroode kamizool en de witte hemdsmouwen, die

er uit te voorschijn kwamen; eene korte broek van groene saaiachtige

stof, een paar lichtgrijze kousen, en schoenen met hooge hakken en

roodkleurige linten op den voet, maakten het overige van zijn kostuum

uit. In zijne handen had hij de bouquetten, bestaande uit een paar

boomtakken, ter lengte van drie voet, met dikke kransen van bladeren

en veelkleurige bloemen omwonden. Aan zijne zijde stond de bruid, rond

en kolossaal gebouwd, met vuurroode wangen en lichtblonde vlechten; een

geel keursje was met rozeroode veters geregen; een bonte halsdoek, van

voren om den hals vastgeknoopt, hing van achteren in vierkante plooijen

af; daarover daalden de lange tressen haar, met linten doorvlochten,

neder, en hingen haar tot de knieën. Zij droeg heden voor het laatst

deze versierselen; want die linten zijn de onderscheidingsteekenen

van den maagdelijken staat. Haar kort bontgestreept rokje werd ten

halve door een wit voorschoot bedekt, en puntige schoentjes waren met

linten om de donkerkleurige kousen vastgestrikt. Haar speelnootjes,

even als zij uitgedost, misten alleen het witte voorschoot.--Juist

toen de reizigers binnenkwamen, voerde men een volksdans uit, waarbij

de bruidegom zijne bruid aan hare vriendinnen, in wier midden zij

stond, moest ontrooven; doch op het zien der vreemdelingen, hielden

de speellieden op, en de voeten der dansers waren dus niet meer in

de gelegenheid om aan de toonen der muziek te gehoorzamen. De dames

verlieten hare positie; den bruidegom werd de moeite bespaard, om

zijne bruid te schaken; want toen haar de speelnooten loslieten,

was zij hem terstond in de armen gevlogen.

Dit alles vernamen de vreemdelingen terstond, en zij bemerkten alras,

dat zij eene warme schuilplaats tegen den regen hadden gevonden. De

meesten hunner waren zeer in hun schik, dat de storm hen genoodzaakt

had, in deze haven binnen te loopen. Maar nog bleef de muziek zwijgen

en stonden de bruiloftsgasten op eenen eerbiedigen afstand. Zij lieten

de helft der zaal aan de vreemdelingen over. Pols, zich eenigzins

verontrustende, dat hunne tegenwoordigheid de vrolijkheid dezer goede

menschen zou verstoren, deed eenige stappen voorwaarts, en zeide in

zuiver Hollandsch: "Eilieve, laat onze komst u niet verhinderen!" Dit

gezegde nu schijnt omtrent even zoo te klinken, als de Teutonische

uitdrukking: "Wil niemand der dames met mij dansen?" althans eene der

speelnooten kwam terstond naar hem toe, en hare linkerhand op zijn

regterarm leggende, trok zij hem mede.--"Zoo was het niet gemeend,"

riep Pols, door deze manoeuvre verbaasd; "waarlijk, ik kan niet

dansen." Hoe nu dit gezegde in de ooren der dansgrage Ohlsbachsche

klonk, zouden wij niet weten te bepalen; maar de deern trok hem steeds

meer naar zich toe. Pols zag haar smeekend aan; hij wist geen uitkomst

meer. "Komaan, dans maar eens! je bent nu aan 't lijntje vast,"

riep Veervlug, die achter hem stond. De muziek begon; daar was geen

mogelijk meer om te ontwijken. Joachim Polsbroekerwoud danste voor

de eerstemaal van zijn leven, en wel in eene boerenherberg te Ohlsbach.

Eén ding had onze goede vriend vooruit boven de andere heeren, die uit

de diligence gekomen waren: een boerenvolksdans uit het Schwartzwald

was hem niet vreemder, dan een wals of eene galoppade. Hij had

slechts flaauwe noties van de danskunst; hij wist dat het bij zulke

gelegenheden voornamelijk op de beenen aankomt, en dus legde hij zich

hoofdzakelijk toe, om die maar van den grond op te ligten. Hij liet

zich overigens door zijne dame leiden als een kind; hij sprong,

tot het zweet hem met groote stralen van het voorhoofd afliep;

hij slingerde zijne armen, totdat zij hem als lam langs het lijf

neêrhingen; nu en dan wierp hij een smeekenden blik op de speellieden,

of zij toch maar ééns wilden ophouden; en toen nu de dans eindigde

in een rondzwieren der heeren om de stilstaande dames, werd de goede

man zoo duizelig, dat hij op den grond zou zijn neêrgestort, zoo zijne

_danseuse_ hem niet had vastgehouden. Alles draaide hem voor de oogen;

en toen eindelijk de muziek ophield, en hij zijn hoofd op de borst

der Schwartzwaldsche schoone liet neêrvallen, scheen hij door een

schaterend gelach van al de toeschouwers uit een droom te ontwaken,

en riep hij op luiden toon uit: "Hemel! waar ben ik?"

