De nieuwe vriend van _Veervlug_ komt op het tooneel, en legt veel
Duitsche plaatsen- en Fransche menschenkennis aan den dag.
Vroeg opstaan, wat genot! Welk een voorregt, om vóór dag en dauw
gelaarsd en gespoord te mogen staan! Hoe groot een geluk, zijne
bedgordijnen open te schuiven, voordat nog de vale gordijn des nachts
is opgeligt! Hoe interessant, om getuige te zijn, dat maan en sterren
voor eenige uren met verlof aftrekken! Welk een triomf, om Phebus
met zijn stralenkrans tot den luilak van de partij te maken!--Vroeg
opstaan! Stedelingen, luije stedelingen! beseft gij wat het zegt? Ten
zij gij tot de bevoorregten behoort, aan wie het gewigtige ambt van
porder is opgedragen; ten zij gij onder de gelukkigen zijt, die de
zoete wei uitventen, of wie het vochtige deeg wacht, om tot heete
bollen gepromoveerd te worden; ten zij gij geroepen zijt, om van
de hoogte eens torens den morgenstond met muziek te begroeten, of
men in u vertrouwen genoeg stelde, om voor de deur eens Kommandants
of op den wal eener vesting, in het stille en koele uur, in volle
wapenrusting heen en weêr te wandelen; ten zij gij tot deze of
dergelijke gelukkigen behoort, is het u ontzegd het eerste gekraai
des haans te hooren, waarmeê hij de odalisques uit zijn harem tot
eene morgenwandeling uitnoodigt.--Vroeg opstaan! Beseft gij het zelfs,
landbewoners, meermalen ook in dit opzigt ten koste van den stedeling
geroemd en gelukkig gesproken, maar o zoo dikwijls ten onregte! Ik
weet wel, Heeren van buitenplaatsen, dat zij, die uwe paden moeten
gladschoffelen en uwe wandelingen opharken, de koele ochtendlucht
mogen inademen; ik geloof het van uwe kameniers en keukenprinsessen,
die aan die tuinlieden het warme mokkavocht aanbieden, dat zij mede
van den vochtigen mist des morgens genieten; maar gij, smaakt gij deze
zaligheden? Ik vraag het u ten aanhooren uwer peluw en veêrenbedden,
vlijt gij u in den zomermorgen op het bedauwde mostapijt of in uw
kamperfoelieprieel onder den drop der twijgen neder?--Helaas! ook
gij ontzegt u dat genot; aan u, wien de zwaan haar dons afstaat,
onttrekt de kikvorsch zijn morgengekwaak; gij, die blijkens uwe
spreijen en dekens alleen den zijdeworm protegeert, zult niet door
den aardworm worden verwelkomd, wanneer hij bij het eerste licht zijn
kop uit de vette aarde uwer bloembedden omhoogsteekt; voor u geen
gonzen der muggen, die hunne vlerkjes uitspreiden in de stralen der
ochtendzon en hunne bloedrijke ligchamen door hare nog matige warmte
zachtjes laten koesteren; voor u geen gebrom van paardenvliegen,
daar zij naar de weide trekken, om uwe fiere genetten te teisteren,
en u uit hun vliegenhart grondigen dank toebrengen, dat zij, door uwe
zucht tot kortwieken, geen redoutabele staarten te vreezen hebben; uw
oog mag de eerste werkzaamheden niet aanschouwen der nijvere mieren,
die, even als de Amsterdamsche kruijers, altijd met een pakje onder
den arm loopen; en zelfs de rups kiest, in plaats van uw aangezigt,
den harden grond, waarop zij nog dommelend van slaap van een boomblad
nedervalt.--Neen, buitenlieden! evenmin als den stadbewoners, zijn
u de schatkameren van genot geopend, die de morgenstond ontsluit;
niet u, maar alleen den reiziger, den reiziger voor plaisir, is het
vergund te staan klappertanden en beven, als de maan haar flaauwe
schijnsel aan den aardbol onttrekt, en de zon haren gloed nog in de
wateren des oceaans bluscht. Terwijl Aeolus zijnen minst gedruisch
makenden, maar vinnigst aanvallenden Satelliet loslaat, die de wangen
van den morgenstondgenieter verbleekt, zijt gij nog in donzen boeijen
gekluisterd, en getuigen het uwe wangen, dat gij bloost over de banden,
waarin Morpheus u verstrikt houdt. En als gij dan uit uwe slaapkamer
de ontbijtzaal binnentreedt, hoe onaangenaam moet u dan het gezang
van het bijna overkokende water in de ooren klinken, terwijl het
den reiziger vergund is, kwartieren ja halfuren te wachten, eer zijn
theewater begint te razen. Vroeg opstaan! vroeg opstaan! wie gevoelt
ooit uwe genoegens dan de reiziger, de reiziger voor plaisir!
