Vermeldende hoe _Veervlug_ naar zijn pas zoekt, hoe hij zich
in zijne eenzaamheid tracht te amuseren, en hoe hij eerst te
Darmstadt plaisir krijgt.
Terwijl zijne vrienden aldus veelsoortige genoegens smaakten, was
Veervlug genoodzaakt voor de tweede maal de beroemde _Bergstrasse_ te
aanschouwen, die reeds de eerste maal zoo weinig aan zijne verwachting
had beantwoord. Hij troostte zich wel met het denkbeeld, dat hij
spoedig het papier kon terugvinden, en vervrolijkte zich door nu en
dan een calembourg op zijn eigen toestand voort te brengen, en phrases
met _niet van pas_ en _zonder pas_ en _ongepast_ te construëren;
maar toch, wij moeten het toestemmen, zijn tour was onaangenaam,
en de togt wat zwaar op een plaisirreis.
Zoo arriveerde hij te Weinheim. "Al terug?" riep de _Kellner_ hem toe,
die hem 's morgens bediend had. "Gij kunt naauwelijks te Heidelberg
geweest zijn; maar nu ik u toch hier zie, kan ik u iets teruggeven,
dat een uwer dezen morgen hier heeft laten liggen."
Verrukt staart Veervlug den _Kellner_ aan. "Dat is al te gelukkig,"
zegt hij in zichzelven; maar hij had er berouw van, toen hij den
knecht uit de kast zag te voorschijn brengen--een roodgeruiten
katoenen zakdoek, gemerkt J P W 6, dien hij terstond herkende, als
tot de reis-zakdoeken van zijnen vriend Pols behoorende.
Teleurgesteld stapte hij weêr in 't rijtuig en reed verder. Nu had
hij een langen tour te maken tot Heppenheim. Hij had niemand om meê te
praten, want de koetsier was niet spraakzaam; hij had weinig om op te
kijken, want de landstreek beviel hem niet. Hij moest zich dus, zoo
hij zich occuperen wilde, alleen met zichzelven bezig houden. Nu mag
zoodanige occupatie voor sommige menschen veel aangenaams opleveren
en voor iedereen misschien heel nuttig zijn, het was Veervlug vreemd
om zich in zichzelven te verdiepen. En toch, nu hij zich zoo geheel
alleen bevond, kwamen hem als van zelve vele _scènes_ uit zijn vroeger
leven voor den geest. Hij verplaatste zich in den tijd, waarin hij voor
het eerst het ouderlijk huis verliet, en als groen te Leyden uit de
schuit stapte; toen hij aan de zijde van zijn vriend Polsbroekerwoud,
op wiens bescherming hij trotsch was, de eerste collegiekamer betrad;
toen iedereen met belangstelling naar zijn naam informeerde, en zoo
vele vereerende epitheta, meestal van luchtverschijnselen ontleend,
op hem werden toegepast; nog eens zag hij voor zijn geest het heir
van vuile gezigten, oude jassen, dikke stokken en lange pijpen, die
's morgens, bij het sluiten van het eerste collegie op de Akademie,
de zoogenaamde Ellendelingen afwachtten.--Van deze akelige tooneelen
werden zijne gedachten op eenmaal afgeleid, en hij zag zich verplaatst
in dien gelukkigen tijd, toen het magtige collegium hem uit louter
goedgunstigheid als student had aangenomen, en toen het hem op eens
vergund werd een pet te dragen, op sloffen te loopen en een hond te
houden. O dagen van weelde en genot! Hoe heerlijk kwam hij zichzelven
voor in den blaauwen jas met koperen knoopen en overdadig vele zakken;
hoe verschrikkelijk moest hij den Leydenaren schijnen, als hij 's
avonds met luider stemme langs 's heeren straten zong en zelfs de
nachtwacht overschreeuwde; hoe groot en in aanzien aan zijne hospita,
als hij soms twaalf heeren te gelijk bij zich op thee zag.
Maar de tijd was ook gekomen, dat hij al die jonge studentenstreken
dwaasheid noemde. Hij was zelf oud student geworden, hij was zelf
senator geweest; nog meer eereposten waren hem opgedragen, en hij
had ze met een ijver vervuld, eene betere zaak waardig. Hij was, door
iederen middag in _de Paauw_ te komen, en door bijna elken avond drie
gulden in de societeit te verteren, en door habitué te zijn op alle
senaats- en promotiepartijen, een voorwerp van bewondering geworden
voor alle kasteleins; geen stalhouder, die hem niet hoogachtte, want
hij reed dikwijls met vier paarden; en geen der knechts, die dubbele
fooijen van hem ontvingen, kende een beteren Heer dan Veervlug.
