Waarin de reizigers meer dan twintig mijlen afleggen zonder
eenig avontuur; waarin zij naderhand in een klein bestek velerlei
genoegens smaken.
De meeste menschen, die voor plaisir reizen, zijn op slecht weêr niet
bijzonder voorbereid, ten zij ze de zaken naar de wijze van Dionysius
De Morder inzien. Zij weten wel, dat zij nu en dan een regenachtigen
dag zullen beleven, en dat mist en koude de helderheid en liefelijke
zomerwarmte somtijds zal vervangen; maar als zij zich in hunne
verbeelding een lief landschap of een beroemd vergezigt voorstellen,
dan ontbreekt een heldere zonneschijn er nooit; en zoo zij zich bij
preferente avondtooneeltjes denken, dan is altijd de maan op haar
post. Aan deze wijze van voorstellen hebben misschien ook de schilders,
die zelden onder een stortregen hunne landschapjes zitten te teekenen,
en die veeltijds niet karig zijn met hunne hemelsblaauwe verven,
veel schuld.--Maar het zij zoo! De menschen zijn misschien gelukkig,
die zoo kunnen idealiseren en nooit iets anders dan helderheid
in de toekomst zien. Ontwijken zij daardoor het verdriet al niet,
zij ontloopen het eenigen tijd; hun lot is verkieslijk boven dat
van hen, die alle tegenspoeden voorzien, schoon deze zich daardoor
ook tegen alles kunnen wapenen. Het is misschien minder onaangenaam
door eene onverwacht opkomende regenbui doornat te worden, dan een
halven dag te voren, onder het heerlijkste weêr van de wereld, met
een parapluie onder den arm te loopen. In de toepassing van deze
stelling op dingen van hooger aanbelang kan het evenwel geen kwaad,
met een weinig voorzigtigheid te werk te gaan.
Deze inleiding schijnt nergens toe te dienen, dan om op eene geschikte
manier te kunnen meêdeelen, dat Polsbroekerwoud en zijne vrienden,
toen zij te Frankfort den morgen van hun vertrek ten zes ure opstonden,
met het plan om in een open rijtuig naar Heidelberg te rijden, hierin
verhinderd werden, daar een vrij koude, fijne regen neêrdaalde, en de
lucht die eigenaardige kleur en substantie had, die zelfs den weinig
gevorderden weerkundige doet vermoeden, dat het "een regentje voor
den geheelen dag" zal wezen. Men besloot dus na lange deliberatiën,
in een digten wagen de reis te aanvaarden.
"'t Is toch waarachtig een ijselijkheid!" zei De Morder: "maar ik
had het gisteren avond wel gedacht."
"Ik niet," viel Pols in; "want de zon ging charmant onder, en het
dauwde nog al vrij sterk. Wij moeten nu maar denken: Na regen komt
zonneschijn."
"En na een graauwpapieren lucht een blaauwpapieren," zei Veervlug.
"Het is jammer van de _Bergstrasse_," zei Torteltak, "en wel het meest
daarom, omdat wij bij onzen retour zullen moeten hooren, dat als wij
die niet bij mooi weêr gezien hebben, wij dan niets hebben gezien."
Holstaff sprak niet; want hij was bezig eene mier te beklagen,
die, in een klein regenplasje spartelend, en in de zwemkunst zeer
onervaren, een gewissen dood voor oogen scheen te hebben. Gelukkig
voor het diertje kwam spoedig een zijner medemieren, met een vezeltje
stroo tusschen de pooten, waaraan de drenkeling zich greep, en zoo
gered werd.
De vrienden klommen in het rijtuig. Voor sommigen scheen de nacht niet
lang genoeg geweest te zijn, om uit te slapen; althans zij sliepen
spoedig weêr in. Voor anderen scheen de nacht niet slapeloos genoeg
geweest te zijn, om uit te peinzen; want zij raakten in diep gepeins
verzonken. Slechts nu en dan vond een enkele hunner het gepast, iets
te zeggen; maar hij moest dikwijls lang naar antwoord wachten. "Zou
het dan waarlijk den geheelen dag door blijven regenen?" zei Pols,
voor zij aan Sachsenhausen kwamen.--"'t Kan wel wezen," antwoordde
Holstaff, toen zij Langen passeerden. Er scheen ook in de gepeinzen
niet veel variatie te zijn.
