HOOFDSTUK IX.

Beginnende met eene Stoombootreis naar Coblenz, en eindigende met

het wedervinden van een _illustre rejeton_ der familie Van Schalen.

"Daar komt het logge vaartuig dan toch eindelijk aan!" sprak Dionysius

de Morder, nadat hij eenige minuten aan den Rijnoever bij Königswinter

zonder verpoozing zijne oogen naar den kant van Bonn gevestigd had. "Ik

dacht niet, dat die verwenschte stoomboot ooit zou komen."

"Nu, het valt mij nog al heel wat meê," viel Pols in; "je kunt toch

niet klagen, dat een kwartiertje wachtens te lang is."

"Wat! een kwartier niet lang?" riep de Morder knorrig uit. "Het is

vijftien minuten te lang. Je zoudt wel anders spreken, als je dien

tijd aan de galg gehangen hadt."

Wij zouden de waarheid van deze laatste opmerking van De Morder

minder in twijfel durven trekken, dan hare gepastheid. Ook wij

voor ons, in zooverre wij Pols kennen, houden ons overtuigd,

dat hij zijne tevredenheid niet zou hebben te kennen gegeven, na

het vierde gedeelte van een uur met hangen te hebben doorgebragt,

speciaal indien een ervaren Regter van den Scherpen Zwaarde hierbij

de manoeuvre van den strop om den hals had in 't werk gesteld. Pols,

die blijkens de losheid, waarmede altijd zijn witte halsdoek was

toegeknoopt, zich nooit met het denkbeeld van een toegenepen keel had

gemeenzaam gemaakt, vond het ook nu maar beter, zich daarin niet te

verdiepen. Hij wendde zich dus tot Veervlug, en maakte de aanmerking,

"dat het charmant weêr was om een watertogtje te maken."

"En om een togtje op het water te voelen," antwoordde deze; "want

hier merkt men geen zuchtje, of het moest van Holstaff wezen, die

vast weêr aan de laatste oogenblikken der kippen denkt, welke wij

dezen middag zullen consumeren."

"Ik wil ook wel bekennen, dat ik het rijkelijk warm heb," zeide Pols.

"Wij staan hier dan ook lekker in het zonnetje te stoven," zeide

Veervlug. "Ik hoop maar niet, dat wij menscheneters op de stoomboot

zullen aantreffen. Zij zouden niet veel aan ons te prepareren hebben."

"Die leelijke Rijnboot lijkt wel te kruipen, in plaats van voort te

stoomen!" riep De Morder ongeduldig uit; "dan gaan onze trekschuiten

toch nog gaauwer."

"Ja maar, vriend! ze moeten hier al tegen een zwaren stroom opvaren."

"Wat doen zij dan tegen den stroom op te varen? Maar, wat weêrga,

is dat nu een gang voor eene stoomboot?"

Gelukkig kwamen nu de veerlieden, om de passagiers naar de boot

over te brengen. Pols wist ook geen raad meer met zijn knorrigen

vriend. Weinige oogenblikken later waren zij aan boord van het logge

vaartuig.

De Rijnstoombooten zijn in het reissaizoen meermalen de trots

en vreugde van de directeurs en actiehouders, van wege de groote

menigte passagiers, die zich, door de kracht van een ketel kokend

water, tegen den stroom doen optrekken. Zelden evenwel is het

voller op een _Dampfschiff_ geweest, dan nu het geval was. Niet

alleen waren alle stoeltjes en banken en koffers, die zich op het

dek bevonden, door de passagiers bezet; maar alles wat dienen kon,

om vermoeide leden eenigzins tot rust te brengen, was geprest. Op

den boegspriet zat _en cavelier_ een Engelschman onbewegelijk, met

Delkerkamps _Panorama of the Rhine_ in de hand en een lorgnet in de

oogholte vastgeschroefd; op de raderkasten zat een gezelschap Bonnsche

studenten, met kielen, en knevels, en ransels, en vervaarlijke pijpen,

en schoenen met spijkers, eene voetreis te maken; op kolenbakken

waren kameniers en _bonnes_ bezig om kinderen zoet te houden en de

Duitsche studenten ondeugend te maken; uitgestrekte kabels dienden,

om hen, die voor kanapés betaald hadden, tot zetel te strekken. En

nog gelukkig dezulken; want een aantal anderen moest blijven staan;