"Je bent een slimme vogel," fluisterde Veervlug hem in 't oor.

"Pols, Pols, als Mijntje je zoo eens zag!" zei Torteltak.

"Ik hoop in 's Hemels naam maar niet, dat dit meisje een vrijer heeft,"

zei De Morder; "want je zult zien, dan krijgen wij hier een standje."

Alles liep evenwel goed af: Pols was geen slimme vogel, Mijntje zag

hem niet, en het meisje scheen geen minnaar te hebben. De goede man

zette zich op eene bank bij de biertonnen neêr, en de kastelein bood

hem een verfrisschenden dronk aan.

Terwijl kwam eene andere der speelnooten, en bragt aan de Engelsche

dames een kroes, met den bruidsdrank gevuld; het brouwsel, hoe zoet

ook, smaakte de _Ladies_ evenwel minder dan gewone Portwijn; maar om

nu toch deze beleefdheid te beantwoorden, namen zij de uitnoodiging

van Van Aartheim, Torteltak en Veervlug aan, om aan den dans deel

te nemen; Hunshow nam de dame van Pols over, en dezelfde dans werd

nog eens uitgevoerd. De Ohlsbachers en Gengenbachers schenen in

deze handelwijze veel genoegen te scheppen; zij gaven nu aan hunne

vrolijkheid den vollen teugel, en de reizigers zouden misschien nog

lang aan het feest hebben deelgenomen, zoo niet de conducteur op eens

op luiden toon had uitgeroepen: "Heeren en dames voor Schaffhausen,

de paarden zijn voorgespannen!"

Door Hunshow en Van Aartheim werd namens het gezelschap aan den

bruidsvader een geschenk in geld ter hand gesteld, met verzoek, om

daarvoor het jonge paar eene gedachtenis aan hunne tegenwoordigheid

bij de bruiloft te koopen.

Het schoone gedeelte van Ohlsbach tot Donauëschingen werd door

de meeste onzer vrienden slapende doorreisd. Het was jammer; maar

men troostte zich met het denkbeeld, dat men niet alles kan zien,

en hoopte maar, bij den retour in Holland, geene reizigers te zullen

aantreffen, die, hun _fort_ gemaakt hebbende van de Schwartzwaldreis,

zouden zeggen, dat het nu voor hen net zoo goed was, alsof zij geheel

waren te huis gebleven.

Het uur poozens, dat den reizigers te Donauëschingen wordt toegestaan,

werd doorgebragt, zoo als dat daar gewoonlijk geschiedt: men maakte van

de gelegenheid gebruik, om zich met waschwater te verfrisschen en door

een stevig ontbijt te versterken; en door een uitstapje, dat weinige

minuten tijds vereischte, had men de voldoening, in het Schwartzwald

den oorsprong van ééne rivier, den Donau, te zien; zoo men, door het

korte oponthoud in die streek, al genoodzaakt was, om den Necker,

Wutach, Schwarzach, Kander, Vise, Treisam, Schulter, Kinrig, Murg,

Alb, enz. op hunne eigene gelegenheid te laten ontspringen.

Ten zes ure vervolgde men de reis. Het was een heerlijke morgen. Frisch

en heldergroen ontwaakte het gras, dat door stof bedwelmd en uitgeput

door droogte was ingeslapen. De vogelen hernieuwden het lied, dat

zij den vorigen avond door matheid waren gedwongen af te breken, en

koesterden hunne beregende vleugelen in de warmte der zonnestralen,

wier verschroeijenden gloed zij gisteren onder de schaduw van het

geboomte hadden ontdoken; de bloemen, door den plasregen neêrgebogen,

waagden het op nieuw hare kruinen omhoog te heffen; en het geboomte

spreidde weder zijne bladeren uit, die den vorigen dag slap hadden

neêrgehangen. Ook de slaap, waarin de nacht de diligencelocataires

had gedompeld, werd door een verkwikt ontwaken opgevolgd, en zoo

aan hunne frischheid het waschwater in het logement veel deel had,

het was omdat de waterdigte hoofddeksels en de lederen wagenkappen

zich tegen het doordringen van den regen hadden verzet.

De reizigers bragten de overige uren van den morgen door met in de

diligence de bergen af te draven, en bij het opklimmen hunne passen met

die der paarden te meten. Na nog eenige Badensche plaatsjes te hebben

gepasseerd, en geen het minste onderscheid te hebben gezien tusschen

het Duitsche Wies en het reeds op Zwitserschen bodem gelegen Oos,

hadden zij het land van belofte bereikt, in zichzelven de opmerking

makende, dat de natuur in hare overgangen niet conscientieus de

grensscheidingen der Mogendheden heeft geraadpleegd.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 19 / 43 题