Men dineerde te Darmstadt in een niet zeer aanzienlijk logement,
waar het meisje in 't buffet heel mooi was, en de opgezette vogels
en kapellen, die den muur in schilderijen versierden, heel leelijk
waren. Veervlug maakte een lieftallig madrigaaltje op de schoone,
maar verzocht den kastelein, de Duitsche vogels, als ze allen zoo
misvormd waren, maar liever in de lucht te laten vliegen. Men vond
de straten van Darmstadt heel nat, de huizen heel wit, en ging geen
buitentuinen en paardenstoeterijen zien, maar besloot uit wanhoop
den avond in de komedie door te brengen, waar men zeer onbevallige
boerinnetjes tusschen de schilderachtige decoratiën van Schoenberger
zag voorthuppelen, en men de entrée van 12 sgr. nog te duur vond. Men
verliet Darmstadt, zonder een enkel reis-avontuur gehad te hebben.
Laat in den avond arriveerde men te Bickenbach, een dorp, naar
sommigen beweren, vroeger met den Rijn zeer gelieerd; maar sedert
eenige eeuwen moet er tusschen deze twee een zekere verwijdering
ontstaan zijn, waarvan men de schuld bij den Rijn schijnt te moeten
zoeken, die een geheel anderen weg wilde uitgaan dan Bickenbach,
dat altijd dezelfde gebleven is en nu heel wèl is met de Modau. Men
merkte bij den avond niets van de verschillende takken van nijverheid,
waardoor dit dorp bloeit, en was genoodzaakt ook dit te verlaten,
zonder zich op een enkel avontuur te kunnen beroemen.
Men besloot den nacht dóór te rijden, en moest te Heppenheim een uur
vertoeven, eer men andere paarden kon krijgen. Men maakte de opmerking,
dat de Heppenheimsche postiljons hunne vreugde, om 's nachts te mogen
rijden, door binnen's monds gebromde vloeken en verwenschingen te
kennen geven.
Te Weinheim arriveerde men, weder zonder eenig reis-avontuur opgejaagd
te hebben, in den vroegen morgenstond. Men dejeuneerde en ververschte
zich, en maakte de aanmerking, dat het waschwater van oneindig beter
kaliber was, dan de thee, die men dronk; schoon men bekennen moest,
dat beiden in kleur en geur niet veel verschilden.
Het weêr was intusschen beter geworden, en men kon de kap van
het rijtuig te Weinheim achterlaten. En daar men nu in de laatste
vierentwintig uren niet veel anders gedaan had dan slapen en peinzen,
ondervond men dat reizen voor plaisir somtijds iets anders is,
dan plaisir hebben. 't Ging nu evenwel beter; verscheidene tongen
raakten in beweging; men vond de landstreek mooi, verheugde zich in
het vooruitzigt van heerlijke touren en goede _diners_, en zonder
verder eenig reis-avontuur tegen te komen, reed men ten negen ure
Heidelberg binnen.
"Ik heb hem toch in dezen zak gehad, mij dunkt nog te Weinheim,
maar anders zeker te Darmstadt," zeide Veervlug, toen hij even na de
aankomst _zum Holländischen Hof_ aan zijne vrienden had medegedeeld,
dat hij zijn reispas, die geviseerd moest worden, niet kon vinden.
De wijze, waarop hij deze woorden sprak, duidde aan, dat onze vriend
wel zijn verlies gevoelde, maar zich liever met hoop op herstel
troostte, dan in knorrige klagten en ontevreden gejammer uit te
barsten. Daar zijn maar weinig menschen, die bij treffende ongevallen
en grievende rampen de kalmte huns gemoeds niet verliezen. Maar daar
zijn er misschien nog minder, die bij kleine teleurstellingen de
knorrigheid en wrevel kunnen bedwingen, welke als van zelve in hen
schijnt op te komen. En zelfs onder de voorbeelden van lijdzaamheid in
't zwaarste leed, zijn er die ongeduldig worden bij onaangenaamheden,
welke naauwelijks dien naam verdienen. Misschien rekenen zij het
dan der moeite niet waardig om zich in postuur te zetten; misschien
ook vinden zij zich verpligt dan alleen zelve te klagen, als zij
door niemand beklaagd worden. Zoo zijn er bij voorbeeld, die, door
ongelukken vervolgd, met gelatenheid gezien hebben, dat men al hun have
en goed verkocht, maar die van ongeduld stampvoetten, als zij zich met
een bot mes moesten scheren. Daar zijn reizigers, die lange dagen in
zandwoestijnen van dorst versmacht hebben, zonder een enkelen zucht
te slaken, en die, als zij na een goed _diner_, tot verfrissching,
frambozen van de heining willen eten, verscheidene Engelsche vloeken
op elkaâr stapelen, als zij er een aantreffen, die naar het kaarsvet
smaakt. En wie herinnert zich geene _scenes_, door hem bijgewoond
bij het breken van schoenlinten, bij aardappelen die niet regt gaar
waren, bij lampenpitjes, die maar niet branden wilden, of bij iets
dergelijks? Zoo niet Veervlug: hij bepaalde zich tot ijverig zoeken,
tot het geduldig aanhooren der vragen die hij niet kon beantwoorden,
en tot het in 't werk stellen van al de middelen, die men hem aan de
hand deed, om 't verloren papier terug te vinden.
