HOOFDSTUK XIII.

De nieuwe vriend van _Veervlug_ komt op het tooneel, en legt veel

Duitsche plaatsen- en Fransche menschenkennis aan den dag.

Vroeg opstaan, wat genot! Welk een voorregt, om vóór dag en dauw

gelaarsd en gespoord te mogen staan! Hoe groot een geluk, zijne

bedgordijnen open te schuiven, voordat nog de vale gordijn des nachts

is opgeligt! Hoe interessant, om getuige te zijn, dat maan en sterren

voor eenige uren met verlof aftrekken! Welk een triomf, om Phebus

met zijn stralenkrans tot den luilak van de partij te maken!--Vroeg

opstaan! Stedelingen, luije stedelingen! beseft gij wat het zegt? Ten

zij gij tot de bevoorregten behoort, aan wie het gewigtige ambt van

porder is opgedragen; ten zij gij onder de gelukkigen zijt, die de

zoete wei uitventen, of wie het vochtige deeg wacht, om tot heete

bollen gepromoveerd te worden; ten zij gij geroepen zijt, om van

de hoogte eens torens den morgenstond met muziek te begroeten, of

men in u vertrouwen genoeg stelde, om voor de deur eens Kommandants

of op den wal eener vesting, in het stille en koele uur, in volle

wapenrusting heen en weêr te wandelen; ten zij gij tot deze of

dergelijke gelukkigen behoort, is het u ontzegd het eerste gekraai

des haans te hooren, waarmeê hij de odalisques uit zijn harem tot

eene morgenwandeling uitnoodigt.--Vroeg opstaan! Beseft gij het zelfs,

landbewoners, meermalen ook in dit opzigt ten koste van den stedeling

geroemd en gelukkig gesproken, maar o zoo dikwijls ten onregte! Ik

weet wel, Heeren van buitenplaatsen, dat zij, die uwe paden moeten

gladschoffelen en uwe wandelingen opharken, de koele ochtendlucht

mogen inademen; ik geloof het van uwe kameniers en keukenprinsessen,

die aan die tuinlieden het warme mokkavocht aanbieden, dat zij mede

van den vochtigen mist des morgens genieten; maar gij, smaakt gij deze

zaligheden? Ik vraag het u ten aanhooren uwer peluw en veêrenbedden,

vlijt gij u in den zomermorgen op het bedauwde mostapijt of in uw

kamperfoelieprieel onder den drop der twijgen neder?--Helaas! ook

gij ontzegt u dat genot; aan u, wien de zwaan haar dons afstaat,

onttrekt de kikvorsch zijn morgengekwaak; gij, die blijkens uwe

spreijen en dekens alleen den zijdeworm protegeert, zult niet door

den aardworm worden verwelkomd, wanneer hij bij het eerste licht zijn

kop uit de vette aarde uwer bloembedden omhoogsteekt; voor u geen

gonzen der muggen, die hunne vlerkjes uitspreiden in de stralen der

ochtendzon en hunne bloedrijke ligchamen door hare nog matige warmte

zachtjes laten koesteren; voor u geen gebrom van paardenvliegen,

daar zij naar de weide trekken, om uwe fiere genetten te teisteren,

en u uit hun vliegenhart grondigen dank toebrengen, dat zij, door uwe

zucht tot kortwieken, geen redoutabele staarten te vreezen hebben; uw

oog mag de eerste werkzaamheden niet aanschouwen der nijvere mieren,

die, even als de Amsterdamsche kruijers, altijd met een pakje onder

den arm loopen; en zelfs de rups kiest, in plaats van uw aangezigt,

den harden grond, waarop zij nog dommelend van slaap van een boomblad

nedervalt.--Neen, buitenlieden! evenmin als den stadbewoners, zijn

u de schatkameren van genot geopend, die de morgenstond ontsluit;