Maar gelukkig voor den jongeling, deze herinneringen waren niet
de eenigen, die zich aan hem voordeden. De laatste jaren van zijn
Akademietijd schenen zijne kennissen die van dwaze afzondering
geweest te zijn; anders dachten er zijne intime vrienden over. Hij was
verzadigd van nachtpartijen en vierspannen, van feesten, waar de wijn
alleen den toon geeft, en van uitspanningen, waarbij een paardenmenner
het meest heeft in te brengen. Hij was nu maar gelukkig onopgemerkt te
kunnen voortleven, en binnen de muren van zijne kamer en die zijner
ware vrienden verzamelde hij zich _souvenirs_, die ook heden menigen
glimlach van genoegen op zijn gelaat deden te voorschijn komen. Reeds
twee jaren waren er voorbijgegaan, sedert hij den kring verliet,
waarin hij zooveel gesmaakt had. Hij was als getituleerd persoon in de
maatschappij teruggekomen, en het was niet zijne schuld, dat men zoo
weinig notitie nam van zijne Doctorale Bul. En toch, reeds eenmaal
had hij een ter dood veroordeelde gered; hij had een grijsaard van
den strop bevrijd; en het was hem eene streelende gewaarwording, dat
de begenadigde, met een brandmerk en de litteekenen van eene gestrenge
geeseling op den rug, nu nog gedurende zijne twintigjarige opsluiting
de welsprekendheid van zijn ervaren pleitbezorger zou zegenen.
Maar welk een beeld vertoont zich daar op eens aan zijn gezigt? Door
welk een stroom van herinneringen wordt hij overstort?--Het is
het beeld van haar, die eens geheel zijn hart bezat; het zijn de
herinneringen aan zijne eerste liefde: hoe hij haar bij den terugkeer
der Leydsche jagers voor het eerst 's morgens in de kerk waar hun het
eermetaal werd uitgereikt, en 's avonds in de komedie had gezien;
hoe hij niet gerust had, voordat hem de toegang tot hare woning
vrij stond, hoe hij drie jaren dol van verliefdheid geweest was,
en altijd het voorwerp zijner min fixeerde; en hoe hij, door uren
lang sprakeloos aan hare zijde te zitten, hare liefde had trachten te
winnen; hoe hij, die overal elders levendig, vrolijk en spraakzaam
was, altijd vreesde iets geks te zullen zeggen, als hij maar in
't gezelschap van zijn meisje was, en daarom als een gek zweeg; hoe
hij evenwel om harentwil menigen slapeloozen nacht had doorgebragt:
hoe hij haar menige dienst had trachten te bewijzen en menig genoegen
verschaft, maar altijd zoo geheim, dat zij nooit iets daarvan merkte;
en hoe hij door al dit handelen en niet handelen menig gek figuur
mogt maken, en het genoegen kon hebben op te merken, dat velen hem
als een mijmerend en vervelend mensch considereerden. Maar hij was
toch niet altijd werkeloos toeschouwer geweest; hij had immers het
genoegen gehad haar, en die nu haar echtgenoot was, thee te brengen,
terwijl zij op eene buitenplaats in een prieel naar de liefdeverklaring
van den uitverkoren minnaar luisterde; hij had onder de eersten mogen
zijn, die haar met haar engagement konden feliciteren, en waren er
geene omstandigheden tusschenbeiden gekomen, dan zou hij ook nog een
vers op hare bruiloft hebben mogen debiteren.
En nu,--daar waren jaren verloopen na deze gelukkige _scènes_, die
weêr in haar volle klaarheid voor zijn geest stonden. De smart over
deze eerste teleurstelling was voorbijgegaan. De meeste eerste liefdes
schijnen er trouwens op gemaakt om te mislukken; maar hoe was het nu op
dit oogenblik met zijn hart gesteld? Hij had nog vele meisjes ontmoet,
vele lieve meisjes leeren kennen; maar hij stond verstomd over de
imperturbable kalmte, die in zijne ziel bleef heerschen. Hij was dan
nu ook wijs geworden; althans hij verbeeldde het te zijn. Hij zou nu
geene onberaden coupen meer beginnen. Wij hopen voor hem, dat hij niet
in de gelegenheid zal gesteld worden, om ze te begaan. Maar toen hij
nu zichzelven ernstig afvroeg, of er dan niet één meisje mogt wezen,
dat hij boven anderen stelde, toen kwam een oogenblik Torteltak's
zuster hem voor den geest; maar neen, wat zou dat zijn? Zoo'n mooi
meisje, en hij al zoo oud! En hij was altijd zoo vrolijk met haar
geweest!--neen, dat kon niet wezen! Had zijn eerste liefdesgeval hem
misschien al niet wijs gemaakt, de uitkomst had hem geen zelfvertrouwen
en gevoel van onweêrstaanbaarheid ingeboezemd.