"Maar als je hem te Darmstadt nog hadt, moet je hem nog hebben,"
zei er een, bij wijze van verwijt.
"Zit hij niet in je jaszak?" zei een ander, om hoop te geven.
"Of in je hoedendoosje?" vroeg een derde, die het veld der
doorzoekingen scheen te willen vergrooten.
"Hij zal wel te regt komen," zei de vierde, die in 't geheel niet
van zoeken hield.
Veervlug doorzocht alle plaatsen, waar het papier kon geborgen zijn,
en ook die, waar het onmogelijk kon gevonden worden; geen paar kousen
bleef opgerold, geen cigarenkoker of snuifdoos gesloten. Ook de andere
vrienden rekenden het zich ten pligt, te onderzoeken of zij 't ook bij
abuis onder hun goed ingepakt hadden. Weldra lag de grond der kamer met
kleedingstukken en allerhande voorwerpen overdekt. Alles te vergeefs.
"Wij zoeken vast niet op de regte plaats," merkte Pols naar waarheid
aan, zonder evenwel door dit gezegde veel licht in de zaak te geven. En
terwijl schoof hij, een voor een, de laden eener chiffonière open, die,
nog door niemand hunner gebruikt wordende, moeielijk Veervlugs pas kon
bevatten, zoo niet Bamberg of De Linsky daarbij hunne tooverkunsten
hadden in 't werk gesteld.
"Maar hebt ge al eens in den gang gekeken?" vroeg een hunner.
"Of beneden in 't voorhuis?" zei een ander.
"Of misschien op straat?" viel een derde in.
"Is hij ook uit je zak gevallen, toen je buiten de poort uit het
rijtuig keekt?"
"Wij zullen er den kastelein eens naar vragen," zei Pols.
Maar ook Ludwig Spitz, de chef van 't hôtel, wist niets van de
zaak. Hij vond het zeer jammer, dat de heeren geen Heidelbergers
waren, omdat zij dan van de regering wel nieuwe papieren zouden
kunnen bekomen.
In 't kort, de pas werd niet gevonden, en Veervlug bleef in 't
volslagen gemis van dit noodzakelijk reisdocument. Hij stond er
voor bloot, om door den eersten den besten Policiecommissaris als
een vagebond te worden opgepakt; en om zich tegen deze of dergelijke
onaangenaamheden te wapenen, besloot hij langs den afgelegden weg terug
te rijden, om op alle pleisterplaatsen informatiën te doen, of anders
aan de Hollandsche Ambassade te Frankfort een nieuwen pas te verzoeken.
De vier vrienden hadden nu wel den geheelen dag, treurende om het lot
van Veervlug, in het logement kunnen blijven zitten; maar zij konden
het ook zonder zelfverwijt nalaten. Zij zetten dus hunne droefheid
aan een kant, en aanvaardden den togt naar den beroemden tuin, dien
men gezien moet hebben, indien men maar een dag in de omstreken van
Mannheim of Heidelberg heeft doorgebragt.
Het zal zoo omstreeks vier ure na den middag geweest zijn, toen zich,
nadat zij het _diner_ in een logement te Schwetzingen gebruikt
hadden, eene vrouwelijke cicerone aan hen vertoonde, om hen in
den _Schlossgarten_ rond te leiden. Terwijl men nog een ander
reisgezelschap afwachtte, maakte deze dame aan de vrienden bekend,
hoe wijd van omvang hare taak was; hoeveel studie het haar gekost had,
om op het grondgebied van Schwetzingen overal regt te huis te wezen;
hoeveel talen zij verstaan moest, om al de spreuken, die daar te
lezen stonden, te expliceren; maar hoe zij ook nu niet schromen zou,
aan de zijde van een Arabier de moskee in te gaan, en met een ouden
Romein Apollo's tempel te naderen. Juist begon zij meê te deelen,
hoeveel geschikter zij was om vreemdelingen rond te leiden, dan haar
minder kundige gemaal, toen het verwachte reisgezelschap aankwam,
en aan het discours een andere wending gaf.
