Waarin de reizigers vele merkwaardige plaatsen bezoeken onder
veelsoortige gewaarwordingen, en waarin Polsbroekerwoud en de
Amsterdamsche familie in zeer onaangename positiën voorkomen.
Wanneer gij op eenen schoonen vroegen zomermorgen bij de ruïnes van
het kasteel op den Godesberg nederzit, en uwe oogen van daar slaat
op het heerlijk panorama dat voor u ligt uitgestrekt, terwijl de
dorpelingen van alle kanten zamenkomen en zich in de eenvoudige kerk,
een weinig lager op den berg gelegen, vereenigen, dan zult gij zoo
gij niet al te veel wereldling of wijsgeer zijt, gaarne met het _Te
Deum_ instemmen, dat door de geloovigen wordt aangeheven, en gij zult
bij die gelegenheid misschien met vreugde gevoelen, dat de mensch
voor verhevene aandoeningen vatbaar is. Maar wanneer gij dan in die
oogenblikken een uwer medemenschen, dien gij reeds als een bekrompen
schepsel hebt leeren kennen, tot u ziet naderen, gehuld in een witten
stofjas (een soort van kleedingstuk, dat een gedistingueerd, zoowel
als een gemeen gelaat zeer sterk doet uitkomen), en gij den zoodanigen
alles zonder eenige opmerkzaamheid ziet voorbijgaan, en gij uit zijnen
mond de aanmerking hoort; "te duiker! dat is nog een andere klim
dan eene Amsterdamsche sluis!" dan zult gij met leedwezen bemerken,
dat een groot deel uwer betere gewaarwordingen spoedig verdwijnt;
voeg hierbij, dat zoodanigen mans zuster, zonder een oog aan het
heerlijk uitzigt of een oor aan de zuivere kerkmuziek te wagen, den
uitval doet: "zoo zondig als ik hier sta, ik geloof dat de aardbeien
hier in het wild groeien," dan wordt het u spoedig duidelijk, dat de
mensch toch waarlijk ook tot de dierlijke wezens behoort.
Het genoegen, dat onze vrienden eenige oogenblikken op den Godesberg
gesmaakt hadden, was door de Dufduins totaal bedorven; het minst
evenwel voor Polsbroekerwoud, wien het misschien al wat lang geduurd
had; althans hij had een paar malen van opstaan gesproken, en was nu
bezig in zijn zakboekje eene fooi op te teekenen, die hij vergeten
had te noteren, maar die hij toch gegeven had aan den portier van de
Akademie te Bonn. Hij behoefde zich dus geen bijzonder geweld aan te
doen, om het praatje met de Amsterdamsche familie voort te zetten,
en om het hart der vette dame te winnen, voegde hij haar toe: "Daar
zal een ontbijt op smaken!"
"Dat zal het wel," antwoordde zij. "Wij hebben ook thee met de machine
besteld; anders is die hier in dit land niet te drinken. En de knecht
zou eens informeren, of de kastelein ossentong in huis had; want dat
vind ik bij het ontbijt ontzettend lekker."
"Het uitzigt," zei Mijnheer Dufduin, eindelijk eens een oog rondom zich
slaande, "heeft hier wel iets van dat uit de Nieuwe Stadsherberg,
behalve dat het Rijntje zoo bevaarbaar niet is, als bij ons het
Y. Ha, wat zeg je, te duiker! ze moesten hier eens met een driemaster
aankomen."
Pols was het met het laatste gedeelte dezer aanmerking eens, maar was
niet genoeg met Amsterdam bekend, om de frappante gelijkenis met het
uitzigt op het Tolhuis te vinden.
De vier andere vrienden waren reeds vooruitgegaan naar beneden. Pols
vergezelde de Dufduins, die spoedig tevreden waren, en Mijnheer voegde
zijne vrouw toe: "Zie zoo, wijfje! dat hebben wij alweêr gezien."
Mevrouw knikte toestemmend, en men keerde naar het logement terug,
terwijl Pols de zeer juiste opmerking maakte, "dat dalen toch eigenlijk
gaauwer ging dan klimmen."
