Keulen.--Bonn.--Men ontmoet interessante levenden, maar nog
interessanter dooden.
In het hôtel _Belle-vue_, over de schipbrug te Keulen, zaten
Polsbroekerwoud en zijne vrienden, op den tweeden en laatsten dag
van hun verblijf aldaar, aan de publieke tafel, in de nabijheid van
eene familie, die zij spoedig bemerkten tot hunne landgenooten te
behooren. Zij bestond uit man, vrouw en mans zuster, allen van een
tamelijk gevorderden leeftijd. Mijnheer Dufduin was eigenaar van
een zwart pruikje, dat zijne vroeg verdwenen haren remplaceerde. Hij
had een weinig-sprekend, zeer gewoon gelaat, zoo men mond en ooren
uitzondert, wier vorm geheel beantwoordde aan het model, dat Cats
voor deze deelen des aangezigts aan die "wil reysen door het lant,"
voorschrijft, als hij zegt:
"Hebt vooreerst een esels oyr,"
en
"Hebt dan nogh een verkensmuyl."
Voorts was de man echtgenoot, maar geen vader, rijk aan wereldsch
goed, maar niet aan wereldkennis, en reisde hij voor het eerst van
zijn leven. Hij was een Amsterdammer van ouder tot ouder, rentenierde,
en bezocht van tijd tot tijd uit liefhebberij de Beurs. Zijne vrouw
was meer zwierig dan smaakvol gekleed, en wekte, bij gebrek aan
_beaux restes_, geen spijt op, dat de schoonheid eene bloem is, die
ras verwelkt. Zij was niet stom, maar maakte verwonderlijk weinig
gebruik van haar spraakvermogen. Juffrouw Dufduin, de vleeschelijke
zuster van den Amsterdammer, scheen wat oud om diep in de veertig
en wat jong om even in de vijftig te wezen. Zij had dit boven haren
kinderloozen broeder vooruit, dat zij ook nooit gehuwd was geweest. Zij
behoorde tot de vetste menschensoort. Het eenmaal dunne huidsatijn,
dat misschien vroeger doorschijnend geweest was, scheen haar nu als
een goedgevoerde kamerjapon om de spieren te sluiten. Hare oogen hadden
vóór dertig jaren welligt gloeijende vonken uitgezonden, maar lagen nu,
in de wangen gezonken en door dikke oogleden overdekt, als uitgebrande
kolen in een doofpot; de meeste harer overige ledematen schenen op
nonactiviteit gesteld te zijn, met uitzondering evenwel van hare
tong en haar gehemelte, daar de eerste voortdurend de gewaarwordingen
der laatste verkondigde. Hare lippen schenen niet voor den kus, maar
voor den soeplepel gevormd; iets, dat daarom vooral goed was, omdat
hare laatste en misschien eenige liefde _de volmaakte Kok_ was. Aan
hem was haar hart, hare ziel, haar verstand gewijd. Aan hem denkende,
sliep zij in; van hem droomende, sliep zij door; naar hem verlangende,
ontwaakte zij. Zijne raadgevingen vervulde zij met nauwgezetheid;
zijne uitvindingen wekten hare bewondering op; zijne handelingen
waren haar eerwaardig. Geene Astarte of Isis zag zeker ooit met
grooter welgevallen neêr op de voor haar ontstoken offervuren, dan
zij op den keukenhaard, waarboven een Amsterdamsche kalfskop of een
goedgeklutste pudding te koken hing. Haar geheele aanzijn droeg de
kenteekenen, dat zij "den mensch een volmaakbaar wezen" beschouwde.
"De Heeren schijnen ook Hollanders?" zei Mijnheer Dufduin, zich tot
Torteltak wendende, "maar zeker niet van Amsterdam."
Torteltak beantwoordde het eerste toestemmend, het laatste ontkennend.
"En de Heeren gaan zeker ook een Rijntourtje maken? Zoo is ook ons
plan. Ik zei in 't voorjaar tegen mijne vrouw: "Kind! wij konden ook
wel eens gaan reizen, want daar doen het wel minderen dan wij, en
om het geld behoeven wij het niet te laten. Mijne vrouw was het met
mij eens. Wij vonden het wel jammer om Amsterdam zoo met den zomer
vaarwel te zeggen; want wij wonen op de Prinsengracht, en die is in
dezen tijd net als een Engelsche tuin, als de boomen groen zijn, en de
leeuwrikken, die ik in kooijen voor mijne deur heb, zingen. Maar toch,
wij moesten ook eens iets meer zien dan regtuit. En morgen zal het
drie weken worden, toen zaten wij nog hoog en droog in Amsterdam, en
nu zitten wij al in Keulen. Wanneer zijn de Heeren uit Holland gegaan?"