En met dat al, het was laat, zeer laat, toen in het _Hôtel de
Hollande_ Polsbroekerwoud en zijne vrienden in de gezelschapszaal
bijeenkwamen. De vermoeijenissen van den vorigen dag waren voor
allen zwaar geweest, en op een nacht gevolgd, meer geschikt om de
oude krachten uit te putten, dan om nieuwe te doen ontstaan. Maar
toen zij dan ook nu ten negen ure hunne slaapkamers verlieten, kon
men het hun allen aanzien, dat zij zoo veel van de verkwikking der
rust gejouisseerd hadden, als hun maar te genieten was aangeboden.
Nu sloot ook Veervlug zich weêr bij zijn gezelschap aan, en stelde
terstond met groote opgewondenheid zijn nieuwen bekende aan zijne
oude vrienden voor.
De persoon nu in questie, uit Darmstadt aangevoerd, was de Heer
Van Aartheim, een jongmensch van omtrent vijfentwintig jaren. Hij
had een heel gunstig voorkomen en eene fiksche houding, zonder dat
evenwel de natuur, hem voortbrengende, gezegd kon worden, hem met
angstige naauwkeurigheid naar 't model van den Apollo van Belvedére
te hebben gevormd. Maar toch, wij zouden, indien wij zijn persoon
wilden beschrijven, kunnen spreken van donkere lokken, hooggewelfde
voorhoofden, deftige neuzen, geestige uitdrukkingen om den mond; maar
vooral van oogen, wier blik zoo doordringend was, dat zij zoo maar door
alles heen in het hart schenen te zien; wij zouden kunnen spreken van
ranke leesten en fijne handen, van bevallige manier om zich voor te
doen, en nog veel meer; maar wij laten dit nu daar. Pols vond, dat hij
wel herinnerde aan het portret van den Heer Pieter Pieterszoon Hein,
die hij uit Wagenaar's elfde deel kende; maar wij zouden misschien
met even veel regt kunnen beweren, dat hij, als de eene droppel water
op den anderen, op den Therese uit _the Byron Beauties_ geleek.--Hoe
dit zij, het is hier genoeg, als wij vermelden, dat hij door zijne
wijze van omgaan aan de vrienden aanvankelijk zeer goed beviel, en dat
hij zich naar verschillende menschen en verschillende omstandigheden
zeer goed scheen te kunnen schikken, daar hij te gelijk, als het ware
onwillekeurig, op de eersten een heilzamen invloed uitoefende en van
de laatsten de beste partij trok. Hij gebruikte de menschenkennis,
die hij zich reeds vroeg vergaard had, meer om anderen nuttig te zijn,
dan om hen te grieven en te beschamen, en scheen met de verkeerdheden,
die hij bij zijne natuurgenooten opmerkte, door onpartijdige toepassing
op zichzelven, zijn voordeel te doen; iets, dat ook het geval moest
zijn met de smarten en teleurstellingen, die zijn deel waren geweest,
en die hem misschien wel illusies hadden ontnomen, maar niet met
bitterheid en wrevel hadden vervuld.