Na het ontbijt, waaraan, tot grootste ergernis van Juffrouw Dufduin, de
ossentong ontbroken had, maar door overheerlijke _saucisse de Bologne_
geremplaceerd was, wandelden de vrienden op, terwijl de calêche voor
de Amsterdamsche familie voor de deur stond, die even als zij het plan
had, een tourtje naar het Zevengebergte te maken. De Drachenfels is
maar een groot uur wandelens van Godesberg; dus besloot men deze reis
te voet af te leggen, en de Dufduins aan hun lot over te laten. Pols
evenwel, die met het afklimmen van den berg zijn regtervoet een weinig
bezeerd had, was een ezel magtig geworden, die met bedaarden tred naast
de vrienden voortstapte. Zoo ging het voorwaarts; maar naauwelijks
waren zij driehonderd passen van het logement verwijderd, toen eene
Engelsche reiskoets, met vier postpaarden bespannen, hen in vollen
ren passeerde. De ezel van Pols, met grooten eerbied voor vierspannen
koninklijk-Pruissische postpaarden bezield, maakte eene soort van
ontwijkende beweging, die den _cavalier_ wat onverwacht voorkwam, en
hem tegen zijn verlangen uit den zadel op den gemacadamiseerden weg
neêrzette. Deze verplaatsing had gelukkig geene arm- of beenbrekende
gevolgen, en met een grootheid van ziel, aan sommigen in het ongeluk
eigen, stelde hij zijne vrienden gerust met een bedaard uitgesproken:
"het is niets," en nam oogenblikkelijk zijne plaats op den zadel weêr
in. Maar dit ongeluk (door het vierspan aangerigt) was niet het eenige;
weinige schreden verder ontmoette het Engelsche rijtuig de calêche van
de familie Dufduin. De Godesbergsche paarden sloegen volstrekt geen
acht op hunne fiere en vlugge broeders van de koninklijke post, en
weken geen stap ter zijde. Het gevolg hiervan was, dat de achterwielen
der beide rijtuigen in een strijd raakten, die evenwel spoedig beslist
was; want het stevige Engelsche rijtuig rolde overwinnend voort,
en het Godesbergsche bleef op het slagveld. Een der achterwielen was
verbrijzeld; de calêche, ongewoon op drie wielen te staan, verloor
haar evenwigt, en de Dufduins rolden over en onder elkander, ieder
op zijne wijze door schreeuwen en zuchten te kennen gevende, dat zij
het onaangename van hunnen toestand gevoelden.
Het tooneel had digt bij het wandelende reisgezelschap plaats. Ook
sommigen hunner vonden het gepast eenen gil voort te brengen. Holstaff
hield de handen voor zijne oogen, en doorzag terstond al het
verschrikkelijke van op een reisje voor plaisir, ver van huis,
in eene omvallende calêche zijn dood te vinden. Veervlug was
oogenblikkelijk bij de hand, en zonder op eenig gevaar te letten,
sprong hij voor de paarden, zijne beide armen uitstrekkende, om hun
voorthollen te voorkomen. Maar de goede Godesbergsche dieren dachten
er geen oogenblik aan, om zulke dolle coupen te beginnen. Zoodra de
calêche omgevallen was, en de koetsier, door van den bok te storten,
de teugels een weinig aangetrokken had, bleven zij stilstaan, hunne
koppen ter aarde buigende, en ook zonder tusschenkomst van Veervlug,
die bijna tot den grond moest bukken, om de fiere genetten bij de
teugels te grijpen, zouden zij geen poot meer verzet hebben. Terwijl
De Morder met een opgeheven vuist het Engelsche rijtuig nastaarde,
en het ongepermitteerd vond met een vierspan te rijden, indien men
zooveel ongelukken berokkende, was Torteltak naar de calêche gesneld,
om de dames zijne hulp aan te bieden. Allen waren onbezeerd gebleven;
Mijnheer was over de dames heengerold en spoedig weêr op de been, de
aanmerking makende, "dat zoo iets met een Amsterdamsch sleetje niet
ligt gebeuren zou." Mevrouw bedankte door eene stilzwijgende buiging
Torteltak voor zijnen bijstand. De laatste, die gered kon worden, die
de onderste lag, was Dufduins waardige zuster. Blazende en zuchtende
kwam zij te voorschijn, en voelde zich wel, zoo zondig als zij daar
stond; maar zij gaf terstond aan Torteltak hare ongerustheid te kennen,
dat aan twee koude kippen, die zij uit het logement had meêgenomen om
's middags te nuttigen, misschien eenig leed weêrvaren was. Torteltak
was spoedig in de gelegenheid, de bezorgde kippenvriendin mede te
deelen, dat de gebraden schepsels geene nieuwe kneuzingen aan poot
of vleugels hadden bekomen.