niet u, maar alleen den reiziger, den reiziger voor plaisir, is het

vergund te staan klappertanden en beven, als de maan haar flaauwe

schijnsel aan den aardbol onttrekt, en de zon haren gloed nog in de

wateren des oceaans bluscht. Terwijl Aeolus zijnen minst gedruisch

makenden, maar vinnigst aanvallenden Satelliet loslaat, die de wangen

van den morgenstondgenieter verbleekt, zijt gij nog in donzen boeijen

gekluisterd, en getuigen het uwe wangen, dat gij bloost over de banden,

waarin Morpheus u verstrikt houdt. En als gij dan uit uwe slaapkamer

de ontbijtzaal binnentreedt, hoe onaangenaam moet u dan het gezang

van het bijna overkokende water in de ooren klinken, terwijl het

den reiziger vergund is, kwartieren ja halfuren te wachten, eer zijn

theewater begint te razen. Vroeg opstaan! vroeg opstaan! wie gevoelt

ooit uwe genoegens dan de reiziger, de reiziger voor plaisir!

En met dat al, het was laat, zeer laat, toen in het _Hôtel de

Hollande_ Polsbroekerwoud en zijne vrienden in de gezelschapszaal

bijeenkwamen. De vermoeijenissen van den vorigen dag waren voor

allen zwaar geweest, en op een nacht gevolgd, meer geschikt om de

oude krachten uit te putten, dan om nieuwe te doen ontstaan. Maar

toen zij dan ook nu ten negen ure hunne slaapkamers verlieten, kon

men het hun allen aanzien, dat zij zoo veel van de verkwikking der

rust gejouisseerd hadden, als hun maar te genieten was aangeboden.

Nu sloot ook Veervlug zich weêr bij zijn gezelschap aan, en stelde

terstond met groote opgewondenheid zijn nieuwen bekende aan zijne

oude vrienden voor.

De persoon nu in questie, uit Darmstadt aangevoerd, was de Heer

Van Aartheim, een jongmensch van omtrent vijfentwintig jaren. Hij

had een heel gunstig voorkomen en eene fiksche houding, zonder dat

evenwel de natuur, hem voortbrengende, gezegd kon worden, hem met

angstige naauwkeurigheid naar 't model van den Apollo van Belvedére

te hebben gevormd. Maar toch, wij zouden, indien wij zijn persoon

wilden beschrijven, kunnen spreken van donkere lokken, hooggewelfde

voorhoofden, deftige neuzen, geestige uitdrukkingen om den mond; maar

vooral van oogen, wier blik zoo doordringend was, dat zij zoo maar door

alles heen in het hart schenen te zien; wij zouden kunnen spreken van

ranke leesten en fijne handen, van bevallige manier om zich voor te

doen, en nog veel meer; maar wij laten dit nu daar. Pols vond, dat hij

wel herinnerde aan het portret van den Heer Pieter Pieterszoon Hein,

die hij uit Wagenaar's elfde deel kende; maar wij zouden misschien

met even veel regt kunnen beweren, dat hij, als de eene droppel water

op den anderen, op den Therese uit _the Byron Beauties_ geleek.--Hoe

dit zij, het is hier genoeg, als wij vermelden, dat hij door zijne

wijze van omgaan aan de vrienden aanvankelijk zeer goed beviel, en dat

hij zich naar verschillende menschen en verschillende omstandigheden

zeer goed scheen te kunnen schikken, daar hij te gelijk, als het ware

onwillekeurig, op de eersten een heilzamen invloed uitoefende en van

de laatsten de beste partij trok. Hij gebruikte de menschenkennis,

die hij zich reeds vroeg vergaard had, meer om anderen nuttig te zijn,

dan om hen te grieven en te beschamen, en scheen met de verkeerdheden,

die hij bij zijne natuurgenooten opmerkte, door onpartijdige toepassing

op zichzelven, zijn voordeel te doen; iets, dat ook het geval moest

zijn met de smarten en teleurstellingen, die zijn deel waren geweest,

en die hem misschien wel illusies hadden ontnomen, maar niet met

bitterheid en wrevel hadden vervuld.

