De reizigers bezoeken twee badplaatsen. Op de eene maakt Pols
eene schitterende vertooning; op de andere blijft hij geheel
onopgemerkt.
Men raadt iedereen, die een Rijnreisje maakt, aan, om toch vooral
veel gebruik te maken van retourrijtuigen. Onder de voordeelen,
die deze manier van reizen aanbiedt, somt men op, dat het nagenoeg
geen geld kost, en dat men niet zoo onbesuisd het land doorholt
als in eene diligence en per post, maar alles op zijn gemak kan
opnemen. Dit laatste vooral zal wel niemand tegenspreken. De
retourrijtuig-voerlieden verstaan meesterlijk de kunst, om hunne
paarden in zeer bedaarden tred te houden; en om hunne passagiers
zooveel mogelijk afwisseling en genot te verschaffen, vergunnen
zij hun, om bij het opklimmen van bergen naast het rijtuig voort
te wandelen, en zelfs nu en dan zich op het gras neêr te vlijen,
wanneer zij zuinigheidshalve niet aan logementen, maar midden op den
weg, hunne paarden een voêrtje geven. De genoegens, die deze manier
van reizen aanbiedt, zijn dus menigvuldig en de raad van ervaren
reizigers hieromtrent dient door die van mindere ondervinding te
worden opgevolgd; te meer daar, volgens de opgave van sommigen, de
gelegenheid zich zoo dikwijls voordoet, dat de Duitsche rijtuigen
bijna nooit andere dan retourreizen schijnen te maken.
Het was na lange en vermoeiende nasporingen, dat ons reisgezelschap
eindelijk van een dier gelegenheden, die zich van zelve voordoen,
kon profiteren. Een koetsier van Rastadt bood zijne calèche aan,
om het zestal van Heidelberg naar Baden-Baden te voeren voor omtrent
denzelfden prijs, dien men voor een postrijtuig betaalt. De wagen was
breed, de paarden waren smal, en de koetsier vrolijk; dus besloot men
dit aanbod niet van de hand te wijzen, en men verliet in den vroegen
morgen de oude Akademiestad.
Het was een schoone zomerochtend. De zon scheen in vollen glans aan
den helderblauwen hemel; ongestoord stortte zij haren gloed op het
frissche groen uit; verkwikkend was hare warmte na de koelte van den
nacht; overal, waar haar licht doordrong, verhelderden de kleuren, en
scheen een nieuw leven te ontstaan; en ook op de langzaam voortrollende
reiscalèche oefende zij haren invloed uit. Schilderachtig vooral was
haar effect op het bruinverbrande gelaat van Pols; als gepolituurd
mahonyhout glommen zijne wangen, en de geleende glans deed zijne oogen
schitteren. Gemakkelijk drukte hij zich in een hoekje van het rijtuig;
en zijne genoegelijke gewaarwordingen op den lieven zomermorgen,
na een weldoorgebragten nacht en een genuttigd _frühstück_, stemden
hem tot een aangenaam peinzend stilzwijgen; totdat hij eindelijk het
resultaat zijner bespiegelingen in deze woorden uitte: "Wat heeft
men toch al aangename afwisselingen op reis!"
"Dat dacht ik eergisteren ook," zei Torteltak, "toen ik je aan den
rand van den vijver den mac-intosh aantrok."
"Toen hadt je omtrent even aangename afwisseling," viel Veervlug in,
"als de dief, toen hij eerst gegeeseld en daarna gebrandmerkt werd."
"Wat loopen die paarden weêr beroerd langzaam!" riep de Morder.
"Dan hebben wij lang genot voor ons geld," grinnikte zijn buurman.
"Voort, dat jonge goedje! hu, piassen!" riep de koetsier op vrolijken
toon tot twee eerwaardige grijsaards, die volstrekt niet in zijne
opgewondenheid schenen te deelen, en zich weinig in hunne carrière
als paarden te verlustigen.
"Maar wij hebben immers zoo'n groote haast niet," zei Van Aartheim,
om De Morder wat tevreden te stellen; "wij kunnen toch gemakkelijk
vóór den avond te Baden aankomen, en zullen in de vrije lucht toch
wel meer jouïsseren, dan in een volgepropt logement. En levert deze
route niet een groote verscheidenheid van schoone gezigtspunten op?"
