HOOFDSTUK XII.

Vermeldende hoe _Veervlug_ naar zijn pas zoekt, hoe hij zich

in zijne eenzaamheid tracht te amuseren, en hoe hij eerst te

Darmstadt plaisir krijgt.

Terwijl zijne vrienden aldus veelsoortige genoegens smaakten, was

Veervlug genoodzaakt voor de tweede maal de beroemde _Bergstrasse_ te

aanschouwen, die reeds de eerste maal zoo weinig aan zijne verwachting

had beantwoord. Hij troostte zich wel met het denkbeeld, dat hij

spoedig het papier kon terugvinden, en vervrolijkte zich door nu en

dan een calembourg op zijn eigen toestand voort te brengen, en phrases

met _niet van pas_ en _zonder pas_ en _ongepast_ te construëren;

maar toch, wij moeten het toestemmen, zijn tour was onaangenaam,

en de togt wat zwaar op een plaisirreis.

Zoo arriveerde hij te Weinheim. "Al terug?" riep de _Kellner_ hem toe,

die hem 's morgens bediend had. "Gij kunt naauwelijks te Heidelberg

geweest zijn; maar nu ik u toch hier zie, kan ik u iets teruggeven,

dat een uwer dezen morgen hier heeft laten liggen."

Verrukt staart Veervlug den _Kellner_ aan. "Dat is al te gelukkig,"

zegt hij in zichzelven; maar hij had er berouw van, toen hij den

knecht uit de kast zag te voorschijn brengen--een roodgeruiten

katoenen zakdoek, gemerkt J P W 6, dien hij terstond herkende, als

tot de reis-zakdoeken van zijnen vriend Pols behoorende.

Teleurgesteld stapte hij weêr in 't rijtuig en reed verder. Nu had

hij een langen tour te maken tot Heppenheim. Hij had niemand om meê te

praten, want de koetsier was niet spraakzaam; hij had weinig om op te

kijken, want de landstreek beviel hem niet. Hij moest zich dus, zoo

hij zich occuperen wilde, alleen met zichzelven bezig houden. Nu mag

zoodanige occupatie voor sommige menschen veel aangenaams opleveren

en voor iedereen misschien heel nuttig zijn, het was Veervlug vreemd

om zich in zichzelven te verdiepen. En toch, nu hij zich zoo geheel

alleen bevond, kwamen hem als van zelve vele _scènes_ uit zijn vroeger

leven voor den geest. Hij verplaatste zich in den tijd, waarin hij voor

het eerst het ouderlijk huis verliet, en als groen te Leyden uit de

schuit stapte; toen hij aan de zijde van zijn vriend Polsbroekerwoud,

op wiens bescherming hij trotsch was, de eerste collegiekamer betrad;

toen iedereen met belangstelling naar zijn naam informeerde, en zoo

vele vereerende epitheta, meestal van luchtverschijnselen ontleend,

op hem werden toegepast; nog eens zag hij voor zijn geest het heir

van vuile gezigten, oude jassen, dikke stokken en lange pijpen, die

's morgens, bij het sluiten van het eerste collegie op de Akademie,

de zoogenaamde Ellendelingen afwachtten.--Van deze akelige tooneelen

werden zijne gedachten op eenmaal afgeleid, en hij zag zich verplaatst

in dien gelukkigen tijd, toen het magtige collegium hem uit louter

goedgunstigheid als student had aangenomen, en toen het hem op eens

vergund werd een pet te dragen, op sloffen te loopen en een hond te

houden. O dagen van weelde en genot! Hoe heerlijk kwam hij zichzelven

voor in den blaauwen jas met koperen knoopen en overdadig vele zakken;

hoe verschrikkelijk moest hij den Leydenaren schijnen, als hij 's

avonds met luider stemme langs 's heeren straten zong en zelfs de

nachtwacht overschreeuwde; hoe groot en in aanzien aan zijne hospita,

als hij soms twaalf heeren te gelijk bij zich op thee zag.

Maar de tijd was ook gekomen, dat hij al die jonge studentenstreken

dwaasheid noemde. Hij was zelf oud student geworden, hij was zelf

senator geweest; nog meer eereposten waren hem opgedragen, en hij

had ze met een ijver vervuld, eene betere zaak waardig. Hij was, door

iederen middag in _de Paauw_ te komen, en door bijna elken avond drie

gulden in de societeit te verteren, en door habitué te zijn op alle

senaats- en promotiepartijen, een voorwerp van bewondering geworden

voor alle kasteleins; geen stalhouder, die hem niet hoogachtte, want

hij reed dikwijls met vier paarden; en geen der knechts, die dubbele

fooijen van hem ontvingen, kende een beteren Heer dan Veervlug.