en hunne knikkende knieën en pijnlijke aangezigten duidden aan,

dat zij het in die edele kunst nog niet zoover gebragt hadden, als

wijlen Simeon Stylites. Hierbij kwam nog voor die ongelukkigen, dat de

Kapitein actiever was dan de Hofmeester, en zij dus, des verkiezende,

tweemaal het passagegeld mogten betalen en zesmaal de hun zoo noodige

ververschingen kommanderen. Men had de gefolterden moeten zien, met

hoeveel belangstelling zij der _Kellners_ gangen gadesloegen wanneer

deze met Rijn- en Moezelwijn uit de kajuit te voorschijn kwamen,

en met hoe bittere teleurstelling zij telkens bemerkten, dat die

verkwikking niet hun, maar anderen was toegedacht. Men had ze moeten

zien vooruitdringen, wanneer maar iemand een oogenblik zijne plaats

verliet, en nooit hun doel bereiken, voordat de vorige eigenaar reeds

was teruggekeerd. Daar waren er, die zich morrende en klagende tot

den Kapitein wendden; doch deze had reeds met eene zelfopoffering,

Van der Werf waardig, zijn kantoorbankje voor den dag gehaald en het

der oproerige menigte aangeboden met de woorden: "Daar, zit op mijn

eigen stoeltje!"--Voeg hierbij, dat geen enkel windje eenige verademing

aanbragt, en dat Veervlug met volle regt had opgemerkt dat het zonnetje

eene stovende kracht had; en men zal zich zeer goed kunnen begrijpen,

dat onze reizigers met minder opgewondenheid ontvangen werden, dan

zulks met eene enkele bank of vijf leêge tonnen het geval zou geweest

zijn. Maar ook zij hadden niet meer genoegen dan hunne medereizigers,

die insgelijks voor plaisir naar Coblenz voeren; wel was er voor

hen nog staanplaats, maar niet dan om de schoorsteenpijp, en schoon

de Kapitein onbaatzuchtig genoeg was, om hen geen meer geld voor

extra verwarming te doen betalen, hij had van den anderen kant de

voorzigtigheid, de twaalf Pruissische _Thalers_ voor hun transport

terstond te vragen, eer zij misschien geheel versmolten mogten wezen.

Zoo ging het tot Oberwesel. Daar lag weêr een schuitje, met achttien

passagiers beladen, naast de stoomboot stil. Een luide kreet van

schrik en ontzetting werd op de stoomboot gehoord: "Die menschen

moeten maar naast ons voortzwemmen!" riep Veervlug. "Laat er ons maar

af!" riepen de wanhopigsten. De Kapitein tastte met zijne handen in

't haar, als kon hij daar plaats maken.

Het gevaar en de benaauwdheid was tot den hoogsten top gerezen. De

redding was nabij. Voor Oberwesel lag eene andere stoomboot van

de Maatschappij, die daar den vorigen dag ongemak aan de raderen

bekomen had, en waarvan de passagiers per as waren vervoerd. De

Kapitein riep den bijstand van zijn collega in, en het vuur werd

in de pas herstelde boot aangemaakt. Een luid gejuich klonk van

"de tot zinkens toe bezwaarde plank." Een gedeelte der passagiers

werd verzocht op het andere vaartuig over te gaan, en het getal

vrijwilligers tot deze expeditie was uitermate groot. De voetgangers

verlieten hunne staanplaats; de Duitsche studenten hunne raderkast;

de _bonnes_ en kameniers zouden ook wel hebben willen meêtrekken, maar

zij moesten bij hare mevrouwen achterblijven. Ieder, die eenige hoop

op verbetering had, liep over; ja daar waren er, die goede zitplaatsen

hebbende, deze verlieten, in hoop om nog betere te bekomen.--Pols had

in een oogenblik het gevolg van deze manoeuvre doorzien en de vrienden

geraden, zich niet onder de overloopers te scharen; hij zag redelijke

zitplaatsen vakant worden, en had heimelijk idee, dat de oude boot

beter geproviandeerd zou zijn dan de andere. Deze maatregel bleek

van achteren zeer wijs te zijn. Het werd, na de lossing van zoo veel

ballast, heel dragelijk op den _Friedrich Wilhelm_, en met statigen

tred vervolgde hij zijne wandeling naar Coblenz.

