HOOFDSTUK V.

Het verhaal van den Heer Korenaar, dat misschien nog met de

verdere reisavonturen van Polsbroekerwoud en zijne vrienden in

verband zal staan.

"Het kan wonderlijk in de wereld loopen. Ik zat in het jaar 1800 op

den 10den November op mijn kantoor. Ik weet den juisten datum nog

zoo, omdat het de dag was na dien fameusen storm, daar de Heeren wel

van zullen gehoord hebben. Het was de hevigste orkaan, dien ik ooit

bijgewoond heb. Men wil nu wel zeggen, dat die van den 29en November

verleden jaar even erg geweest is; maar, gelooft mij, die was maar

een kind bij den vorigen. Alle menschen van jaren zullen dit met

mij eens wezen; maar de jonge lieden willen tegenwoordig alles net

zoo goed en misschien beter kennen dan menschen van jaren. Nu, dat

daargelaten.--Ik zat op mijn kantoor in mijne zaken, en zag juist eene

lijst na van goederen, die ik uit de Oost ontvangen had, toen een jong

mensch van omtrent twintig jaren mij verlangde te spreken. Ik dacht

natuurlijk dat het over zaken was, en zond hem mijn boekhouder in het

spreekkantoortje; maar deze kwam spoedig terug, en overhandigde mij

een brief van den Heer Darmold, een correspondent uit Marseille, die

mij dringend verzocht zijnen zoon, den overbrenger van dezen brief,

gedurende zijn verblijf in Holland eenig genoegen te verschaffen,

en zoo veel mogelijk verstrooijing te geven. Hij had, schreef mijn

correspondent mij verder, een paar jaar gestudeerd, maar was door

treurige lotgevallen in eene diepe melancholie vervallen, en deed nu,

op raad der geneesheeren, een reisje door Europa. Ik verzocht dadelijk

den jongen mensch bij mij op mijn kantoor, en zeide, dat het mij

genoegen zou wezen, indien hij straks met mij naar huis wilde gaan;

doch daar ik nog eerst eenige zaken in orde te brengen had, gaf ik

hem intusschen de cargalijsten en scheepstijdingen, om eens in te

zien. Ik vervolgde mijne werkzaamheden, maar bemerkte spoedig, dat

hij zich weinig met de lectuur bezig hield, en begreep dus, dat hij

een zwaar verdriet moest hebben: waar het hem evenwel haperde, wist

ik toen nog niet; maar later, toen hij eenige dagen bij mij geweest

was, ontdekte ik, dat het iets betreffende zijn hart was. Ik wil

wel bekennen, dat ik bij de ontdekking niet regt wist, hoe daarmeê

te handelen; want ik heb mij in mijn leven meer op de kennis der

koloniale waren, dan op die van het menschelijk hart toegelegd. Maar

daar zijn oude Heer mij verzocht had hem veel verstrooijing te geven,

deed ik wat in mijn vermogen was: ik wandelde eens met hem naar de

Plantage, deed ook een tourtje naar het Overmaassche, en liet hem

de werf zien. Dit alles scheen evenwel zijne treurigheid niet te

verminderen; hij kon uren lang zitten, zonder een woord te spreken;

en als ik hem dan zeide, dat hij zoo niet in zichzelven gekeerd moest

wezen, glimlachte hij wel, maar hij bleef dezelfde. Ik raadde hem aan,

om niet meer zoo melancholiek te wezen en zich over de zaken heen te

zetten, daar alle dingen toch te regt komen, en bragt hem voorbeelden

bij van twee speculatiën, die mij mislukt waren, maar die ik naderhand

toch gelukkig geredresseerd had. Alles vergeefs.--Ik was zelf toen nog

jong en ongetrouwd, en dus nog heel vrolijk; al mijne vrienden waren

opgeruimde menschen, en wij bragten dikwijls de avonden met elkander

door onder een glaasje wijn en een potje commerce; maar ook hierin

scheen Darmold geen genoegen te vinden. Zoo zal hij omtrent zes weken

bij mij in Rotterdam geweest zijn, toen hij hoorde, dat er een schip,

waarin ik aandeel had, naar Oost Indië zeilreê lag. Hij verzocht mij,

hem in de gelegenheid te stellen, met dat schip de reis te maken. Ik

vroeg hem in het eerst wel, of hij gek was; hoe hij het verzon,

om zoo in éénen naar de Oost te gaan. Ik ried hem, om dit plan nog

eens een jaartje te wikken en te wegen, en het _pro_ en _contra_

in aanmerking te nemen. Ik zeide hem, dat ik niet kon permitteren,

dat zulke dollemanscoupen op een schip van mij gebeurden. Maar de

man bleef onverzettelijk; hij sloeg mijn goeden raad in den wind, en

daar zijn vader hem onbepaalde credietbrieven had meêgegeven, en hem

in alles vrijgelaten had, moest ik wel aan zijn verlangen voldoen:

ik bezorgde alles voor zijne uitrusting, en weinige dagen later was

hij op reis.