Hij scheen tamelijk bemiddeld te zijn en alleen voor uitspanning te

reizen; op dringend verzoek der vrienden, besloot hij hen eenigen tijd

te vergezellen, daar ook hij den kant van Zwitserland heen wilde. Hij

bedong zich evenwel de vrijheid, om hen, als het hem goeddacht,

te verlaten, daar er misschien omstandigheden zouden kunnen zijn,

die hem noopten, terstond naar Holland terug te keeren. De vrienden

namen in deze conditiën genoegen.

Men besloot den dag door te brengen met de omstreken van Heidelberg

te bezoeken en de merkwaardige ruïnes van het slot in oogenschouw te

nemen. Van Aartheim, die reeds vroeger meermalen deze streken bezocht

had, kon hen hierin van veel dienst zijn, en zij vertrouwden zich

dus geheel aan zijn geleide toe.

De _Koningsstuhl_ is de hoogste berg van de keten, die zich achter en

ten oosten van Heidelberg uitstrekt. Men kan, om dien te beklimmen,

den loop der Necker volgen tot Neckargemund, en van daar langs den

grooten weg, zelfs in een rijtuig, den top des bergs bereiken. Maar

indien men de fatigues der wandeling kan verdragen, is de weg, die

Van Aartheim de vrienden deed gaan, te verkiezen. Hij voerde hen naar

de hoogte langs een smal voetpad, aan de linkerzijde bepaald door

zwaar geboomte, dat, aan de helling groeiende, de kruinen boog naar de

diepte, waar zich de Necker om den berg kronkelde. Aan de regterzijde

verhieven zich donkere rotsen, die het voetpad beschaduwden en een

weinig verder de achtermuren uitmaakten der landelijke hutten van

Schlierbach. Hoe verder zij gingen, hoe hooger de rotsen werden,

en hoe woester aanzigt de landstreek kreeg, totdat zij op eenmaal

een zijpad insloegen, waar de steenklompen schenen vaneengescheurd,

en een liefelijk en vruchtbaar dal voor hunne voeten lag uitgespreid.

Het zou moeielijk zijn, de verrukking der vrienden te schetsen,

die allen door dit onverwachte en schilderachtige tooneel getroffen

waren. De meest verrukten maakten terstond van de woordekens _heerlijk_

en _hemelsch_ gebruik; de opgewondensten aanschouwden het in stomme

verbazing. Zij konden naauwelijks besluiten het standpunt te verlaten,

van waar zij het geheele dal, rondom door hooge rotsen omsloten,

konden overzien; en toch, zij daalden neder en wandelden op de groene

grasvelden, met geurige en zacht gekleurde bloemen bezaaid, en door

heldere stroomen, die in het gebergte ontspringen, doorsneden. Zij

vlijden zich op den bemosten grond neder, onder de schaduw van het

nog jeugdige geboomte, en gaven zich een geruimen tijd aan zoete

mijmeringen over.

"'t Is jammer, dat hier nergens een logementje is," zei eindelijk

Pols, het lange zwijgen moede; "'t zou hier anders eene charmante

gelegenheid zijn om in de open lucht het _diner_ te gebruiken. En in

allen gevalle, het zou, dunkt mij, heel veel wandelaars lokken."

"Maar ook zonder dat," zei Van Aartheim, "is deze plaats zeer

gezocht. Het was van ouds de meest geliefde wandeling der Paltzgraven

en keurvorsten; en vooral voordat de Oeconomische Directie hier het

hooge geboomte, dat het dal omgaf, had doen omverhakken en verkoopen."

"Dat was een beroerde streek van die Oeconomische Directie," gromde

De Morder.