De nieuwe aankomelingen waren slechts twee in getal, en naar ouderdom,
sekse, wijze van omgaan en gelaatstrekken te oordeelen, schenen zij
vader en dochter te zijn. De eerste moest omtrent zestig jaren oud
zijn, de laatste misschien vijfentwintig jaren met hem verschillen. Hij
was misschien knapper oud man, dan zij oud meisje. Zijn kostuum was
naar den ouden trant; het hare nieuwerwets, maar niet nieuwmodisch. In
één punt kwamen zij beiden veel overeen: zij hoorden weinig van
hetgeen men tot hen sprak; hij uit gebrek aan attentie; zij van
wege een gebrek aan de oorvliezen. Beiden waren voor het overige
heel vrolijke menschen: de oude Heer wedijverde in woordenrijkheid
met de kundige gade van den slotbewaarder; en de dochter, die haren
vader voor vrolijk en aardig hield, doch nooit een woord van hem
kon verstaan, maakte altijd, als zij zijne lippen maar zag bewegen,
een veelbeduidenden glimlach gereed.
"Het gezelschap gelieve mij te volgen," sprak de vrouw, "door deze
laan, die geheel door oranje- en citroenboomen beschaduwd wordt." Dit
zeggende, legde zij met een zekeren trots hare hand op de kruin van
een der hoogste schaduwgevers van de geheele rij.
"Wonderlijk mooi," riep de oude Heer: "prachtige boomen, en zoo
sierlijk rondgeknipt en niet lastig hoog; men heeft geen ladder noodig,
om de appelen te plukken, als ze rijp zijn. Men zou haast denken dat
men in Spanje wandelde; maar 't is hier rustiger. Geen binnenlandsche
oorlog. Hoe denken de Heeren over _Don_ Carlos?"
De dochter glimlachte met veel beteekenis.
Geen der heeren verdiepte zich dezen oogenblik in de Spaansche
quaestie.
"Let op, Mijnheeren! Hij zal 't winnen; 't kan niet anders, hij
moest het winnen; hij heeft de geestelijkheid op zijn zij. Dat staat
vast. Maar zie, wat zijn dat voor figuren?"
"Dat zijn," antwoordde de vrouw, "de vier elementen. Het gezigt,
het gehoor..."
"Bravo, moedertje, bravo! wonderlijk aardig! Jet, schrijf op. De vier
elementen! Die daar met de watervaas zal de smaak voorstellen."
Jet, den ouden man zoo hartelijk ziende lagchen, appliceerde bij deze
gelegenheid den meest beteekenden harer glimlagchen.
"Zoo is het," antwoordde de vrouw met deftigheid.
Men naderde door de breede laan den tempel van Minerva.
"Deze," ging zij explicerende voort, "is de Godin der Wijsheid, gelijk
zij zinnebeeldig wordt voorgesteld in hare volle wapenrusting. Op
haar schild is het aangezigt van hare moeder afgebeeld."
"Ge komt mij niet al te orthodox voor in uw Godenleer," viel
Torteltak in.
"Lees dan het onderschrift," riep zij verontwaardigd uit; "daar staat
het in Latijnsche verzen te lezen:
'....De capitis fertur sine matre paterni
Vertice cum clypeo prosiluisse suo.'"
"Aardig, heel aardig," riep de oude Heer. "Ik houd veel van vrije
vertalingen. Jet, schrijf op; een aardig pendant voor die van den
koster te Antwerpen. (Jet begon haar gezigt al tot den gebruikelijken
vorm te plooijen.) Onder 't kruisbeeld stond daar iets van "_lapis
reprobatus_," dat de koster vertaalde: "_fait d'une seule pièce_." Zijn
de Heeren wel eens te Antwerpen geweest? Een mooie stad, maar niet
zooveel handel meer, als vroeger.
"Daaraan heeft de revolutie van 1830 veel schuld," merkte Pols met
regt aan.
De vrouw ging voort met blijken harer kundigheden te geven bij
de tempels van Apollo en Mercurius, de rots van Pan, de Romeinsche
ruïnes en bij de honderden beelden, waarmede de tuin opgevuld is. Zij
scheen maar half tevreden met het effect, dat al het fraais op het
gezelschap maakte. Zij kon het den ouden Heer niet vergeven, dat hij
door zijne uitweidingen gedurig de aandacht der overigen afleidde,
en zij scheen evenmin als de aanlegger van den lusthof te begrijpen,
dat de opeenhooping van zooveel kunststukken in zulk een klein bestek
een alleronaangenaamsten indruk maakt, en dat de poging, om natuur
en kunst smaakvol te vereenigen, hier jammerlijk mislukt is.
