Verblijf der reizigers te Kleef.--Zij maken kennis met interessante
landgenooten en naburen, spreken over menschen en zaken in gebonden
en ongebonden stijl, en bereiden zich voor, te worden vergast op
een verhaal van den ouden Heer Korenaar.
Het nachtelijk avontuur te Nijmegen behoorde voor onze reizigers
niet tot de vermakelijkste ontmoetingen; maar hen daarom ongelukkig
te noemen, zoo als sommigen hunner zich verbeeldden te zijn, is
misschien een weinig roekeloos omspringen met een term, die op vele
omstandigheden des menschelijken levens met meer regt kan worden
toegepast. Het is wel onaangenaam, als men meer geld dan gewoonlijk
besteedt, om 's nachts behoorlijk te kunnen slapen, die duurgekochte
rust te moeten opofferen, om niet misschien levend te verbranden; maar
moet men zulke brandtooneelen in een belendend huis zien opvoeren,
dan heeft dat in een logement dit voor, dat men zich gemakkelijker en
zonder veel schade kan verwijderen, terwijl iemand, die onder dezelfde
omstandigheden rustig zijn eigen huis in zijne eigene stad bewoont,
doorgaans te veel wil redden, en zich daardoor aan aanmerkelijke schade
blootstelt. En daarenboven vertrekt een reiziger den volgenden morgen,
zonder dat hij lang aanschouwer behoeft te zijn van de treurige ruïnes
en, wat bijna even erg is, toehoorder bij de menigvuldige verhalen, die
nog wel een week na het ongeluk moeten uitgestort worden. Hij behoeft
niet te vernemen, dat zijn goede kennis A bijna door een brandspuit
overreden is, dat het bij B maar een duim breed gescheeld had, of
hij was door een gloeijenden balk verpletterd; dat C brandgaatjes in
zijn zwarten rok meent te ontdekken, schoon hij in zijn bruinen jas
bij de vuurscène tegenwoordig was. Hij behoeft zijne deelneming niet
te betuigen, wanneer zijne zenuwachtige vriendin P. hem verhaalt,
dat zij zoo allerijselijkst geschrikt was, en dat zij niet anders
meende, of haar eigen huis stond in brand. Hij is ontslagen om visites
te ontvangen van Q of Z, die hem zouden vragen of hij den brand ook
gezien had, dat hem vooral onaangenaam zou wezen, daar hij bijna door
Q is omvergeloopen, en Z hem in de _foule_ zeer gevoelig op de teenen
heeft getrapt. Hij zal niet bedroefd worden door op de societeit
te ontdekken, dat Spanje en het Oosten vergeten, en het biljart en
domino genegligeerd worden. In één woord, hij behoeft zich niet in
zijne kamer op te sluiten, om niet van verveling te sterven.