"Verleden Donderdag," was het antwoord van een der Heeren: "wij komen
nu van Aken."
"Te duiker!" riep Mijnheer Dufduin, "dat noem ik vlug reizen. Neen,
wij leggen het langzaam aan. Wij zien den Rijn op ons gemak, en
hebben ook nog een uitstapje naar Munster gemaakt. Dat 's wel een
aardig stadje, dat Munster; maar 't is Amsterdam niet."
"En je eet er ook zoo goed niet, als te Amsterdam," zei de zuster,
die tot nu toe met zeer veel attentie soep gebruikt had. "Verbeeld u
eens, Mijnheer!" zich tot Pols wendende: "daar hadden wij slaboontjes,
doorgebroken, net of het dikke inmaakboonen waren, en met peterselie
gestoofd. En dan geef ik u te raden, wat voor groente wij nog meer
hadden, in dezen tijd van 't jaar?"
"Misschien doperwtjes," zei Pols heel goedig.
"Neen, Mijnheer! je raadt het nooit. Witte kool; zoo zondig als ik
hier naast u zit,--witte kool, in de maand Juli!"
Pols was verbaasd, niet zoozeer over de naïve bekentenis, dat Jufvrouw
Dufduin zondig naast hem zat, of over de witte kool in Juli, als over
de verontwaardiging, waarmede deze woorden geuit werden.
"Maar in Dusseldorp hebben wij waarlijk goed gegeten, altijd voor
een Duitschen pot; want dat zal iedereen mij moeten toestemmen,
dat de Hollandsche keuken boven alles gaat. Dat hoor ik dan ook,
dat alle vreemdelingen zeggen. Maar in Dusseldorp hadden wij eene
heerlijke ossentong en een ontzettend lekkeren pudding, misschien
wel met wat veel eieren, maar dat kan geen kwaad in een pudding."
"Wat lastig is," zei Mijnheer, "dat je hier geen _Handelsblad_ hebt."
"En geen nieuwe haring," viel Juffrouw Dufduin in. "Hebt u daar ook
iets van gehoord? Ik heb een brief van een goede vriendin, dat ze van
't jaar ontzettend zout is. Ik had anders de reis nog gaarne een
paar weken uitgesteld; want ik hou dol van nieuwen haring, en wij
krijgen alle jaar een vaatje uit Rotterdam present, van den eersten
jager.--Maar wat is dat nu weêr voor vleesch, dat die knecht mij daar
geeft, met die gekookte biet en peterselie? Ik geloof, zoo zondig
als ik hier zit, dat ze daar al eens soep van gekookt hebben."
Pols en Torteltak waren geheel van hare opinie omtrent de voorgediende
_bouilli_.
"En hebt u de Cathedrale gezien?" vroeg Veervlug aan Mijnheer Dufduin:
"vindt u die niet heerlijk mooi?"
"Ja, gezien heb ik ze, voor zoover ze voltooid is,--let wel: voor
zoover ze voltooid is. Ik houd niet van kerken, die niet voltooid
zijn. 't Is net daarmeê, als bij ons met de Amstelkerk."
"Maar de bouworde, Mijnheer! puur Gothisch! hebt u ooit zulke
zwaarmoedige, plegtige lijnen gezien?"
"Ja wel, 't is heel mooi, dat moet ik toestemmen, alles zoo als u zegt;
maar de Nieuwe Kerk bij ons is ook mooi, en die is geheel voltooid,
en de preêkstoel is superber."
"En wat zegt u dan van de schilderij van Rubens in de
Pieterskerk?" vroeg Holstaff.
"Neen, die geloof ik niet dat wij gezien hebben; ten minste daar staat
mij niets van voor. Maar ik heb in mijn leven zooveel schilderijen
gezien; die hebben we bij ons op het Trippenhuis bij uitstek mooi."
Successivelijk maakte Juffrouw Dufduin, die copieus dineerde, hare
aanmerkingen op al de spijzen: het een was te bruin gebraden, het
ander te veel gestoofd, het derde niet door en door gaar; alleen
het reevleesch keurde zij de eer eener derde portie waardig, en de
pudding was zoo overheerlijk, dat zij den _Kellner_ verzocht haar
daarvan het recept te bezorgen.