Maar gelukkig voor den jongeling, deze herinneringen waren niet

de eenigen, die zich aan hem voordeden. De laatste jaren van zijn

Akademietijd schenen zijne kennissen die van dwaze afzondering

geweest te zijn; anders dachten er zijne intime vrienden over. Hij was

verzadigd van nachtpartijen en vierspannen, van feesten, waar de wijn

alleen den toon geeft, en van uitspanningen, waarbij een paardenmenner

het meest heeft in te brengen. Hij was nu maar gelukkig onopgemerkt te

kunnen voortleven, en binnen de muren van zijne kamer en die zijner

ware vrienden verzamelde hij zich _souvenirs_, die ook heden menigen

glimlach van genoegen op zijn gelaat deden te voorschijn komen. Reeds

twee jaren waren er voorbijgegaan, sedert hij den kring verliet,

waarin hij zooveel gesmaakt had. Hij was als getituleerd persoon in de

maatschappij teruggekomen, en het was niet zijne schuld, dat men zoo

weinig notitie nam van zijne Doctorale Bul. En toch, reeds eenmaal

had hij een ter dood veroordeelde gered; hij had een grijsaard van

den strop bevrijd; en het was hem eene streelende gewaarwording, dat

de begenadigde, met een brandmerk en de litteekenen van eene gestrenge

geeseling op den rug, nu nog gedurende zijne twintigjarige opsluiting

de welsprekendheid van zijn ervaren pleitbezorger zou zegenen.

Maar welk een beeld vertoont zich daar op eens aan zijn gezigt? Door

welk een stroom van herinneringen wordt hij overstort?--Het is

het beeld van haar, die eens geheel zijn hart bezat; het zijn de

herinneringen aan zijne eerste liefde: hoe hij haar bij den terugkeer

der Leydsche jagers voor het eerst 's morgens in de kerk waar hun het

eermetaal werd uitgereikt, en 's avonds in de komedie had gezien;

hoe hij niet gerust had, voordat hem de toegang tot hare woning

vrij stond, hoe hij drie jaren dol van verliefdheid geweest was,

en altijd het voorwerp zijner min fixeerde; en hoe hij, door uren

lang sprakeloos aan hare zijde te zitten, hare liefde had trachten te

winnen; hoe hij, die overal elders levendig, vrolijk en spraakzaam

was, altijd vreesde iets geks te zullen zeggen, als hij maar in

't gezelschap van zijn meisje was, en daarom als een gek zweeg; hoe

hij evenwel om harentwil menigen slapeloozen nacht had doorgebragt:

hoe hij haar menige dienst had trachten te bewijzen en menig genoegen

verschaft, maar altijd zoo geheim, dat zij nooit iets daarvan merkte;

en hoe hij door al dit handelen en niet handelen menig gek figuur

mogt maken, en het genoegen kon hebben op te merken, dat velen hem

als een mijmerend en vervelend mensch considereerden. Maar hij was

toch niet altijd werkeloos toeschouwer geweest; hij had immers het

genoegen gehad haar, en die nu haar echtgenoot was, thee te brengen,

terwijl zij op eene buitenplaats in een prieel naar de liefdeverklaring

van den uitverkoren minnaar luisterde; hij had onder de eersten mogen

zijn, die haar met haar engagement konden feliciteren, en waren er

geene omstandigheden tusschenbeiden gekomen, dan zou hij ook nog een

vers op hare bruiloft hebben mogen debiteren.

En nu,--daar waren jaren verloopen na deze gelukkige _scènes_, die

weêr in haar volle klaarheid voor zijn geest stonden. De smart over

deze eerste teleurstelling was voorbijgegaan. De meeste eerste liefdes

schijnen er trouwens op gemaakt om te mislukken; maar hoe was het nu op

dit oogenblik met zijn hart gesteld? Hij had nog vele meisjes ontmoet,

vele lieve meisjes leeren kennen; maar hij stond verstomd over de

imperturbable kalmte, die in zijne ziel bleef heerschen. Hij was dan

nu ook wijs geworden; althans hij verbeeldde het te zijn. Hij zou nu

geene onberaden coupen meer beginnen. Wij hopen voor hem, dat hij niet

in de gelegenheid zal gesteld worden, om ze te begaan. Maar toen hij

nu zichzelven ernstig afvroeg, of er dan niet één meisje mogt wezen,

dat hij boven anderen stelde, toen kwam een oogenblik Torteltak's

zuster hem voor den geest; maar neen, wat zou dat zijn? Zoo'n mooi

meisje, en hij al zoo oud! En hij was altijd zoo vrolijk met haar

geweest!--neen, dat kon niet wezen! Had zijn eerste liefdesgeval hem

misschien al niet wijs gemaakt, de uitkomst had hem geen zelfvertrouwen

en gevoel van onweêrstaanbaarheid ingeboezemd.