Polsbroekerwoud had, zoodra hij het ongeluk bemerkt had, zijn ezel
aangespoord om naar het logement terug te keeren, en kwam nu in draf
terug, met een potje Spijkerbalsem en een fleschje Hofmansdroppels
in de hand. Een knecht met een karaf water en glazen volgde hem. Op
herhaalde uitnoodiging namen de dames van den aangelengden æther
een teugje; maar wat den Spijkerbalsem betrof, zij verzochten den
menschlievenden Pols, hiervan, indien het noodig mogt wezen, liever
op hare apartementen in het logement gebruik te mogen maken.
Na de behoorlijke woordenwisselingen tusschen den Godesbergschen
koetsier en den Koninklijk-Pruisischen postiljon, kwam een ander
rijtuig voor. Pols, die, in zijn ijver om de Amsterdamsche familie
van dienst te zijn eigen leed vergeten had, bemerkte nu, dat de
tuimeling van den ezel hem wel niet gevaarlijk had gekwetst, maar
toch eene ontvelling veroorzaakt, die een nieuwen rid op den zadel
minder begeerlijk voor hem maakte. Hij nam dus de uitnoodiging van
de Dufduins aan, om de vakante plaats in hun rijtuig in te nemen,
en liet zijne vrienden bedaard vooruit wandelen, na afgesproken te
hebben, hen op den Drachenfels te zullen weêrvinden.
Toen de vier voetgangers, die op hun gemak waren voortgewandeld, en
nog een weinig in het schuitje, dat hen naar Königswinter overzette,
op den Rijn hadden gedobberd, den Drachenfels beklommen hadden,
vonden zij de Dufduins en Pols in het _Wirthshaus_ aldaar, zeer op
hun gemak gezeten onder een glaasje Maydrank.
"Welkom, Heeren!" riep de oude Heer hun toe: "wij zitten hier onder
den kruiderwijn; maar 't is een ligt kostje. Zij zouden ons zulken
dunnen wijn niet naar Amsterdam durven zenden. Nu, ze kunnen ook wel
wat beters geven; want, te duiker! wij durven prijs besteden."
"Den wijn vind ik nog zoo kwaad niet," zei de vette zuster van Dufduin;
"maar de taartjes, die zij er ons bij gegeven hebben, zijn ontzettend
oudbakken."
De wandelaars dronken met smaak het praeparaat van den Drachenfelschen
kastelein, schoon Pols hen aanried, niet te schielijk te drinken,
omdat zij nog al hevig transpireerden. Men besloot weldra den togt
voort te zetten naar de ruïne, nog weinige voeten hooger gelegen. De
Heer Dufduin deed nu over zijn witten stofjas nog eenen uitvoerigen
manteljas aan, en Pols verscheen spoedig met een mantel van den
kastelein omgeslagen, en raadde de andere vrienden, om toch ook
iets, al waren het maar schoudermantels, te zien te krijgen. Hij
waarschuwde hen zeer tegen de koude lucht op de bergen. De roekelooze
vrienden sloegen dien goeden raad in den wind, en drongen door den
naauwen toegang in de ruïne, waar zij van het heerlijke uitzigt op
de schoone en vruchtbare Rijnstreek jouisseerden, terwijl allen het
uitmuntend effect van de eilandjes Nonnenwerth en Grafenwerth in den
stroom opmerkten. Mejuffrouw Dufduin moest het bezoeken der ruïne
opgeven. De veelvuldige lekkernijen en ontzettende heerlijkheden,
die de Hollandsche keuken, de beste van alle Europesche keukens,
HaarEd. sedert onheugelijke jaren had aangeboden, hadden haar zulk
eenen omvang gegeven, dat alle pogingen om zich door den nauwen toegang
heen te wringen, vruchteloos waren. Pols kwam spoedig bij haar, om
haar tot troost te doen opmerken, dat het uitzigt buiten de ruïne
toch ook allercharmantst was.