"De reis naar Oost-Indië was in dien tijd eene belangrijke onderneming,

en duurde verscheiden maanden. Tegenwoordig, nu men stoombooten heeft,

die evenwel nog niet op de Oost varen, doet men den overtogt veel

spoediger. Gij kunt dus begrijpen, hoe verwonderd ik was, toen ik vier

weken later mijn gewezen _logé_ weêr voor mij zag staan, ten minste

zoo ik meende; schoon ik spoedig vernam, dat niet hij het was, maar

zijn tweelingbroeder, die sprekend op hem geleek. Een van de eerste

vragen, die deze mij deed, was, waar zijn broeder was. Ik antwoordde:

"Aan boord van de _Johanna Maria_, op reis naar Oost-Indië," en terwijl

ik de zeetijdingen nakeek, voegde ik er bij: "gepraaid in de Noordzee,

den 15den November." Ik bemerkte spoedig, dat deze tijding aan den

broeder niet beviel; althans hij riep met droefheid uit: "Hemel! dus

toch te laat! Alles te vergeefs!" Ik begreep in den beginne niets van

deze uitroepingen; maar naderhand zag ik de zaak beter in, toen mijn

nieuwe bekende mij het volgende meêdeelde.

"In de stad H****, waar de jonge Darmold studeerde, woonde de familie

Pereaux, die door het geven van _diners_ en bals, vooral bij de

studerende jongelieden, in groot aanzien was. De Heer des huizes was

eigenlijk een slecht echtgenoot, en nog al heel los; maar daar hij rijk

en gastvrij was, zag men bij hem veel door de vingers. Onder de Heeren,

die zijn huis frequenteerden, bevond zich ook Darmold, die, stil en

ingetogen levende, minder spoedig het hart van den Heer Pereaux won,

dan dat van zijne echtgenoot en zeventienjarige dochter. Hij scheen

evenwel met zijn succes van dien kant tevreden, en benijdde degenen,

die hoog bij Mijnheer stonden aangeschreven, hunne plaats niet. Het zou

evenwel wenschelijk voor hem geweest zijn, indien Mijnheer Pereaux,

hoe los hij dan ook was, hem minder als een houten Klaas beschouwd

had; want toen Emma hem reeds hare liefde geschonken had, en hij bij

het verzoek om hare hand grooten steun in hare Mama vond, weigerde

Mijnheer volstrekt iets daarvan te willen hooren, en protegeerde een

medeminnaar, een jong officier, op wiens moreel misschien wel wat was

aan te merken; maar Mijnheer Pereaux zeide, op zijn eigen voorbeeld

wijzende, dat zulke menschen doorgaans de beste echtgenooten worden;

iets dat, evenwel zijn brave vrouw door de ondervinding geheel anders

geleerd had.

"Emma, die den officier om zijne losheid verachtte, en nu eenmaal

haar hart op Darmold gesteld had, verzette zich in den beginne wel

wat sterker, dan eene dochter tegenover haren vader betaamt, tegen

zijn gevoelen, maar later wendde zij het over eenen anderen boeg,

en wist hem door tranen en smeekingen zoo ver te brengen, dat hij

eindelijk zijne toestemming gaf, indien zij dan toch volstrekt hare

dagen in verveling wilde doorbrengen.

"De jonge Darmold was evenwel volstrekt geen vervelend mensch. Toen

hij bij mij was, vond ik hem wel stil; maar hij was toen ook in zulke

bedroefde omstandigheden en zijn broeder heeft mij verteld, dat hij

vroeger altijd vrolijk en heel aardig was; maar daar hij zich heel

weinig met de losbollen inliet, hielden deze hem voor een flaauwen

jongen, en vooral de vrienden van den officier vatteden haat tegen

hem op, toen hij Emma toch eindelijk kreeg. Hierdoor verbitterd,

rustten zij niet, voordat zij zijn ongeluk bewerkt hadden, en zij

schaamden zich niet daartoe de schandelijkste middelen te gebruiken.