Mijnheer ging steeds voort, Keulen met Amsterdam te vergelijken; maar
onze vrienden stonden spoedig op, daar het rijtuig, dat hen naar Bonn
zou brengen, ingespannen was. Juffrouw Dufduin sloeg hare handen ineen,
dat de Heeren vóór het dessert vertrokken. Haar broeder verheugde de
vrienden door de mededeeling, dat ook zij nog dienzelfden dag naar
Bonn vertrokken, en vond het vooruitzicht, daar alweêr Hollanders te
zullen ontmoeten, alleraangenaamst.
Naauwelijks hadden Polsbroekerwoud en zijne compagnons hunne namen in
het Hollandsche album van het logement _Zum Stern_ te Bonn geteekend,
en den kastelein op het hart gedrukt om het _Handelsblad_, dat zij
daar aantroffen, toch dadelijk aan den Hollandschen Heer, die een
weinig later zou aankomen, te presenteren, of zij wandelden op, om
nog dien avond Clemensruhe en de Kreutzberg te bezoeken. Zij hadden
op deze wandeling het geluk meer dan drie uren te dwalen; en na dus
maar met een vlijtig oog de eerste der genoemde merkwaardigheden
gezien te hebben, spoedden zij zich naar den Kreutzberg, aan welks
voet zij niet arriveerden, voordat de avond reeds gevallen was. Dit
hield hen evenwel niet terug den berg te beklimmen, om toch nog de
kerk en den merkwaardigen grafkelder te bezigtigen, en Veervlug vond
iets fantastisch in het denkbeeld, daar met flambouwen te zullen
ronddwalen. Bijna aan den top genaderd, ontmoetten zij eene familie,
die naar het haar wachtende rijtuig stapte, en hoe groot was hunne
verbazing, toen zij in die personen de Dufduins herkenden.
"Dat zijn wij de Heeren voor geweest," riep Mijnheer. "Kijk! dat
moet je gaan zien, 't is waarlijk heel aardig; maar ik moet toch eens
onderzoeken, of wij te Amsterdam ook zulke grafkelders niet hebben."
"En let eens," fluisterde Juffrouw Dufduin Pols in, "op het _souper_
van dien koster. Zoo zondig als ik hier voor je sta, ze eten daar
gebakken aardappelen met zuring en krenten."
"Tot weêrziens!" riep Mijnheer de vrienden na.
Torteltak mompelde tot antwoord:
"Fare thee well! and if for ever,
Still for ever, fare thee well!"
Het oude klooster op den Kreutzberg is geheel verwoest, en alleen
de kerk is in stand gebleven. Met eene flambouw in de hand, ging een
tweeënnegentigjarige grijsaard het laat aangekomen reisgezelschap in
die kerk voor, en ontsloot hun daarna de deur van den merkwaardigen
grafkelder, waarna zij nog zestien trappen afdaalden, en zich toen
in het midden der dooden verplaatst vonden.
De vrienden zagen eenige oogenblikken zwijgende het ongewone
schouwspel aan, totdat Veervlug fluisterende zeide: "Het is toch
vreemd, dat de stilzwijgendheid der dooden, en gedeeltelijk zelfs
hunne onbewegelijkheid, zich aan de levenden mededeelt."
"Maar het is niet vreemd," zei Torteltak, "dat het gezigt van lijken
alle stervelingen tot ernst stemt."
"Met uitzondering van lachende hyena's en doodgravers," viel
Veervlug in.
"Ik word altijd met treurigheid vervuld, wanneer ik ontslapenen
zie," zei Holstaff; "maar toch, daar is iets zoets voor mij in die
treurigheid, iets rustigs, iets dat mij aantrekt en niet dan met
moeite doet besluiten om tot de wereld der levenden weêr te keeren."
"Behalve wanneer de sporen der ontbinding ons met weêrzin het hoofd
doen afwenden," zei De Morder.
"Ja, daar is wel iets van aan," merkte Pols op. "Hoort eens! ik kan
wel dooden zien, als het noodig is; maar zonder noodzaak vind ik het
toch nog al akelig."
