HOOFDSTUK VI.

Aken en Borcetti.--Torteltak ontmoet een oud vriend.--De

Louisberg.--Hij ziet dat zijn vriend gelukkig is.--De

courzaal.--Hij vindt de vrouw van zijn vriend lief.

Voor sommige menschen is reizen eene eenigzins omslagtige

geographie-les. Ik bedoel hier de zoodanigen, die men altijd met eene

_Guide des Voyageurs_ in de eene, en eene landkaart in de andere hand

aantreft. Zij slaan hunne oogen nooit uit hun boek op, dan om den

omvang der landstreek, de bogten in den weg, de ligging der dorpen

en de kruiswegen met de afteekening te vergelijken. Zij schijnen

hun eigen gevoel niet genoeg te vertrouwen, om de hen omringende

landstreek mooi te vinden, en wachten zich dus wel, hieromtrent iets

in het midden te brengen, voordat zij in hun boek zien aangeteekend:

"_environs pitoresques_" of "_entzückend schöne Gegend_." Wanneer zij

een dorp doorrijden, zijn zij verheugd, zoo zij hunnen reisgenooten

kunnen meêdeelen, dat daar die fameuse slag tusschen _die_ en _die_

volken heeft plaats gehad, hoewel zij noch hunne reisgenooten misschien

immer vermoed hadden, dat _die_ en _die_ volken het nu en dan niet regt

eens geweest waren. Evenmin verzuimen zij in steden, die zij passeren,

verrukt te worden op het zien van het standbeeld van den geleerden

X, die zoo veel tot de geestbeschaving van zijne tijdgenooten heeft

bijgedragen; hoewel zij somtijds, bij wijze van, vergissing, door eene

verkeerde markt over te rijden, niet het beeld van genoemden geleerde,

maar dat van den Burgemeester N. N. zien, die riolen door de geheele

stad heeft doen aanleggen. Komen zij dan verder in eene plaats, waar

de _Guide_ aanraadt zich langer op te houden, en men dus nachtkwartier

dient te nemen, dan verheugen zij zich, dat het, op denzelfden grond

waar zij zich nu bevinden, den Romeinen ettelijke eeuwen geleden

in het hoofd kwam, eenen burg te stichten of eene legerplaats op

te slaan; en zij pijnigen zich, om ten minste eenige uren den naam,

die op _unum_, _untum_, _agum_, of op welk _um_ ook, uitgaat, in het

hoofd te houden. Bij dit alles laden zij in hunne somtijds zwakke

hersenen gewoonlijk ook het jaartal, waarin het oostelijk of westelijk

gedeelte der stad werd in de asch gelegd, en vergeten dat het onnoodig

is, in steden, die men, passeert, een meer dan _passager_ belang te

stellen.--Maar hielden hierbij de kwellingen nog maar op, die zulke

ongelukkigen zich op den hals halen! Zij gaan verder. Naauwelijks

hebben zij zich in hun logement een weinig verfrischt, of zij nemen,

behalve den stommen gids dien zij bezitten, ook nog een praatachtigen

huurling aan. Van dezen vergezeld, doorkruisen zij de stad, slaan hunne

oogen op, waar het een der _guides_ invalt iets merkwaardigs aan te

wijzen, laten zich de deuren van alle kerken ontsluiten, zien somtijds

beroemde, maar meestal van wege hare middelmatigheid geheel onbekende

schilderijen, en kunnen zich overtuigen, dat van de minste kerken de

bouworde iets merkwaardigs heeft. Zij laten zich gewoonlijk ook nog

verleiden, om ademloos den top van een toren te bereiken, en al de

pannen of leijen, die zich op de huizen der geheele stad bevinden,

gecombineerd te aanschouwen. Zij drentelen daarna (om maar van

bibliotheken, paleizen, anatomische theaters, stadhuizen, kerkhoven,

arsenalen, fabrieken, trafieken, wees-, oude mannen-, zieken-, dol-

en pesthuizen, kazernes en burgerlijke gevangenissen te zwijgen) door

een museum van _naturalia_, waar zij de beesten, in liggende positie