Gelukkig waren dus ook onze reizigers, die voor zoo vele rampzaligheden
bewaard bleven, en reeds den volgenden middag, na een aangenaam
tourtje, bij Roberts te Kleef aan de publieke tafel dineerden. Zij
zaten daar rustig en op hun gemak; want daar het nog in het
begin van het saizoen was, waren de logementen nog niet opgepropt
vol. Het was daar nu beter voor menschen, die, om rust te genieten,
het gewoel ontvlugten, dan voor die met hetzelfde doel het gewoel
opzoeken. Mevrouw Korenaar scheen tot deze laatsten te behooren;
althans zij vond, dat zij het heel ongelukkig troffen. Daar waren nog
kamers _au premier_ te krijgen, behalve die zij besteld hadden, en de
knechts hadden een lui leven, want zij konden het nog bijhouden om de
_logés_ te bedienen. Ambrosine vreesde heimelijk, dat zij in Kleef
niet zulke aangename kennissen zou maken, als het geval geweest was
op de Nijmeegsche stoomboot. Misschien oordeelde zij voorbarig; want
zij had aan de _table d'hôte_ toch reeds drie zeer solide gekleede
Goudenaars en eene Delftsche familie met zeven kinderen ontmoet. Een
der Goudenaars was zeer spraakzaam, en de zeven Delftsche kinderen
waren zeer woelig, de Delftsche papa zeer kinderbedervend, en de
Delftsche mama heel slordig. De Goudenaars verhaalden veel van de
hemelhooge bergen, die zij bij Kleef beklommen hadden, en hadden
het met de Eunomianen en vele kleine tourtjesmakers gemeen, dat zij
het bereiken van den hemel voor heel gemakkelijk hielden. Zij hadden
kennelijk vergeten, of misschien nooit geweten, dat Enceladus en zijne
medereuzen, schoon zij ook bergen, van meer omvang dan de Kleefsche,
op elkander gestapeld hadden, toch den hemel nog niet hadden kunnen
beklimmen. Ook Ambrosine was misschien van deze proefneming onbewust;
althans Mama had, bij de vroegere opnoeming van hare qualiteiten,
niet van ervarenheid in de oude fabelleer gewag gemaakt; maar zij had
toch wel eens gehoord van bergen, met eeuwige sneeuw en ijs bedekt,
en misschien klopte haar hartje van angst, daar zij gehoord had, dat
Torteltak zoodanigen moest beklimmen; dus kon zij weinig achting en
opgewondenheid gevoelen voor de Goudenaars, daar zij ze vergeleek met
den jeugdigen held, die met vreugde van zulke ondernemingen sprak,
zonder nog eens hoog daarvan op te geven. Torteltak scheen met
Ambrosine meer van de bergen dan van de lieve badgasten gesproken
te hebben.
De Delftsche familie had nog niets beklommen; want zij was gisteren pas
gearriveerd. Zij had dien morgen een wandeling van een half uur gedaan;
maar toen waren vier van de zeven telgen ook tamelijk vermoeid, en de
oudste, een jongen van 16 jaren, had ronduit verklaard, dat hij den
weg van Delft naar de Kethel mooijer vond, dan dien van de Diergaarde
naar Berg-und-Thal. Zijn vader, die in hem veel genie en een opmerkende
geest meende te vinden, had dezen zet onbetaalbaar gevonden. De moeder
had niets gezegd; want zij zwoegde onder haren driejarigen jongsten
telg, die van het eerste oogenblik der wandeling had geroepen:
"Dragen--dragen--Jantje wou niet loopen,--Mama stout--Mama Jantje
dragen."--Jantje was ten laatste redelijk zoet geworden, toen Mama aan
zijn verlangen voldaan had. Deze berigten had Ambrosine ingewonnen,
en zij verwachtte niet veel genoegen van de conversatie met de
Delftsche familie.
Na het _diner_ begaven onze vijf reizigers met de familie Korenaar
zich naar Schwanenburg, en hoorden uit den mond van Holstaff de oude
legende. Op de plaats zelve beviel dit verhaal vrij goed, als onder de
veelvuldige legendes niet de naarste; maar toen zij, op hunne _retour_,
van den goeden Holstaff niets hoorden dan: "Hoe akelig was dat voor de
arme Beatrix, dat toen de zwanenridder zoo op eens verdween, en hoe zal
zij nooit een zwaan hebben kunnen zien, zonder aan hare noodlottige
nieuwsgierigheid te denken?" toen wenschten velen der reizigers, dat
Erlin nooit vertrokken was, en Torteltak hield ten laatste staande,
dat hij van goederhand vernomen had, dat de ridder acht dagen later
was teruggekomen en een _mooi cadeau_ voor zijne gemalin uit Keulen
had meegebragt.