Terwijl dit een en ander in Veervlug's ziel opkwam, was de zomerzon
druk bezig zijn aangezigt te roosteren, en zou men het aan zijne
bepoederde kleederen niet gezegd hebben, dat de straatweg nog gisteren
zoo overmatig bevochtigd was. Maar de jongeling merkte van dit alles
niets, en zoo niet de toren van Heppenheim hem had herinnerd, dat hij
daar eene commissie te verrigten had, hij zou nog heel wat avontuurtjes
hebben kunnen overpeinzen, eer hij aan den gelukkigen morgenstond kwam,
waarop hij bemerkte dat hij zijn pas verloren had.
Voor het logement hield de calêche stil. Een deftig kastelein stond
zich reeds te voren in buigingen uit te sloven voor den rijken
reiziger, die zoo alleen per post reed. Het "_Gnädiger Herr Baron_"
vloeide reeds liefelijk van des _Gastgebers_ lippen, terwijl hij het
portier open maakte; maar toen Veervlug hem verzocht, in die manoeuvre
niet voort te gaan, maar hem liever informatiën te geven omtrent
den postiljon, die hem heden nacht gereden had en die misschien een
Hollandsch papier gevonden had, wendde zich de kastelein ontevreden
af, draaide hem den rug toe, als wilde hij daardoor de vruchtelooze
buigingen uitwisschen, en een _Kellner_ roepende, zei hij op een
barschen toon: "Johann! brengt hem bij den stalknecht."
De stalknecht riep den postiljon, en de postiljon zei, dat hij van
niets wist; en toen nu Veervlug den stalknecht een fooitje voor het
roepen van den postiljon, en dezen een dito voor het _neen_ zeggen
had mogen geven, had hij permissie zijnen weg te vervolgen.
Wederom teleurgesteld, besloot onze vriend zijn gepeins eens door
het in oogenschouw nemen der landstreek af te wisselen, en na dus
eene pijp gestopt te hebben, begon hij links en regts te kijken. Op
eens ziet hij, tegen de hoogte op, iets wits glinsteren. Naderbij
komende, bemerkt hij duidelijk dat het een papier is. "Halt!" roept
hij den koetsier toe, en op hetzelfde oogenblik springt hij uit
het rijtuig. "Ja wel," zegt hij in zichzelven, "ik ben er nog uit
geweest, toen van nacht die eene streng brak; maar ik dacht dat het
digter bij Darmstadt was. Nu, ik kan mij vergissen." En daar was het
hem, als zag hij het koninklijke wapen reeds door het dunne papier
schijnen. Verrukt grijpt hij het aan... O jammer! het gelijkt naar
alles, behalve naar een Hollandschen pas. Mismoedig werp hij het weêr
weg,--maar neen! Hij wil het toch meênemen. "Ik moet toch eens zien,
wat het waagde mij zoo te duperen," riep hij uit, terwijl hij weêr
in het rijtuig klom. Hij ontvouwde het papier, en las het volgende:
...."Toen sprak de oude man tot hem: "Mijn zoon! wees sterk,
en denk maar dat de menschen u niet altijd kwaad zullen kunnen
doen. Neem mijnen zegen met u op reis."
"Toen knielde de jongeling neêr, en twee groote tranen rolden
den vader over de wangen, terwijl hij zijne oogen ten hemel
sloeg.
"Maar toen de zoon, door den vaderzegen gesterkt, opstond
en zich wilde verwijderen, kwam Lisette te voorschijn, met
bleeke wangen en roode oogen. En toch, die roodgeweende oogen
vermogten meer dan hare stem, want zij drukten wanhopige
smart uit; haar mond kon niets meer uitdrukken. Vast klemde
zij zich om den hals haars minnaars.
"'Lisette!' gilde de jongeling in vertwijfeling.
"Lisette sloot ook hare oogen: het marmerbleek van hare
wangen verbleekte nog meer; zij schenen nu door de kleur des
doods overtogen.
"'O Hemel, wees haar en hem genadig!' riep de oude man.
"Karel drukte zijne bruid aan het hart en bedekte haar
voorhoofd met brandende kussen, en tranen rolden uit zijne
oogen. Hij was nog gelukkig; want hij had nog tranen. Het
meisje bleef roerloos.
"'Lisette!' riep hij nog eens, met zooveel teederheid en
kracht, dat zijne stem bijna een doode in het leven zou
hebben teruggeroepen.