Hij scheen tamelijk bemiddeld te zijn en alleen voor uitspanning te
reizen; op dringend verzoek der vrienden, besloot hij hen eenigen tijd
te vergezellen, daar ook hij den kant van Zwitserland heen wilde. Hij
bedong zich evenwel de vrijheid, om hen, als het hem goeddacht,
te verlaten, daar er misschien omstandigheden zouden kunnen zijn,
die hem noopten, terstond naar Holland terug te keeren. De vrienden
namen in deze conditiën genoegen.
Men besloot den dag door te brengen met de omstreken van Heidelberg
te bezoeken en de merkwaardige ruïnes van het slot in oogenschouw te
nemen. Van Aartheim, die reeds vroeger meermalen deze streken bezocht
had, kon hen hierin van veel dienst zijn, en zij vertrouwden zich
dus geheel aan zijn geleide toe.
De _Koningsstuhl_ is de hoogste berg van de keten, die zich achter en
ten oosten van Heidelberg uitstrekt. Men kan, om dien te beklimmen,
den loop der Necker volgen tot Neckargemund, en van daar langs den
grooten weg, zelfs in een rijtuig, den top des bergs bereiken. Maar
indien men de fatigues der wandeling kan verdragen, is de weg, die
Van Aartheim de vrienden deed gaan, te verkiezen. Hij voerde hen naar
de hoogte langs een smal voetpad, aan de linkerzijde bepaald door
zwaar geboomte, dat, aan de helling groeiende, de kruinen boog naar de
diepte, waar zich de Necker om den berg kronkelde. Aan de regterzijde
verhieven zich donkere rotsen, die het voetpad beschaduwden en een
weinig verder de achtermuren uitmaakten der landelijke hutten van
Schlierbach. Hoe verder zij gingen, hoe hooger de rotsen werden,
en hoe woester aanzigt de landstreek kreeg, totdat zij op eenmaal
een zijpad insloegen, waar de steenklompen schenen vaneengescheurd,
en een liefelijk en vruchtbaar dal voor hunne voeten lag uitgespreid.
Het zou moeielijk zijn, de verrukking der vrienden te schetsen,
die allen door dit onverwachte en schilderachtige tooneel getroffen
waren. De meest verrukten maakten terstond van de woordekens _heerlijk_
en _hemelsch_ gebruik; de opgewondensten aanschouwden het in stomme
verbazing. Zij konden naauwelijks besluiten het standpunt te verlaten,
van waar zij het geheele dal, rondom door hooge rotsen omsloten,
konden overzien; en toch, zij daalden neder en wandelden op de groene
grasvelden, met geurige en zacht gekleurde bloemen bezaaid, en door
heldere stroomen, die in het gebergte ontspringen, doorsneden. Zij
vlijden zich op den bemosten grond neder, onder de schaduw van het
nog jeugdige geboomte, en gaven zich een geruimen tijd aan zoete
mijmeringen over.
"'t Is jammer, dat hier nergens een logementje is," zei eindelijk
Pols, het lange zwijgen moede; "'t zou hier anders eene charmante
gelegenheid zijn om in de open lucht het _diner_ te gebruiken. En in
allen gevalle, het zou, dunkt mij, heel veel wandelaars lokken."
"Maar ook zonder dat," zei Van Aartheim, "is deze plaats zeer
gezocht. Het was van ouds de meest geliefde wandeling der Paltzgraven
en keurvorsten; en vooral voordat de Oeconomische Directie hier het
hooge geboomte, dat het dal omgaf, had doen omverhakken en verkoopen."
"Dat was een beroerde streek van die Oeconomische Directie," gromde
De Morder.