opgezet, hun lot benijden, en een dito van schilderijen, waar zij

de binnenhuisjes het meest bewonderen, omdat daar stoelen staan. En

is dan eindelijk gelukkig alles gezien, dan vallen zij, in hun hôtel

teruggekeerd, dood vermoeid op een sofa neder, en mogen dan nog eens

narekenen, hoeveel _francs_, _drittels_ of _shillings_ de koster,

dienders, torenwachters, custodes en loonbedienden successivelijk uit

hunne beurzen hebben gejaagd. Zulke reizigers, die te huis veelal

hun leven aan rust en werkeloosheid wijden, leeren in den vreemde

duidelijk begrijpen, wat het zegt, in het zweet des aanschijns zijn

brood te eten. Men kan ze vergelijken met de _Flagellantes_ van de

13de eeuw, die zich ook vrijwillig en in 't openbaar teisterden en

kastijdden. Beider doel is om daarna effect te maken; beiden zijn

zij veelal onmagtig om op een waardiger wijze dit doel te bereiken.

Gelukkig behoorden Polsbroekerwoud en zijne vrienden niet tot die soort

van reizigers. Zij besparen ons dus de moeite om hunne berigten met

die van geaccrediteerde _Guides_ te vergelijken. Niet één hunner liet

er zich aan gelegen liggen, toen zij Aken binnenreden, dat Ptolomæus

reeds van die stad, onder den naam van _Veterra_, melding maakt, dat de

Romeinen ze _Aquisgranum_ noemden, dat de Duitschers vroeger _Aach_ en

nu _Aachen_ zeggen, en de Hollanders _Aken_. Zij lieten er zich minder

meê in, dat Hendrik I de stad, door de Noormannen in 822 verwoest,

weêr opbouwde, en dat in 1224 het grootste gedeelte weêr afbrandde,

dan dat er actueel in de oude en nieuwe stad vele badgasten waren;

en het was sommigen hunner onverschilliger, dat Karel de Groote daar

waarschijnlijk in 742 geboren werd, dan dat Wilhelm Gorissen in 1837

een uitmuntend _Gastgeber_ in het _Hôtel de Charlemagne_ was. Men zou

zich evenwel vergissen, indien men daarom meende, dat zij ongevoelig

waren voor de interessante herinneringen; die zich aan Aken hechten. De

groote kerk werd reeds den eersten dag door hen bezocht, en alles,

wat daar den trots uitmaakt van de inwoners der keizerlijke stad,

werd met aandacht in oogenschouw genomen. Pols deed meer. Hij nam zelf

plaats in den marmeren stoel, waarin 36 vorsten gekroond waren; en

toen de vrienden den volgenden morgen naar Borcetti wandelden, merkte

Veervlug aan, dat aan dien zetel, sedert de kroning van Ferdinand I,

zeker nooit grooter eer was te beurt gevallen.

"Maar wat vertelde de koster toch met zoo veel opgewondenheid van

Napoleon?" vroeg Pols "Die man sprak zoo schielijk, en zulk raar

Hoogduitsch, dat ik hem niet best verstaan kon."

"Gij hadt misschien liever gehad, dat hij wat meer Neêrduitsch

had gesproken," grinnikte Veervlug. "Wel, de man vertelde, dat ook

Josephine eens in dien stoel had gezeten, en dat Napoleon er toen

naast stond."

"Zoo? was dat al?" zei Pols; "dat vind ik zoo interessant niet."

"Ik ook niet," viel Torteltak in. "Als ik niets anders van Napoleon

wist, dan wat ik door deze en dergelijke anekdoten gehoord heb, zou

ik hem even weinig voor een groot man houden, als ik dichters zou

bewonderen, die ik alleen uit nalezingen of nagelaten werken kende."

"Maar wat mooi is," riep Veervlug, "het grafschrift op Karel, midden

in de kerk, niets dan de woorden _Carolo Magno_. Dat is subliem."

"Ik vind het hoofd en den arm van den Keizer veel interessanter,"

zei Holstaff; "zoo als die daar onder de reliquiën bewaard worden,

vind ik er iets poëtisch in."

"Ja wel poëtisch," zei Veervlug, "om daar aan stukken en brokken

vertoond te worden."