"Darmold miste op zekeren dag den ring, dien hij van zijne Emma

ontvangen had, en toen hij, zich hierdoor ongelukkig gevoelende,

op den gewonen tijd zijne bruid wilde bezoeken, werd hij aan de

deur afgewezen. De ring was aan den Heer Pereaux overhandigd, en een

relaas, daarbij gevoegd, schijnbaar met onwedersprekelijke bewijzen

gestaafd, overtuigde dezen, en deed zelfs zijne huisgenooten vreezen,

dat Darmold een verachtelijke huichelaar was. Vergeefs trachtte hij

zich te verontschuldigen. De Heer Pereaux wilde hem niet meer zien,

en zelfs zijne brieven werden hem ongeopend teruggezonden. Zijn

engagement met Emma was onherroepelijk verbroken.

"De arme jongeling kwam te Marseille bij zijne familie terug, en

werd door eene hevige ziekte aangetast, en schoon hij daarvan ook

genezen was, het ongeluk deed hem in zulk eene melancholie vervallen,

dat men voor zijn verstand begon te vreezen; voornamelijk toen hij

eenige maanden later hoorde, dat Emma weldra aan den officier Duchamps

zou verloofd zijn. In dien toestand liet zijn vader hem, op raad der

doctoren, eene reis ondernemen, en zoo kwam hij bij mij in Holland.

"In dien tusschentijd werd de toestand van Mevrouw Pereaux, die reeds

sedert eenige jaren aan eene gevaarlijke kwaal leed, zeer bedenkelijk,

en de uitspraak der faculteit was, dat zij slechts weinige maanden

meer te leven had. Toen zij nu haar einde voelde naderen, woog haar

het lot van Emma zwaar op het hart, en daar het engagement met den

officier nog zoo ver niet gevorderd was, als de geruchten verspreidden,

deed zij nog eene poging om haren echtgenoot tot betere gedachten

omtrent Darmold te brengen, en eischte, als een laatste bede, dat

deze zich ten minste zou mogen verantwoorden. Mijnheer Pereaux, wien

zijn geweten misschien veel verweet omtrent de vrouw, die hij weldra

zou verliezen, durfde haar deze bede niet weigeren, en de broeder

van Darmold, van dit besluit onderrigt, spoedde zich naar Holland,

waar hij dezen nog meende te vinden.

"Toen hij mij deze omstandigheden had meêgedeeld, begreep ik zeer

goed, waarom mijn berigt omtrent de ondernomen reis naar Oost-Indië

hem niet bijzonder aangenaam getroffen had. Ik trachtte hem evenwel

zoo goed mogelijk te troosten, daar de zaak nu eenmaal zoo en niet

anders was, schoon het geval ook mij waarlijk leed deed. Het bleek

nu evenwel van achteren, dat ik gelijk had gehad, toen ik Darmold's

coup, om zoo in éénen naar de Oost te gaan, dollemanswerk genoemd had,

schoon ik ook van al deze omstandigheden niets wist.

"Twee maanden later kreeg ik van den ouden Heer Darmold berigt,

dat Mevrouw Pereaux overleden was, en toen ik weinig tijds daarna

eene bezending goederen uit Marseille ontving, meldde hij mij in

een post-scriptum, dat Mijnheer de belofte aan zijne stervende vrouw

vergeten had, en dat Emma spoedig met den Heer Duchamps in den echt

zou treden. Hij had deze tijding ook aan zijn zoon gezonden, die op

een vroegeren brief misschien zou zijn teruggekeerd, en die bij zijn

_retour_ door deze nieuwe teleurstelling misschien tot wanhoop zou

geraakt zijn.

"Ik had in geen twintig jaar iets meer van deze menschen gehoord, ja

het was bijna eenentwintig jaren geleden, want de oude Heer Darmold

was gestorven en ik had een anderen correspondent te Marseille; ik

was in dien tusschentijd getrouwd en had drie kindertjes in leven,

behalve die al gestorven waren; net die kinderen, die ik nu nog heb,

en waarvan uwé mijne dochter Ambrosine gezien heeft, die toen nog maar

drie jaren oud was; toen in den zomer van 1821 een tamelijk bejaard

Heer bij mij op het kantoor komt, en tot mij zegt: 'Ik zal misschien

niet meer bij u bekend zijn.'

"'Dat ik ten minste weet, niet,' gaf ik hem ten antwoord. 'Wie heb

ik eigenlijk 't plaisir te zien?'

"'Ik ben Darmold,' zeide hij: 'ik heb nu twintig jaren geleden van

uwe gastvrijheid geprofiteerd, en kom nu uit de Oost terug.'

"'Darmold?' zeg ik: 'heden, je bent veranderd; maar 't is ook al een

heele tijd, dat wij malkaâr niet gezien hebben. Wel ja, ik heb je

toen nog naar het schip gebragt. Jammer maar, dat je toen toch die

reis niet een jaartje uitgesteld hadt.'