Toen zij in het logement waren teruggekeerd, sprak Mevrouw Korenaar
van vroeg naar bed gaan; maar Torteltak zag haar zoo treurig aan,
en Ambrosine slaakte bij die gelegenheid zulk een diepen zucht, dat
Mama vermurwd werd. Mijnheer had nog een verhaal in zijn hoofd, dat
hij de vrienden gaarne wilde meêdeelen, en waagde het dus tot zijne
gade te zeggen: "Nu, bout! wij zullen toch niet met de kippen op stok
gaan." En Mevrouw antwoordde nu, hare dochter de wangen streelende:
"Neen, lieve! dat juist niet." En alzoo werd er besloten, niet met
de kippen op stok te gaan.
De vrienden namen nu plaats in de groote eetzaal. Daar zaten, behalve
de drie Goudenaars, de Delftsche papa en mama en vijf Delftsche
kinderen, die dien avond mogten opblijven, en nog twee Heeren van
Elberfeld, zoo even gearriveerd. Juist toen de familie binnenkwam,
had een der Goudenaars, een schoolmeester en opgewonden vaderlander
in everlasting jas, na een paar trekken van Duitsche gastvrijheid te
hebben aangehoord, de daad van Van Speyk opgehaald, en sprak op een
uithalenden toon, aan sommige van zijne stadgenooten als aan hem eigen:
"Ja, Mijnheeren Duitschers! dat was een groot stuk van Van Speyk."
"Dat was het wel," zeiden de andere Goudenaars. Veervlug, die zich
terstond bij dit gezelschap gevoegd had, kon niet nalaten te zeggen:
"Ja, Mijnheeren! Van Speyk voerde zoo'n groot stuk uit, dat er maar
een klein stukje van hem overbleef."
"En onze dichters hebben hem bezongen," zei de schoolmeester.
"Dat is ook zoo," zeiden de andere Goudenaars.
"En daar was er een," ging Veervlug voort, "die, toen hem gevraagd
werd, waarom hij Van Speyk niet bezong, antwoordde:
"Bewondren kan ik hem!... tot zingen faalt mij kracht."
Maar naderhand schijnt hij berouw gekregen te hebben; althans hij
zingt in een liedje, _Rood en zwart_:
"Die kleuren dekten eens het hart,
Des eedlen Wees in Amstels wallen;
Ach! weinig dacht dien Held toen nog,
Als 't geel (de kleur van snood bedrog),
Zich daaraan paart, zal ik eens vallen."
't Was jammer dat de dichter maar alleen kon zeggen, wat de held
_weinig_ dacht; ik had liever geweten, wat hij _veel_ dacht. Hij
wist anders nog al wat van hem te zeggen, zelfs hoe het met zijne
ziel afliep, blijkens het derde Van Speyk's gedicht: _Aan ***, mij
een pijpenkop vereerende, met de beeldtenis van_ Van Speyk. (Wit
porselein met gouden rand).
"Gewis men had geen ongelijk
Om 't beeld van dapperen Van Speyk,
In wit, met goud omzet, te malen;
Zijn ziel zoo rein als 't zuiver wit,
Is in 't ontsterfelijk bezit
Van 't goud van 's hemels zalen."
Deze door Veervlug aangehaalde regels werden slechts door een klein
gedeelte van het gezelschap uitbundig toegejuicht. De Goudsche
schoolmeester zag den Elberfelder triomferend aan. Deze glimlachte,
en één hunner zeide: "Bij ons zouden er nog wel menschen gevonden
worden, die de daad van Van Speyk konden verrigten; maar geene die
door zulke verzen zijne schim zouden verontrusten." Dit zeggende,
sloeg hij op de tafel, en kommandeerde nog eene flesch Hochheimer.
De schoolmeester zag naar Veervlug met een veelbeteekenend gezigt;
maar daar deze terwijl met de Delftsche dame in discours was geraakt,
vond zijn gelaat het gepast, maar weêr de gewone onbeduidendheid aan
te nemen.