Daar waren nog omtrent tweehonderd menschen op de boot achtergebleven,

de Engelschman meêgerekend, die constant zijne plaats op den boegspriet

had blijven behouden, en die, toen de Kapitein hem vroeg, of hij ook

niet wilde overgaan, bedankt had. "Hij had zoolang voor des Kapiteins

plaisir in die ongemakkelijke positie gezeten; hij wilde het nu verder

voor zijn eigen plaisir doen." De Kapitein gunde hem het genoegen dezer

wraakneming. Pols was spoedig een stoeltje machtig geworden, en de

tevredenheid was op 's mans gelaat te lezen. Ook de andere vrienden

kregen gelegenheid om zich neêr te zetten, en maakten daarvan met

vreugde gebruik. Torteltak behield nog eenige oogenblikken zijne plaats

bij den schoorsteen; niet omdat hij nog niet door en door warm was,

maar meer omdat hij, nu het uitzigt ruimer werd, zijne medereizigers

eens in oogenschouw wilde nemen. Hij hield veel van in oogenschouw

nemen, vooral indien er dames in het spel waren, en die ontbraken bij

deze gelegenheid niet. Daar waren er twee bij de deur van de kajuit

gezeten, wier blankheid en blondheid haar dadelijk voor dochters van

Albion zouden hebben doen herkennen, zoo al niet haar _cavalier_ een

vorm van hoed, een knoop van das, eene snid van rok en een bijzonder

soort van _embonpoint_ had geopenbaard, die hem onder duizenden als

een echte Engelschman moesten onderscheiden. De gezigten kwamen aan

Torteltak bekend voor, en weldra herinnerde hij zich, die familie bij

den brand te Nijmegen te hebben ontmoet. Mijnheer wees ieder huis en

toren aan zijne dames aan, en was verwonderlijk kundig in alle namen;