Men keerde weldra naar het _Wirthshaus_ terug, om af te rekenen, en
was daar nog getuige van eene allerhevigste woordenwisseling tusschen
de keukenmeid en den knecht, bij welke gelegenheid de eerste, al de
beminnelijkheid van hare sekse vergetende, het gelaat eener furie
had aangenomen, en met eene ijzeren tang haren antagonist wilde
overtuigen, dat _zij_ gelijk had. Pols sprak in zuiver Hollandsch
een bedaard woordje op zijn pas; en dat, benevens eene bedreiging
in plat Duitsch van den kastelein, dat zij ze beiden, zoo zij niet
ophielden, de deur zou uitsmijten, deed de twistenden morrende en
brommende uiteengaan. Veervlug merkte bij deze gelegenheid aan,
dat de _Drachenfels_ nog met volle regt haren naam mogt behouden.
Op Nonnenwerth betrad Holstaff met heiligen eerbied den drempel van het
eens zoo eerwaardig klooster; en toen hij, den langen gang intredende,
een vrouwestem hoorde zingen, was het hem alsof hij de kooren der
gewijde maagden nog eens zou vernemen. Maar, helaas! bij naauwer
toeluisteren bleek het, dat het uit den mond van eene frissche,
levenslustige boerendeern voortkwam; en dat het geen lied was, uit
het gezangboek der heilige nonnetjes ontleend, werd hem duidelijk
uit het refrein van ieder couplet:
"Und er erwidert meine Küsse;
Welche namelose Lust!"
En toen nu daarna diezelfde deern den bestelden Moezelwijn binnenbragt,
en deze bleek tot de zuurste aller Moezelwijnen te behooren, losten
zich al zijne Nonnenwertsche illusies in treurige zuchten op.
Daar werd aan den voet van de rots van Rolandseck een _diner_ gebruikt,
en de koude kippen, die sedert het ongeval van het rijtuig steeds onder
Mejuffrouw Dufduins bijzondere bewaring waren gebleven, werden tot
's avonds bespaard, omdat men meer _delices_ in het kleine logement
vond, dan men verwacht had. De namiddag was, als de voormiddag,
schoon, en werd door de Dufduins met middagslaapjes en theedrinken
doorgebragt. Zij reden vroeg naar huis, want de avondlucht, had
Mijnheer wel eens gehoord, was aan den Rijn zoo gezond niet, als in
Amsterdam; maar Pols, die zich tot de terugwandeling wel weêr in staat
gevoelde, liet nu het plaatsje in het Godesbergsche rijtuig vakant.
"Die Dufduins zijn toch verbazend duf," zei Veervlug, toen zij de
rots beklommen.
"Zeg het zoo luid niet!" zei Torteltak: "ik geloof dat onze waardige
Pols nog al van de dames gecharmeerd is."
"Neen maar waarlijk," zei Pols, "de menschen zijn nog zoo kwaad
niet. Zij zijn nu juist geen overvliegers....."
"Dat heb ik wel kunnen merken, toen zij den berg opkropen," viel
Veervlug in.