"Heden, Mijnheer!" zei de Delftsche dame: "watte mooije versjes zijn
dat! En dat maar zoo op een pijpenkop? Ik weet heusch niet, waar de
dichters het tusschenbeide van daan halen. Zoo heb ik ook een neef,
die zulke alleraardigste versjes schrijft, en dat ook maar op alles,
wat je wilt; laatst nog op een kip, die in 't water gevallen was,
bij ons op 't Oud Delft. Ik meende te scheuren van 't lagchen, toen
hij 't me voorlas. Niet waar, Van der Kaas?" ging zij voort, haren
man tot getuige roepende: "ik spreek van de versjes van neef Sander."
Het is opmerkelijk, dat de meeste menschen een neef hebben, die wel
versjes maakt, en die al heel dikwijls Alexander of bij verkorting
Sander heet. Gelukkig, indien deze neven zich alleen tot boertige
stukjes bepalen; die blijven nog al veel privaat eigendom van de
familie. Maar gaan zij somtijds verder,--dichten zij nu en dan een
wiegeliedje of grafschriftje, dat al heel lief is,--rijmen zij ook
wel Hymnes aan den Tijd, of Odes bij gelegenheid van de Eeuwigheid,
of Dithyrambes bij het afsterven van een onvermoeid Catechiseermeester
en doorkundig Krankbezoeker, dan zijn, helaas! te dikwijls de gevolgen
voor de Drukkers, Uitgevers en het lezend Publiek onberekenbaar.
"Wel ja, wijfje!" antwoordde de Heer Van der Kaas aan zijne kolossale
Delftsche wederhelft: "Neef Sander is er al heel ver in. Is dat ook
niet van hem?
"De zon rookte een cigaar; de maan borduurde een boordje."
"Abuis, Papa!" viel de jongen van zestien jaren in, die veel genie en
eenen opmerkenden geest had; "abuis, Papa! dat is uit dat gedrukte
boek, dat van het begin tot het einde boertig is, en daar ook in
staat van de trekschuit."
"O ja, de trekschuit!" zei Mevrouw Van der Kaas; "dat is ook al heel
aardig. Vindt uwé niet, Mijnheer? Dat is net, of je er in zit."
"Ik zit niet graag in trekschuiten," antwoordde Veervlug.
"Zulke verzen lees ik nu altijd met plaisir," zei Polsbroekerwoud;
"daar kan een bedaard mensch nog bij op zijn stoel blijven zitten. Soms
zweven die dichters zoo geweldig hoog, dat men er geen oog op kan
houden. Ik weet waarlijk niet, waarom ze zich dikwijls zoo vermoeijen;
ze moeten toch altijd weêr op de aarde te land komen. Nu, daar zorgen
de meesten ook wel voor, vooral als het naar etenstijd loopt."
"'t Is net of ik Sander hoor," zei Mevrouw Van der Kaas.
"Dan merk ik," riep Veervlug verontwaardigd uit, "dat uw neef nog al
niet veel hinder heeft van zijn Poëtisch gevoel."
"Neen maar," zei Mevrouw, "als het op stuk van zaken aankomt is
hij extra gevoelig. Zoo herinner ik mij nog van een vers, dat hij
gemaakt heeft, en dat heel aandoenlijk was: _Uitboezeming aan mijne
overledene grootmoeder, bij het zien van haar breitobbetje_. De meid,
die vijfenvijftig jaar bij de goede vrouw gediend had, heeft er bij
staan huilen als een kind."
"Ja, vaak doet ons de dichter weenen," merkte Holstaff aan; "althans
zoo is het mij dikwijls gegaan, wanneer ik in den avond ronddwaalde,
met mijn lievelings-auteur in de hand, terwijl ik, door het zachte
maanlicht beschenen, nog eens de regelen van Eduard _aan de Maan_
nalas, die mij anders toch ook wel in het geheugen gegrift waren:
"Teedre maan! gij kunt mijn hart
Nimmer weêr bekoren--
Teedre maan! uw vriendlijk schoon
Is voor mij verloren!"
En dan verder, daar hij schreijende zegt:
"En de beek ziet staâg een traan.
Met een golfje vlugten.
