Een rustige avond en een onrustige nacht te Nijmegen.
De omstreken van Nijmegen hebben dit boven de stad zelve vooruit,
dat zij bijzonder mooi zijn. Indien gij daar dus arriveert, en gij
hebt een paar dagen den tijd, en een vriend, die het wel met u meent,
dan zal hij niet verzuimen eene calêche te doen inspannen en met
u naar Berg en Daal te rijden; is hij daarenboven gul en vrolijk,
dan zal hij u in kennis brengen met den Steinberger kabinetwijn en
den opgewonden kastelein aldaar; en wanneer gij over Ubbergen en
Beek zult zijn teruggekeerd, en veel gesproken en gelagchen hebt,
zult gij aangename souvenirs van uw Nijmeegsch tourtje verzameld
hebben. Maar indien gij geen goede vrienden bezit en geen tijd hebt
om een ordentelijk uitstapje te maken, dan benijd ik uw lot niet,
zoo gij langer dan twee uren in Nijmegen moet vertoeven. Dit laatste
was nu het geval met Polsbroekerwoud en zijne vrienden. Zij hadden
besloten, zich goed te amuseren, en moesten zich tot eene wandeling
naar Belvédère bepalen; en daar zij nog tijd over hadden, maakten zij
het plan, om daarna een uurtje door het beroemde, maar hun onbekende
Kalverbosch te kruisen. Dit laatste werd evenwel niet ten volle
geëffectueerd, daar zij spoedig bemerkten, dat men dit bosch in minder
dan vijf minuten door en door kan leeren kennen, en men, om langer
tijd daarmeê door te brengen, óf steeds denzelfden weg moet gaan,
óf den bedaarden tred der slakken aannemen, die zich in gemeld bosch
in overvloed bewegen. Zij kwamen dus spoedig in hun logement terug,
en hadden daar goede gelegenheid en ruim tijd om uit te rusten, eer
het _souper_ werd aangerigt. De zakboekjes werden uitgehaald en het
reisjournaal begonnen; maar men stond verbaasd, dat men zoo weinig
had op te teekenen, en Polsbroekerwoud was genoodzaakt punctum te
zetten op de vijfde bladzijde van zijn journaal in folio, hoewel
hij eene beredeneerde opgave gedaan had van de waarde der spijzen
en dranken, die men in den loop des dags, deels uit behoefte, deels
uit weelde, deels uit verveling, had gebruikt. Uit welk oogpunt hij
de vier flesschen Rijnwijn, die men nog vóór het _souper_ gebruikte,
beschouwd heeft, is mij niet uit zijne aanteekeningen gebleken. De
wijn werkte bij deze gelegenheid meer op de oogleden dan op de tong,
en het was nog geen half elf geslagen, toen zij de zaal verlieten en
zonder verwijl hunne slaapkamers betrokken.
Pols bemerkte dadelijk toen hij in bed kwam, dat Mijntje het niet
voor hem had opgeschud. Hij deelde deze opmerking aan Torteltak mede,
die met hem op ééne kamer sliep. Maar deze sloeg hierop weinig acht;
want hij bereidde zich voor, om van Ambrosine te droomen, en, aan
haar denkende, wakker te worden.
En Ambrosine?--Wij hopen, dat zij goed zal gerust hebben. Zij was pas
negentien jaren oud, en zal dus later nog gelegenheid genoeg gehad
hebben, om slapelooze nachten door te brengen.
Omtrent middernacht scheen alles in een diepe rust verzonken
te wezen. Zoo beschouwde het althans de knecht, die, zijne
redenen hebbende om iedereen te doen ontwaken, zulk een geweld
op de kamerdeuren begon te maken, dat de slaap bij alle reizigers
oogenblikkelijk zijne heerschappij aan den schrik en de verwarring
overliet.
"Zeg eens, vriendje! wat moet dat?" zei Polsbroekerwoud, de deur van
zijne kamer openende. "Het is duidelijk, dat gij u vergist, want wij
hebben verzocht om niet voor zeven ure geroepen te worden."
