HOOFDSTUK VIII.

Waarin de reizigers vele merkwaardige plaatsen bezoeken onder

veelsoortige gewaarwordingen, en waarin Polsbroekerwoud en de

Amsterdamsche familie in zeer onaangename positiën voorkomen.

Wanneer gij op eenen schoonen vroegen zomermorgen bij de ruïnes van

het kasteel op den Godesberg nederzit, en uwe oogen van daar slaat

op het heerlijk panorama dat voor u ligt uitgestrekt, terwijl de

dorpelingen van alle kanten zamenkomen en zich in de eenvoudige kerk,

een weinig lager op den berg gelegen, vereenigen, dan zult gij zoo

gij niet al te veel wereldling of wijsgeer zijt, gaarne met het _Te

Deum_ instemmen, dat door de geloovigen wordt aangeheven, en gij zult

bij die gelegenheid misschien met vreugde gevoelen, dat de mensch

voor verhevene aandoeningen vatbaar is. Maar wanneer gij dan in die

oogenblikken een uwer medemenschen, dien gij reeds als een bekrompen

schepsel hebt leeren kennen, tot u ziet naderen, gehuld in een witten

stofjas (een soort van kleedingstuk, dat een gedistingueerd, zoowel

als een gemeen gelaat zeer sterk doet uitkomen), en gij den zoodanigen

alles zonder eenige opmerkzaamheid ziet voorbijgaan, en gij uit zijnen

mond de aanmerking hoort; "te duiker! dat is nog een andere klim

dan eene Amsterdamsche sluis!" dan zult gij met leedwezen bemerken,

dat een groot deel uwer betere gewaarwordingen spoedig verdwijnt;

voeg hierbij, dat zoodanigen mans zuster, zonder een oog aan het

heerlijk uitzigt of een oor aan de zuivere kerkmuziek te wagen, den

uitval doet: "zoo zondig als ik hier sta, ik geloof dat de aardbeien

hier in het wild groeien," dan wordt het u spoedig duidelijk, dat de

mensch toch waarlijk ook tot de dierlijke wezens behoort.

Het genoegen, dat onze vrienden eenige oogenblikken op den Godesberg

gesmaakt hadden, was door de Dufduins totaal bedorven; het minst

evenwel voor Polsbroekerwoud, wien het misschien al wat lang geduurd

had; althans hij had een paar malen van opstaan gesproken, en was nu

bezig in zijn zakboekje eene fooi op te teekenen, die hij vergeten

had te noteren, maar die hij toch gegeven had aan den portier van de

Akademie te Bonn. Hij behoefde zich dus geen bijzonder geweld aan te

doen, om het praatje met de Amsterdamsche familie voort te zetten,

en om het hart der vette dame te winnen, voegde hij haar toe: "Daar

zal een ontbijt op smaken!"

"Dat zal het wel," antwoordde zij. "Wij hebben ook thee met de machine

besteld; anders is die hier in dit land niet te drinken. En de knecht

zou eens informeren, of de kastelein ossentong in huis had; want dat

vind ik bij het ontbijt ontzettend lekker."

"Het uitzigt," zei Mijnheer Dufduin, eindelijk eens een oog rondom zich

slaande, "heeft hier wel iets van dat uit de Nieuwe Stadsherberg,

behalve dat het Rijntje zoo bevaarbaar niet is, als bij ons het

Y. Ha, wat zeg je, te duiker! ze moesten hier eens met een driemaster

aankomen."

Pols was het met het laatste gedeelte dezer aanmerking eens, maar was

niet genoeg met Amsterdam bekend, om de frappante gelijkenis met het

uitzigt op het Tolhuis te vinden.

De vier andere vrienden waren reeds vooruitgegaan naar beneden. Pols

vergezelde de Dufduins, die spoedig tevreden waren, en Mijnheer voegde

zijne vrouw toe: "Zie zoo, wijfje! dat hebben wij alweêr gezien."

Mevrouw knikte toestemmend, en men keerde naar het logement terug,

terwijl Pols de zeer juiste opmerking maakte, "dat dalen toch eigenlijk

gaauwer ging dan klimmen."