Zilte tranen! spoeit vrij voort,
Fanny voelt u vlieden--
Spoeit--een bleeke straal der maan
Zal u slechts bespieden."
Jammer maar, dat in het laatste vers, waar Fanny op het graf van
Eduard treurt, niet van een slepend koortsje gewag gemaakt wordt,
dat haar ondermijnt, en hoop geeft, spoedig onder de groene zoden
naast haren Eduard te rusten."
"Je spreekt er over als een doodgraver," zeî Pols; "je zoudt alle
menschen maar in het graf willen helpen. Juffrouw Fanny zal zich
naderhand misschien nog wel wat getroost hebben. Wie weet of ze niet
nog eens een goede partij gedaan heeft! Zulke dingen trekken nog wel
eens bij."
"IJskoude ongevoeligheid!" bromde Holstaff, en hij besloot den geheelen
avond geen woord meer te spreken.
De vaderlandlievende Goudsche schoolmeester vond, dat het discours
over Van Speyk een weinig te spoedig was afgebroken, en de rigting,
die het in de laatste oogenblikken genomen had, kon hem maar niet
bevallen. Hij wilde gaarne Hollands roem bij vreemdelingen handhaven,
en daartoe scheen hem het best toe, met enkele particulieren, die
een bijzonder goed figuur gemaakt hadden, voor den dag te komen. Hij
doorzocht nu zijn geheugen, daar men over gedichten sprak, om het
een of ander vaderlandsch stuk te vinden. Maar, helaas! daar wilde
hem niets invallen; want poëzij werd op zijne school niet geleerd,
en was dus zoo zijn vak niet. Zijne reiscompagnons, die ook niet
gewoon waren hem zoolang zwijgende te zien, schenen ook iets te
verwachten. Eindelijk herinnerde hij zich nog een fragment van een
vaderlandsch stukje. En dus zoodra er eene pauze was, wendde hij zich
weêr tot de Elberfelders:
"Ja, Mijnheeren Duitschers! zoo opgewonden de Hollanders zijn voor
helden, die hun bloed voor de heilige zaak des Vaderlands veil hebben,
zoo laag zien zij neêr op baatzuchtigen, die om eigen gewin die
zaak afvallen."
"Dat is wel waar," zeiden zijne mede-Goudenaars.
"Zoo herinner ik mij," ging hij voort, "een vers, door een onzer
dichteren gemaakt, op een verrader des Vaderlands. Krachtige taal;
hoor slechts het begin;
"'t Was nagt, toen u uw moeder baarde,
Een nagt, zoo zwart als immer was."....
"Met uw verlof!" viel Polsbroekerwoud in: "dat vind ik niet bijzonder
krachtig gezegd; want de meeste kindertjes komen bij nacht ter wereld."
"En," voegde Veervlug er bij, "dat het een zwarte nacht was, bewijst
alleen, dat het geen lichte maan was."
"Mijnheeren," riep de schoolmeester verontwaardigd, "op zulk eene
wijze kunt ge alle verzen wel uitkleeden."
"Dat kunt ge ook," zeiden de twee andere Goudenaars.
"Mits," grinnikte Veervlug, "dat er eerst inkleeding heeft plaats
gehad."
Het goede plan van den schoolmeester, om Hollands roem bij
vreemdelingen te handhaven, mislukte door deze interruptie geheel. De
vrienden verzochten, om hem te bevredigen, wel, dat hij zou voortgaan;
maar hij bedankte er voor, en hield zich stil. Zijne reiscompagnons
vonden, dat hij gelijk had. Niemand vernam dus iets van "de helsche
geesten, de krassende vogelen, de woedende zee en de verschrikte
engelen;" en de Elberfelders waren van het genoegen verstoken, iets
meer van Hollands roem te hooren.