"Het meisje opende nog eenmaal de oogen, om te zien--dat
haar bruidegom door de gendarmes van hare zijde werd
weggesleept. Toen viel zij aan de voeten van den ouden man.
"Dien avond zat de grijsaard voor het bed der halfdoode en het
viel hem moeijelijk, voor zijne vijanden te bidden. Maar toch,
hij deed het.
"Zou de zegen des gebeds op hem of op hen zijn neêrgedaald?--
"Karel kwam in het leger van den overweldiger aan, en kreeg
wapenen om te strijden tegen hen, die de heilige zaak des
Vaderlands verdedigen. En hij moest den spot zijner kameraden
verduren; want de gendarmes hadden hun verteld, dat hij zijn
liefje aan een oud man had moeten overlaten.
"Zij hadden den blik des grijsaards niet gezien, en de kleur
des doods, die de bruid overdekte, niet opgemerkt. Anders
zouden zij gezwegen hebben; want menschen zijn toch geen
verscheurende dieren.
"En het leger trok op en legde vermoeijende dagmarschen
af. Uitgeput door afmatting, sliep de jongeling op het bivouac
in, en droomde een zoeten droom van zijne geliefden. Maar
zijn vader en zijne bruid sliepen niet, en zij waren met
kommervolle gedachten omtrent hunnen Karel vervuld.
"De dag des gevechts brak aan. Karel stond in de rijen der
aanvallenden. Het geschut borst los; de storm begon. De
jongeling vocht met leeuwenmoed en behaalde zich lauweren,
en na den slag dronk hij volle bekers op het oorlogsgeluk van
den overweldiger; en hij zag het, dat hunne gevangenen van
spijt weenden. En die gevangenen waren zijne landgenooten,
zijne broeders.
"Toen zijne bruid van dit eerste gevecht hoorde, hoopte zij,
dat Karel toch maar mogt leven; en de oude man hoopte, dat
zijn zoon dan voor zijn behoud mogt danken.
"De jongeling streed nog menigen strijd en behaalde nog
menigen lauwer; de epauletten versierden zijne schouders en
het kruis van eer zijne borst; maar de vrijheid van zijn
Vaderland ging te gronde. En toen de laatste overwinning
behaald was, zat Karel met zijne krijgsmakkers, om den haard,
en de bekers werden omhoog geligt, en in vrolijke liedjes
werd er aan de vaderlandsche meisjes gedacht, en men vergat,
dat het Vaderland een wingewest was geworden. Men wijdde eenen
dronk aan de vreugde des wederziens, en de jongeling vergat,
dat hij een medaillon als trophée met zich voerde, hetwelk
hij eenen officier, door zijne hand gesneuveld, ontnomen had.
"Terwijl knielden zijn vader en Lisette neder, om voor Karel
te bidden.
"Hij trok met het zegevierende leger zijne geboorteplaats
binnen, en wierp zich in de armen van zijnen vader en van
zijne bruid.
"En toen nu de oude man zijne oogen naar boven sloeg, vroeg
hij hem, wat hem deerde en waarom hij nu nog treurde. Ach! hij
begreep zijn vromen vader niet meer; hij had er nooit aan
gedacht, om in voorspoed een oog ten hemel te wenden.
"En daar hij zijne vrienden en landgenooten opmerkzaam maakte
op de schoone houding der overwinnende troepen, werd hij boos
omdat zij zuchtten, in plaats van in zijne opgewondenheid
te deelen.
"En hij nam het zijne bruid kwalijk, dat zij er nog altijd
doodsbleek uitzag, en niet met hem van vreugde schaterde. Hij
vergat, dat angst over hem haar zoo veranderd had, en dat
vreugde zich somtijds anders uitdrukt dan in uitbundig gejuich.
"'Waart gij nog eene bruid als deze!' riep hij uit, terwijl hij
het medaillon te voorschijn bragt: "die smartelijke glimlach
zou u voegen." En hij wierp haar het vrouweportret toe.
"'O mijn God!' riep zij uit: 'hoe komt dit in uwe handen?'
"'Ik vond het op het hart van een, dien mijn degen doodelijk
trof.'
"'Dan hebt gij mijn broeder vermoord, ongelukkige!' riep zij
in hevige smart.
"De oude man sidderde en hield beide handen voor zijne oogen.
"'Het was de krijgskans,' zeide hij koeltjes;--'maar men zal
mij wachten op de parade.'
"'Hoe was de bruid?' vroeg hem een zijner vrienden: 'zeker
wonder in haar schik?'