Na het ontbijt, waaraan, tot grootste ergernis van Juffrouw Dufduin, de

ossentong ontbroken had, maar door overheerlijke _saucisse de Bologne_

geremplaceerd was, wandelden de vrienden op, terwijl de calêche voor

de Amsterdamsche familie voor de deur stond, die even als zij het plan

had, een tourtje naar het Zevengebergte te maken. De Drachenfels is

maar een groot uur wandelens van Godesberg; dus besloot men deze reis

te voet af te leggen, en de Dufduins aan hun lot over te laten. Pols

evenwel, die met het afklimmen van den berg zijn regtervoet een weinig

bezeerd had, was een ezel magtig geworden, die met bedaarden tred naast

de vrienden voortstapte. Zoo ging het voorwaarts; maar naauwelijks

waren zij driehonderd passen van het logement verwijderd, toen eene

Engelsche reiskoets, met vier postpaarden bespannen, hen in vollen

ren passeerde. De ezel van Pols, met grooten eerbied voor vierspannen

koninklijk-Pruissische postpaarden bezield, maakte eene soort van

ontwijkende beweging, die den _cavalier_ wat onverwacht voorkwam, en

hem tegen zijn verlangen uit den zadel op den gemacadamiseerden weg

neêrzette. Deze verplaatsing had gelukkig geene arm- of beenbrekende

gevolgen, en met een grootheid van ziel, aan sommigen in het ongeluk

eigen, stelde hij zijne vrienden gerust met een bedaard uitgesproken:

"het is niets," en nam oogenblikkelijk zijne plaats op den zadel weêr

in. Maar dit ongeluk (door het vierspan aangerigt) was niet het eenige;

weinige schreden verder ontmoette het Engelsche rijtuig de calêche van

de familie Dufduin. De Godesbergsche paarden sloegen volstrekt geen

acht op hunne fiere en vlugge broeders van de koninklijke post, en

weken geen stap ter zijde. Het gevolg hiervan was, dat de achterwielen

der beide rijtuigen in een strijd raakten, die evenwel spoedig beslist

was; want het stevige Engelsche rijtuig rolde overwinnend voort,

en het Godesbergsche bleef op het slagveld. Een der achterwielen was

verbrijzeld; de calêche, ongewoon op drie wielen te staan, verloor

haar evenwigt, en de Dufduins rolden over en onder elkander, ieder

op zijne wijze door schreeuwen en zuchten te kennen gevende, dat zij

het onaangename van hunnen toestand gevoelden.

Het tooneel had digt bij het wandelende reisgezelschap plaats. Ook

sommigen hunner vonden het gepast eenen gil voort te brengen. Holstaff

hield de handen voor zijne oogen, en doorzag terstond al het

verschrikkelijke van op een reisje voor plaisir, ver van huis,

in eene omvallende calêche zijn dood te vinden. Veervlug was

oogenblikkelijk bij de hand, en zonder op eenig gevaar te letten,

sprong hij voor de paarden, zijne beide armen uitstrekkende, om hun

voorthollen te voorkomen. Maar de goede Godesbergsche dieren dachten

er geen oogenblik aan, om zulke dolle coupen te beginnen. Zoodra de

calêche omgevallen was, en de koetsier, door van den bok te storten,

de teugels een weinig aangetrokken had, bleven zij stilstaan, hunne

koppen ter aarde buigende, en ook zonder tusschenkomst van Veervlug,

die bijna tot den grond moest bukken, om de fiere genetten bij de

teugels te grijpen, zouden zij geen poot meer verzet hebben. Terwijl

De Morder met een opgeheven vuist het Engelsche rijtuig nastaarde,

en het ongepermitteerd vond met een vierspan te rijden, indien men

zooveel ongelukken berokkende, was Torteltak naar de calêche gesneld,

om de dames zijne hulp aan te bieden. Allen waren onbezeerd gebleven;

