HOOFDSTUK X.

Een Hoofdstuk, waarin de nieuwsgierige lezer, die gaarne vernemen

wil, hoe de reizigers over de Badplaatsen naar Frankfort trekken,

zeer teleurgesteld wordt, en dat verder zeer geschikt is, om

overgeslagen te worden door menschen, die niet gaarne kennis

maken willen met Frankfortsche families.

In een der aanzienlijkste huizen van het oude gedeelte van Frankfort

aan den Main, die door de stedelingen van den ouden stempel

geprefereerd worden boven de meer elegante en comfortabele woningen

in het nieuwer gedeelte der stad, zat op een helderen zomermorgen de

familie Furchtbach stilzwijgend bijeen. Deze stilzwijgendheid werd niet

veroorzaakt door het plegtige doel der samenkomst, als niet anders

zijnde dan om koffij te gebruiken, maar wel door de tegenwoordigheid

van den Heer des huizes, die, om de gezelligheid dezer vereeniging te

bevorderen, altijd met een pak dagbladen binnenkwam, en niet gaarne

zag, dat iemand hem door praten in de lectuur daarvan stoorde. Mevrouw

had dan ook dadelijk haar werk in de hand genomen, en zag daarvan niet

meer op, dan hoog noodig was. Ook Susanne, hare twintigjarige dochter,

nam naald en draad tusschen de vingers, en maakte daarvan juist zooveel

gebruik als behoefde, om Papa's reprimande van weêr niets uit te voeren

te ontgaan; en Nicht Clare wijdde hare aandacht geheel aan het schenken

der koffij, en het toebereiden van hetgeen daarbij genuttigd werd;

welke taak haar onlangs, toen zij de volle achttien jaren bereikt had,

voor vast was opgedragen. Zij was de eenige, die gedwongen werd, nu en

dan de stilte af te breken, door half fluisterende te vragen: "Oom! zal

ik u nog eens inschenken?" waarop dan op niet direct vriendelijken

toon geantwoord werd: "Je ziet immers, dat mijn kopje nog half vol

is." Of: "Zoo! ik dacht, dat je nooit weêr zoudt schenken." Men zou

tot eene verkeerde conclusie komen, indien men uit deze wijze van

omgaan tusschen Mijnheer Furchtbach en zijne huisgenooten opmaakte,

dat hij een voorkomend, vriendelijk en inschikkelijk vader des gezins

was; maar men zou zich aan den anderen kant evenzeer vergissen, zoo

men meende, dat hij hierop eenige aanspraak maakte. En met dat al, hij

was een man van groote deugden, hij was van eene stipte eerlijkheid,

eene onwrikbare regtvaardigheid, hij handelde altijd naar vaste

beginselen, was ijverig in iedere betrekking, waarin hij werkzaam was,

en meester over zijne hartstogten: maar op zijne deugdenlijst stond

de liefde niet aangeteekend; en daar hij bij iedereen dezelfde goede

gezindheden zocht, die de zijnen waren, en alle anderen, waarvan hij

zelf geen denkbeeld had, in hen voorbijzag, was hij langzamerhand tot

die hoogte gekomen, dat hij zichzelven de onbepaalde achting toedroeg,

en wel iets van het tegendeel voor de meeste zijner medemenschen

gevoelde. De koophandel, waarin hij van zijne vroegste jeugd was bezig

geweest, had de stroefheid, die hem van nature eigen was, niet veel

verminderd. Misschien zou zijn huwelijk daarvan veel hebben kunnen

wegnemen, indien bij die gelegenheid de liefde eenigzins was in het

spel geweest; maar hij had eene vrouw gezocht, die juist evenveel

middelen bezat als hij; iets, dat hem eene billijke voorwaarde

toescheen bij het sluiten van zulk een contract. Het meisje had zijn

voorstel aangenomen, omdat hare ouders Furchtbach protegeerden, en

zij zelve niets tegen den man kon inbrengen; maar van vrouwelijken

invloed op hem uit te oefenen, kwam niets in; want hij deed haar steeds

gevoelen, dat de man het hoofd der vrouwe is, en zou er misschien niets

tegen gehad hebben, dat zij hem, als Sara weleer haren echtgenoot,

Heere genoemd had. Overigens was hij voor haar niet bijzonder hard,

indien zij hem maar in alles gehoorzaam was en altijd zijn wil deed;

en zij, de goede, geduldige vrouw, had spoedig ingezien, dat men om

des vredes wille veel moet doen en opofferen, en had langzamerhand

geleerd, maar in het geheel geen eigen wil meer te hebben.