"Ja, 't is charmant," zei Pols; "'t zou mij niet kunnen schelen,
om zoo'n mooien weg te wandelen."
Juist reed men tegen eene vrij aanzienlijke hoogte op, hoewel hier
anders de landstreek niet bijzonder bergachtig is. De koetsier,
misschien de aanmerking van Pols verstaan hebbende, misschien ook uit
eigene beweging den heeren eene attentie willende bewijzen, proponeerde
hun om een eindwegs naast het rijtuig voort te stappen, en sommigen
gaven aan deze uitnoodiging met vreugde, anderen morrende gehoor.
Ook "het jonge goedje" scheen dit uitstapje niet onaangenaam te
wezen. Met luchtiger tred gingen zij voor het rijtuig voort, nu en
dan de groep reizigers van ter zijde met eene uitdrukking op het
gelaat aanziende, alsof zij zeggen wilden: "Als die er allen inzaten,
verwondert het ons niet meer, dat het vrachtje zwaar was."
"Voort, die Turken!" riep het koetsiertje, als de dieren, in gepeins
verzonken, vergaten hunne pooten te verzetten, en om hen wat te
vervrolijken, zong hij hun eenige zijner liedjes voor, waarin hij
onuitputtelijk scheen.
"Nicht zu reich und nicht zu arm,
Nicht zu kalt und nicht zu warm,
Nicht zu gross und nicht zu klein--
Kein's von diesen möcht' ich seyn."
"Dat is wel een aardig liedje," zei Pols; "wie heeft dat gemaakt?"
"Gemaakt?" vroeg het boertje verwonderd; "wel, ik heb het van mijn
vader geleerd."
"'t Is zeker van eene soort van Maatschappij tot Nut van
't Algemeen," zei Pols tot Torteltak.
"Zoudt gij dat denken?" zei deze; "de toon is toch wat populair."
"Hu, hu, voort! daar komen de Kozakken!" riep de koetsier zijne
paarden toe. Deze hadden misschien vóór vijfentwintig jaren en onder
andere omstandigheden op deze incitatie den gezwinden pas aangenomen;
nu evenwel bepaalden zij zich tot een zeer gematigden tred.
Men had de hoogte bereikt, en klom weêr in het rijtuig: de Morder
met het vaste voornemen, om, al moesten zij nu den _Mont blanc_
overrijden, niet weêr uit te klimmen; de anderen moede en warm, maar
toch opgeruimder. Men passeerde weldra Mingolsheim, en Holstaff raakte
in verrukking, toen hij het lieve kerkhof aldaar ontdekte. Hij vroeg
aan het boertje, of hij daarop geen toepasselijk liedje kende. Deze
antwoordde, dat hij niet wist, wat hij daarmeê bedoelde, maar dat
hij nog wel een liedje wou zingen. Hierop begon hij met heldere stem:
"Schön ist mein Mädchen,
Schlank wie ein Dräthchen,
Fein wie ein Fädchen
Wonnig und warm."
"Ik wou, dat ik het hem niet gevraagd had," zei Holstaff, door dit
begin teleurgesteld.
"Ik vind het heel aardig," zei Pols.
"Misschien wordt het straks wel treuriger," troostte Veervlug.
"Mir in das Leben
Freude zu weben,
Ward sie gegeben
Mir in den Arm."
ging de zanger voort.
"Dat draait al wat naar het sentimentele," zei Torteltak.
"Wacht maar!" zei Veervlug: "'t is een echt Duitsch liedje; straks
zal de doodgraver zijn werk ook wel krijgen."
Het boertje ging voort:
"Ursel im Röckchen,
Rund wie ein Glöckchen,
Springt wie ein Böckchen
Fröhlich im Tanz."
"Dat heb je vast op je liefje gemaakt!"
"Ik plagt het haar ten minste dikwijls voor te zingen, voordat wij
trouwden, en toen zij nog zoo'n dampige knol niet was."
"Wat meent ge daarmeê?" vroeg onze vriend verwonderd.
"Wel wat anders, dan dat ze, of het koud is of warm, altijd ligt te
hoesten of te fniesen. Zij kan geen twee uren staan spaden, of ze is
heel uit haar adem en droezig."
"Dan zal ze ook nu niet meer springen _wie ein Böckchen_," merkte
Veervlug aan.