"Maar wat is hier dan akeligs?' vroeg Veervlug: "zoo ergens, dan
kan men hier den dood een slaap noemen. In dezen grafkelder heeft
het verderf geen magt over de dooden. Ziet ze maar aan in hunne
kribben! Kunt gij het wel gelooven, dat sommigen daar al eeuwen liggen
uitgestrekt? Zijn hunne gelaatstrekken nog wel iets veranderd? En
zou niet de koude wind, die om ons waait, ons bijna in het denkbeeld
brengen, als wij hun gelaat en handen betasten, dat wij eene andere
koude dan die des doods gevoelen?"
"Niet waar?" zei de grijsaard, die zich intusschen op den rand eener
ledige kribbe had neergezet, terwijl hij met bevende hand de flambouw
naar de nabijzijnde dooden uitstrekte: "niet waar? zij rusten hier
goed. Het is hier beter dan onder de aarde. Geen worm knaagt het
vleesch van hun gebeente. Geen verscheurend dier zou hunne rust
kunnen verstoren.--Maar," ging hij zuchtende voort, "niet altijd
zijn zij voor de menschen veilig. Ziet gij daar aan de regterzijde
broeder Fhilippus, den naamgenoot van onzen Heiligen Benitius van
Florence? Hij had 400 jaren rustig doorgeslapen; maar toen kwam
vóór drie jaren een Engelschman, en terwijl ik mijn hoofd naar mijne
vrienden hier had gekeerd, sneed hij hem een vinger af, om dien als
een antiquiteit mede naar zijn land te nemen. Ik zag het niet voordat
hij vertrokken was; maar toen ik het bemerkte, beefde ik terug voor
zulk eene gruweldaad. Nu, de ongelukkige is dan ook wel gestraft. Twee
jaren lang is hij gekweld geweest door de wroegingen van zijn geweten,
en misschien ook door de verachting van zijne medemenschen. Toen
kon hij het niet langer uithouden, en hij zond mij verleden jaar den
vinger terug, en verzocht mij in eenen brief, dien aan den doode weêr
te geven. Ik heb ook voor den berouwhebbende gebeden; en ik hoop dat
ook broeder Philippus het hem om zijne boete zal vergeven hebben,
en niet eenmaal als getuige tegen hem zal optreden."
De vrienden zagen werkelijk in de verminkte hand van den doode een
verzegeld pakje liggen.
"Ziet gij hier," ging de grijsaard na eenig stilzwijgen voort, "deze
drie jonge menschen? Die heb ik er zelf in helpen dragen. Die daar,
broeder Zartmann en broeder Florens, zijn nu bijna zestig jaren geleden
gestorven. En die laatste, broeder Bastian _de Gartner_, met den
palmkrans, is mijn beste vriend; hij rust daar nog pas vijfenveertig
jaren. Hij zou mijn broeder geworden zijn, want hij was de bruidegom
mijner zuster; maar toch, hij was mij al meer dan een broeder. En
toen zij nu als zijne bruid stierf en in de aarde is moeten begraven
worden, toen trad broeder Bastian ook in de orde der Serviten, en zoo
konden wij te zamen over mijne zuster weenen. Hij is maar 46 jaren
oud geworden, en droeg het zwarte kleed ter nagedachtenis van den
weduwstaat der Gezegende Maagd niet langer dan twintig jaren bij zijn
leven; maar nu rust hij daarin reeds bijna eene halve eeuw; en ziet,
de palmkrans, dien ik hem op den dag zijns doods op het hoofd zette,
is nog niet verdord. Ik bezoek hem dagelijks en dat is sedert langen
tijd mijn eenige troost; want zij hebben ons klooster vernield, en
ik mag zelfs het gewijde kleed niet meer dragen; maar toch naast mijn
broeder Bastian zal ik eens rusten. Zij zullen mij toch mijn regt op
deze kribbe niet betwisten. Ik hoop, dat als gij in een volgend jaar
hier eens weêrkomt, gij mij dan op mijne plaats zult vinden."
"Leef nog lang, goede grijsaard!" wenschten de vrienden hem toe,
daar zij het grafgewelf verlieten.
"Zoolang het de Heilige Maagd believen zal, dat ik haar op aarde dien,"
antwoordde de oude man.
In het logement teruggekeerd, maakte Holstaff een vers getiteld:
_De frissche Dooden het verwelkte Leven_. Het is ongelukkigerwijze
verloren geraakt, maar men kan er onderscheidene fragmenten van vinden
bij dichters, die vóór Holstaff geschreven hebben, en dus niet gezegd
kunnen worden, hem te hebben bestolen.