De opvoeding der twee meisjes (de eene was zijne wettige dochter,

de andere zijne wettige pupil) was, gelijk men die van zulk eene man

kan verwachten. Het minste vergrijp werd gestrengelijk gestraft; iets,

dat bij de Nicht het gevolg had, dat zij weinig kwaads meer deed; bij

de dochter, dat zij veel kwaads voor Papa leerde verbergen. Mama, die,

uit vrees voor de gestrenge strafoefeningen, Susanne hierin misschien

wat te veel voorthielp, verloor daardoor alle ontzag bij deze, en

had na eenige jaren het genoegen te bemerken, dat zij, behalve haren

wettigen meester, ook nog eene onwettige meesteres had. Daar nu de

opvoeding der beide meisjes geheel aan Mevrouw was opgedragen, leerde

de dochter juist zooveel, als het haar in den zin kwam, en op hare

educatie viel dus evenveel aan te merken, als een schoonheidskenner

aan hare trekken te berispen vond. Zij was de eenige, die in later

jaren ook haren Papa durfde tegenspreken, schoon één strenge blik

genoeg was, om haar binnen de palen der volkomenste vadervrees

terug te brengen. Nicht Clare was gezeggelijker van aard; zij was

van nature bloode en zichzelve mistrouwende. Oom Furchtbach had zich

niet beijverd, om haar gepaste vrijmoedigheid en zelfvertrouwen in te

boezemen. Zij werd daardoor niet, wat men een aanvallig meisje noemt;

zij gevoelde zich nooit meer op haar gemak, dan in de eenzaamheid van

hare eigene kamer. Hare tante was de eenige, met wie zij vrij durfde

spreken; voor Susanne was zij bang, bijna even bang als voor haren

wettigen voogd.

De meisjes hadden vriendinnetjes, althans natuurgenootjes, die nu

en dan een avondje bij haar doorbragten, en welke ook zij bezoeken

mogten, mits daar geen broeders aan huis waren; want van alle

menschen, die oom verachtte en wantrouwde, waren er geen, voor wie

die verachting en dat wantrouwen grooter was, dan voor de winderige,

laffe, beginsellooze jongelieden van de negentiende eeuw. Susanne

was het met haren Papa heimelijk niet eens, dat er niets raars aan

de flaauwe heertjes was; maar Clare beefde op het zien van een man

beneden de 40 jaren, bloosde als er een het huis voorbijging, en

wist naauwelijks, of de wezenstrekken dier monsters eenigzins met

de menschelijke overeenkwamen. Zij zou voor geen wereldsgoed het

woord bepaald tot één hunner gerigt hebben; en toen een jaar geleden

haar volle neef naar de Oost-Indiën vertrokken was, en haar bij die

gelegenheid een afscheidskus had gegeven, bejammerde zij het bijna,

dat er geen kloosters waren, waarin zij hare schande kon verbergen.

Deze partij dan was op den schoonen Julimorgen vereenigd, om in stilte

en met gepasten ernst koffij te drinken, toen onverwacht een bediende

binnentrad en het bezoek van vijf Heeren uit Holland aankondigde.

"Vijf Heeren uit Holland?" vroeg Mijnheer, met weêrzin de _Frankfurter

Zeitung_ op de tafel neêrleggende: "wat zijn het voor menschen?"

"Zij schijnen fatsoenlijke Heeren te zijn," zei de knecht, "ik heb

ze in de zijkamer gelaten."

Clare bloosde tot achter hare ooren. Susanne luisterde met

belangstelling.

"Ik zal bij hen komen," zei Mijnheer.

Terwijl de knecht de deur van het familievertrek geopend had, was

een der leden van het gezelschap, dien wij nog niet aan de lezers

voorgesteld hebben, vooruitgegaan, om de Heeren te recipiëren. Het

was een klein hondje, een van dat soort, die bij ons onder den naam

van keffertjes bekend staan; het begon brommende den gang door te

trippelen, en toen het de vijf vreemdelingen zag, uit al zijn magt

te keffen.