"Wat vergissen!" zei de knecht: "ziet ge dan niet, dat het huis
hiernaast in lichtelaaije vlam staat?"
Pols keek op, en zag in den gang geen brandend huis, maar door de ramen
een eenigzins suspecten gloed. "Dat is weergaês lastig," zeide hij;
"dan zou dit logement ook wel eens gevaar kunnen loopen."
"Dacht ik het niet!" riep De Morder, zijne kamer uitstuivende: "nu
zullen wij allen nog levend verbranden. 't Is ongepermitteerd. Wij
kunnen zeker de trappen niet meer af."
"Ik zeg immers niet, dat _dit_ huis in brand staat," riep de knecht,
steeds op kamerdeuren bonzende. "Kleed u maar aan. Ik kan voor niets
instaan."
"Dat is anders niets," zeide Pols, "al is de trap afgebrand. Ik heb
een veiligheidskoord bij mij, en wij kunnen het raam dan nog uit. Wij
moesten daarvan in alle geval maar gebruik maken."
"Is er brand?" riep Torteltak. "Hemel, Jan! en die dames, daar van
Numero 5?--Zeg dan toch, Jan! zijn die dames gered?"
"Wees bedaard, mijn vriend!" riep Pols. "Hier heb ik het koord al." En
waarlijk, daar kwam de man aan, met een vervaarlijk groot kabeltouw,
van knoopen en een haak voorzien.
"Loop naar den duivel met uwe koorden!" vloekte de ander, terwijl
hij zijne elegante _chamberlouc_ omsloeg en in drift zijne lokken
arrangeerde; "ik wil het lieve meisje redden."
Pols vond dezen uitval van Torteltak wel niet heel lief, maar vergaf
het hem toch gaarne, omdat hij in deze oogenblikken geene lieve
gezegden kon verwachten; hij liet dus den jongeling voortspoeden om
dames te redden, en bereidde zichzelven om voor het goed te zorgen,
waarvan de anderen geen werk schenen te maken. Hij liet ze dus aan
hun lot over, maar verzocht hen vriendelijk, om toch bedaard te wezen
en zich niet te veel te agiteren.
Daar heerschte evenwel noch onder de vrienden, noch onder de overige
reizigers, de door Pols zoo zeer begeerde kalmte. Ook in de kamer der
familie Korenaar scheen die te ontbreken. Daar evenwel was de mare niet
zoo onverwacht gekomen. Mevrouw was wakker geworden, had eene ongewone
drukte gehoord, en gemeend een brandlucht te bemerken. Ontsteld stond
zij op, trok haren echtgenoot bij een arm het bed uit, en naderde
met hem het venster. Daar zagen zij de vlammen, die het naaste huis
verteerden. "Hemel, Korenaar! wat zijn wij in gevaar!" riep zij
wanhopig: "dat komt ook van die Kleefsche reizen."
"Maar, bout! waart gij het dan niet, die zoo op dat reisje aangedrongen
hebt?"
"Maar ik heb niet aangedrongen, om in een logement te gaan naast
huizen die 's nachts uitbranden."
Dit argument was te forsch voor den ouden Heer. Hij trachtte zich te
verontschuldigen; doch Mevrouw verbood het hem: "Kleed u, in 's Hemels
naam, maar aan, en maak voort; of wilt gij nu ook nog dat uwe vrouw
en uw arm kind verbranden?--Ambrosine, lieve kind! word toch wakker!"
"Wat is er, wat is er?" riep deze, haar lief kopje uit de gordijnen
stekende. O! had Torteltak haar zóó gezien met dat lieve blosje op de
wangen, en die oogjes nog dronken van slaap, hij zou waarlijk hebben
moeten bekennen, dat het nachttoilet haar beter stond dan Mevrouw hare
Mama, schoon deze eene echte kant en Ambrosine maar een _neigetje_
om de muts had.