"Weet ge wat beroerd is," zei de Morder, "dat die hatelijke Franschen

de mooije graftombe van Otto III vernield hebben; die had ik nu juist

zoo gaarne gezien. Nu schepen ze een mensch maar af met een platten

steen, waarop je van de _atavorum piëtas_ en de _funesta diës_ kunt

lezen. Dan zie ik liever in het geheel niets."

"Nog meer jammer vind ik het van de sarcophaag van Parisch marmer,"

zei Torteltak; "ik kan niet zeggen dat het Proserpina en de andere

dames flatteert, dat men ze de neuzen heeft afgeslagen."

"Maar wat zegt ge toch van den massief zilveren preêkstoel?" vroeg

Pols. "Jongens, dat is nog iets anders dan de preêkstoel van

Roelevaartjesveen. Die is, meen ik, van vurenhout, met greenhout

ingelegd."

"Hendrik II kon hem gemakkelijk geven," bromde de Morder; "hij heeft

hem nooit betaald."

"Dan vond hij hem vast onbetaalbaar mooi," grinnikte Veervlug.

"Wij hebben nog al veel interessants gezien," zei Torteltak; "maar

ik had ook nog dolgraag het instituut _St. Leonard_ bezocht, waar de

jonge dames van Aken hare educatie ontvangen. Ik vroeg gisteren avond

nog aan den kastelein, of daartoe geene gelegenheid was; maar hij kon

mij niet helpen. Hij wou mij wel een kaartje bezorgen voor dat van

_Joseph_, waar 200 oude mannen en vrouwen op kosten van den staat

onderhouden worden; maar dat heb ik nu ook maar tot eene volgende

gelegenheid uit gesteld."

Pols vond zulk een gesticht toch ook nog al interessant, en Veervlug

raadde hem daarom aan, het dien avond eens te gaan bezigtigen, als

hij met de andere vrienden naar de courzaal zou gaan.

Terwijl wandelden zij met veel genoegen door de lieve streken, die

de fabrieken en bronnen van Borcetti omgeven. Bij een der fonteinen

genaderd, bood eene vrouw hun een glas van het heilzaamste warme

bronwater aan.

"Wel ja, vrouwtje, laat ons eens proeven!" zei Pols.

Hij proefde; maar het effect, dat hij er van gevoelde, schrikte de

anderen af om zijn voorbeeld te volgen. "Nu heb ik nog nooit zoo

iets akeligs in mijn mond gehad," riep hij op benaauwden toon uit;

"mijn hart draait ervan in mijn lijf om."

"Dan is dit water vast heilzaam voor menschen, wien het hart verkeerd

geplaatst is," merkte Veervlug aan.

Een frissche teug minder heilzaam water bragt Pols weêr op streek. Men

zette de wandeling voort, en kwam langzamerhand in zeer naauwe en

lommerrijke lanen, waar weinig wandelaars gevonden werden. Op eens

vond Pols--die de vrienden gisteren van een bezoek in de courzaal

had teruggehouden, omdat het laat geworden was, maar nu wel inzag,

dat het dezen avond toch zoo ver komen zou--goed, om op ernstigen

toon tot hen te zeggen:

"Hoeveel genot smaken wij nu in de heerlijke natuur! Hier wordt

onze rust door niets gestoord. Maar hoe gansch anders zal het zijn,

als wij dezen avond in het woeste gedruisch van de courzaal zullen

wezen! Hoe..."

Een pistoolschot, dat niet ver van de plaats, waar zij zich bevonden,

gelost werd, stoorde Pols in zijne redenering. Hij liet dus de bedaarde

phrase, die met _hoe_ begon, varen, en riep op een eenigzins driftigen

toon: "Wat is dat?"

"Wij zijn hier zoo digt bij de Belgen," zei de Morder; "zou het ook

een verraderlijke inval zijn?"

"Een moord misschien, een gruwzame moord," fluisterde Holstaff.

"Of een Rotterdamsche _coup_" zei Veervlug.

Een tweede pistoolschot werd gehoord.

"'t Heeft al het air van een duël," merkte Torteltak aan; "'t is hier

voor zulke affaires eene uitmuntende gelegenheid."

"Maar zoo midden op den dag?" vroeg Pols.

"Misschien zijn het menschen, die niet matineus zijn," antwoordde

Eduard. "Maar ga voort; ge woudt iets zeggen van de courzaal."