"Zij heeft nu wel wat anders te doen dan dansen. Met der haast moet
zij aan 't maaijen. Maar van dien kant had ik 't wel beter kunnen
treffen; want als ik nu en dan niet een handje help, komt de oogst
slecht binnen."
"Ik merk," zeide Torteltak, "dat de levenswijs der dames hier niet
bijzonder comfortable is."
"Neen, waarlijk niet," antwoordde Van Aartheim: "hoe verder men in
dit land komt, hoe meer men verstomd staat over den zwaren arbeid,
dien de teedere sekse moet verrigten; terwijl het sterkere geslacht
met pijpenrooken en slapen den tijd doorbrengt.
"In den gindschen elzenschaâuw
Ligt de maaier, mat en flaauw."
Maar 't is eigenlijk meer loomheid dan matheid; en met de vrolijkheid
en frischheid der vrouwen is 't juist niet precies zoo als bij den
dichter:
"'t Meisjen veegt met purpren handen,
Gloeiend van het zonnebranden,
't Druipend voorhoofd lachend droog.
Laat de lucht haar frischheid rooven,
Fier van aan zijn zij' te sloven,
Raapt zy aren, bindt zy schoven,
Het genoegen in het oog."
"Mijnheer schijnt ook liedjes te kennen," zei het boertje; "'t spijt
mij, dat ik het niet best begrijpen kan."
Men was intusschen aan Langenbrücken genaderd, en daar het twaalf
ure was, en de zon nog steeds het rijk alleen had, door wind noch
wolken op zij gestreefd, besloot men een uurtje de koelte te zoeken,
en stapte in een logement af, om het _diner_ te gebruiken. Na afloop
des maaltijds, waaraan ook de koetsier, niet uitsluitend opgewonden
voor den heerlijken "_Kartoffeln Magenpflaster_", en niet bevreesd dat
"_Pasteien und Leckerbrod_" hem spoedig in het graf zouden helpen,
had deelgenomen, was den vrienden eene groote verrassing bereid. Zij
vernamen van den _Gastgeber_, dat Langenbrücken eene zeer beroemde
badplaats was, waarheen men van heinde en ver toestroomde, en dat
de wateren van het Amaliënbed op gezonden en zieken den heilzaamsten
invloed uitoefenden. Bij nader onderzoek bleek het inderdaad, dat de
kastelein niet te veel gezegd had: de badwateren zijn, in den volsten
zin des woords, in de meeste gevallen onschadelijk; de Amaliënbron
levert een vocht op, dat zelfs door de naauwkeurigste proevers
beschouwd werd als geheel overeenkomende met gewoon koud water, tot
dat de zeer geleerde Heer Siegel, eenige jaren geleden, ontdekte,
dat dit vocht, na eenige uren door de middagzon beschenen te zijn,
laauw werd; dat het, op saffraan gegoten, eene gele kleur aannam;
en zelfs door de vermenging met een weinig suiker eenen zoetachtigen
smaak verkreeg. Naauwelijks had gemelde Heer deze eigenschappen
ontdekt, of hij besloot met dit bijzondere water eenige proeven te
nemen. Hij liet het een vriend gebruiken, die sedert geruimen tijd
aan rheumatiek in den arm geleden had, en die tevens op raad van een
anderen doctor het pijnlijke lid geheel met watten had omwonden. En
waarlijk, na weinige dagen had het heilzame water effect: de lijder
gevoelde veel minder pijn; het was of het vocht hem den arm verwarmde,
en hij kreeg er langzamerhand het gebruik van terug. Op gelijke wijze
wendde hij het aan bij eene vrouw, die door hevige koortsen geteisterd
werd, en deed het haar, gemengd met _sulphas quininae_, gebruiken;
en ziet, in korten tijd verliet haar de koorts. Hierbij liet het de
warme menschenvriend niet; waar hij hoorde van ziekten en kwalen,
zond hij kruiken vol van het weldadige vocht; en de kastelein uit _de
Zon_ te Langenbrücken, om ook van zijne zijde iets goed te beproeven,
adverteerde, dat in zijn hotel kamers zouden worden afgestaan aan
hen, die op de plaats zelve de badkuur wilden ondergaan. Nu stroomden
de rheumatieken en koortsigen, wel van zes mijlen in het rond, toe;
en toen eenigen tijd daarna bij de bron een _Conversationshaus_ was
aangebouwd, aarzelden ook de betrekkingen der lijders niet meer om
hen te vergezellen, en ondervonden ook de gezonden, dat het badwater,
met goeden Rijnwijn aangelengd, eene zeer verfrisschende, en met
Franschen brandewijn vermengd, zelfs eene vervrolijkende kracht had.