"Toen," vervolgde Van Aartheim, "ging hier menig lijdende in

eenzaamheid om, en vond in de schoone natuur dikwijls balsem voor

zijne smarte (Holstaff zuchtte), maar zag men ook menig verliefd paar

zóó door den invloed der schoone natuur betooverd, dat zij de geheele

wereld buiten elkander vergaten."

"Zoodat," glimlachte Torteltak,

"Indien dit bosje klappen kon,

Wat melde 't al vrijaadje?"

"'t Is ook zelfs door de Duitsche romandichters met vrucht tot

dergelijke _scènes_ gebruikt," zei Van Aartheim. "Mijnheer Holstaff

zal misschien de geschiedenis van Clairant en Clare du Plessis wel

kennen. Lafontaine laat hier heel wat met hen voorvallen."

"Zoo?" vroeg Holstaff: "is dat hier? Hoe heet deze plaats dan?"

"De _Wolfsbrunnen_," zei de ander.

"Een weinig poëtische naam voor zulk een hemelsch oord," viel

Veervlug in.

"En aan den anderen kant misschien weêr wel," zei Van Aartheim. "De

overlevering verhaalt ten minste, dat, toen de tooveres Jetta, die

op den berg woonde, waar later het slot gebouwd werd, eens van hare

hoogte afdwaalde en op deze plaats kwam, terwijl zij den gloed harer

lippen in helderen vloed wilde verkoelen, door eene wolvin en hare

jongen werd verscheurd. Ik hoop dat deze mededeeling u een weinig

met den naam zal verzoenen."

Na nog een weinig toevens zette men den togt naar den top des

_Kaiserstuhls_ voort, en had gelegenheid op te merken, dat daar het

uitzigt ruimer, maar op den minder hoogen _Geissberg_ aangenamer is;

en toen men van daar langs den grooten weg naar den _Jettebühel_

wandelde, om de _Schlossruïnen_ te gaan bezoeken, merkten niet alleen

Pols, maar ook de andere vrienden met genoegen op, dat niet ver van

daar gelegenheid was, om weêr eens op een houten stoel te zitten en

iets anders dan bronwater te drinken.

Ons gezelschap scheen in dit soort van _Wirthshaus_ volstrekt de

aandacht niet te trekken van een menigte Heidelbergsche studenten,

die bezig waren, zich in verschillende groepen onder 't gebruik van

dunnen landwijn of dik bier te vervrolijken, maar wel die van drie

Fransche reizigers, uit twee heeren en eene dame bestaande. De heeren

schenen jong en waren beiden met weinig hoofdhaar versierd, maar met

formidabele zwarte knevels gewapend. De dame was zeer rijk gekleed,

en had misschien zelfs geene kosten gespaard aan een heel lief blosje,

dat door hitte noch koude, door schrik nog vreugde werd veranderd,

maar imperturbabel op hare wangen bleef wonen. Zij scheen niet meer

heel jong te zijn, maar kon toch nog lang niet voor oud doorgaan;

iets wat zij ook geenszins scheen te ambiëren. De schoonheid, die zij

misschien vroeger bezeten had, was haar een weinig ontrouw geworden;