Terwijl dit een en ander in Veervlug's ziel opkwam, was de zomerzon

druk bezig zijn aangezigt te roosteren, en zou men het aan zijne

bepoederde kleederen niet gezegd hebben, dat de straatweg nog gisteren

zoo overmatig bevochtigd was. Maar de jongeling merkte van dit alles

niets, en zoo niet de toren van Heppenheim hem had herinnerd, dat hij

daar eene commissie te verrigten had, hij zou nog heel wat avontuurtjes

hebben kunnen overpeinzen, eer hij aan den gelukkigen morgenstond kwam,

waarop hij bemerkte dat hij zijn pas verloren had.

Voor het logement hield de calêche stil. Een deftig kastelein stond

zich reeds te voren in buigingen uit te sloven voor den rijken

reiziger, die zoo alleen per post reed. Het "_Gnädiger Herr Baron_"

vloeide reeds liefelijk van des _Gastgebers_ lippen, terwijl hij het

portier open maakte; maar toen Veervlug hem verzocht, in die manoeuvre

niet voort te gaan, maar hem liever informatiën te geven omtrent

den postiljon, die hem heden nacht gereden had en die misschien een

Hollandsch papier gevonden had, wendde zich de kastelein ontevreden

af, draaide hem den rug toe, als wilde hij daardoor de vruchtelooze

buigingen uitwisschen, en een _Kellner_ roepende, zei hij op een

barschen toon: "Johann! brengt hem bij den stalknecht."

De stalknecht riep den postiljon, en de postiljon zei, dat hij van

niets wist; en toen nu Veervlug den stalknecht een fooitje voor het

roepen van den postiljon, en dezen een dito voor het _neen_ zeggen

had mogen geven, had hij permissie zijnen weg te vervolgen.

Wederom teleurgesteld, besloot onze vriend zijn gepeins eens door

het in oogenschouw nemen der landstreek af te wisselen, en na dus

eene pijp gestopt te hebben, begon hij links en regts te kijken. Op

eens ziet hij, tegen de hoogte op, iets wits glinsteren. Naderbij

komende, bemerkt hij duidelijk dat het een papier is. "Halt!" roept

hij den koetsier toe, en op hetzelfde oogenblik springt hij uit

het rijtuig. "Ja wel," zegt hij in zichzelven, "ik ben er nog uit

geweest, toen van nacht die eene streng brak; maar ik dacht dat het

digter bij Darmstadt was. Nu, ik kan mij vergissen." En daar was het

hem, als zag hij het koninklijke wapen reeds door het dunne papier

schijnen. Verrukt grijpt hij het aan... O jammer! het gelijkt naar

alles, behalve naar een Hollandschen pas. Mismoedig werp hij het weêr

weg,--maar neen! Hij wil het toch meênemen. "Ik moet toch eens zien,

wat het waagde mij zoo te duperen," riep hij uit, terwijl hij weêr

in het rijtuig klom. Hij ontvouwde het papier, en las het volgende:

...."Toen sprak de oude man tot hem: "Mijn zoon! wees sterk,

en denk maar dat de menschen u niet altijd kwaad zullen kunnen

doen. Neem mijnen zegen met u op reis."

"Toen knielde de jongeling neêr, en twee groote tranen rolden

den vader over de wangen, terwijl hij zijne oogen ten hemel

sloeg.

"Maar toen de zoon, door den vaderzegen gesterkt, opstond

en zich wilde verwijderen, kwam Lisette te voorschijn, met

bleeke wangen en roode oogen. En toch, die roodgeweende oogen

vermogten meer dan hare stem, want zij drukten wanhopige

smart uit; haar mond kon niets meer uitdrukken. Vast klemde

zij zich om den hals haars minnaars.

"'Lisette!' gilde de jongeling in vertwijfeling.

"Lisette sloot ook hare oogen: het marmerbleek van hare

wangen verbleekte nog meer; zij schenen nu door de kleur des

doods overtogen.

"'O Hemel, wees haar en hem genadig!' riep de oude man.

"Karel drukte zijne bruid aan het hart en bedekte haar

voorhoofd met brandende kussen, en tranen rolden uit zijne

oogen. Hij was nog gelukkig; want hij had nog tranen. Het

meisje bleef roerloos.

"'Lisette!' riep hij nog eens, met zooveel teederheid en

kracht, dat zijne stem bijna een doode in het leven zou

hebben teruggeroepen.