Ons reisgezelschap vond het gepast de courzaal in oogenschouw te gaan
nemen. Het was in het drokste van 't saizoen; vijfendertig reizigers
stonden op de badlijst ingeschreven, waarvan de meesten zich nu
in de zaal bevonden. De aankomst van zes nieuwe gasten verwekte
er opschudding. Hun uiterlijk scheen te imposeren; want de heeren
verwelkomden hen met veelvuldige buigingen; de dames raadpleegden
den spiegel omtrent den toestand harer lokken. De vrienden, reeds
gewoon aan het zien van courzalen en aanzienlijke gezelschappen,
waren niet bijzonder getroffen door den aanblik eener kamer van
vijfentwintig voet in het vierkant, opgevuld met menschen, aan wier
geheel uiterlijk en voorkomen bleek, dat geen hunner aan het Hof
was gepresenteerd. Zij zagen er bejaarde heeren, gevormd naar het
model van den achtkanten boer; dames, wier vingeren met denzelfden
blos prijkten, die haar de wangen sierde; jongelieden, die, door met
de handen in den zak te loopen en te fluiten, toonden dat zij zich
op hun gemak bevonden; kinderen, die hunne veelkleurige tandjes op
raauwe wortelen exerceerden, en die, bij gelegenheid der badreize,
zich zoover in het Fransch hadden geoefend, dat zij, zonder veel fouten
in de uitspraak te maken, _Papa_ en _Maman_ konden zeggen. Al deze
personen bewogen zich in het met bont papier behangen vertrek, waren
dagelijks in hunne feestkleederen en gelegenheidsaangezigten gedost,
courtiseerden en coquetteerden, rookten en dronken likeuren; het eerste
op wat gedwongen manier, het laatste meer natuurlijk. Eene soort van
bak met muzieklessenaars, aan den zolder hangende, deed vermoeden,
dat er somtijds gedanst werd; een zwart bord met nommers, in een hoek
der zaal, waarbij een oud man met eenige _thalers_ en een schopje
zat, toonde aan, dat ook aan de speelwoede kon worden toegegeven; en
indien men eenige kleinigheden over het hoofd wilde zien, moest men
toestemmen, dat deze menschen hier allerliefst badplaatsje speelden.
"Doet Mijnheer ook aan 't snuiven?" sprak een zwaarlijvig heer, in een
zeer uitvoerigen donkergroenen jas en witte pantalon met plooijen,
tot Pols, terwijl hij hem eene ebbenhouten snuifdoos voorhield,
omtrent van de grootte van een beschuittrommeltje.
"Met plaisir," zei onze vriend, en na den fijnen tabak met zijne
reukzenuwen in kennis te hebben gebragt, voegde hij er heel goedig bij:
"dat is waarlijk een lekker snuifje."
"Neem dan nog eene prise," zei de dikke heer, de ebbenhouten kist op
nieuw openende; "'t is u van harte gegund."
"Dankje wel; ik wil liever straks nog eens terugkomen."
"Als Mijnheer eens stoppen wil," zei dezelfde heer tot Torteltak,
"ik heb voorraad van tabak." En om dit te bewijzen, bragt hij uit
zijn jaszak eene verlakte doos voor den dag, die men op den eersten
aanblik voor een koffijtrommel zou hebben gehouden.
"Ik dank u, Mijnheer!" antwoordde deze; "ik heb mijne pijp in 't
rijtuig gelaten."
"O, dat is niets," viel de gulle Duitscher in; "ik zal u de mijne
wel leenen.--_Kellner!_ krijg mijn oliekop eens!"
"Dankje waarlijk, gij zijt veel te goed," zei Torteltak
haastig. "Eigenlijk rook ik maar heel zelden."
"Wat heeft Blacken toch eene gemakkelijke manier om kennis te
maken! wat is hij nu weêr familjaar met die vreemde heeren! je kunt
zien, dat hij veel met groote lui heeft verkeerd," zei de spichtige
gade van den gullen heer, met zekeren trots, tot hare buurvrouw.