maar levendigheid en gratie hadden haar nog niet verlaten. Naauwelijks

hadden deze drie ons gezelschap in het oog gekregen, of hunne blikken

begonnen hen te vervolgen en rustten voornamelijk op Pols; iets,

waarover de goede man tamelijk confuus werd, vooral toen hij de dame

tot een der heeren hoorde zeggen: "_C'est lui_." Hij begreep van het

geheele geval volstrekt niets; want hoe hij zijn onschuldig geheugen

martelde, hij herinnerde zich niet, ooit een dezer personen te voren

gezien te hebben. Maar hierbij bleef het niet; weldra naderde een der

heeren het gezelschap, en stortte een vloed van woorden over hen uit,

waarin hij te kennen gaf, dat Heidelberg lief gelegen was, en de zomer

een goed saizoen was om te reizen. Pols mengde zich eerst weinig in het

gesprek; maar toen zij na eenigen tijd die plaats verlieten, om naar

het slot te wandelen, en het Fransche gezelschap juist gelijktijdig

tot hetzelfde doel opstond, wilde het toeval, dat de dame aan zijne

zijde den togt begon. Hij rekende het nu zijn pligt, om het een

of ander te zeggen, en in de conversatie, die volgde, gebruikte

hij al de gezelschapsphrases, welke hij zich uit Pierre Marin kon

herinneren. De goede dame scheen met deze pogingen tevreden, althans

zij vergde hem niet, haar veel antwoord te geven, daar zij het discours

zoodanig inrigtte, dat Pols met een hoofdknikken of een _vraiment!_

kon volstaan. Hare conversatie scheen niet van aantrekkelijkheid

ontbloot, althans het gelaat van onzen vriend werd hoe langer hoe

vergenoegder; en toen zij, daar de weg iets steiler werd, zijnen arm

greep, en hare vingeren nu en dan, niet zonder beteekenis, sommige

zijner spieren drukten, werd het den goeden man zoo wonderlijk, dat

zijne vrienden naderhand verklaarden, nooit meer glans op zijn gelaat

te hebben gezien, dan toen hij zoo vertrouwelijk met de _Française_

op den _Jettenbühel_ arriveerde.

De zeer _gnädiger-Herr_-rijke en buigende portier was terstond

bereid het gezelschap door de ruïnen rond te leiden. De standbeelden,

eetzalen, kapellen, wapenzalen en muren van het oude slot werden met

naauwkeurigheid bezigtigd, en het merkwaardige en niet merkwaardige,

dat de gids mededeelde, met geduld aangehoord. Eindelijk kwamen zij ook

aan den _dicken Thurm_ en den daaraan verbonden slotwal, waarvan de

aanleg boven de steenklompen van het slot aan de hangende tuinen van

oude tijden doet denken. Nog werpen daar de hooge lindeboomen hunne

schaduw over de ingestorte muren; maar van de steenen omheining,

die de oude _Elisabethsgarten_ omringde, zijn slechts wankelende

overblijfsels te vinden.

"Ik bezoek nooit dit punt," zei Van Aartheim, "zonder met weemoed

te denken aan de ongelukkige Engelsche vorstin, voor wie de jonge

en teedere gemaal hier den harden rotsgrond in een weligen lusthof

herschiep."

"O ja," viel de gids in; op dezen Eereboog staat het nog te lezen:

FRIDRICUS V ELIZABETHAE CONJUGI CARISSIMAE

A. C. MDCXV F. C.

"En wat was haar lot?" ging van Aartheim voort. "Voordat nog de

lusthof voltooid was, zwierven de echtelingen, reeds uit hunne staten

verstooten, in vreemde landen om. In plaats van in dit prachtige slot

van Heidelberg te heerschen, moest zij het nog den Staten van Holland

danken, dat haar een nederige woning in Rhenen werd aangewezen."

"In Rhenen?" riep Veervlug uit. "Ongelukkige Vorstin!"

"_The ton, I'll see the ton!_" riep een Engelschman, die mede tot

het gezelschap behoorde, ongeduldig.

"En bleef zij altijd te Rhenen wonen?" vroeg Pols nieuwsgierig. "Dat

is toch ook wel een lief plaatsje."

"Zij trok nog naar haar vaderland, nadat zij 40 jaren balling was

geweest en meer dan 30 jaren haren gemaal had beweend. Maar de

ongelukkige dochter van James I was ook in Engeland niet welkom;

en toch zij vond er een graf."

"_The ton, the ton!_" riep de Engelschman, stampvoetende van ongeduld.