Mijnheer was over de dames heengerold en spoedig weêr op de been, de

aanmerking makende, "dat zoo iets met een Amsterdamsch sleetje niet

ligt gebeuren zou." Mevrouw bedankte door eene stilzwijgende buiging

Torteltak voor zijnen bijstand. De laatste, die gered kon worden, die

de onderste lag, was Dufduins waardige zuster. Blazende en zuchtende

kwam zij te voorschijn, en voelde zich wel, zoo zondig als zij daar

stond; maar zij gaf terstond aan Torteltak hare ongerustheid te kennen,

dat aan twee koude kippen, die zij uit het logement had meêgenomen om

's middags te nuttigen, misschien eenig leed weêrvaren was. Torteltak

was spoedig in de gelegenheid, de bezorgde kippenvriendin mede te

deelen, dat de gebraden schepsels geene nieuwe kneuzingen aan poot

of vleugels hadden bekomen.

Polsbroekerwoud had, zoodra hij het ongeluk bemerkt had, zijn ezel

aangespoord om naar het logement terug te keeren, en kwam nu in draf

terug, met een potje Spijkerbalsem en een fleschje Hofmansdroppels

in de hand. Een knecht met een karaf water en glazen volgde hem. Op

herhaalde uitnoodiging namen de dames van den aangelengden æther

een teugje; maar wat den Spijkerbalsem betrof, zij verzochten den

menschlievenden Pols, hiervan, indien het noodig mogt wezen, liever

op hare apartementen in het logement gebruik te mogen maken.

Na de behoorlijke woordenwisselingen tusschen den Godesbergschen

koetsier en den Koninklijk-Pruisischen postiljon, kwam een ander

rijtuig voor. Pols, die, in zijn ijver om de Amsterdamsche familie

van dienst te zijn eigen leed vergeten had, bemerkte nu, dat de

tuimeling van den ezel hem wel niet gevaarlijk had gekwetst, maar

toch eene ontvelling veroorzaakt, die een nieuwen rid op den zadel

minder begeerlijk voor hem maakte. Hij nam dus de uitnoodiging van

de Dufduins aan, om de vakante plaats in hun rijtuig in te nemen,

en liet zijne vrienden bedaard vooruit wandelen, na afgesproken te

hebben, hen op den Drachenfels te zullen weêrvinden.

Toen de vier voetgangers, die op hun gemak waren voortgewandeld, en

nog een weinig in het schuitje, dat hen naar Königswinter overzette,

op den Rijn hadden gedobberd, den Drachenfels beklommen hadden,

vonden zij de Dufduins en Pols in het _Wirthshaus_ aldaar, zeer op

hun gemak gezeten onder een glaasje Maydrank.

"Welkom, Heeren!" riep de oude Heer hun toe: "wij zitten hier onder

den kruiderwijn; maar 't is een ligt kostje. Zij zouden ons zulken

dunnen wijn niet naar Amsterdam durven zenden. Nu, ze kunnen ook wel

wat beters geven; want, te duiker! wij durven prijs besteden."

"Den wijn vind ik nog zoo kwaad niet," zei de vette zuster van Dufduin;

"maar de taartjes, die zij er ons bij gegeven hebben, zijn ontzettend

oudbakken."