Pols was evenwel door deze gebeurtenis geheel van zijn stuk

gebragt. Hij begreep, dat zijne uitmuntende inleiding, om tegen de

gevaren van het spel te waarschuwen, verloren was, en ging dus nu

maar niet voort. Hij had spoedig reden om zich hierover te verheugen,

toen hij twee menschen uit een zijlaantje zag te voorschijn komen,

hun te gemoet.

"Wat, gij hier?" riep Torteltak op eens, zich tot een der nieuw

aangekomenen spoedende: "moet ik mijn vriend Sindenton te Borcetti

ontmoeten?"

"En gij dan?" zei de ander, met warmte zijns vriends hand

drukkende. "Jongen, ik ben blij, dat je juist van daag hier

wandelt. Anders, je weet het, kom ik vóór het _diner_ nooit mijn

huis uit."

"En hoe dan juist nu?" vroeg Torteltak, deze ongewone wandeling van

zijn vriend in gedachte met de gehoorde pistoolschoten vereenigende.

"Ach ja!" zuchtte deze: "'t zou in mij nooit opkomen; maar ik had

eene kleine _affaire d'honneur_, en mijne partij en seconde hielden

beiden vol, dat zoo iets vóór het _diner_ moest afgeloopen zijn."

"En gij zijt er beiden wel afgekomen, niet waar?"

"O ja, redelijk wel. Partij heeft een klein stukje vleesch uit

zijn regterarm verloren. Dat behoeft hij nu al weêr niet meê te

dragen. Maar kom! laten wij voortgaan! Ginder staat mijn rijtuig. 't

Zal langzamerhand tijd worden voor het _dejeuner_."

"Je bent nog de oude Sindenton," glimlachte Torteltak. En hij had

gelijk. De Oosterling, die op zijn twaalfde jaar in Holland gekomen

was, om daar zijne educatie te ontvangen, en verder van zijn vrij

groot fortuin te gaan leven waar het hem goeddacht, had een paar

jaren te Leiden gestudeerd. Hij behoorde daar tot die studenten,

die het bejammeren, dat er aan eene Akademie eigenlijk zoo weinig

tijd tot werken kan gevonden worden. Gewoon om zeer op zijn gemak

te leven, laat op te staan en bedaard te ontbijten, had hij met

verontwaardiging de _Seriës Lectonum_ op zijde gelegd, toen hij daar

colleges ten 8 ure 's morgens geannonceerd zag; en daar hij bij nader

onderzoek gemerkt had, dat men niets meer van hem eischte, dan dat

hij dagelijks zes uren de lessen der hoogleeraren bijwoonde, had hij

het moedig besluit genomen, om zich nooit in eenig opzigt met een

professor in te laten. Het was hem dan toch ook physiek onmogelijk om

's morgens vroeg uit te gaan; want hij was in de handen gevallen van

den studenten-oppasser Gwoen, die, in dien tijd veel heeren hebbende,

nooit Sindentons kleêren kon schoonmaken vóór elf ure. Wijselijk

had hij zich dus naar de omstandigheden geschikt, en hij stond nooit

op voordat Gwoen kwartier vóór twaalven vroeg, of Mijnheew nog iets

vewdews te belasten had, en hem tevens meêdeelde dat de Juffwouw het

theewatew had bovengebwagt. Ten drie ure was hij volkomen gekleed,

om op de Mare te gaan eten, en bestelde gewoonlijk met een paar

vrienden, terwijl hij _after dinner_ zijne Manilla-cigaar aanstak,

eene koets, om hem naar _de Pauw_ te rijden, waar hij een kwartiertje

naar het biljartspelen keek, totdat de oude Frans hem kwam zeggen:

"De whisttafel is klaar, goede Heer!" en hem tevens een snuifje

aanbood, constant op de inscriptie van zijne doos wijzende: "_aber

nicht zu viel_". Na een paar robbers whist gespeeld te hebben, nam

hij sommige vrienden met zich mede, of vereenigde zich 's avonds op

de societeit met eenige _flaneurs_ (schoon zijn schoenmaker onder eede

zou kunnen verklaren, dat Sinderton nooit tot dat gild behoord heeft),

en kwam gewoonlijk 's nachts tusschen 2 en 3 ure op zijne kamers op

de Breedestraat. Zijne lamp stond dan op zijn bedtafeltje te branden,

en de boeken van den dag werden 's nachts _in pace_ door hem in zijn

ruim ledekant gelezen, totdat hij zijne derde cigaar in rook en asch

gemetamorphoseerd had. Daar was niets, dan eene nieuwe opera in

de Haagsche komedie, of een bijzonder feest te Scheveningen of in

den Haarlemmerhout, dat hem van deze geregelde levenswijs in iets

deed afwijken; totdat hij ruim drie jaren vóór deze ontmoeting met

Torteltak, daar zijne hospita gestorven was, en hij tegen den last

van nieuwe kamers te huren opzag, naar Frankfort was vertrokken,

omdat hij hoorde, dat men in het logement _de Zwaan_ aldaar zoo

goed als te huis was. Sedert had Torteltak niets van hem gehoord;

want brievenschrijven was hem veel te werkelijk en omslagtig.

"Maar zeg me nu toch," ging Torteltak voort, "hoe kom je nu te Aken? Ik

zou je nog altijd in Frankfort gezocht hebben."

"Ja, man! dat is een heele geschiedenis. Wij zullen eens een verschen

dag moeten nemen, om dat alles op te halen Ik dien nu met mijn

antagonist te gaan ontbijten."

"Maar nog iets! Hoe kom jij tot duëlleeren? Ben je zoo'n ruziemaker

geworden?"

"Ach neen! ik niet. Maar die mijnheer had goedgevonden mijne vrouw

te beleedigen."

"Je vrouw, Sinderton? Hemel! ben jij getrouwd? _Omnia jam fient_."

"Ach ja, getrouwd, al bijna drie jaren, en daar is al een stamhouder

ook. O, man! ik heb zoo veel onrust gehad! Doch ik heb een lief, kalm

wijfje; maar eer ik ze had, een schaakhistorie enz. Ik word moê, als

ik er om denk. Kom van avond in de courzaal, dan zal ik je aan Mevrouw

Sindenton voorstellen. Morgen moet je den heelen dag bij ons komen."

Zij waren bij het rijtuig van Sindenton gekomen, en deze vertrok met

zijnen seconde, een blond, ovaal Duitscher; en daar de duëllisten op

hetzelfde uur dejeuneerden, als de publieke tafel in het _Hôtel de

Charlemagne_ begon, begaven onze vrienden zich naar het etablissement

Gorissen.

Na het _diner_ besloten zij de omstreken van Aken aan de noordzijde in

oogenschouw te nemen, en na veel wandelens en klimmens kwamen zij op

den top van den Louisberg. Het uitzigt van dat punt is ruim en zeer

mooi. Men ziet langs de oude muren der Romeinen, over het vervallen

gedeelte van Aken, op de witte gebouwen der nieuwe straten; daarachter

verheft zich het boschachtig gedeelte aan de zijde van Borcetti,

en meer regtsaf ziet men vruchtbare akkers en elegante buitenplaatsen.

"Verrukkelijk schoon, verrukkelijk!" riep Veervlug, nog buiten adem

van het klimmen.

"'t Is waarlijk charmant," zei Pols. "Laat me eens zien! aan dien

kant zoo wat moet ge ons logement hebben. Maar ziet ge wel voor ons,

hoe oud en vervallen die huizen zijn?"

"Dat zijn de hutten der armoede," zei Holstaff; "daar wordt geschreid,

terwijl ginds alles gejuich is. Daar lijden menschen broodsgebrek,

en hunne medemenschen, in de woningen der weelde, verkwisten hunne

schatten op het groene laken. Hunne angstkreten worden verdoofd door

de toonen der verwilderende muziek. Maar ik hoor u, ik beklaag u,

ongelukkigen! geen uwer jammerklagten gaat voor mij verloren."

"Wilt gij satisfactie hebben van uw medelijden," viel Torteltak in,

"daal dan den berg af, en ga in de achterbuurten zelve huilen. De

menschen kunnen van beneden je benaauwde gezigt niet zien. Maar

wil je ze nog meer plaisir doen dan met medelijden, vergeet dan je

Pruissische _Thalers_ niet."

"IJskoude spotter!" mompelde Holstaff.