De Delftsche Mevrouw had met bewondering toegeluisterd. Haar gemaal
had nu en dan gelagchen om zijn oudste zoontje, dat veel genie en
een opmerkenden geest had; want hij had achter den stoel van den
schoolmeester gestaan, en, als deze sprak, grimassen achter zijn rug
gemaakt. Hij had ook nu en dan tegen de andere Heeren, die hem niet
aanzagen, de tong uitgestoken. De overige kinderen liepen de kamer op
en neder, plukten aan de stoelen, trokken aan de gordijnen, en kwamen
nu en dan Mama aan den schoot hangen en een ulevelletje afdwingen om,
na ontvangst daarvan, onderling te kibbelen en te harrewarren.
Mevrouw Korenaar was gedurende de discoursen in eenen zoeten slaap
geraakt, en droomde zich misschien op de bruiloft van Ambrosine's
eersteling. De oude Heer had zijne tweede cigaar opgestoken en hulde
zich in rookwolken. Torteltak sprak zeer druk met Ambrosine, en ook
door de dichterlijke stemming, waarin de andere vrienden verkeerden,
bezield, had hij alle mogelijke verzen, die hij zich herinnerde en
die hij begreep dat een jong meisje uit zijn mond aardig in de ooren
zouden klinken, fluisterende meêgedeeld en te gelijk met zijne oogen
meesterstukken verrigt. Hij was nu eens teeder, dan weder dartel,
soms ook hoogst gevoelig. Het verwijt "aan den stroeven wijsgeer,"
die niet erg veel met kusjes op had, werd niet vergeten; het speet hem,
dat hij moeijelijk kon te pas brengen het:
"Een wreede onpaslijkheid heeft mij aan huis gebonden:
Wat heeft mijn ziel al ondervonden
Van droefheid, smart en kommernis,
Vooral daar mijn vertrek zoo kort ophanden is."
want hij vreesde, dat de eerste regel het effect van den laatsten
zou benadeelen. Daarom bepaalde hij zich nu bij een ander gedicht,
dat toch ook heel aandoenlijk was, na vooraf te hebben aangemerkt,
dat men zich in sommige omstandigheden zoo gaarne de woorden van
dichters zou willen toeëigenen.
"Ja, geen der wreedste folteringen,
Die ooit den Stervling viel te beurt,
Kan zoo het hart zijn moed ontwringen,
Als 't oogenblik dat ons een Zielsgeliefde ontscheurt!
Helaas! wen eensbezielden voelen
Hoe zalig ze in elkander zijn:
Wen al het heil dat zy bedoelen,
Het deelen is van vreugde en pijn:
Wen 't hart niet langer voor zich-zelven,
Maar voor zijn ander harte slaat;
De zucht een afgrond schijnt te delven,
Die zijns Geliefden borst ontgaat."
Hier slaakte Ambrosine een diepen zucht, die echter bij deze bijzondere
gelegenheid voor Torteltak geen afgrond scheen te delven, maar veeleer
een demping te bewerkstelligen van den kleinen afgrond, die er nog
tusschen hem en Ambrosine bestond.
De aankomst van een Engelsch Heer en Dame brak hier deze gesprekken
af, die anders misschien ook nog onder het _souper_ zouden hebben
voortgeduurd en voor velen den maaltijd vergald. Terwijl de Heer naar
boven ging om de kamers te bezigtigen, plaatste de Dame zich op een
stoel aan het einde der zaal, na den groet van diegenen der reizigers,
die haar begroet hadden, beleefd te hebben beantwoord.
De Goudsche schoolmeester, die volstrekt geene notitie van haar
binnenkomen genomen had, vond het gepaster dadelijk aan het gezelschap
te zeggen: "Ik houd niet van Engelschen. Zij zijn mij te stuursch
en onbeleefd."
"Dat is wel waar, dat zult ge altijd zien," zeiden de andere
Goudenaars, die misschien voor het eerst van hun leven Engelschen
van zoo nabij zagen.
Een der Elberfelders maakte de opmerking, dat dit toch eigenlijk meer
in naam, dan inderdaad was; dat hij heel veel Engelschen ontmoet had,
en nooit die bijzondere onbeleefdheid had ondervonden.