"Sta op, mijn kind! sta op! daar is brand. Schielijk! sla uwen mantel
om.--Korenaar, wat talm je toch! haast u dan, in 's Hemels naam!"
Bons, bons! klonk het op de deur. "Mijnheer, sta spoedig op!" riep
de knecht.
"Dames, dames! haast u, wat ik u bidden mag!" riep weldra eene andere
stem, die door Ambrosine herkend werd.
"Ja, wij komen!" riep Mevrouw, en deed de deur open. Torteltak nam
Ambrosine bij de hand, en trok haar voort. Mama volgde, met pakjes
beladen, nog roepende: "Korenaar, kom dan toch! maar vergeet je
horologie niet."
Zonder hulp van veiligheidskoorden--want de trap stond nog zoo pal,
alsof er in het geheel geen brand in de buurt was--kwamen al de
reizigers beneden, en snelden de voordeur uit, om te zien, op welke
hoogte de zaken stonden. Polsbroekerwoud had in den gang een kruiwagen
opgemerkt, en begon nu al de koffers en valiezen van zichzelven en
zijne reiscompagnons naar beneden te slepen. Hij was geheel gekleed,
behalve dat hij zijne slaapmuts voor de nachtlucht had opgehouden;
het veiligheidskoord had hij om zijn middel gewonden, om het altijd
bij de hand te hebben. Met ongewone vlugheid klom hij de trappen op,
waarvan hij telkens beladen weêr neêrdaalde. Hij lette weinig op de
menschen, die om hem heen woelden en draafden, als zij hem maar niet
in den weg kwamen, en dan was het: "Wat ik u bidden mag, een weinigje
plaats; maar wees toch bedaard! Op mijn woord, die agitatie is meer
hinderlijk dan nuttig."
Eindelijk had hij alles bijeen op den kruiwagen, en krood nu den
zwaren last met moeite voort, zich eenen weg banende door de menigte,
die toegesneld was, om den brand te helpen blusschen, of door hunne
tegenwoordigheid de blusschers in den weg te staan. Een eind wegs kon
hij voortgaan; maar weldra zag hij zich aangehouden door een serjant
van de schutterij, die in functie was, hoewel hij een phantasie-kostuum
scheen te dragen, en die, de zilveren strepen op zijne mouw, dat teeken
van uitgebreide magt, zoo lang daar geen zilveren schouderbladen
present zijn, aan Pols vertoonende, met eene barsche stem vroeg:
"Waarheen?"
"Dat weet ik niet, vriend! Ik red mijn goed maar uit den brand!"
De serjant scheen het uiterlijke van de koffers meer gedistingueerd
te vinden dan dat van Pols; althans hij voegde hem toe: "Wat jou
goed? Je ziet er mij wel naar uit, om met een dozijn zulke koffers
te reizen. Laat jij dat goed maar staan, mannetje, en zoek een goed
heenkomen."
Dit zeggende, greep de serjant, ongewoon om magt uit te oefenen en
nu verheugd een schitterend feit te kunnen verrigten, Pols bij den
arm, en wilde hem van zijn goed verwijderen. Gelukkig evenwel kwam
gedurende die worsteling een welgekleed Heer naderbij, en vroeg:
"Wat is hier te doen?"
De serjant keek den ondervrager eerst brutaal aan, maar veranderde
weldra zijn gezigt, en nam zijne chacot zeer beleefd af, daar hij
in dien heer iemand herkende, wiens kleederen hij poetste en wiens
boodschappen hij verrigtte, wanneer er geen brand was, en hij dus
geene schitterende uniform droeg.
"Eene schreeuwende onregtvaardigheid," riep Pols. "Ik ben Joachim
Polsbroekerwoud van Rotterdam. Ik ben hier voor mijn plaisir. Ik red
mijn goed en dat van mijne vrienden, en deze soldaat hier wil mij
hierin verhinderen. Maar ik zal naar den Burgemeester gaan. Ik wil
dat mij regt geschiede."