"'t Is toch waarachtig een ijselijkheid!" riep de Morder uit:

"dit uitzigt zou zoo heerlijk mooi kunnen wezen, als er maar eene

fatsoenlijke rivier door die velden heenliep; maar ja wel! daar is

naauwelijks een slootje. Wat doet die Maas zoo ver _regts_ en die Rijn

zoo ver _links_ te liggen? Ze konden de laatste althans wel missen,

een beetje hooger op, tusschen Nijmegen en Dusseldorp. Ik moet ronduit

zeggen, dat ik het beroerd vind."

"O zie eens beneden u!" zei Torteltak tot Veervlug, op een tooneeltje

wijzende, omtrent vijftig voeten lager dan zij stonden, op eene kleine

vlakte, aan de helling van den Louisberg: "benijdt ge het lot van

dien man niet?"

Het tooneeltje, waarop Torteltak doelde, was waarlijk lief, en de

man, op wien hij wees, benijdenswaardig. Hij lag daar, op den warmen

zomermiddag, heel gemakkelijk uitgestrekt, en aan zijne zijde zat in

het gras een jong vrouwtje, een lief, rond Duitsch gezigtje, open en

vrolijk, met heldere oogen en een blank _teint_; de mond niet Duitsch

groot, waaruit scheen te blijken, dat zij van het woordje _aber_

niet dan een spaarzaam gebruik maakte. Tusschen hen speelde een

kind, dat omtrent twee jaren oud scheen, een blond krullebolletje,

blootshoofds, Engelsch gekleed, alleen met een kort jurkje en een

paar sokjes aan, in het kostuum, dat sommige Hollandsche dames

goed noemen om de kinderen te vermoorden. Indien men de liefde en

teêrheid van deze jonge moeder naar het warm kleeden moest afmeten,

dan was zij een paar wollen en en een paar katoenen kousjes, een

roodbaaijen luur en een wollen broekje, een dikken halsdoek en twee

mutjes te weinig lief en teêr voor haar kind. Daar waren evenwel

geene warmte-beminnende moeder present, en onze vrienden konden

zich dus in dit gezigt verlustigen, zonder voor kindermoord bang te

wezen. De kleine klom tegen papa op, die zijn gezigt achter zijne

handen verborg, en trok die handen met zijne teedere vingertjes weg,

om, zoodra het hem gelukt was, schaterende van lagchen het lieve kopje

aan mama's boezem te verbergen. Dit spel, honderdmaal herhaald, scheen

het jongske nooit te zullen vervelen. Hij wisselde het alleen af, met

zich door mama te laten liefkozen en die liefkozingen aan papa over te

brengen, en wederkeerig de kusjes, die hij van zijnen vader ontving,

op moeders blanken hals en blozende wangen te drukken. De teedere

blikken, die de ouders elkander toewierpen, schenen te getuigen,

dat ook zij in dat spelen geen verdriet hadden.

Torteltak was door dit tooneeltje zeer getroffen. Ambrosine was

hem levendig voor den geest, en het kostte hem zoo weinig moeite,

deze _scène_, althans in gedachten, over te brengen. Maar toch het

gezigt alleen had een alleraangenaamst effect op hem. Hij gevoelde

zich hier gelukkiger, dan hij ooit in het elegantste kostuum op het

schitterendste bal geweest was.

Ook Veervlug raakte opgewonden, en zou bijna door een luiden kreet

alles verstoord hebben. Torteltak wenkte hem te zwijgen, en hij

fluisterde dus zoo zacht mogelijk: "Wij moeten den _Louisberg_

voortaan _Liefdesberg_ noemen."

Pols vond het waarlijk charmant, maar vreesde toch heusch wel een

beetje, dat het kindje koû zou vatten. Het heugde hem wel niet, maar

toch hij wist zoo goed, dat Moeder Polsbroekerwoud hem in der tijd

zoo warmpjes had ingebakerd.

Holstaff keek nog steeds naar de vervallen buurten, en droomde

zich aan de zijde van eene stervende moeder, op eene handvol half

verteerd stroo.

De Morder kon niet nalaten te zeggen: "'t Zou mij verwonderen, indien

die menschen getrouwd waren."