Daar is in het aanhoudend en driftig blaffen van zulk een hondje

altijd weinig, dat ons aangenaam aandoet; maar, wanneer men voor de

eerste maal ergens eene visite brengt, wanneer men zich voorstelt

aangenaam ontvangen te worden, wanneer men eene phrase klaar heeft,

om zich op het voordeeligste te introduceren, en men ziet dan den Heer

des huizes naderen, voorafgegaan door zulk een geweldmakend huisdier,

dan zou men wenschen, dat... er eene zware belasting op het houden

van honden werd gesteld.

"Dat is een verwenscht mormeldier," gromde een der Heeren.

"Als de Heer des huizes ook zoo spraakzaam is," fluisterde een ander,

"dan zullen wij weinig aan 't woord komen."

"St! bedaard, beest! wij zijn goed volk," zeide de bedaardste der

vrienden heel goedig. De hond kefte te luider.

"Wien heb ik de eer te zien!" vroeg Mijnheer Furchtbach.

"Ik ben de Neef van Mijnheer Blumengarten uit Coblenz," antwoordde

Polsbroekerwoud, zich bekend makende. "Ik breng u dezen brief uit

zijnen naam."

De hond blafte zoo luid, dat Mijnheer Furchtbach geen woord van deze

aanspraak verstond. Hij opende echter den brief, en zijne hand dreigend

opheffende, riep hij met ernst: "Houd je mond, _Azor_!"

De hond zette zijn geblaf voort, maar nu in een half gillenden toon.

"Houd je mond, _Azor_!" riep Mijnheer nog eens te vergeefs. _Azor_ was

de eenige zijner huisgenooten, die zich niet door hem liet imposeren.

De wijze, waarop Mijnheer Furchtbach den recommandatiebrief van zijn

correspondent las, en waarop hij nu en dan de recommandabele Heeren

aanzag, had veel overeenkomst met die, waarop de Serjant-kommandant

van een voorpost uw pas leest en uw signalement verifieert; en de toon,

waarop hij daarna de Heeren uitnoodigde, om binnen te komen, verschilde

in vriendelijkheid en voorkomendheid almede niet veel van dien, waarop

de Wacht-kommandant zijn "gij kunt passeren" uitspreekt. Onze vrienden

gevoelden heimelijk berouw, dat zij den raad van den hupschen _Herr_

Blumengarten hadden opgevolgd, om maar terstond gezamenlijk Mijnheer

Furchtbach te gaan bezoeken, dien zij zeker als een regtschapen mensch

zouden leeren kennen. Zij maakten dan ook heimelijk de opmerking,

dat er nog iets anders dan regtschapenheid vereischt wordt, om iemand

aangenaam te ontvangen. Zij volgden Mijnheer naar het huishoudvertrek,

waar Susanne hen met den liefsten glimlach, en Clare met den hoogsten

blos, waarvoor beiden vatbaar waren, afwachten.

De eerste oogenblikken werden in diep stilzwijgen doorgebragt. Geen

der vrienden scheen bij deze gelegenheid bijzonder gedisponeerd het af

te breken. Wel zweefde Pols de phrase op de lippen: "Het is van daag

een charmante dag weêr," maar hij was vergeten, wat het woord _weer_

in het Duitsch beteekende. Eindelijk, toen hij met iets anders klaar

was, was Mijnheer Furchtbach hem voor, met de vraag, of de Heeren

voor zaken reisden.

"Neen," was het antwoord; "alleen voor plaisir."

"Dat reizen voor plaisir schijnt meer en meer in de mode te komen. Vele

menschen schijnen tegenwoordig met hun geld geen raad te weten."

"Ik zou haast denken, dat het tegendeel aan hen blijkt, die het voor

reizen besteden," antwoordde Veervlug.

"Nu, dat moet ieder voor zichzelven weten," zei Furchtbach; "maar

mag ik ook vragen, welke de betrekking is der Heeren?"

"Twee onzer zijn gepromoveerd, de anderen nog studenten," antwoordde

Pols.

Clare bloosde met een nieuwen blos. Zij had nog nooit studenten

gezien, maar wel rare dingen van dat soort van menschen gehoord. Zij

verkeerde in een verschrikkelijken toestand. Zij begreep, dat aan de

Heeren koffij moest gepresenteerd worden, en bijna had zij den moed

bijeenverzameld om die vraag te doen, toen de naam _studenten_ haar

geheel uit het veld sloeg. Zij hield zich overtuigd, dat zij door

te vragen, of de Heeren suiker gebruikten, meer avances zou maken,

dan een meisje _vis à vis_ studenten voegde. Angstig wendde zij zich

dus tot hare tante, die nu bij hare nicht de tolk werd van der Heeren

gevoelens, omtrent het gebruik van suiker in de koffij.