iets, waarin het voor hem liggende _Panorama_ hem zeer behulpzaam

was; voor het overige letten de dames nauwkeurig op alles wat er te

zien was, maar zonder dat eenige plooi in haar gelaat verrukking of

teleurstelling te kennen gaf.--Geheel anders was het met een Duitsch

gezelschap niet ver van hen, die geen heuvel zagen, zonder "_O, wie

herrlich schön!_" geen dorp, "_o, wie ländlich!_" geen woning zonder,

"_wie glücklich!_" uit te roepen; zagen zij eenige minuten noch heuvel,

noch dorp, noch woning dan bepaalden zich de uitroepen tot _himmlische

Gegend_ en _irdisches Paradies_. Ook de dames van déze groep waren

blond, maar meer Celtisch en minder zacht dan het _blond cendré_ van

hare Engelsche buren.--Een geleerde met eene talrijke familie, aan

velen van dat menschensoort eigen, deed aan zijne vrouw en kinderen

eene beschrijving van de _villa_ van Horatius, en vergat daardoor

al de _villa's_ aan den Rijn, die meer onder haar bereik lagen. Zijn

oudste zoontje, een jong mensch van vijftien jaren, las met gretigheid

de _Amores_ van Ovidius. De oude Heer sloeg met welgevallen het

oog op dezen telg, die, zoo jong, reeds zulk een voorliefde voor de

Classische Autheurs openbaarde.--Niet ver van hem zat een opmerker met

heel kleine oogjes en wijd opgespalkte ooren, nu eens door een fijnen

glimlach aanduidende, dat hij van een piquanten zet zwanger ging, dan

weêr met veel zorg op iets naïfs en heel goedhartigs studerende. Hij

was iemand, zoo als Torteltak later toevallig vernam, die er zich

reeds acht jaren met de borst op had toegelegd, om een Humorist

te worden.--Verder zaten een paar Brusselaren, met geruite jassen,

heel mooi uitgemonsterd, die het hunnen kleedermaker dank moesten

weten, zoo zij nog ooit iemands attentie tot zich trokken. Alle deze

groepen hielden Torteltaks aandacht niet lang bezig; maar met veel

opmerkzaamheid sloeg hij een gezelschap gade, dat niet ver van hem

verwijderd was, en uit Hollanders scheen te bestaan. Een jong Heer,

met een goed, fatsoenlijk voorkomen, zat aan de zijde zijner jeugdige

gade, wier bloeijende schoonheid nog door de lieflijkheid van hare

heldere oogen verhoogd werd. Zij scheen omtrent vijfentwintig jaren

oud te zijn, waarvan zij zeker de laatste tien de oogen van alle

jongelingen tot zich getrokken had. Hare fijne gestalte en haar geestig

oog staken merkwaardig af tegen de plompe vormen en den zielloozen

blik van een harer landgenooten, die nu en dan iets tot haar zeide,

maar meestal zweeg, en wiens geheele uiterlijk dicteerde, dat hij

in zijn veertigjarig leven zich zelden aan denken verslaafd, maar

nooit het etensuur vergeten had. Een klein, levendig, druk heertje,

van omtrent denzelfden ouderdom, scheen hem te onderrigten, wanneer

hij een of ander mooi moest vinden, maar van den anderen kant ook

weêr bereid te zijn, om door zijn discipel onderwezen te worden,

wanneer iets lekker moest gekeurd worden; van tijd tot tijd voegden

zich bij dit gezelschap een paar jongere Hollanders, even als de

Bonnsche studenten in een voetreis-kostuum gekleed, maar die door de

fatigues nog niet schenen uitgeput. Zij hadden kennelijk veel plaisir

in hun leven, en aan opgewondenheid ontbrak het geen hunner. Zij

waren misschien wel wat al te druk voor het jeugdige echtpaar, maar

zeker onverdragelijk voor den bedaarden veertiger, die meermalen

door hun gerammel in een aangenaam dutje gestoord werd. Torteltak kon

moeijelijk van dit gezelschap zijne oogen afwenden. Hij bejammerde het,

dat deze dame niet alléén reisde en in moeijelijke posities kwam,

waarin hij haar eminente diensten kon bewijzen. De oogen van zijn

lief landgenootje deed hem menig interessant Rijngezigt onopmerkzaam

voorbijzien. Eindelijk kon hij zich niet weêrhouden tot zijne vrienden

te zeggen: "Hoeveel prijs ik ook op uw gezelschap stel, voor zulk

een compagnon liet ik u allen vier optrekken."

"Dat gezegde is meer liefderijk dan vriendschappelijk," grinnikte

Veervlug.

"Met uw verlof!" sprak een Heer, die digt bij hen zat, tot

Polsbroekerwoud: "ik heb hier een questie met mijn dochtertje. Zij

vindt den Rijnstroom mooijer dan de Maas, en ik ben van de

tegenovergestelde opinie. Wat is hieromtrent uw idée?"

De Duitscher, die deze vraag deed, scheen een zeer bejaard man te

zijn, naar de grijsheid van zijn hair, de rimpels in zijn voorhoofd

en zijne gebogen houding te oordeelen; maar naar de wijze, waarop hij

redeneerde en de jeugd zijner kinderen te rekenen, moest men hopen, dat

hij nog zoo heel oud niet was. Hij reisde met zijne twee dochtertjes

van vijftien en twaalf jaren, die te Neuwied aan de leiding van den

Heer Merian waren toevertrouwd en op het Instituut der Hernhutters

hare educatie ontvingen. In de vacantie had de vader ze langs den

Moezel naar Braband gevoerd, had haar de Maas tot Luik leeren kennen,

en zij keerden nu naar zijne woning bij Frankfort terug, om daar den

overigen vacantietijd door te brengen.--Pols was door de vraag, die

door den Duitscher regtstreeks aan hem gedaan was, een weinig in het

naauw gebragt, daar hij van den Rijn nog weinig kende, en de Maas

niet verder dan tusschen Rotterdam en IJsselmonde. Hij antwoordde

dus heel voorzigtig: "Voor zoover ik kan oordeelen, prefereer ik den

Rijn verre."

"Mijnheer schijnt Hollander te zijn; dus is de Rijn u misschien

nieuw?" zei de ander.

Men behoefde geene sterke _Devinationsgabe_ te bezitten, om te bemerken

dat Pols een Hollander was, indien men het geluk had gehad hem eens

in oogenschouw te nemen en vooral Duitsch te hooren spreken.

"Ik," ging de oude Heer voort, "ken deze omstreken niet van van daag of

gisteren. De Rijn is mij oud; maar ik had met mijne dochters de Maas en

Moezel wezen zien, en wilde haar nu eens comparaties leeren maken. Mijn

eenig doel met reizen is, om mijne dochters met de wereld bekend te

maken; want ik hou vol, dat, indien men zijne kinderen niet vroeg

doet reizen en alles zien, men ze dan eene slechte educatie geeft."

De vrienden, die allen voor het eerst van hun leven reisden, bemerkten

met vreugd, dat zij bezig waren door hun uitstapje eene onvergeeflijke

fout van hunne respective ouders met betrekking tot hunne opvoeding

te corrigeren.