De wandelaars dronken met smaak het praeparaat van den Drachenfelschen

kastelein, schoon Pols hen aanried, niet te schielijk te drinken,

omdat zij nog al hevig transpireerden. Men besloot weldra den togt

voort te zetten naar de ruïne, nog weinige voeten hooger gelegen. De

Heer Dufduin deed nu over zijn witten stofjas nog eenen uitvoerigen

manteljas aan, en Pols verscheen spoedig met een mantel van den

kastelein omgeslagen, en raadde de andere vrienden, om toch ook

iets, al waren het maar schoudermantels, te zien te krijgen. Hij

waarschuwde hen zeer tegen de koude lucht op de bergen. De roekelooze

vrienden sloegen dien goeden raad in den wind, en drongen door den

naauwen toegang in de ruïne, waar zij van het heerlijke uitzigt op

de schoone en vruchtbare Rijnstreek jouisseerden, terwijl allen het

uitmuntend effect van de eilandjes Nonnenwerth en Grafenwerth in den

stroom opmerkten. Mejuffrouw Dufduin moest het bezoeken der ruïne

opgeven. De veelvuldige lekkernijen en ontzettende heerlijkheden,

die de Hollandsche keuken, de beste van alle Europesche keukens,

HaarEd. sedert onheugelijke jaren had aangeboden, hadden haar zulk

eenen omvang gegeven, dat alle pogingen om zich door den nauwen toegang

heen te wringen, vruchteloos waren. Pols kwam spoedig bij haar, om

haar tot troost te doen opmerken, dat het uitzigt buiten de ruïne

toch ook allercharmantst was.

Men keerde weldra naar het _Wirthshaus_ terug, om af te rekenen, en

was daar nog getuige van eene allerhevigste woordenwisseling tusschen

de keukenmeid en den knecht, bij welke gelegenheid de eerste, al de

beminnelijkheid van hare sekse vergetende, het gelaat eener furie

had aangenomen, en met eene ijzeren tang haren antagonist wilde

overtuigen, dat _zij_ gelijk had. Pols sprak in zuiver Hollandsch

een bedaard woordje op zijn pas; en dat, benevens eene bedreiging

in plat Duitsch van den kastelein, dat zij ze beiden, zoo zij niet

ophielden, de deur zou uitsmijten, deed de twistenden morrende en

brommende uiteengaan. Veervlug merkte bij deze gelegenheid aan,

dat de _Drachenfels_ nog met volle regt haren naam mogt behouden.

Op Nonnenwerth betrad Holstaff met heiligen eerbied den drempel van het

eens zoo eerwaardig klooster; en toen hij, den langen gang intredende,

een vrouwestem hoorde zingen, was het hem alsof hij de kooren der

gewijde maagden nog eens zou vernemen. Maar, helaas! bij naauwer

toeluisteren bleek het, dat het uit den mond van eene frissche,

levenslustige boerendeern voortkwam; en dat het geen lied was, uit

het gezangboek der heilige nonnetjes ontleend, werd hem duidelijk

uit het refrein van ieder couplet:

"Und er erwidert meine Küsse;

Welche namelose Lust!"

En toen nu daarna diezelfde deern den bestelden Moezelwijn binnenbragt,

en deze bleek tot de zuurste aller Moezelwijnen te behooren, losten

zich al zijne Nonnenwertsche illusies in treurige zuchten op.

Daar werd aan den voet van de rots van Rolandseck een _diner_ gebruikt,

en de koude kippen, die sedert het ongeval van het rijtuig steeds onder

Mejuffrouw Dufduins bijzondere bewaring waren gebleven, werden tot

's avonds bespaard, omdat men meer _delices_ in het kleine logement

vond, dan men verwacht had. De namiddag was, als de voormiddag,

schoon, en werd door de Dufduins met middagslaapjes en theedrinken

doorgebragt. Zij reden vroeg naar huis, want de avondlucht, had

Mijnheer wel eens gehoord, was aan den Rijn zoo gezond niet, als in

Amsterdam; maar Pols, die zich tot de terugwandeling wel weêr in staat

gevoelde, liet nu het plaatsje in het Godesbergsche rijtuig vakant.

"Die Dufduins zijn toch verbazend duf," zei Veervlug, toen zij de

rots beklommen.

"Zeg het zoo luid niet!" zei Torteltak: "ik geloof dat onze waardige

Pols nog al van de dames gecharmeerd is."

"Neen maar waarlijk," zei Pols, "de menschen zijn nog zoo kwaad

niet. Zij zijn nu juist geen overvliegers....."

"Dat heb ik wel kunnen merken, toen zij den berg opkropen," viel

Veervlug in.