"Ge zult u op uwe reis dus wel voornamelijk tot de Duitsche Akademies

bepalen?" vroeg Mijnheer verder.

"Wij houden ons in steden niet langer op," antwoordde een hunner,

"dan noodig is om de voornaamste merkwaardigheden te zien."

"Dan is toch ook Frankfort zeer interessant voor den beoefenaar der

geschiedenis," zei Furchtbach. "Behalve de nieuwere monumenten, hebben

wij hier de Römer en den Dom, en ook voor de Natuurlijke Historie is

hier een belangrijk kabinet."

"Maar ook voor kunst levert deze stad veel merkwaardigs op. Wij zagen

straks het Museum van Bedman, en waren allen verrukt over de _Ariadne_

van Dannecker."

Clare bloosde weder zeer sterk, want zij had wel eens gehoord, dat

deze dame niet in eene hooge japon gekleed was; en daar zij juist

met afgewend gelaat aan een der Heeren een kopje koffij toereikte,

bragt het trillen van hare eigen vingers haar in den waan, dat het

reeds aangenomen was, en ziet! het viel aan scherven en spatten op

den grond. Het ongelukkige meisje was half dood van confusie. Hare

tante trachtte haar gerust te stellen, en zeide: "Het is immers niets,

lieve Clare!" En oom voegde haar, misschien met hetzelfde doel toe:

"Het is niets, dan eene verregaande lompheid!" Susanne glimlachte,

niet zoo zeer uit boosaardigheid, als wel omdat zij al lang naar eene

eenigszins geschikte gelegenheid om te glimlagchen had uitgezien.

Mevrouw Furchtbach nam nu, op verzoek van Clare, zelve de directie op

zich over het koffij departement, en Torteltak, die, in de confusie,

uit den kring, waarin zij geschaard zaten, was voortgestapt, wendde

zich tot Susanne met de vraag, of zij Elise Saalbader ook nog gekend

had. "Wel zeker, Mijnheer! kent gij die ook? Zij is mijn eigen nicht."

"Ik heb haar onlangs leeren kennen. Zij schijnt eene allerliefste

vrouw te zijn. Ik ontmoette haar heel toevallig te Aken...."

"Ik moet u verzoeken, Mijnheer!" viel Susanna's vader in, "dien naam

niet in mijn huis te noemen, en mijne dochter gelast ik geen woord

meer te spreken over een meisje, dat ik niet aarzel eene schandvlek

harer sekse te heeten."

"Maar, Mijnheer Furchtbach!" riep Torteltak, "is uw oordeel over

haar niet wat hard? Ik ken hare geheele geschiedenis uit den mond van

Sindenton, en heb mijzelf kunnen overtuigen, dat zij haren echtgenoot

heel gelukkig maakt."

"Dan zult gij ook weten, Mijnheer! dat zij op eene onwettige wijze,

althans zonder toestemming van mij, die haar voogd was, met dien

Mijnheer Sindenton getrouwd is?"

"Waart gij die voogd?" vroeg Torteltak verbaasd. "Maar toch, zij

trouwde immers met volkomen toestemming van hare eigen moeder?"

"Mijne zuster moge de dwaasheid gehad hebben hare toestemming te geven;

dat neemt niets van het schandelijke harer houding omtrent mij weg. De

zwakke moeder heeft dat huwelijk dan ook maar een jaar overleefd."

"Maar zij was toch immers regt gelukkig in het lot van hare

dochter?" waagde Mevrouw Furchtbach te zeggen.

"En zij hebben zoo'n lief kindje; niet waar, Mijnheer?" vroeg Susanne.

Clare bragt den geheelen tijd, dien dit gesprek duurde, met blozen

door.

"Hoe het zij," riep Furchtbach ongeduldig uit, "Mijnheer Sindenton had

zulke dingen maar in Holland moeten beginnen. Ik noem zijne handelwijs

schandelijk, en zal ze hem nooit vergeven."

"Maar hij was anders toch een lief mensch," zei Susanne.

"Zoo lief, dat het mij aangenaam zal zijn, noch van hem, noch van zijne

vrouw, ooit weêr een woord te hooren, en dat ik openlijk verklaar,

dat, indien ooit een dergelijk geval met mijne eigene dochter plaats

greep, ik mij niet zou ontzien, de gestrengste maatregelen in het

werk te stellen."