"Dan hebt u wel rare Engelschen ontmoet," zeî de schoolmeester;
"maar zoo veel is althans zeker, dat zij denken dat er geen een land
boven Engeland gaat, en dat zij ondragelijk trotsch zijn op den roem
van hunne natie."
"En kunnen zij wel één Van Speyk opnoemen?" vroeg de Elberfelder.
De schoolmeester antwoordde niet; want de knecht bragt het _souper_
binnen, en allen plaatsten zich aan den disch, behalve de Engelschman,
die, aan het einde der tafel gezeten, _tea for Mylady_ en voor
zichzelven een glas _brandy hot_ besteld had, en eenige aanteekeningen
in een zakboekje maakte, terwijl Mylady een _guide_ doorbladerde.
"Die Engelschen lijken wel gek, dat zij niet souperen," zeide de
schoolmeester; "maar misschien zijn zij daar te gierig toe. Wat doen
ze dan te reizen?"
"Maar als ze nu geen honger hebben," zei Pols.
"Dat maakt mij geen mensch wijs, dat je 's avonds om tien ure geen
honger zoudt hebben. 't Is te gek om van te spreken. Ik kan 's avonds
wel een pond vleesch aan."
"Ik ook," zeiden de andere Goudenaars.
De andere reizigers vonden het nu maar gepaster, de Engelschen met
hunne thee en cognac in vrede te laten, en zelve rustig te souperen;
vooral scheen de lieve Delftsche jeugd geenszins onverschillig voor
de praeparaten van den Kleefschen kok. Daar heerschte zelfs ongeduld
en ongerustheid dat er niet genoeg zou zijn onder de jeugdige Van
der Klaasjes. Mevrouw had het waarlijk druk met haar kroost, daar
Geertje, voordat nog iemand gediend was, uitriep: "Mama! ik heb nog
geen cotelettes," en dus moest gerustgesteld worden, en Pietje spoedig
daarna opmerkte, dat Aernout veel grooter stuk vleesch had dan hij,
en waarschijnlijk niet zou gezwegen hebben, indien niet Mama een
stukje van haar eigen bord ten behoeve van Pietje had afgestaan. De
jongen van zestien jaren, die veel genie en een opmerkenden geest had,
mogt zichzelven dienen en nam opmerkelijk groote portiën, en Papa dit
ziende, kon niet nalaten, aan Mama te zeggen: "Die Evert is toch een
olijke gast van een jongen."
Toen het _souper_ afgeloopen was, zouden de lievelingen vertrekken,
omdat zij niet langer blijven wilden. Maar toen zij tot vreugd
van het gezelschap reeds op weg waren, ontmoetten zij den knecht,
die een schaal met aalbessen binnen bracht. IJlings vlogen zij naar
hunne plaatsen terug en riepen eenstemmig, dat zij aalbessen moesten
eten. Mama werd met deze luide kreten een weinig verlegen; maar Papa
vond het nog al een aardige trek van zijne kinderen, dat zij zoo
dadelijk, toen zij de vruchten zagen, waren teruggekomen.
"Ik wou meer bessen," riep Pietje.
"Ik heb geen suiker genoeg," riep Geertje.
"Nou heb ik geen een trosje witte," griende Aernout.
De zestienjarige jongen, met genie en een opmerkenden geest begaafd,
had opgemerkt, dat zijn zusje gewoonlijk schreeuwde, als hij haar
onder de tafel in de knieën kneep, en scheen haar gaarne te hooren
schreeuwen.
"Aw, Aw, je doet me zeer!" huilde Antje.
"Is 't niet lekker, Pietje?" zei Polsbroekerwoud in eene heel
kinderlievende bui.
"Daar heb jij ook wat," antwoordde Pietje, en smeet hem een steeltje
toe.
"Foei, Pietje!" zei Mama, en kreeg eene kleur.
"'t Wordt ook al een gannefje," zei Papa glimlachend.