Zij waren bijna aan den top genaderd, toen een welluidend gezang hun

in de ooren klonk. Torteltak arrangeerde zijne lokken een weinig. De

Morder maakte de galante opmerking, dat de Moffinnen nooit haren mond

schenen te kunnen houden. Pols vond, dat zij het charmant troffen. Bij

de ruïne zat een groot gezelschap Duitschers, fatsoenlijke inwoners

van Bonn, meest allen jonge menschen. Een allerliefst blozend meisje,

met een paar levendige oogen, zat op een boomtronk; lichtblonde

lokken speelden om een blanken hals, en twee rijen sneeuwwitte,

tanden kwamen in hunne volle schoonheid te voorschijn, terwijl de

zangeres met heldere stem eene vrolijke romance deed hooren. De

mond was misschien wel wat groot om met een stuivertje te bedekken,

maar toch de hoeken bleven op een eerbiedigen afstand van de ooren,

dat waarlijk al heel veel is voor eene Duitsche _chanteuse_.

Juist toen de vrienden naderden, was het lied

geëindigd. "Bravo! bravo! _Schön! wahrhaftig schön!_" klonk het uit

aller monden. Die van een der Bonnsche heeren ging zelfs verder,

en drukte een warmen kus op de blozende wangen. Torteltak vond het

jammer, dat het meisje niet door een mooijer jongen gekust werd. Zij

evenwel scheen tevreden met de liefkozingen van den bruin verbranden

Duitscher, met lang vlasachtig haar en omgeslagen boorden.

De reizigers zagen hunnen beleefden groet minzaam beantwoord, en

plaatsten zich op een kleinen afstand van de vrolijke groep, die

dartelde en schaterde, alsof er geene vreemdelingen in de nabijheid

waren. Holstaff vond hen wat al te vroolijk op eene plaats, waaraan

zich zulke treurige _souvenirs_ hechtten.

"_Aber jetzt noch Ritter Toggenburg!_" riep eene stem.

"_O ja, Toggenburg!_" acclameerden allen.

"Zou het mogelijk zijn? o Hemel!" zuchtte Holstaff, die zeer goed

wist dat deze legende eigenlijk op Rolandseck te huis behoorde. Deze

zucht dankte dus aan verrukking haren oorsprong.

"_Wohlan! der Ritter!_" riep het meisje. Zij stemde hare guitar,

en zong de treurige ballade van Schiller.

Allen luisterden met aandacht en verrukking; Holstaff schreide voor

verscheiden personen tranen, en wist niet waar hij zich bevond, toen

de laatste toonen in de lucht wegstierven. De schoone zangeres had

ook met zoo veel gevoel de laatste regels gezongen:

"Und so sass er, eine Leiche,

Eines Morgens da;

Nach dem Fenster noch das bleiche

Stille Antlitz sah."

De jongeling meende bijna zelf de ridder te zijn, en verwonderde

zich dat hij nog leefde, toen het onstuimig _bravo_ van het geheele

gezelschap hem in zijne mijmeringen stoorde.

"'t Is waarlijk charmant," zei Pols: "die dame zingt als een lijster."

"Kon jij maar zoo'n lijster strikken!" grinnikte Veervlug.

Holstaff werd bleek van ergernis.

"_Es lebe unser Dichter! es lebe Schiller!_" riep een oud Heer.

"_Und unsere schöne Sängerin!_" riepen hare jonge landgenooten,

terwijl de jonge meisjes haar een krans, van eikenbladen gevlochten,

op het hoofd plaatsten.

De bruinverbrande Duitscher, met het lange vlasachtige haar, en de

omgeslagen boorden, herhaalde de manoeuvre van straks. Torteltak vond

hem nog leelijker dan den eersten keer.

Het gezelschap van Bonn stond op, en maakte zich gereed, om dansende

en zingende den berg af te dalen.

"Dat hebben wij netjes getroffen," zei Pols.

"'t Is hemeltergend, dat zoo iets aandoenlijks met eene klucht

eindigt," zuchtte Holstaff.

"Dat meisje is vast eene actrice," zei De Morder.

"_Erlauben Sie mir,_" zeide de oude Duitsche Heer, die de laatste

aanmerking gehoord had. "_Sie ist meine Tochter. Ich bin Professor

Essenleben zu Bonn._"

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 12 / 43 题