Sommigen der vrienden, een oog op Susanne slaande, maakten heimelijk

de opmerking, dat Mijnheer van dien kant waarschijnlijk nooit in

moeijelijkheden zou gebragt worden; en Pols, de rigting, die het

gesprek nam, eenigzins verontrustend vindende, vroeg, om er eene

andere wending aan te geven, aan Mijnheer Furchtbach, of het beroemde

gekkenhuis te Frankfort tegenwoordig nog al sterk bezet was.

Deze zag den vrager met een doordringenden blik aan; maar daar hij in

zijn gelaat niets dan eenvoudigheid en goedhartigheid las, antwoordde

hij koeltjes: "Zoo, ja! altijd meer dan genoeg."

De gesprekken werden nu met meer kalmte en over onverschilliger

onderwerpen gevoerd. Pols maakte nog eene opmerking over het vreemde

van in ledekanten zonder gordijnen te slapen. Torteltak begon over de

Hessen te spreken, die zich in 1792 bij de Friedbergerpoort hadden

laten doodslaan. Mijnheer vertelde een paar anekdoten omtrent de

kroning van Keizer Frans in hetzelfde jaar, en nam hieruit aanleiding,

om het noodige omtrent de vrije stad Frankfort te zeggen, en was, na

zichzelven een tijd lang te hebben hooren discoureren, eindelijk weêr

zoo vriendelijk en gastvrij gestemd, dat hij de Heeren ten eten vroeg,

tegen aanstaanden Vrijdag over acht dagen, iets waarvoor de Heeren,

die reeds den volgenden dag vertrokken, hoffelijk bedankten.

Gelukkig kwamen de vrienden, die, nog altijd van de Blumengartens

vervuld, half en half op eene invitatie gerekend hadden, nog in tijds

_zum Schwane_ terug, om aan de _table d'hôte_ plaats te nemen, en

de manoeuvres met borden en schotels van den _Oberkellner_ aldaar,

den handigsten van geheel Duitschland, te bewonderen.

De kennismaking met de familie Furchtbach animeerde de vrienden

niet bijzonder om van een tweeden recommandatiebrief, dien Sindenton

zijnen vriend gegeven had, gebruik te maken. Daar het evenwel mooi

weêr was, besloot Torteltak in den namiddag, die familie, op een

Buiten aan den Main residerende, toch eens te gaan opnemen. Aangenaam

gestemd door eene allerliefste wandeling, vreesde hij bijna die

stemming te bederven, door zich bij de familie Schmalheim te doen

aandienen; maar toch, de ligging van het Buiten en een paar lieve

vrouwenfiguurtjes, die zich voor de opgeschovene ramen bewogen,

trokken hem aan. En waarlijk, hij had er naderhand geen berouw van,

zich met nog meer Frankforters te hebben ingelaten. Naauwelijks had

hij zich bekend gemaakt als de overbrenger eens briefs van Sindenton,

of Mijnheer drukte hem met warmte de hand, drong hem met levendigheid

de kamer in, en stelde hem aan de dames vóór, als den vriend van

hunnen Sindenton. Terstond zag Torteltak zich door drie lieve jonge

meisjes omringd, die hem op de hartelijkste wijze welkom heetten,

en hem met vragen omtrent zijn vriend bestormden. "Hoe maakt hij

het toch?" riep de eene.--"En Elize?" viel de andere in.--"En de

engelachtige Anton?" vroeg de derde.

"Heerlijk, gelukkig, wel!" riep Torteltak, die zichzelven door deze

receptie ook heerlijk, gelukkig en wel gevoelde.--Eene flesch Rijnwijn

van een niet onaangenaam merk, terstond ontkurkt werd, bragt het hare

bij, om hem in die aangename stemming te houden.

Toen de eerste luidruchtigheid door wat meer kalmte werd opgevolgd,

nam Mijnheer den brief van Sindenton in handen, en na eenige woorden

gelezen te hebben, zei hij tot Torteltak:

"Ik lees hier nog van uwe vrienden; zal ik het plaisir niet hebben

hen bij mij te zien?"

"O, Mijnheer! wij zijn te talrijk. Vijf menschen is wat veel, om zoo

maar op eens eene familie te overvallen."

"Wat zou dat zijn?" riep de gulle gastheer uit. "Waar is uw

logement? Caspar! ga spoedig _zum Schwane_, en inviteer de Heeren

van No.?--78 en 79--om hunnen vriend, zoodra zij lust hebben hier

te komen vinden."