"Reizen is zeker niet kwaad," antwoordde Pols, "indien men de middelen

bezit."

"Wat middelen! Hoor eens, Mijnheer! men moet nooit opvoeden, indien

men de middelen niet bezit."

"Maar wat moet men dan met zijne kinderen aanvangen," vroeg Pols

verbaasd, "indien alleen zij, die reizen kunnen, hunne kinderen

goed opvoeden."

"Dan moet men geen kinderen hebben. Ik vraag het uzelven: zijn er al

niet veel menschen, en is er niet veel te weinig geestbeschaving en

wereldwijsheid? Ik vraag u verder, wat moet er van kinderen worden,

die in hunne jeugd altijd bij moeder thuis zijn, later steeds onder

het opzigt van een bezadigden vader leven, geene andere menschen

kennen dan hunne meesters en kameraden, en geen wereld buiten de stad,

die zij bewonen?"

"Wel," viel Veervlug in, "dat is niet moeijelijk te beantwoorden. Daar

groeijen weêr huisvaders en huismoeders van, die bedaard en stil,

in hunnen kring tevreden, op dezelfde wijze hunne kinderen opvoeden."

"Wat tevreden?" riep de Duitscher ongeduldig. "Misschien al te

tevreden, misschien dom tevreden, misschien bekrompen tevreden,--alles

negative tevredenheid."

Veervlug vond misschien domme, bekrompene, negative tevredenheid

verkieselijk boven verstandige, liberale, positive ontevredenheid.

"Vooroordeelen van den bakerstoel, van de kinderkamer," ging de

oude Heer voort. "Mijne kinderen moeten de wereld zien, zij moeten

de menschen doorgronden, zij moeten goed en kwaad leeren kennen,

om met eigen verstand eene keus te kunnen doen."

Pols vond de manoeuvre wat gewaagd, en vreesde dat zij nu en dan wel

eens een slagtoffer, meer dan noodig was, zou maken.

"Goed, laat het zoo zijn; dan ziet ge meteen, wat er in de kinderen

zit. Laat ze kwaad doen, als zij geen _bons sens_ genoeg hebben om

het goede te verkiezen; maar, in 's Hemels naam geene vooroordeelen,

geene blinde navolging, geen deugdliefde, omdat Mama deugdzaam was. Zij

zijn menschen, die op zichzelve staan; zij moeten onafhankelijk wezen;

dit denkbeeld prent ik altijd mijnen kinderen in."

"Maar zou het dan nog niet beter zijn," vroeg Veervlug, "om de

kinderen, als zij loopen en spreken konden, maar terstond de wereld

in te zenden? Dan zouden zij ook van de ouders onafhankelijk zijn."

"Dat zou het zeker, Mijnheer! hiervan geven ons de dieren zelfs het

voorbeeld; maar de toestand der Maatschappij is te miserabel. Zij

zouden misschien in handen vallen, die hen in nog meer bekrompenheid

opvoedden?"

Pols sloeg verbaasd zijne handen ineen, en maakte de opmerking, dat de

moeders veel tegen zulk eene handelwijze zouden in te brengen hebben,

indien al de vaders zoo wreed konden zijn.

"Dat is het juist, Mijnheer! die moeders, die wijvenpraatjes van

wreedheid, die laffe teerhartigheid. Het is eigenlijk jammer, dat de

kinderen moeders moeten hebben."

De vrienden vonden beter het gesprek op een anderen boeg te wenden;

want de Duitsche Mijnheer begon nu reeds in zijne hooge verlichtheid

scheppingsfouten te ontdekken, en zij vreesden tot het resultaat te

zullen komen, dat de Duitscher het jammer vond, dat hij de wereld

niet geschapen had.

Torteltak was terwijl in gesprek geraakt met de dochtertjes, die zoo

liberaal opgevoed werden. "Hebt ge u nog al goed geamuseerd op uw

tourtje?" vroeg hij aan de oudste.

"Ach ja, vrij wel," antwoordde zij: "het land was mooi genoeg; maar

Papa redeneert nu en dan wat sterk, en hij is wat oud. Ik stel mij

veel meer plaisir voor, om eens zoo een tourtje te maken, als ik op

mijzelve sta!"

"Maar het gezelschap van uw Papa was u toch zeker aangenaam?"