"Dat is wel waar," antwoordde Juffrouw Glimbaum, minnelijk knikkende.
Juffrouw Blacken stond op, en noodigde hare dochters, twee schrale
blondines in 't lichtgroen (groen scheen de onderscheidene kleur der
familie), om eens door de zaal te wandelen, daar zij iets aan Papa
te vragen had.
"'t Is bespottelijk, zooveel als zij zich laat voorstaan op haar man,"
zei juffrouw Glimbaum aan een _dandy_ met eene roozenroode das en
hooggeel vest. "Hij spreekt de groote lui ook niet, dan wanneer hij
ze voor hun doodkist komt meten. Ik schaam mij eigenlijk om met die
vrouw te converseren."
De _dandy_ stak zijn linkerhand in zijne vestjeszak, omtrent zoo als
de acteur Schouten doet, als hij voor een groot heer speelt, en zeide
zeer lieftallig glimlachende: "_Ma foi_, Mevrouw! u hebt wel gelijk,
men moet zich niet encanailleren."
Hun gesprek werd hier gestoord door den Heer Glimbaum, die van zijne
dagelijksche wandeling naar zijne woning te Bruchsal terugkeerde.
"Hoe gaat het, lieve?" vroeg zijne vrouw: "hebt gij een aangenaam
tourtje gemaakt?"
"Kapitaal, wijfje! maar een drukke morgen;--achttien baarden geschrapt
en zes koppen geknipt."
De _dandy_ verliet neuriënde het echtpaar, om de dochter van den
Bruchsalschen torenwachter zijn hof te gaan maken.
Veervlug was terwijl aan de speeltafel genaderd, en getuige dat een
aantal kreutzer-en driekreutzer stukken op nommers en kleuren werden
gezet. Hij mengde zich onder de spelers, en wekte aller verbazing
door de gelatenheid, waarmede hij zijn verlies droeg. De fortuin
was hem niet gunstig, en hij verloor in acht keeren omtrent twaalf
stuivers. Maar het was voor Pols weggelegd, om hier een schitterend
figuur te maken. Opmerkende, dat men op deze wijze van spelen niet
licht gevaar liep zich te ruïneren, waagde ook hij drie kreutzers. Het
geluk diende hem: hij won--verdubbelde--won meer en meer. Hij kreeg
een geheelen stapel klein geld voor zich.--"Mijnheer is ongehoord
gelukkig!" riep de oude Blacken in verbazing.--"Ongehoord!" herhaalde
de bankier angstig. Pols werd geanimeerd; zijne winst was reeds grooter
dan de kas der bank. "_Va banque!_" riep hij op eens, al het geld
op _rouge_ plaatsende. De dames Blacken gaven ieder een gil--"_onze,
rouge!_" zei de bankier, met wanhoop de geheele kas voor onzen vriend
uitstortende.--"Ik krijg zes kreutzers," riep eene dame, die nog in 't
geheel niet meêgespeeld had; "ik heb immers ook op _rouge_ gezet." Pols
maakte hierop geen captie. Hij schonk haar edelmoedig de gevraagde som.
Sedert den merkwaardigen dag, waarop de Heer Siegel zijne ontdekking
omtrent de kracht der Amaliënbadwateren maakte, had er zeker in
Langenbrücken nooit zulk een belangrijk voorval plaats gehad als
heden. Al de badgasten verzamelden zich om Pols, die even verbaasd
scheen als de anderen, en naauwelijks begreep, dat hij de held was van
de partij. Voor hem lag de massa geld uitgespreid; de som beliep meer
dan zeven Pruisische _thalers_. "Dat is toch waarlijk zonderling,"
zei hij tot De Morder; "ik had er volstrekt geen gedachte op."--"Dat
zult ge altijd zien," zei deze; "maar ik had eens moeten spelen,
dan was het wel anders geloopen."--"Maar wat zullen wij met dat
geld aanvangen?" vroeg Pols aan Veervlug. Deze wist er raad voor:
hij bestelde eenige flesschen goeden Rijnwijn. Al de glazen, die in
het buffet te vinden waren, werden volgeschonken. Ieder der badgasten
liet zich den aangeboden drank goed smaken; de bankier alleen trok
een gezigt, alsof hij er eenige zuurheid in ontdekte. En toen nu
het zestal, na nog eenige oogenblikken vrolijk in de zaal te hebben
doorgebragt, in het hen wachtende rijtuig stapte, bejammerden de
meesten der badgasten het zeer, dat zulke heeren hen zoo kort hun
aangenaam en onderhoudend gezelschap gunden.