Torteltak zag hem verontwaardigd aan, en nog meer, toen hij, een

oog naar beneden slaande, in den gelukkigen jongen man zijnen vriend

Sinderton herkende.

Deze merkte evenwel volstrekt niet, dat men zijn geluk bespiedde. Daar

zijn oogenblikken voor sommigen, waarin zij zich zoo zalig gevoelen,

dat zij op de wereld, die om hen is, geen acht geven; en slaan zij

dan soms een blik naar boven, dan staart het oog naar hooger punt,

dan den top van den Louisberg.

"Mijn vriend Torteltak uit Holland, Elise!" zei 's avonds in de

courzaal Sindenton tot zijne gade, terwijl hij haar. den jongeling

voorstelde.

"Het is mij aangenaam een vriend van mijn echtgenoot te ontmoeten,"

antwoordde Mevrouw Sindenton, hare hand vriendelijk aan Torteltak

toereikende.

Deze had hierop met Jean-Paul kunnen zeggen, dat niets verrukkelijker

is, dan de lieflijkheid, waarmede eene goede huisvrouw den vriend

haars mans behandelt; maar hij vond deze introductie niet gepast,

en hield niet bijzonder veel van boekenphrases in het dagelijksch

leven te gebruiken.

"Ik heb u heden reeds zamen gezien, zonder gezien te worden," zei hij.

"Hadt gij dan den ring van Gyges wedergevonden?" vroeg Sindenton

lagchende.

"De Hemel beware mij!" antwoordde Torteltak; "ik was op den Louisberg

heel boven, en zag u van daar met uw allerliefst kind."

"Ja," zei Sindenton, "dat is een best plaatsje, om het na den eten

wat af te leggen; dat bevalt mij eigenlijk nog beter dan het whisten

in _de Paauw_."

"Niet waar, wij hebben een lief kind?" vroeg Mevrouw Sindenton;

"het maakt ons beiden regt gelukkig." En zij zag haren man aan met

een blik, misschien wat al te teeder voor getrouwden in het publiek.

"Kom, ik ga een uurtje dobbelen," zei Sindenton; "ik zie daar nog

net een plaatsje leêg. Maak gij terwijl kennis met mijne vrouw."

Torteltak wandelde met Mevrouw eenige malen de zaal op en neder, en

plaatste zich daarna met haar bij een der balkons. Zij geraakten in

een druk gesprek, en de jongeling werd meer en meer in het denkbeeld

versterkt, dat Sindenton zijn geksten _coup_ niet gedaan had, toen

hij een wettig huwelijk aanging.

"_Messieurs, faites le jeu!_" klonk de eentoonige stem van den

bankier. Eenige _drittels_ en _thalers_ werden op nommers en kleuren

gezet.

"_Le jeu est fait_."--Eenige goudstukken werden aan de genade van

het lot prijsgegeven.--"_Rien ne va plus!_" En het balletje rustte

van zijne omwandeling op een bepaald nommer uit.

"_Trente et un_--_Impair_--_Rouge_--_Passe!_"--Eenige _drittels_

werden uitbetaald, eenige _louis d'or_ door de schopjes der _croupiers_

weggehaald.

De vier vrienden, die niet met dames wandelden, tot groote ergernis

van De Morder, stonden in het midden der zaal, met die uitdrukking

op het gelaat, die ieder _habitué_ bekend maakte, dat zij voor het

eerst op dusdanige plaats present waren. Polsbroekerwoud was met

huivering de trappen opgeklommen, en had met angst zijn hoed aan de

deur afgegeven, toen zij er toch toe kwamen, om "de verderfelijke

spelonk der menschelijke boosheid" in te treden. Nu had hij zich

een vreeselijk rumoer voorgesteld: hij had gedacht op aller gelaat

afgrijselijke passies te zien uitgedrukt, verwenschingen te hooren,

desolate _scènes_ te aanschouwen tusschen half geruïneerde heeren

en hunne echtgenooten, en wat dies meer zij. Maar niets van dit

alles. Kalme rust en stilte heerschten in de geheele zaal. Hij

vernam geen geluid, behalve het gefluister van heeren, die dames

courtiseerden; het zachte lagchen van meisjes, die elkander op ridicule

toiletten opmerkzaam maakten; het eenigszins luider spreken om attentie

te trekken, van mama's, die misschien wat heel veel dochters hadden;