"Maar waarlijk, Mijnheer!" zei Torteltak, "het is ..."

"Tututu! de vrienden van Sindenton zijn immers ook de mijne en die

van mijne geheele familie?"

Torteltak was heel wel in zijn schik met deze vriendenaanwinst; want

Mijnheer beviel hem wel, en de dames schenen zoo wat tusschen de

achttien en vijfentwintig jaren oud te wezen. De twee oudsten waren

ganschelijk niet misdeeld van schoonheid, eene gave, die wel met regt,

maar 't meest door minder schoonen, als vergankelijk en toevallig

beschouwd wordt, maar die toch, even als vele andere vergankelijkheden

en toevalligheden, hare aangenaamheid bezit. Clementine, de oudste,

scheen wel een weinig naar het _schmeichelnde_ en sentimentele

over te hellen; zij sprak zacht, sloeg hare drijvende oogjes nog

al heel dikwijls naar boven, en kon wel onder verdenking vallen tot

de maanvriendinnen te behooren; maar de vrolijkheid van den kring,

waarin zij zich bewoog, scheen haar niet te hinderen, en zij had de

rozen nog niet van hare wangen gezucht. Hare zuster Sophie was een

der meest gracieuse schepseltjes, die Torteltak ooit ontmoet had. Zij

wist van hare heldere oogen misschien meer partij te trekken, dan

hare zuster, daar zij ze op minder koude en beseffelooze voorwerpen

dan de maan vestigde. De jongste, Katharin, niet bijzonder schoon,

moest evenwel een zacht en goed meisje wezen, blijkens de liefde en

vriendelijkheid, waarmede haar de zusters bejegenden, en de teedere

attenties, die Papa aan zijne kleine Kette bewees.

Nu begon een gesprek over Sindenton en de Furchtbachen, en indien

over den eersten met veel levendigheid werd gesproken, ten opzigte der

laatste liet vooral Torteltak veel menschenkennis blijken. Deze toch

oefent zich het meest op onbekenden. De jongeling was juist bezig,

een diepen blik in het hart van den ouden Frankforter te slaan, en te

bepalen, hoe en op wat wijze hij door wijlen zijn vader ongetwijfeld

moest zijn opgevoed, toen de overige vrienden werden aangekondigd,

met uitzondering van De Morder, die zich eenigzins ongesteld gevoelde

en liever, op zijne kamer bleef, dan alweêr visites te maken.

Pols kwam met eene deftige buiging vooraan, en naauwelijks gezeten,

haastte hij zich van de phrase "het is van daag een charmante dag

weêr" gebruik te maken, daar hij het vermiste Duitsche woord was op

het spoor gekomen.

Het was al de vrienden spoedig aan te zien, dat de tweede

Frankfortsche familie, die zij bezochten, hun beter beviel dan

de eerste. Holstaff geraakte in een druk gesprek met Clementine,

en trof bij haar meer sympathie aan, dan hij nog ooit ontmoet

had. Hun discours werd al spoedig van de wezenlijke wereld op die der

idealen overgebragt. Klagten over dikwijls niet begrepen te worden,

over ijskoude ongevoeligheid werden uitgewisseld. Alleen van zijne

denkbeelden over het ongepaste der vrolijkheid verschilden de haren;

maar zij deelde anders in zijne verrukking, als hij passages uit

Duitsche Dichters aanhaalde over _verschwundene Idealen_, _holde

Phantasien_ en _unbestimmte Sehnsucht_. Torteltak was in een eenigzins

levendiger gesprek met Sophie, die bij deze gelegenheid allerliefste

coquetteriën in het werk stelde. Zij plaagde hem over teedere

betrekkingen, die hij wreed verlaten had, om in den vreemde rond

te zwerven. Zij was eens met hare zuster in Holland geweest, en nam

daaruit gelegenheid, om over de dames te spreken, die zij daar ontmoet

had, en die allen een fijnheid en blankheid van _teint_ bezaten, die

de Duitsche meisjes misten, en scheen in het geheel niet te weten, dat

van alle _charmes_ deze misschien bij haar de grootste was. Zij bragt

den jongeling heel dikwijls in 't nauw, door naïve verklaringen van hem

somtijds niet te begrijpen, en hem daardoor tot explicaties te brengen,

waarin hij zich noodwendig verwarren moest. Zij legde bij dit alles in

de onbeduidenste discourses zooveel natuurlijken geest aan den dag,

dat Torteltak naderhand zwoer, dat, al was zij zoo leelijk als de

nacht, zij nog in staat zou zijn iedereen het hoofd op hol te brengen.