Men verliet dus den _Elisabethsgarten_, en daalde in den slotkelder

neêr; Pols nog altijd met zijne _Française_ aan den arm, en vol van

kleine attenties voor haar, die zich zoo vrijwillig aan zijne zorgen

had toevertrouwd. Daar zagen zij op eenmaal het monstervat voor hunne

oogen, en hoorden tevens van den portier of deftigen toon verhalen:

"Dit groote vat is een wereldberoemde merkwaardigheid." Het zou

gepast zijn geweest, indien het gezelschap zich door deze uitspraak

had laten imposeren; maar geen hunner kon nalaten het gezigt van

zulk een vat bespottelijk te vinden, en in een dwaas gelach uit te

barsten. Dat effect schijnt het te hebben op de meeste pelgrims, die

het tot het doel hunner bedevaart maken. De ongeduldige Engelschman

evenwel lachte niet, maar keek _the ton_ eenige oogenblikken strak

aan; zette toen een kruisje in zijne reisportefeuille achter dit

opgegeven merkwaardige punt, en keerde zich met een _very well_ om,

zich haastende den kelder weêr te verlaten.

"Uw landgenoot schijnt spoedig tevreden," merkte de _Française_ aan,

zich tot Pols wendende.

"Hij is mijn landgenoot niet," antwoordde deze, "want ik ben een

Hollander."

"Hoe!" riep de dame, op eens zijn arm loslatende: "dat is een

schandelijk bedrog."

"Dit vat werd op last van den Keurvorst Karl Thedor gebouwd, en is

nu niet gevuld...." vervolgde de portier op zijnen ouden toon.

De _Française_ vlugtte tot hare oude _cavaliers_, en riep hun toe:

"_Mais ce n'est pas Milord._"

"Maar kan 236,000 flesschen wijn bevatten," ging de gids voort.

Pols keek verbaasd. Hij wist naauwelijks, welk gezegde hem gold. Hij

begreep niets meer van de zaak.

"Mijnheer!" sprak een der Fransche heeren, zijn zwarten knevel vinnig

opstrijkende: "gij hebt het vertrouwen van mijne nicht schandelijk

misbruikt en u laag gedragen."

"Hoe? wat? ik?" riep Pols in toenemende verbazing.

"Mijnheer! ik eisch 1000 _francs_ schâvergoeding voor de beleediging,

mijne familie aangedaan."

"Maar, Mijnheer! het is duidelijk dat gij u vergist."

"Wij spreken hier van geen vergissen. Zoo als ik zeg, 1000 _francs_

schâvergoeding of een _duel à mort_. Gij hebt de keus."

Dit was te veel voor Pols. Hij verloor zijne gewone bedaardheid. Hij

hief zijn vuist op, en als hij een degen was magtig geweest, hij zou

den uitdager doorregen hebben. Van Aartheim kwam tusschenbeiden. Hij

verzocht Pols zich een oogenblik te calmeren; en zich met de Franschen

een weinig verwijderd hebbende, fluisterde hij hun eenige woorden toe,

waarop de twee heeren verbleekten, en de dame wel schrikte, maar niet

bleek werd. Zonder een blik verder op Pols of de andere vrienden

te durven slaan, spoedden zij zich, om den kelder te verlaten. De

buigende portier liep hen na, en verzocht beleefd om een fooitje.

"_Va te faire pendre!_" brulde een der heeren hem toe, zijn knevel

woedend opstrijkende.

De portier sprong van schrik drie schreden achteruit.

Daar was een geruime tijd noodig om Pols weêr tot bedaren te brengen;

maar toen kon hij zich niet weêrhouden te zeggen: "Ik begrijp mij

volstrekt niet, hoe zoo'n meisje met zulke lomperts reizen kan!"

De vrienden glimlachten. "Maar hoe hebt gij zoo op eens de gevaren

van het hoofd van onzen waardigen Pols afgewend?" vroeg Veervlug aan

Van Aartheim.

"Ik had het plaisir gehad die personen nog eens te ontmoeten,"

antwoordde deze. "Hieraan heb ik hen herinnerd, en hun te gelijk

geraden, om maar zoo spoedig mogelijk te zien over de grenzen te

komen."

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 17 / 43 题