"Geeft u ze maar van die bessen, Mevrouw!" zeî Pols; "dat is gezond
voor kinderen."
"Ja," zei Veervlug, "gezond en frisch. Dit herinnert mij eene Ode
aan de aalbes, van een onzer dichters:
"'t Lust mij zingend u te loven,
Ed'le bes, gezond en frisch!
Heerlijk ooft van Neêrlands hoven,
Sieraad van der burgren disch!
Mijne zangster, die haar toonen
Aan 't eenvoudig-ed'le wijdt,
Zal ook met een lied u kroonen,
Die eenvoudig edel zijt.
Andren zingen abrikozen;
Perzik, uw verheven zoet!.."
"'t Is of ik Sander hoor," riep Mevrouw Van der Kaas.
"Ja," zeî Veervlug, "ik kan het u niet geheel reciteren; maar nog
ééne passage klinkt zeer schoon.
"Juich, verhef u vrij, Germanje!
Roem uw, druivenrijken Rijn!
Juich Bourgonje, bral Champagne!
De aalbes schenkt ons ed'len wijn."
"Mooi, mooi," riep een der Elberfelders. "_Kellner_! hebt ge ook
aalbessenwijn?"
"Ja wel, Mijnheer!" zeî de _Kellner_.
"Geef _mij_ dan nog een flesch Hochheimer. Die Hollandsche Mijnheer
daar zal den bessenwijn waarschijnlijk prefereren."
Veervlug scheen evenwel niet bijzonder nationaal te wezen; want hij
hield zich met zijne vrienden bij den Rijnwijn.
De Delftsche familie trok op. Mijnheer zou gaarne nog wat beneden
gebleven zijn, maar Geertje riep met luider stem: "Papa meê!" en Papa
ging als een gehoorzaam vader meê naar boven.
Ook de Elberfelders vertrokken een weinig later; en de Goudsche
schoolmeester zeide geeuwend, dat hij een beetje slaap kreeg.
"Ik ook," zeiden de mede-Goudenaars, en bragten met veel moeite
geeuwingen voort.
Mevrouw Korenaar en Ambrosine vertrokken insgelijks, de laatste met
een eenigzins treurig gezigt. Zij wist dat het reisplan der vrienden
meêbragt, om den volgenden morgen ten 6 ure Kleef te verlaten. Vier
hunner namen met groote bedaardheid van de Dames afscheid; één
hunner met bijzonder empressement; hij hoopte na zijn _rétour_ het
geluk te mogen hebben, bij de familie eene visite te maken. Hij nam
met een eerbiedigen handdruk van Mevrouw, met een teederen dito van
Ambrosine afscheid, en zoo wel hij, als het meisje, zuchtte bij deze
gelegenheid hoorbaar.
"Ik heb hoofdpijn, Mama!" zeî Ambrosine, bovenkomende;
"ik ga dadelijk slapen."
Misschien had zij waarlijk hoofdpijn, maar zij sliep niet dadelijk.
Mijnheer Korenaar presenteerde aan de vrienden een cigaartje, en
proponeerde nog een half uurtje op te blijven. Niemand had slaap,
en dus bleef men zitten. Men sprak nog ter loops over de Goudsche,
Delftsche en Elberfeldsche reizigers: maar spoedig geraakte men
aan algemeene opmerkingen, en een van dezen, welke weten wij niet,
werd door den ouden Heer opgevangen, die daarop zeide: "Ja, zoo heb
ik eene ontmoeting gehad, die ik onlangs nog aan iemand, ik weet niet
wien, meêdeelde," (Torteltak wist wel aan wien, maar 't was hem nu om
't even, of hij oude of nieuwe verhalen hoorde) "die waarlijk nog al
interessant is. Wil ik ze u eens meêdeelen?"
"Heel gaarne," riepen de vrienden.
De Heer Korenaar legde zijn bril af, deponeerde zijn cigaar op een
boord, en deelde de volgende geschiedenis mede.