Mijnheer Schmalheim, die met Katharin en de twee overige vrienden

heel veel over Frankfort gesproken had, noodigde nu allen uit, om

gezamenlijk eene wandeling te doen, en bij die gelegenheid ook het

beroemde Kerkhof eens te gaan zien. Spoedig werd aan dit voorstel

gevolg gegeven. Pols ging met Papa vooruit, de anderen paar aan paar,

ieder discoursen op zijn eigen hand voerende.

Het nieuwe Kerkhof te Frankfort is, zoowel wat ligging als wat aanleg

betreft, het schilderachtigste, dat men zich kan voorstellen; maar

het is, even als Dumas van dat te Konstantinopel zegt, meer tot

eene wandeling voor levenden, dan tot eene rustplaats voor dooden

ingerigt. Men moet het bewonderen als men 't ziet; maar men bezoekt

toch eigenlijk een kerkhof niet om te bewonderen. Daar zijn wél

afgemeten graven, en op ieder daarvan staat een kruis, en op dat

kruis een vers of een gedenkschrift; maar die afmetingen zijn, even

als de kruisen en verzen, wat al te mooi en te sierlijk. Een enkele

treurwilg maakt op zulk eene plaats meestal een goed effect; maar

honderde treurwilgen, kunstig gerangschikt, doen weêr geen effect. Eene

eenvoudige bloemstruik op een versch gevuld graf neemt misschien het

al te sombere weg; maar allées van rozen en meer schitterende bloemen

brengen bontheid voort, die nog meer hindert. Het plegtige zwart

eener lijkstaatsie moet tusschen deze bloemperken alleronaangenaamst

afsteken.--Maar met dat al, het kerkhof is beroemd; en indien men

er geene lijkstaatsie ontmoet, en men zich niet verbeelden wil over

graven te wandelen, dan beloont het ruimschoots de moeite.

Het was in het schemeravonduur, dat ons gezelschap het doel der

wandeling bereikte. Een zacht windje deed de bladeren van het

geboomte ruischen; nog enkele vogelen zongen op hare takken; en het

was misschien onder den indruk van dit alles, dat Clementine zeide:

"Dit lieve kerkhof herinnert mij altijd Hölty's _Elegie auf ein

Landmädchen_. Hoe menigeen rust hier, jong en schoon als zij.

'Angethan mit einem Sterbekleide,

Eine Blumenkron' im blonden Haar!'"

"Hölty spreekt in deze regels dan toch," zei Veervlug, "met meer

kieschheid en op liever toon van een gestorven meisje, dan wanneer

hij den _Todtengraber_ in den mond legt:

'Jener Kopf mit Haaren

War vor wenig Jahren

Schön, wie Engel sind!

Tausend junge Fäntchen

Leckten ihm das Händchen

Gafften sich halb blind!'"

"Foei!" zei Sophie: "heeft Hölty dat gezegd? Dan lees ik nooit meer

iets van hem."

"Ja maar," antwoordde Torteltak, "hij voert maar zelden zulke

bespiegelende doodgravers op. Hij spreekt immers op andere plaatsen

met meer opgewondenheid van de dames."

"Wel zeker!" zei Sophie, "als hij aan de _Engelmienen_ en het _blaues

Augenpaar, woraus ein Engel blickte_, en de _schwanenweisse Hand_

begint. Alles veel te mooi voor ons, Duitsche meisjes."

Terwijl zag zij hem met hare heldere oogen lagchend aan, en trok een

handschoen uit om eene bloem te plukken, misschien ook om Torteltak in

de gelegenheid te stellen haar een _démenti_ te geven. Hun gesprek werd

echter afgebroken door het voorbijgaan eener oude vrouw, die langen

tijd in een afgelegen hoek van het kerkhof geknield had gelegen, en

op wier gelaat bittere en bijna aan wanhoop gelijkende droefheid te

lezen was. "Wat deert u?" vroeg Mijnheer Schmalheim haar: "gij zijt

zeker hier geweest, om een geliefde doode te beweenen!"

"Ja, daar ligt hij!" riep de vrouw uit. "Hij is voor altijd dood. Hij

moest wel sterven, en ik en mijne arme kinderen zullen hem wel volgen."

"Wees bedaard, goede vrouw! gij hebt zeker uw man verloren?"