"Toen," vervolgde Van Aartheim, "ging hier menig lijdende in
eenzaamheid om, en vond in de schoone natuur dikwijls balsem voor
zijne smarte (Holstaff zuchtte), maar zag men ook menig verliefd paar
zóó door den invloed der schoone natuur betooverd, dat zij de geheele
wereld buiten elkander vergaten."
"Zoodat," glimlachte Torteltak,
"Indien dit bosje klappen kon,
Wat melde 't al vrijaadje?"
"'t Is ook zelfs door de Duitsche romandichters met vrucht tot
dergelijke _scènes_ gebruikt," zei Van Aartheim. "Mijnheer Holstaff
zal misschien de geschiedenis van Clairant en Clare du Plessis wel
kennen. Lafontaine laat hier heel wat met hen voorvallen."
"Zoo?" vroeg Holstaff: "is dat hier? Hoe heet deze plaats dan?"
"De _Wolfsbrunnen_," zei de ander.
"Een weinig poëtische naam voor zulk een hemelsch oord," viel
Veervlug in.
"En aan den anderen kant misschien weêr wel," zei Van Aartheim. "De
overlevering verhaalt ten minste, dat, toen de tooveres Jetta, die
op den berg woonde, waar later het slot gebouwd werd, eens van hare
hoogte afdwaalde en op deze plaats kwam, terwijl zij den gloed harer
lippen in helderen vloed wilde verkoelen, door eene wolvin en hare
jongen werd verscheurd. Ik hoop dat deze mededeeling u een weinig
met den naam zal verzoenen."
Na nog een weinig toevens zette men den togt naar den top des
_Kaiserstuhls_ voort, en had gelegenheid op te merken, dat daar het
uitzigt ruimer, maar op den minder hoogen _Geissberg_ aangenamer is;
en toen men van daar langs den grooten weg naar den _Jettebühel_
wandelde, om de _Schlossruïnen_ te gaan bezoeken, merkten niet alleen
Pols, maar ook de andere vrienden met genoegen op, dat niet ver van
daar gelegenheid was, om weêr eens op een houten stoel te zitten en
iets anders dan bronwater te drinken.
Ons gezelschap scheen in dit soort van _Wirthshaus_ volstrekt de
aandacht niet te trekken van een menigte Heidelbergsche studenten,
die bezig waren, zich in verschillende groepen onder 't gebruik van
dunnen landwijn of dik bier te vervrolijken, maar wel die van drie
Fransche reizigers, uit twee heeren en eene dame bestaande. De heeren
schenen jong en waren beiden met weinig hoofdhaar versierd, maar met
formidabele zwarte knevels gewapend. De dame was zeer rijk gekleed,
en had misschien zelfs geene kosten gespaard aan een heel lief blosje,
dat door hitte noch koude, door schrik nog vreugde werd veranderd,
maar imperturbabel op hare wangen bleef wonen. Zij scheen niet meer
heel jong te zijn, maar kon toch nog lang niet voor oud doorgaan;
iets wat zij ook geenszins scheen te ambiëren. De schoonheid, die zij
misschien vroeger bezeten had, was haar een weinig ontrouw geworden;
maar levendigheid en gratie hadden haar nog niet verlaten. Naauwelijks
hadden deze drie ons gezelschap in het oog gekregen, of hunne blikken
begonnen hen te vervolgen en rustten voornamelijk op Pols; iets,
waarover de goede man tamelijk confuus werd, vooral toen hij de dame
tot een der heeren hoorde zeggen: "_C'est lui_." Hij begreep van het
geheele geval volstrekt niets; want hoe hij zijn onschuldig geheugen
martelde, hij herinnerde zich niet, ooit een dezer personen te voren
gezien te hebben. Maar hierbij bleef het niet; weldra naderde een der