Bijna gelijktijdig met de zon hadden onze reizigers den togt van heden
volbragt. In vrolijke en aangename gesprekken waren hun de laatste
uren voorbijgegaan. Het genoegen, in korte oogenblikken in het kleine
Langenbrücken gesmaakt, scheen een gelukkig voorteeken voor hun langer
verblijf in de groote badplaats. Met verlangen zagen zij dus, van dat
zij Rastadt achter zich hadden gelaten, naar de liefelijke vallei uit,
waar "_die freundliche Najade die heil'gen Fluthen ausgieszt_," en
waar honderden baat komen zoeken tegen allerlei kwalen, duizenden
tegen de verveling, misschien de ergste en ongeneeslijkste van
allen. Eindelijk ontdekten zij, wat hun oog zocht: het vruchtbare
dal, door heuvelen omringd, en van den smallen stroom doorsneden,
die de vervallen woningen der inboorlingen van de nieuwe hotels en
prachtige lusthoven der vreemdelingen afscheidt.
Het was in 't best van den tijd; dus waren van alle kanten
vreemdelingen toegesneld. Met verrukking staarden de vrienden op de
luxe van wandelaars en equipages, die door het schoone avondweder naar
buiten waren gelokt. Voordat zij in hun logement aankwamen, had Pols
opgemerkt, dat er hier heel wat geld verteerd werd; Holstaff, dat er
vrij wat meer gezonde dan zieke badgasten moesten wezen; Torteltak, dat
er een schat van mooije oogen en delicieuse figuurtjes te vinden was;
de Morder, dat het veel te vol was om plaisir te hebben; en Veervlug,
dat men zich te Baden niet alleen in bronwater, maar ook in allerhande
genoegens kon baden.
Op van Aartheim scheen het gezigt van al dat schoon geenszins den
indruk te maken, die het bij de overige heeren verwekte. Met weinig
belangstelling sloeg hij het gewoel der menigte gade. Reeds sedert een
paar uren was hij stil en afgetrokken geweest, en scheen hem zijne
gewone opgeruimdheid te hebben verlaten. Pols had hem nu en dan al
een weinig pogen op te beuren, door hem te vragen, of hij hoofdpijn
had, of het soms ook togtte, en dergelijke zaken meer. Van Aartheim
had verklaard, dat hij zich volkomen wel gevoelde; daar moest dus
iets zijn, dat hem hinderde. De reis kon het niet wezen; want hij
was het zelf geweest, die er zoo zeer op had aangedrongen, om toch
heden te Baden aan te komen. Van tijd tot tijd sloeg hij de een of
andere groep onrustig gade, als hoopte of vreesde hij iemand aan te
treffen; en toen men nu in het Hotel _Zum Zäringer Hof_ was afgestapt,
verliet hij hen terstond, om eene dringende commissie te verrigten;
doch weinige minuten later kwam hij blijkbaar teleurgesteld tot hen
terug. De vrienden verdiepten zich in gissingen, wat er toch met hem
op handen was. Pols dacht, dat hij misschien een verwachten wissel
niet gevonden had; Holstaff, dat er op het Badensche kerkhof welligt
een zijner vrienden begraven lag; de Morder, dat zijn geweten hem de
een of andere kwade daad verweet; Torteltak, dat hij eene ongelukkige
liefde koesterde; Veervlug, dat hij eenvoudig in een knorrige bui
was. Men besloot eindelijk, omdat men niet anders kon, de oplossing
van dit raadsel geduldig van den tijd te verwachten.