"Ja, Mijnheer! en zij hebben zijn naam geschandvlekt, en hij was

onschuldig; maar nu heeft Mijnheer Furchtbach zijn dood op het

geweten. Hij wist zelf wel, dat mijn man onschuldig was. Maar die

rijken en grooten denken altijd, dat wij armen geen eer te verliezen

hebben."

"Maar wat was er dan met uw man?" vroeg Schmalheim met deelneming.

De vrouw verhaalde in afgebroken termen nagenoeg het volgende:

Haar man was dertig jaren een der eerste knechts geweest van

den Heer Furchtbach, en had altijd blijken gegeven van trouw en

eerlijkheid. Maar nu was er eenigen tijd geleden een kleine diefstal

in een der pakhuizen gepleegd, en de dader scheen onder de knechts

te moeten gezocht worden. Men was evenwel volstrekt niet te weten

kunnen komen wie de dief was, en nu had de Heer Furchtbach het de

regtvaardigste maatregel gevonden al zijne bedienden weg te zenden,

waaronder dus ook haar man behoorde. Deze, die altijd vergenoegd het

dagelijksch brood voor vrouw en kinderen verdiend had, wendde zich te

vergeefs tot zijnen Heer, hem herinnerende, dat hij reeds als knecht

zijns vaders diens volle vertrouwen genoot. Mijnheer hield steeds vol,

dat zij allen gelijk stonden, ten zij iemand hem den waren dader

wist aan te toonen. De arme man kon geen middel van bestaan meer

vinden, en bekommering hierover, gepaard aan het denkbeeld dat hij

van oneerlijkheid verdacht werd, had hem in een zware ziekte gestort,

waaraan hij bezweken was.

"Wees toch bedaard, moeder!" zei Schmalheim tot de vrouw, die gedurende

dit gesprek hoe langer hoe uitbundiger in hare droefheid geworden was:

"Ik zal voor u doen wat ik kan. Uwen man kan ik u niet weêrgeven;

maar daar, koop brood voor uwe kinderen."

De andere Heeren voegden van het hunne bij de aalmoes van hunnen

gastheer, en de vrouw snikte een "God loone het u!" maar ging nog

luid klagende heen.

"Waar woont gij?" fluisterde Katharin haar heimelijk toe.

"In de _Bobenstrasse_, digt bij den hoek," zei de vrouw.

"Ik zal u komen opzoeken; maar st.!"

Torteltak was de eenige, die iets van dit gefluister hoorde, en hij

sloeg voor het eerst zijn oog met belangstelling op de kleine Kette.

Het was intusschen avond geworden, en men nam de terugwandeling

aan. Men soupeerde bij de Schmalheims, en keerde ten 10 ure in het

logement terug, zeer tevreden over den doorgebragten namiddag. Men

vond de Morder op zijne kamer met een pijp en een flesch Rudesheimer,

en werd dus omtrent den staat zijner gezondheid tamelijk gerustgesteld.

Een weinig later dwaalde Torteltak door de naauwste straten van

Frankfort. Hij had zich de _Bobenstrasse_ doen aanwijzen, en klopte

aan eene zeer armoedige woning aan.

"O! zijt gij het?" zei de vrouw, die hem de deur opende; "een dier

goede Heeren, die mij dezen middag zoo mild bedacht hebben. Zie dit

stuk geld, dat ik niet ken, maar het is goud, ontving ik van dien

kleinen Heer, die zoo lief met die dame stond te praten."

Torteltak zag een Hollandsch vijfguldenstukje, dat, naar de uitduiding

der vrouw, uit Holstaff's beurs moest gekomen zijn. Hij merkte, dat

er dien dag iets bijzonders in het hart van zijn vriend moest hebben

plaats gehad.

Hij bleef een half uur bij de arme vrouw en hare kinderen, en boezemde

haar door raadgevingen, met deelneming en ernst gedaan, moed voor de

toekomst in. Wat hij meer deed, weten wij niet; maar toen de vrouw

hem de deur weêr opende, was hij zelf zeer getroffen, en zij zeide,

hem de hand kussende: "Ik kan het u nooit vergelden, maar ik zal voor

u bidden."

Dien nacht droomde Torteltak van geen der jonge meisjes, die hij

ontmoet had; maar toch, hij had een aangenamen droom, en toen hij

wakker werd, voelde hij zijne wangen door tranen bevochtigd.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 14 / 43 题