heeren het gezelschap, en stortte een vloed van woorden over hen uit,
waarin hij te kennen gaf, dat Heidelberg lief gelegen was, en de zomer
een goed saizoen was om te reizen. Pols mengde zich eerst weinig in het
gesprek; maar toen zij na eenigen tijd die plaats verlieten, om naar
het slot te wandelen, en het Fransche gezelschap juist gelijktijdig
tot hetzelfde doel opstond, wilde het toeval, dat de dame aan zijne
zijde den togt begon. Hij rekende het nu zijn pligt, om het een
of ander te zeggen, en in de conversatie, die volgde, gebruikte
hij al de gezelschapsphrases, welke hij zich uit Pierre Marin kon
herinneren. De goede dame scheen met deze pogingen tevreden, althans
zij vergde hem niet, haar veel antwoord te geven, daar zij het discours
zoodanig inrigtte, dat Pols met een hoofdknikken of een _vraiment!_
kon volstaan. Hare conversatie scheen niet van aantrekkelijkheid
ontbloot, althans het gelaat van onzen vriend werd hoe langer hoe
vergenoegder; en toen zij, daar de weg iets steiler werd, zijnen arm
greep, en hare vingeren nu en dan, niet zonder beteekenis, sommige
zijner spieren drukten, werd het den goeden man zoo wonderlijk, dat
zijne vrienden naderhand verklaarden, nooit meer glans op zijn gelaat
te hebben gezien, dan toen hij zoo vertrouwelijk met de _Française_
op den _Jettenbühel_ arriveerde.
De zeer _gnädiger-Herr_-rijke en buigende portier was terstond
bereid het gezelschap door de ruïnen rond te leiden. De standbeelden,
eetzalen, kapellen, wapenzalen en muren van het oude slot werden met
naauwkeurigheid bezigtigd, en het merkwaardige en niet merkwaardige,
dat de gids mededeelde, met geduld aangehoord. Eindelijk kwamen zij ook
aan den _dicken Thurm_ en den daaraan verbonden slotwal, waarvan de
aanleg boven de steenklompen van het slot aan de hangende tuinen van
oude tijden doet denken. Nog werpen daar de hooge lindeboomen hunne
schaduw over de ingestorte muren; maar van de steenen omheining,
die de oude _Elisabethsgarten_ omringde, zijn slechts wankelende
overblijfsels te vinden.
"Ik bezoek nooit dit punt," zei Van Aartheim, "zonder met weemoed
te denken aan de ongelukkige Engelsche vorstin, voor wie de jonge
en teedere gemaal hier den harden rotsgrond in een weligen lusthof
herschiep."
"O ja," viel de gids in; op dezen Eereboog staat het nog te lezen:
FRIDRICUS V ELIZABETHAE CONJUGI CARISSIMAE
A. C. MDCXV F. C.
"En wat was haar lot?" ging van Aartheim voort. "Voordat nog de
lusthof voltooid was, zwierven de echtelingen, reeds uit hunne staten
verstooten, in vreemde landen om. In plaats van in dit prachtige slot
van Heidelberg te heerschen, moest zij het nog den Staten van Holland
danken, dat haar een nederige woning in Rhenen werd aangewezen."
"In Rhenen?" riep Veervlug uit. "Ongelukkige Vorstin!"
"_The ton, I'll see the ton!_" riep een Engelschman, die mede tot
het gezelschap behoorde, ongeduldig.
"En bleef zij altijd te Rhenen wonen?" vroeg Pols nieuwsgierig. "Dat
is toch ook wel een lief plaatsje."
"Zij trok nog naar haar vaderland, nadat zij 40 jaren balling was
geweest en meer dan 30 jaren haren gemaal had beweend. Maar de
ongelukkige dochter van James I was ook in Engeland niet welkom;
en toch zij vond er een graf."
"_The ton, the ton!_" riep de Engelschman, stampvoetende van ongeduld.