en het gegrinnik van oude zondaars, die eene nieuwe _beauté_ zagen,

aan welke zij den vereerenden naam van "een lekker boutje" gaven. Aan

de speeltafel niets van woede--want het valt aan weinigen te beurt,

die woedende spelers aan te treffen; geene enorme verliezen--want

zelden zijn de wanhopige Engelschen en verkwistende Franschen,

die hun geheel fortuin wagen, te vinden. Een enkele _louis d'or_

of _sovereign_ werd gezien, maar verscholen tusschen _thalers_

en _drittels_; het zachte eentoonige "_Messieurs, faites le jeu!_"

scheen eer in staat te wezen alle passies te dooden, dan ze op te

wekken. De spijt, die hij gevoelde, voordat hij binnenkwam, dat hij

verhinderd was geworden zijne vrienden eenige raadgevingen tegen de

speelwoede te geven, verminderde allengs zeer. Maar toch, toen hij

Veervlug, die de eerste aan de groene tafel genaderd was, in drie

keeren een geheelen _thaler_ zag verliezen, zag hij in, dat men met

klein spel, indien men lang aanhoudt, toch ook veel verliezen kan,

vooral indien men maar matig van geld voorzien is, en begreep hij het

best te zullen doen, indien hij op al de vrienden een weinig het oog

hield. De Morder waagde twee _drittels_--hij won. "'t Is wel raar,"

zeide hij, "dat ik winnen moet." Hij won vijf keeren achtereen:

bij de zesde gelegenheid waagde hij een _thaler_--hij verloor. "'t

Is waarachtig een ijselijkheid," zei hij tegen Pols: "juist nu ik

eens winnen wou, gaat mijn _thaler_ weg. Die heele bankiersboel is

allemaal dievenpak. Ik doe niet meer meê." En morrende en grommende

stak hij de drie gewonnen _thalers_ op, en begon al de spelers, die

zich lieten bedriegen, in zijne ziel te verachten. Nu keek hij de zaal

rond, en ergerde zich doodelijk, dat Torteltak alweêr met een mooi

vrouwtje zat te praten, en dat hij ook nooit zulk een avontuurtje

had; en Pols kon hem in deze maar volstrekt niet troosten, schoon

hij hem herinnerde, dat Torteltak nu toch maar met de vrouw van een

vriend sprak, en bij die gelegenheid omtrent Mevrouw Sindenton den

gedistingueerden term van "verkochte waar" bezigde.--Holstaff kon

niet besluiten zijn geld voor den dag te brengen. Hij vond reizen al

duur genoeg, om nu ook nog extra speelgeld te betalen. Dan gaf hij

het nog liever aan eene hongerige, arme ziel. Het liefst van allen

scheen hij het eigenlijk in zijne beurs te houden; want toen hij

's avonds de courzaal verliet, ging hij verscheiden armen voorbij,

zonder dat het in hem opkwam om milddadig te wezen.

Toen Sindenton een uurtje gespeeld had, stond hij op, en animeerde

zijne vrouw en Torteltak om ook iets op te zetten. Zij deden dat

met diezelfde onverschilligheid, waarmee Sindenton dagelijks eene

kleine som waagde. Men liep nog een weinig in de zaal op en neder,

en Torteltak, die den volgenden dag niet aan de uitnoodiging van zijn

ouden vriend kon voldoen, daar hij 's morgens vroeg Aken reeds weêr

verliet, ging nu met hem mede, om nog eens van oude tijden te spreken,

en iets meer van zijne avonturen na hunne scheiding te vernemen. Een

weinig later namen ook de andere vrienden afscheid van de courzaal,

en trokken naar hun hotel.

Toen zij zich den volgenden morgen aan het ontbijt vereenigden, zeide

Torteltak, dat de geschiedenis van Sindenton, na zijn vertrek uit

Leyden, zeer interessant was, en vooral de wijze, waarop hij zijne

vrouw gekregen had. Hij zou het hun later in een verloren uurtje wel

eens meêdeelen, maar kon dit nu niet doen, omdat de diligence, die

hen naar Keulen zou overbrengen, op het punt stond om te vertrekken.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 10 / 43 题