Zij waren bijna aan den top genaderd, toen een welluidend gezang hun
in de ooren klonk. Torteltak arrangeerde zijne lokken een weinig. De
Morder maakte de galante opmerking, dat de Moffinnen nooit haren mond
schenen te kunnen houden. Pols vond, dat zij het charmant troffen. Bij
de ruïne zat een groot gezelschap Duitschers, fatsoenlijke inwoners
van Bonn, meest allen jonge menschen. Een allerliefst blozend meisje,
met een paar levendige oogen, zat op een boomtronk; lichtblonde
lokken speelden om een blanken hals, en twee rijen sneeuwwitte,
tanden kwamen in hunne volle schoonheid te voorschijn, terwijl de
zangeres met heldere stem eene vrolijke romance deed hooren. De
mond was misschien wel wat groot om met een stuivertje te bedekken,
maar toch de hoeken bleven op een eerbiedigen afstand van de ooren,
dat waarlijk al heel veel is voor eene Duitsche _chanteuse_.
Juist toen de vrienden naderden, was het lied
geëindigd. "Bravo! bravo! _Schön! wahrhaftig schön!_" klonk het uit
aller monden. Die van een der Bonnsche heeren ging zelfs verder,
en drukte een warmen kus op de blozende wangen. Torteltak vond het
jammer, dat het meisje niet door een mooijer jongen gekust werd. Zij
evenwel scheen tevreden met de liefkozingen van den bruin verbranden
Duitscher, met lang vlasachtig haar en omgeslagen boorden.
De reizigers zagen hunnen beleefden groet minzaam beantwoord, en
plaatsten zich op een kleinen afstand van de vrolijke groep, die
dartelde en schaterde, alsof er geene vreemdelingen in de nabijheid
waren. Holstaff vond hen wat al te vroolijk op eene plaats, waaraan
zich zulke treurige _souvenirs_ hechtten.
"_Aber jetzt noch Ritter Toggenburg!_" riep eene stem.
"_O ja, Toggenburg!_" acclameerden allen.
"Zou het mogelijk zijn? o Hemel!" zuchtte Holstaff, die zeer goed
wist dat deze legende eigenlijk op Rolandseck te huis behoorde. Deze
zucht dankte dus aan verrukking haren oorsprong.
"_Wohlan! der Ritter!_" riep het meisje. Zij stemde hare guitar,
en zong de treurige ballade van Schiller.
Allen luisterden met aandacht en verrukking; Holstaff schreide voor
verscheiden personen tranen, en wist niet waar hij zich bevond, toen
de laatste toonen in de lucht wegstierven. De schoone zangeres had
ook met zoo veel gevoel de laatste regels gezongen:
"Und so sass er, eine Leiche,
Eines Morgens da;
Nach dem Fenster noch das bleiche
Stille Antlitz sah."
De jongeling meende bijna zelf de ridder te zijn, en verwonderde
zich dat hij nog leefde, toen het onstuimig _bravo_ van het geheele
gezelschap hem in zijne mijmeringen stoorde.
"'t Is waarlijk charmant," zei Pols: "die dame zingt als een lijster."
"Kon jij maar zoo'n lijster strikken!" grinnikte Veervlug.
Holstaff werd bleek van ergernis.
"_Es lebe unser Dichter! es lebe Schiller!_" riep een oud Heer.
"_Und unsere schöne Sängerin!_" riepen hare jonge landgenooten,
terwijl de jonge meisjes haar een krans, van eikenbladen gevlochten,
op het hoofd plaatsten.
De bruinverbrande Duitscher, met het lange vlasachtige haar, en de
omgeslagen boorden, herhaalde de manoeuvre van straks. Torteltak vond
hem nog leelijker dan den eersten keer.
Het gezelschap van Bonn stond op, en maakte zich gereed, om dansende
en zingende den berg af te dalen.
"Dat hebben wij netjes getroffen," zei Pols.
"'t Is hemeltergend, dat zoo iets aandoenlijks met eene klucht
eindigt," zuchtte Holstaff.
"Dat meisje is vast eene actrice," zei De Morder.
"_Erlauben Sie mir,_" zeide de oude Duitsche Heer, die de laatste
aanmerking gehoord had. "_Sie ist meine Tochter. Ich bin Professor
Essenleben zu Bonn._"