"Het meisje opende nog eenmaal de oogen, om te zien--dat

haar bruidegom door de gendarmes van hare zijde werd

weggesleept. Toen viel zij aan de voeten van den ouden man.

"Dien avond zat de grijsaard voor het bed der halfdoode en het

viel hem moeijelijk, voor zijne vijanden te bidden. Maar toch,

hij deed het.

"Zou de zegen des gebeds op hem of op hen zijn neêrgedaald?--

"Karel kwam in het leger van den overweldiger aan, en kreeg

wapenen om te strijden tegen hen, die de heilige zaak des

Vaderlands verdedigen. En hij moest den spot zijner kameraden

verduren; want de gendarmes hadden hun verteld, dat hij zijn

liefje aan een oud man had moeten overlaten.

"Zij hadden den blik des grijsaards niet gezien, en de kleur

des doods, die de bruid overdekte, niet opgemerkt. Anders

zouden zij gezwegen hebben; want menschen zijn toch geen

verscheurende dieren.

"En het leger trok op en legde vermoeijende dagmarschen

af. Uitgeput door afmatting, sliep de jongeling op het bivouac

in, en droomde een zoeten droom van zijne geliefden. Maar

zijn vader en zijne bruid sliepen niet, en zij waren met

kommervolle gedachten omtrent hunnen Karel vervuld.

"De dag des gevechts brak aan. Karel stond in de rijen der

aanvallenden. Het geschut borst los; de storm begon. De

jongeling vocht met leeuwenmoed en behaalde zich lauweren,

en na den slag dronk hij volle bekers op het oorlogsgeluk van

den overweldiger; en hij zag het, dat hunne gevangenen van

spijt weenden. En die gevangenen waren zijne landgenooten,

zijne broeders.

"Toen zijne bruid van dit eerste gevecht hoorde, hoopte zij,

dat Karel toch maar mogt leven; en de oude man hoopte, dat

zijn zoon dan voor zijn behoud mogt danken.

"De jongeling streed nog menigen strijd en behaalde nog

menigen lauwer; de epauletten versierden zijne schouders en

het kruis van eer zijne borst; maar de vrijheid van zijn

Vaderland ging te gronde. En toen de laatste overwinning

behaald was, zat Karel met zijne krijgsmakkers, om den haard,

en de bekers werden omhoog geligt, en in vrolijke liedjes

werd er aan de vaderlandsche meisjes gedacht, en men vergat,

dat het Vaderland een wingewest was geworden. Men wijdde eenen

dronk aan de vreugde des wederziens, en de jongeling vergat,

dat hij een medaillon als trophée met zich voerde, hetwelk

hij eenen officier, door zijne hand gesneuveld, ontnomen had.

"Terwijl knielden zijn vader en Lisette neder, om voor Karel

te bidden.

"Hij trok met het zegevierende leger zijne geboorteplaats

binnen, en wierp zich in de armen van zijnen vader en van

zijne bruid.

"En toen nu de oude man zijne oogen naar boven sloeg, vroeg

hij hem, wat hem deerde en waarom hij nu nog treurde. Ach! hij

begreep zijn vromen vader niet meer; hij had er nooit aan

gedacht, om in voorspoed een oog ten hemel te wenden.

"En daar hij zijne vrienden en landgenooten opmerkzaam maakte

op de schoone houding der overwinnende troepen, werd hij boos

omdat zij zuchtten, in plaats van in zijne opgewondenheid

te deelen.

"En hij nam het zijne bruid kwalijk, dat zij er nog altijd

doodsbleek uitzag, en niet met hem van vreugde schaterde. Hij

vergat, dat angst over hem haar zoo veranderd had, en dat

vreugde zich somtijds anders uitdrukt dan in uitbundig gejuich.

"'Waart gij nog eene bruid als deze!' riep hij uit, terwijl hij

het medaillon te voorschijn bragt: "die smartelijke glimlach

zou u voegen." En hij wierp haar het vrouweportret toe.

"'O mijn God!' riep zij uit: 'hoe komt dit in uwe handen?'

"'Ik vond het op het hart van een, dien mijn degen doodelijk

trof.'

"'Dan hebt gij mijn broeder vermoord, ongelukkige!' riep zij

in hevige smart.

"De oude man sidderde en hield beide handen voor zijne oogen.

"'Het was de krijgskans,' zeide hij koeltjes;--'maar men zal

mij wachten op de parade.'

"'Hoe was de bruid?' vroeg hem een zijner vrienden: 'zeker

wonder in haar schik?'