Zoo kwamen zij aan de laatste en grootste der merkwaardigheden--de
moskee. Met eene vlugheid, die hare kennis in het Oostersch treffend
aan den dag bragt, las de vrouw de Duitsche vertaling, daar voor het
gemak onder de Arabische spreuken geschreven, en waarvan de oude Heer
de meest treffende aan Jet verzocht op te schrijven. Hij deelde bij
deze gelegenheid mede, dat hij overal zulke spreuken verzamelde,
dat hij een dolle liefhebber was van collecties, en dat hij reeds
drie deelen vol van wonderlijk aardige gedachten en twee dito van
dito dito beelden bijeen had.
De moskee te Schwetzingen is, zoo als Tombleson, Schreiber, Osswald
en meer anderen zeggen, opmerkelijk schoon en doet een brillant
effect. Hunne uitspraak wordt bevestigd door die van Pols, die
haar allercharmantst keurde. Hij vond dat het uur, dat men aan het
bezigtigen van dit gebouw had zoek gemaakt, al te kort was, en verzocht
de andere vrienden, die al wel voldaan waren, een oogenblikje geduld,
daar hij de façade van den kant van den grooten vijver nog eens goed
wilde opnemen.
"Neen maar waarlijk," riep hij uit, terwijl hij op het terrein tusschen
de moskee en het water een paar stappen achteruit ging, "ge moet mij
toestemmen, dat het uitmuntend mooi is."--"Kijk hier!" ging hij voort,
weêr een stapje achteruittredende: "die bouworde is weêr geheel anders
dan van onze kerken."--Hij verwijderde zich nog wat verder.--"Het
effect wordt hoe langer, hoe frappanter. Nog een weinigje verder,
dan... Help! Help!"--"_dan valt men in het water_," had hij zijne
phrase kunnen vervolgen, indien hij het niet gepaster gevonden had,
hier een kreet om hulp in het midden te brengen.
"Help! help!"--Hij was al geholpen. De vijver was niet diep, en acht
handen werden hem tegelijk toegestoken.
Daar stond nu de waardige Pols, druipende als een poedel, op den
kant. Donkerder gekleurd door het water, sloot hem zijn lichtblaauw
jasje om de leden; mistroostig hingen zijne haren langs zijn voorhoofd,
en waren even zoo veel waterleidingen, om het vocht langs zijn neus
en wangen tot de diepte te doen neêrdalen. Zwaar als lood hingen
hem zijne hooge schoenen aan de voeten, en lieten op iedere plaats,
waar zij stonden, hunne natte sporen na.
"Vreemd, wonderlijk vreemd!" riep de oude Heer; "maar doe je jasje
uit. Daar, help eens, Jet!--daar doe dezen stofjas zoo lang maar
aan. Nat goed is heel ongezond. Ik heb ook eens in 't water gelegen,
te Carlsruhe; 't is een jaar of vijf geleden; 't was ook op een middag,
toen..." Jet glimlachte eerst, doch begreep daarna aan het trekken
van den ouden Heer, dat er aan een jas moest geholpen worden.
Pols hoorde niets; hij gevoelde alleen dat hij door en door en nat
was; hij liet zich gewillig door Torteltak zijn jas uittrekken,
en stak machinaal zijne armen in den aangeboden mac-intosh.
"Als je in 's Hemels naam maar geen koorts krijgt en dan gevaarlijk
ziek wordt," riep Holstaff, met angst zijn pols grijpende.
"'t Is dan toch ook beroerd," zei De Morder, "om die moskee zoo digt
aan 't water te bouwen."
"Had ik het maar vooruit geweten," zei Pols, eindelijk tot zichzelven
komende, "dan had ik nog een ander pak kleêren van Heidelberg kunnen
meêbrengen."
Zoo verliet men den _Schlossgarten_; de oude Heer aan Jet
influisterende, dat zij dit geval moest opschrijven; Jet geen woord
verstaande, maar met veel beteekenis knikkende; Holstaff zijn natten
vriend ondersteunende; de anderen hem zwijgend volgende, en Pols
overdenkende waar hij het best drooge kleêren zou kunnen leenen,
en met het stellige voornemen, om dien avond, als hij te Heidelberg
zou zijn teruggekomen, zijn hart eens ter deeg aan kamillen en vlier
op te halen.