Men verliet dus den _Elisabethsgarten_, en daalde in den slotkelder
neêr; Pols nog altijd met zijne _Française_ aan den arm, en vol van
kleine attenties voor haar, die zich zoo vrijwillig aan zijne zorgen
had toevertrouwd. Daar zagen zij op eenmaal het monstervat voor hunne
oogen, en hoorden tevens van den portier of deftigen toon verhalen:
"Dit groote vat is een wereldberoemde merkwaardigheid." Het zou
gepast zijn geweest, indien het gezelschap zich door deze uitspraak
had laten imposeren; maar geen hunner kon nalaten het gezigt van
zulk een vat bespottelijk te vinden, en in een dwaas gelach uit te
barsten. Dat effect schijnt het te hebben op de meeste pelgrims, die
het tot het doel hunner bedevaart maken. De ongeduldige Engelschman
evenwel lachte niet, maar keek _the ton_ eenige oogenblikken strak
aan; zette toen een kruisje in zijne reisportefeuille achter dit
opgegeven merkwaardige punt, en keerde zich met een _very well_ om,
zich haastende den kelder weêr te verlaten.
"Uw landgenoot schijnt spoedig tevreden," merkte de _Française_ aan,
zich tot Pols wendende.
"Hij is mijn landgenoot niet," antwoordde deze, "want ik ben een
Hollander."
"Hoe!" riep de dame, op eens zijn arm loslatende: "dat is een
schandelijk bedrog."
"Dit vat werd op last van den Keurvorst Karl Thedor gebouwd, en is
nu niet gevuld...." vervolgde de portier op zijnen ouden toon.
De _Française_ vlugtte tot hare oude _cavaliers_, en riep hun toe:
"_Mais ce n'est pas Milord._"
"Maar kan 236,000 flesschen wijn bevatten," ging de gids voort.
Pols keek verbaasd. Hij wist naauwelijks, welk gezegde hem gold. Hij
begreep niets meer van de zaak.
"Mijnheer!" sprak een der Fransche heeren, zijn zwarten knevel vinnig
opstrijkende: "gij hebt het vertrouwen van mijne nicht schandelijk
misbruikt en u laag gedragen."
"Hoe? wat? ik?" riep Pols in toenemende verbazing.
"Mijnheer! ik eisch 1000 _francs_ schâvergoeding voor de beleediging,
mijne familie aangedaan."
"Maar, Mijnheer! het is duidelijk dat gij u vergist."
"Wij spreken hier van geen vergissen. Zoo als ik zeg, 1000 _francs_
schâvergoeding of een _duel à mort_. Gij hebt de keus."
Dit was te veel voor Pols. Hij verloor zijne gewone bedaardheid. Hij
hief zijn vuist op, en als hij een degen was magtig geweest, hij zou
den uitdager doorregen hebben. Van Aartheim kwam tusschenbeiden. Hij
verzocht Pols zich een oogenblik te calmeren; en zich met de Franschen
een weinig verwijderd hebbende, fluisterde hij hun eenige woorden toe,
waarop de twee heeren verbleekten, en de dame wel schrikte, maar niet
bleek werd. Zonder een blik verder op Pols of de andere vrienden
te durven slaan, spoedden zij zich, om den kelder te verlaten. De
buigende portier liep hen na, en verzocht beleefd om een fooitje.
"_Va te faire pendre!_" brulde een der heeren hem toe, zijn knevel
woedend opstrijkende.
De portier sprong van schrik drie schreden achteruit.
Daar was een geruime tijd noodig om Pols weêr tot bedaren te brengen;
maar toen kon hij zich niet weêrhouden te zeggen: "Ik begrijp mij
volstrekt niet, hoe zoo'n meisje met zulke lomperts reizen kan!"
De vrienden glimlachten. "Maar hoe hebt gij zoo op eens de gevaren
van het hoofd van onzen waardigen Pols afgewend?" vroeg Veervlug aan
Van Aartheim.
"Ik had het plaisir gehad die personen nog eens te ontmoeten,"
antwoordde deze. "Hieraan heb ik hen herinnerd, en hun te gelijk
geraden, om maar zoo spoedig mogelijk te zien over de grenzen te
komen."