"'Zij schijnt wat ziekelijk en aandoenlijk te zijn,'
antwoordde hij.
"'Morgen marscheren wij naar de hoofdstad,' kondigde de
kommandant aan.
"'Bravo!' riepen al de officieren, en ook Karel riep: "bravo!"
"Twee jaren later werd het leger van den overweldiger
geslagen. Karel had reeds vroeger zijn ontslag gevraagd,
en keerde naar zijne geboorteplaats terug. Hij was nu een
geheel ander mensch, dan toen hij met de zegevierende troepen
binnenrukte. Hij had weêr teleurstellingen ondervonden, en wat
hem vroeger grootheid scheen, was het hem nu niet meer. Hij
keerde naar zijn ouden vader terug; helaas! alleen naar
zijn vader. Lisette's ziel had haar bleeke hulsel afgelegd,
en daarmede tevens de smart, die haar doorgriefde. Deze slag
had de verwildering van den jongeling doen ophouden.
"'Vader!' riep hij, toen hij de eenzame woning weêr binnentrad:
'de Hemel heeft mij veel, te veel ontnomen!'
"'Maar heeft hij u niet meer, veel meer teruggegeven? Wees
welkom, mijn zoon! mijn geliefde zoon!'
"En 's avonds knielden beiden bij Lisette's graf, en zij
weenden."
"Moet Uwe Genade ook niet te Bickenbach wezen?" vroeg de koetsier,
terwijl Veervlug het gevonden manuscript, dat vrij slecht geschreven
was, nog ontcijferde.
"Ja, maar niet lang," zei de ander.
"Dat is wel jammer," zei de voerman, die nu voor 't eerst spraakzaam
werd; "ik zou Uwe Genade anders een drift ossen hebben laten zien,
zoo mooi als ze in 't laagland durven denken. En dan had ik meteen
mijn nichtje nog eens opgezocht, waar ik meê aan 't verkeeren ben."
"Je kunt je nichtje toch wel eens gaan zien, mits je gaauw terugkomt;
maar ik zal de ossen maar daarlaten."
"Uwe Genade is wel goed," zei de koetsier; "maar 't is anders een
mooi gezigt, en Uwe Genade heeft dan ook niets voor de moeite van
't wachten."
Veervlug bepaalde zich echter tot het nemen van informatiën,
maar ook hier vruchteloos; hij moest zich dus vergenoegen met in
de oogenblikken, die de voerman bij zijn liefje doorbragt, tot de
wetenschap te geraken, dat des Bickenbacher landwijns zuurheid met
zijne flaauwheid wedijvert.
"Als ik hem nu hier niet vind, dan rijd ik in vredes naam maar in
eens door naar de Hollandsche Ambassade te Frankfort, om een nieuwen,"
zei hij in zichzelven, toen hij te Darmstadt aankwam.
"_Kellner_, geef spoedig wat eten, terwijl de koetsier van paarden
verwisselt; maar eerst nog--heb ik hier ook gisteren avond een
Hollandschen reispas laten liggen?"
"Neen, Mijnheer! maar ik wil wel eens informeren."
"Heb ik het plaisir Mijnheer Veervlug te zien," sprak een jong mensch,
die digt bij een raam een nieuwspapier doorbladerde.
"Veervlug--o ja, Mijnheer!" zei de ander verwonderd.
"Mag ik u dan dit papier uit naam van den Secretaris van Legatie te
Frankfort geven?"
"Hoe?" riep Veervlug, daar hij zoo op eens en zoo onverwacht het
voorwerp van zijne nasporingen in handen hield. "Hoe, mijn pas? Maar
ik zou haast vragen, Mijnheer! waaraan ik het geluk te danken heb,
die hier en van u te ontvangen?"
"De zaak is gemakkelijk te expliceren; men verzocht mij, daar ook
ik mijne papieren liet nazien, dit stuk, dat van een der Heeren was
achtergebleven, meê te nemen, daar men wist, dat gij naar Heidelberg
vertrokken waart."
Nu ontstond er van den eenen kant een stroom van dankbetuigingen,
en van den anderen kant een dijk van afweringen: nu streed men
een strijd van liefheid en welwillendheid, waarvan bijna de uitslag
geweest zou zijn, dat de overbrenger van het papier dank verschuldigd
was aan Veervlug. Gelukkig moest de laatste spoedig aan het eten, en
daar de eerste plan had om dien avond per diligence naar Heidelberg
te vertrekken, nam hij zonder veel complimenten de uitnoodiging des
jongeling aan, om van de calêche-gelegenheid te profiteren.
Een weinig later was Veervlug met zijn nieuwen vriend op reis.