Men bezocht nog dienzelfden avond de courzaal, en zag het gewone
personeel van eene badplaats aldaar vereenigd: oude heeren, die
zich in een continuëlen roes van Bourgogne en Champagne tot den dood
voorbereiden; jonge meisjes, die in de balzaal tot huismoeders gevormd
worden; jongelingen, die proeven nemen, tegen hoevele aanlokselen
de deugd van eenvoudige landmeisjes bestand is; en bejaarde dames,
die de huwelijksgift harer dochters aan de inhalige schopjes der
_croupiers_ blootgeven. Deze personen gaven den toon aan; men moest
zich verwonderen, geene Bertrams te zien, die de Roberts tot de
verschillende soorten van zonden aanzetten, die hier met volkomen
vrijmoedigheid gepleegd worden, en had, om ook heiligschennis te zien,
slechts tot den Sabbat te wachten, wanneer de losbollen de vrome
kerkgangsters in hare devotie zoeken te storen; waarop men, om de
verveling van den dag des Heeren te verdrijven, dubbel gelegenheid
verkrijgt om den Mammon te dienen; wanneer de bedwelming des wijns
de gerekte gastmalen veraangenaamt, en de Italiaansche schoone ook
nog het gaas afrukt, dat haar den boezem bedekte, terwijl de Fransche
_danseuse_ hare weelderigste passen uitvoert, om zelfs de zuiverste
verbeelding te bezoedelen, en wanneer de leer:
"Chaque faute est un plaisir,
Et l'on a pour s'en repentir
Le temps ou l'on n'en peut commettre."
luid en met toejuiching gepredikt wordt.
Gewis, het is nuttig, deel te nemen aan de genoegens, die eene
badplaats aanbiedt. Haar invloed op de redelijke en zedelijke vorming
van den mensch moet heilzaam zijn. Men leert die verouderde begrippen
afleggen, dat het verkeerd is om zijne driften bot te vieren; men
keert van daar terug, genezen van het vooroordeel, dat deugd alleen
waarachtig genot geeft; men leert begrijpen, dat men op de wereld
geplaatst is om de wereld te dienen; men beklaagt de dwazen, die
zich in zelfverloochening pijnigen en elders vreugde en zaligheid
zoeken, zoolang ze nog op de aarde te vinden zijn; en wanneer men,
na eene goedgelukte badkuur, aan eene welvoorziene tafel in het
_Conversationshaus_ te Baden neêrzit, en 's avonds in een wulpschen
dans eene dartele schoone in zijne armen drukt, haalt men de schouders
op over den bekrompene van geest, die in ouden tijd, gereinigd uit
de badwateren van Bethesda opklimmende, terstond zijne schreden naar
den Tempel des Heeren rigtte.
Het was ongelukkig voor onze vrienden, dat zij niet liberaal genoeg
opgevoed en niet diep genoeg in den geest der wereld doorgedrongen
waren, om zich terstond met vrijmoedigheid in de armen van dit
schuldeloos genot te storten. Na een paar uren in de zaal te hebben
doorgebragt, was het sommigen hunner benaauwd geworden; zij zochten
de vrije lucht; anderen verklaarden openhartig, dat zij tegen zoo
veel verleiding niet bestand zouden wezen; Torteltak betuigde,
dat hij geen acht dagen in deze omgeving zou willen doorbrengen,
zonder de vergunning om aan alle kwaad toe te geven, en zoo slecht
te zijn, als hij zou willen; van Aartheim, dat hij ieder jong mensch
bewonderde en benijdde, die met de hand op het hart kon verklaren,
dat al deze aanlokselen niets op hem vermogten.
Men besteedde de twee volgende dagen, die men te Baden-Baden doorbragt,
met uitstapjes in het _Mourgthal_ en met een bezoek naar het _Neue_
en _Alte Schloss_, en schepte meer behagen in de trotsche ruïnes van
het laatste, dan in de mesquine inrigting van het eerste. Van Aartheim
verliet hen beide avonden terstond na hunne terugkomst, en kwam telkens
zeer laat uit het _Hôtel d'Angleterre_ terug. Hij was overigens zeer
geheimzinnig in deze uitstapjes, en welligt zouden sommigen er een
verkeerden uitleg aan hebben gegeven, zoo niet Holstaff hun berigt
had, dat hij hem in de duistere wandellanen was tegengekomen, in een
zeer druk en geanimeerd discours met een lang en mager heer, waarvan
hij niets had verstaan, dan dat het in 't Engelsch werd gevoerd.
Wij hopen, dat de vrienden later omtrent deze geheimzinnige handelwijs
van Van Aartheim nadere inlichting zullen bekomen.