"Dat kan ik juist niet zeggen;" zei het meisje. "Ik harmonieer niet erg

met hem in gevoelens. Ik hou over het algemeen niet van oude Heeren;

zij zijn meestal te zeurig."

"Ge prefereert dus jongere menschen?" glimlachte Torteltak.

"Dat kan er naar zijn, als zij lief galant zijn. Dan ligt het ook in

den aard der zaak. Ach! ik gevoel mij nu eigenlijk nergens op mijne

plaats. Vele Heeren behandelen mij nog net of ik een kind was. Ik

verlang maar eenige jaren ouder te wezen, om mij met fatsoen te kunnen

etablisseren, en ik zal dat naar mijne keus kunnen doen; want zooveel

heb ik al gemerkt, als men geld heeft, kan men zijn zin krijgen."

Torteltak merkte, dat de opvoedingsmanier van den Duitscher aan zijne

oudste dochter de noodige vrijmoedigheid had bijgezet. Hij wendde

zich nu tot de jongste, met de vraag, of haar de school te Neuwied

nog al beviel.

"Zoo, zoo!" antwoordde de twaalfjarige. "Eene school is altijd een

noodzakelijk kwaad. Zij zijn bij ons wél genoeg; maar zij zijn wat

dweepachtig in hunne godsdienst. Daar kan ik mij niet meê vereenigen,

en zij vinden niet goed, mijne ideën daaromtrent vrij te laten."

Onze vriend zette het discours maar liever niet voort. Hij had reeds

menigen onwillekeurigen glimlach door een gevoel van medelijden

onderdrukt, en dit vond hij op den duur niet de aangenaamste manier

van glimlagchen te onderdrukken.

Het _diner_, dat boven op het dek der boot gebruikt werd, gaf eenige

verpoozing, maar weinig verzadiging. Schoon de _Friedrich Wilhelm_

beter geproviandeerd was dan de hulpboot, waar men zich met brood

en dergelijke koude zaken moest behelpen, was er echter ook hier

geen overvloed. De _Kellners_ weigerden den hongerigsten een tweede

portie van het een of ander aan te brengen, en scheepten hem met een

"je hebt al gehad" af. Ook de thee, die zij later gebruikten, werd hun

in schrale hoeveelheid toegemeten, en was waarschijnlijk van minder

kwaliteit, dan die een der Hollandsche voetreizigers uit zijn ransel

te voorschijn bragt en aan zijne schoone landgenoot aanbood. Torteltak

dacht niet om de thee, maar benijdde alle de Heeren van dat gezelschap,

zelfs den slapenden veertiger, hunne plaatsen. Holstaff treurde, dat in

zulk een mooi land, als Duitschland, zulke afzetters woonden. Veervlug

zei, dat Joost of Heintje Pik hem halen mogt, als hij die thee voor

_Joostjes_ en _Pecco_ hield. De Morder wist niet, wat hij laffer

vond, het vocht of de aardigheid van zijn vriend. Pols trachtte aller

gemoederen tot bedaardheid en tevredenheid te stemmen. En zoo kwamen

zij, benijdende, treurende, grappen makende, knorrende en appaiserende,

ten 7 ure te Coblenz aan.

Na in het logement _zum Weissen Ross_ dat gelukkige oogenblik genoten

te hebben, dat men gewoonlijk smaakt, wanneer u vreemde kamers

in een vreemd logement aangewezen worden, waar alles aanwezig is,

behalve hetgeen waaraan men in die oogenblikken behoefte gevoelt,

waar de vriendelijke blik van de _Gastgeberin_ u het onvriendelijk

aanzigt moet vergoeden, dat uwe apartementen hebben, voordat de

ramen wijd opengeschoven zijn en de benaauwde lucht weggedreven is,

voordat u waschwater en handdoeken zijn aangebragt, en de vale

sprei op uw ledikant voor helder linnen heeft plaats gemaakt;

na die oogenblikken doorleefd te hebben, begonnen onze reizigers

zich een weinig te adoniseren en zich te bereiden om dien avond

nog vele genoegens te smaken. Waarin die genoegens bestaan zouden,

was evenwel onzeker. Men trad niet in de voetstappen der Engelsche

medereizigers, die onmiddellijk de antiquiteiten en penningen van

den Graaf Renesse Breitbach gingen doorsnuffelen: ook niet in die van

eene Belgische familie, die, zonder uit te blazen, terstond de hoogte

van Ehrenbreitstein beklom. Het laatste bespaarden zij zich tot den

volgenden morgen; het eerste stelden zij tot een onbepaalden tijd

uit. Aangenaam was het hun te vernemen, dat er in een tuin aan de

Moezelbrug een concert zou gegeven worden, dat, naar des kasteleins

verzekering, de moeite der wandeling overwaardig was.