"'Zij schijnt wat ziekelijk en aandoenlijk te zijn,'

antwoordde hij.

"'Morgen marscheren wij naar de hoofdstad,' kondigde de

kommandant aan.

"'Bravo!' riepen al de officieren, en ook Karel riep: "bravo!"

"Twee jaren later werd het leger van den overweldiger

geslagen. Karel had reeds vroeger zijn ontslag gevraagd,

en keerde naar zijne geboorteplaats terug. Hij was nu een

geheel ander mensch, dan toen hij met de zegevierende troepen

binnenrukte. Hij had weêr teleurstellingen ondervonden, en wat

hem vroeger grootheid scheen, was het hem nu niet meer. Hij

keerde naar zijn ouden vader terug; helaas! alleen naar

zijn vader. Lisette's ziel had haar bleeke hulsel afgelegd,

en daarmede tevens de smart, die haar doorgriefde. Deze slag

had de verwildering van den jongeling doen ophouden.

"'Vader!' riep hij, toen hij de eenzame woning weêr binnentrad:

'de Hemel heeft mij veel, te veel ontnomen!'

"'Maar heeft hij u niet meer, veel meer teruggegeven? Wees

welkom, mijn zoon! mijn geliefde zoon!'

"En 's avonds knielden beiden bij Lisette's graf, en zij

weenden."

"Moet Uwe Genade ook niet te Bickenbach wezen?" vroeg de koetsier,

terwijl Veervlug het gevonden manuscript, dat vrij slecht geschreven

was, nog ontcijferde.

"Ja, maar niet lang," zei de ander.

"Dat is wel jammer," zei de voerman, die nu voor 't eerst spraakzaam

werd; "ik zou Uwe Genade anders een drift ossen hebben laten zien,

zoo mooi als ze in 't laagland durven denken. En dan had ik meteen

mijn nichtje nog eens opgezocht, waar ik meê aan 't verkeeren ben."

"Je kunt je nichtje toch wel eens gaan zien, mits je gaauw terugkomt;

maar ik zal de ossen maar daarlaten."

"Uwe Genade is wel goed," zei de koetsier; "maar 't is anders een

mooi gezigt, en Uwe Genade heeft dan ook niets voor de moeite van

't wachten."

Veervlug bepaalde zich echter tot het nemen van informatiën,

maar ook hier vruchteloos; hij moest zich dus vergenoegen met in

de oogenblikken, die de voerman bij zijn liefje doorbragt, tot de

wetenschap te geraken, dat des Bickenbacher landwijns zuurheid met

zijne flaauwheid wedijvert.

"Als ik hem nu hier niet vind, dan rijd ik in vredes naam maar in

eens door naar de Hollandsche Ambassade te Frankfort, om een nieuwen,"

zei hij in zichzelven, toen hij te Darmstadt aankwam.

"_Kellner_, geef spoedig wat eten, terwijl de koetsier van paarden

verwisselt; maar eerst nog--heb ik hier ook gisteren avond een

Hollandschen reispas laten liggen?"

"Neen, Mijnheer! maar ik wil wel eens informeren."

"Heb ik het plaisir Mijnheer Veervlug te zien," sprak een jong mensch,

die digt bij een raam een nieuwspapier doorbladerde.

"Veervlug--o ja, Mijnheer!" zei de ander verwonderd.

"Mag ik u dan dit papier uit naam van den Secretaris van Legatie te

Frankfort geven?"

"Hoe?" riep Veervlug, daar hij zoo op eens en zoo onverwacht het

voorwerp van zijne nasporingen in handen hield. "Hoe, mijn pas? Maar

ik zou haast vragen, Mijnheer! waaraan ik het geluk te danken heb,

die hier en van u te ontvangen?"

"De zaak is gemakkelijk te expliceren; men verzocht mij, daar ook

ik mijne papieren liet nazien, dit stuk, dat van een der Heeren was

achtergebleven, meê te nemen, daar men wist, dat gij naar Heidelberg

vertrokken waart."

Nu ontstond er van den eenen kant een stroom van dankbetuigingen,

en van den anderen kant een dijk van afweringen: nu streed men

een strijd van liefheid en welwillendheid, waarvan bijna de uitslag

geweest zou zijn, dat de overbrenger van het papier dank verschuldigd

was aan Veervlug. Gelukkig moest de laatste spoedig aan het eten, en

daar de eerste plan had om dien avond per diligence naar Heidelberg

te vertrekken, nam hij zonder veel complimenten de uitnoodiging des

jongeling aan, om van de calêche-gelegenheid te profiteren.

Een weinig later was Veervlug met zijn nieuwen vriend op reis.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 16 / 43 题