"'Ach ja!' zeide hij; 'maar hierover wel nader. Ik moet hier twee

dagen blijven om mijne bagage, en reis dan verder naar Pyrmont.'

"'Ja, en de oude Heer is ook zoo dood in dien tijd,' zeide ik.

"'Dat is nu al achttien jaar geleden,' antwoordde hij. Ik had juist

mijn correspondentieboek voor mij, en keek het eens na: het was

achttien jaren en vijf maanden.

"'En die Jufvrouw is toen, meen ik, getrouwd,' mogt ik zoo zeggen.

"'En nu weduwe!' zei hij. 'Zij is twintig jaren ongelukkig geweest.'

"'Dat is een heele tijd!' zei ik. 'Ik ben nu zeven jaren gehuwd; maar

mijne vrouw is wat jonger dan ik. Ik zal u bij haar brengen. Gij zult

onze gast wezen.'

"Hij nam mijne invitatie aan, en beviel mijne vrouw en mij bijzonder

wel, schoon hij nog altijd stil was; en toen hij twee dagen later

vertrok, noodigden wij hem uit, om zijn bezoek eens te hervatten.

"Hij beloofde dit, en hield ook zijn woord. Maar hij wachtte weêr

zestien jaren. In dien tusschentijd, vernam ik, was hij naar Pyrmont

gereisd, waar Mevrouw de weduwe Duchamps woonde, welke daar eenige

maanden met haren ziekelijken echtgenoot had doorgebragt, en hem daar

ook verloren had. Zij was in haar huwelijk zeer ongelukkig geweest,

en had alle hare kinderen verloren, behalve een meisje, dat nog maar

twee jaren oud was, toen haar vader stierf.

"Darmold kwam bij zijne oude geliefde aan, en schoon de tijd hen beiden

eenigszins veranderd had, herkenden zij elkander nog zeer goed; hij

drong bij haar op eene verbindtenis aan, en zij gaf twee jaren na den

dood van haren echtgenoot hare toestemming. Zoo zouden die menschen,

na meer dan twintig jaren tegenspoeds, malkaâr waarlijk nog haast

gekregen hebben; maar het scheen zoo niet te mogen wezen. De vrouw

gevoelde zich voor het eerst van haar leven gelukkig; maar dit was

ook haar veeg teeken. Zij werd door eene hevige ziekte aangetast, en

weinige dagen voordat het huwelijk zou voltrokken worden stierf zij,

haar eenige dochtertje aan de zorgen van Darmold aanbevelende."

"Ik moet zeggen, dat hij aan zijne belofte trouw voldaan heeft: hij

heeft Emma nooit verlaten; maar zoo als die Oost-Indienaars zijn,

hij scheen nergens rust te hebben. Hij heeft zestien jaren lang geheel

Europa doorkruist, en nu eens een winter in dit land, dan weder in dat,

doorgebragt. Maar hij heeft eene beste opvoeding aan zijn aangenomen

dochtertje gegeven, en ik weet niet hoeveel talen het meisje spreekt."

"Mijnheer!" zeide de knecht, binnenkomende, tot Mijnheer Korenaar;

"Mevrouw wacht u boven."

"Ja, ik kom," antwoordde deze, opstaande. "Nog een woordje,

Mijnheeren! Zoo als ik zeide, Darmold heeft mij nog eens opgezocht,

en hoe de dingen raar kunnen loopen! Hij kwam nu in 't voorjaar

uit London terug, en heeft zes weken bij ons gelogeerd. In dien

tusschentijd heeft mijn oudste zoon, die in mijne zaken is, en die, nu

ik van huis ben, alles alleen waarneemt, de jonge Emma leeren kennen,

en de jongeluidjes zijn malkaâr goed bevallen. Ik had er niets tegen,

want zij zal wel een goed stuivertje meêbrengen; en de oude Heer

Darmold is van idee, dat men jonge menschen in hunne inclinatiën niet

moet tegengaan. Dus die twee zullen, als alles wel loopt, aanstaande

Mei een paar worden. Darmold is nu nog met haar naar Italië, en zal

binnen zes weken over Zwitserland terugkeeren. Misschien ontmoeten de

Heeren hem nog wel; doet hem in dat geval mijn compliment, en in het

bijzonder ook aan het lieve Emmaatje.--Goeden nacht, Mijnheeren! Goede

reis en gezondheid!"

De noodige handdrukkingen, buigingen, en afscheidstermen werden

gewisseld, en ook onze reizigers verlieten weldra, tot vreugde der

_Kellners_, de groote zaal.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 9 / 43 题