De tuin was prachtig geillumineerd; althans verscheiden glaasjes,

met vet gevuld, wiegelden aan kromgebogen ijzerdraadjes tusschen de

boomen, en kleine vlammende pitjes gloeiden in den walm van het kokende

vet. Misschien is het de ongewoonheid, misschien ingenomenheid met

menschelijke kunstproducten, die voor zoo velen zulk een schouwspel

heerlijker doet zijn, dan het schitterendste zonlicht of de helderste

starrenhemel. Pols merkte aan, dat het al heel goed trof, dat de

avond zoo donker was, en hij had gelijk; want het bleekste schijnsel

der maan is genoeg, om het effect van de luisterrijkste illuminatie

te vernietigen.

Het was met dat al heel aardig in de Coblenzsche Vauxhall. Het weêr

was goed, en na de drukkende hitte des daags, was het aangenaam de

avondkoelte te genieten. Daarbij kwam, dat de geheele fatsoenlijke

bevolking der stad tegenwoordig, en de toon, die er heerschte, vrij

en vrolijk was. Duitschers zijn spoedig tevreden; een glas Rijnwijn

en dragelijke muziek was ook nu genoeg, om allen in aangename

stemming te brengen. De schikking der tafeltjes was zoodanig, dat

niet ieder gezelschap op zichzelf een kleine maatschappij vormde,

maar dat verschillende familiën, die elkander anders misschien nooit

ontmoetten, dien avond één gezelschap uitmaakten. Onze vrienden waren

door deze wijze van plaatsing met eenige hunner buren in aanraking

gekomen, en hunne gesprekken liepen over den heerlijken avond, de

lieve muziek, de schoone omstreken van Coblenz, en dergelijke zaken

meer. Zij konden met geheel onbekende menschen moeielijk zulke intime

en belangrijke discoursen aanknoopen, als dat op de Hollandsche

concerten onder goede bekenden wel eens het geval is. Daar toch

kan men aan een lief meisje vragen: "Is uw Papa en Mama wel? Ik

meen uwe nicht Pauline ook hier te zien? Vindt ge het dezen keer

niet warmer in de zaal, dan op het vorige concert? Zal ik u op het

bal bij Mevrouw V*** ontmoeten? Zijt ge verleden Dinsdag ook op de

lezing geweest?" Men kan de aanmerking maken, dat het jammer was,

dat bij het obligaat op de viool die snaar sprong, dat een pauze op

een concert toch heel plaizierig is, omdat men dan nog eens praten

kan, enz. En wanneer men dan, 's avonds te huis komende, de gehouden

gesprekken nog eens nagaat, komt men tot het gewigtige resultaat,

dat de Papa van Juffrouw R*** heel wel was, maar dat Mama een weinig

hoofdpijn had; dat nicht Pauline ook tegenwoordig was, een kostuum

aanhad, dat haar niets goed stond; dat Juffrouw S*** het al heel

warm in de zaal vond; dat zij niet bij Mevrouw V*** zou dansen, en

wel op de lezing geweest was, waar zij zich doodelijk verveeld had,

omdat daar zoo'n raar publiek was; dat zij volkomen met u instemde,

dat het springen van eene snaar voor een obligaatspeler onaangenaam is,

en dat men in eene pauze praten kan.--Pols en zijne vrienden konden

hier natuurlijk niet zoo diep in de familie- en hartsgeheimen der

dames indringen, maar toch, zij maakten eenig gebruik van hun spraak

en gehoor, en toen in de Coblenzsche Vauxhall de pauze begon, viel

aan sommigen hunner het geluk te beurt van met dames de regte laan op

en neêr te wandelen. Met statigen tred stapte Pols voorwaarts aan de

zijde eener deftige, langwerpige matrone, terwijl Torteltak zich met

het geleiden harer dochter moest vergenoegen. Ook de andere vrienden

behoefden niet eenzaam hun pad te bewandelen, met uitzondering van

Holstaff, die zitten bleef, en zich vervrolijkte door in zichzelven

eene passage uit Feith's _Inez de Castro_ te reciteren.

De oude Dame, met welke Pols wandelde, was zeer spraakzaam; maar zij

sprak weêr zulk raar Hoogduitsch, dat de goede man een paar malen moest

verzoeken de phrase te herhalen, en dan nog eindelijk even wijs was als

te voren. Eindelijk luisterde hij maar toe, doch liet zich onvoorzigtig

ontvallen: "Dat spreken van vreemde talen is toch verbruid lastig."

De Dame, deze binnen 's monds geuite woorden verstaande, zeide op

eens tot Pols: "Ik zal het u gemakkelijker maken; ik spreek toch ook

nog Hollandsch, al ben ik sedert lang in Duitschland."

"Hoe, heb ik het genoegen eene landgenoot te ontmoeten?" vroeg Pols

met vreugde.

"Ja," antwoordde de Dame: "oorspronkelijk ben ik eene Hollandsche. Is

u ook toevallig in IJsselstein bekend?"

"Neen, ik juist niet," antwoordde Pols; "maar mijne moeder was van

IJsselstein, en die heeft er mij dikwijls van verteld."

"Zoo," zei de Dame, "ik ben er ook geboren. Maar kent u misschien in

Holland eene familie Polsbroekerwoud?"

Pols keek verbaasd op (ik zou kunnen zeggen, alsof hij een klap

in zijn gezigt kreeg, maar hij keek heel anders). "Hoe zegt u,

Mevrouw? Polsbroekerwoud? Wel, dat ben ik zelf."

Nu was het de beurt van de Dame om verbaasd te staan; maar zich

bezinnende, zeide zij: "Neen, het kan niet zijn; gij zijt te

jong. Maar kent ge Mijnheer Polsbroekerwoud, die met Mientje van

Schalen getrouwd is?"

"Die was mijn vader," zei Pols.

"Dus zijt gij toch mijn neef. Wie had dat ooit kunnen denken?"

Een licht ging voor Pols op. "Zou het mogelijk zijn, dat ik mijne nicht

Stijntje van Schalen zag, die in der tijd met dien Duitschen klerk...."

"Ga voort--die met dien Duitschen klerk is doorgegaan? Dezelfde. Maar

wees welkom, neef! ik zal u terstond aan mijn man en kinderen

voorstellen."

Mijnheer Blumengarten, de echtgenoot der Dame, was spoedig gevonden;

ook zijn zoon--een lang persoon, aan wiens jas veel koperwerk, en op

wiens vest veel gemaakt goud te vinden was--snelde toe. Pols werd

aan de beide Heeren als Neef voorgesteld, en onderging terstond

twee omhelzingen, en hetgeen verder tot de allerhartelijkste

begroeting der Duitschers behoort. Onze vriend had ze liever een

weinig koeler gewenscht, maar begroette nu ook zijne jonge nicht op

gelijke wijze. Torteltak maakte van deze familieconfusie gebruik,

om de jongste der dames Blumengarten even liefderijk te bejegenen,

alsof hij ook tot de bloedverwanten behoorde.

Intusschen was de pauze geëindigd en de familie zette zich weêr op

hare vorige plaatsen neêr; daar werden fijne flesschen geëischt,

toasten gedronken, informatiën genomen, mededeelingen uitgewisseld en

Och's en Ha's uitgeroepen. De geschiedenis van Stijntje van Schalen,

de volle nicht van Polsbroekerwouds moeder, was eene zeer eenvoudige

geschiedenis. Blumengarten, die het in Duitschland niet breed had,

was naar Holland gegaan om fortuin te maken, en daarin te IJsselstein

niet geslaagd; hij had daar echter zijn meisje leeren kennen, en

hunne liefde werd door een stiefvader gedwarsboomd. Zij vlugtten naar

Duitschland, waar de jongeling beter slaagde, goede zaken maakte,

en nu als een der rijkste kooplieden van Coblenz met zijne vrouw

en hare kinderen zeer vergenoegd leefde. Onze vrienden konden zich

overtuigen, dat de familie zich in zeer goede omstandigheden bevond,

toen zij allen het _souper_ bij de Blumengartens moesten gebruiken,

bij welke gelegenheid Veervlug iets heel aardigs omtrent _Musikgartens_

en _Blumengartens_ in het midden bragt. Zij lieten zich evenwel niet

van hun plan afbrengen, om den volgenden dag de stad weêr te verlaten;

doch Pols beloofde op hun retour eenige dagen bij zijne weêrgevonden

familie te komen doorbrengen.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 13 / 43 题