"Blijf maar hier bij uw goed," zeî de Mijnheer, "of breng het
naar uw logement terug. Zij zullen straks den brand wel meester
worden. Stoffel! ik zou dien Heer maar laten gaan."
"Alderbest, Mijnheer!" zeî de serjant, die in het dagelijksch leven
Stoffel scheen genaamd te worden.
Gedurende dit gesprek had een dienstvaardig Nijmegenaar, die geene
klare denkbeelden van het _jus possessionis_ scheen te hebben, den last
voor Polsbroekerwoud een weinig verligt, en een der valiezen naar zijne
woning, die ver van den brand in een achterbuurtje was gesitueerd,
in veiligheid gebragt. Pols bemerkte dit eerst den volgenden morgen,
toen hij, bij het nazien van het goed, zijn valiesje met linnen gevuld
miste. Hij moest zich dit verlies getroosten; want daar de edelmoedige
achterbuurtbewoner niet eens een fooitje voor het dragen had gevraagd,
kon hij moeielijk zijn goed op het spoor komen, en hij droeg dit,
om langdurig oponthoud voor te komen, ook maar niet aan de policie op.
Terwijl dit eenige huizen van het logement plaats had, was er niet
minder beweging voor de woning, die in lichtelaaije vlam stond. In
kleine steden heeft men zoo weinig gelegenheid om dergelijke
geimproviseerde illuminatiën te zien, dat, als het dan ook eens plaats
heeft, iedereen zich verpligt acht daaraan te adsisteren. In groote
steden, vooral in de hoofdstad, waar men zulke dingen meer gewoon
is, verschijnen bij zoodanige gelegenheden alleen de stilzwijgend
genoodigden; als daar zijn: de geattacheerden aan de brandspuiten,
de schutters die het piquet hebben, de zakkenrollers,--in één woord,
de zoodanigen, die daar in functie moeten wezen. Onder de dilettanten
ziet men gewoonlijk alleen de naaste geburen en heel enkele van de
alleropgewondenste vuuraanbidders. Terwijl occupeert zich niemand van
de overige inwoners met zulke zaken, die hen niet aangaan, behalve
de torenwachters, die het alarmdeuntje wel slapende kunnen spelen,
en de nachtwachts, wie het woordeke _brand_ in de keel verroest
is. Maar nu in Nijmegen! De gansche populatie was op de been. Niemand,
dan die door gebrekkigen ouderdom of lamheid aan huis geconsigneerd
was, bleef in zijne woning; dames _en négligé_, zoo als zij zich
anders alleen aan hare kameniers vertoonden,--kameniers _en demi
toilette_, zoo als zij gewoonlijk slechts door de lakeijen gezien
werden,--mannen en vrouwen, in hetgeen zij maar het digtst bij de
hand vonden, gehuld,--snelden naar het vroeger onopgemerkte, nu zoo
belangwekkende huis. Zelfs de moeders meenden, dat zulk een schouwspel
hare zuigelingen zou interesseren; althans zij drongen met zoodanige
schepseltjes voorwaarts. "Het was op dien weg," om in dagbladenstijl
te spreken, "eene voortgolvende massa, een digte phalanx; de straat
was eivol."--Verscheidene particulieren wisten reeds zeker de oorzaak
van den brand, schoon de bewoners van het huis zelve die nog niet
gisten. Sommigen hadden den vorigen avond, ja 's middags al, iets
branderigs geroken, en zoo veel wisten weêr anderen van goederhand,
dat het huis veel te hoog geassureerd was.
Intusschen waren eenige brandspuiten in werking geraakt, en
overstroomde het water, dat voor de brandende woning gedestineerd was,
de straat; want eene kenmerkende eigenschap van de slangen eener
brandspuit is, dat zij lek zijn. Een veel te groot aantal armen
bewoog de pompen, en een veel te groot getal schutters, om orde
te houden, was aanwezig. Het ontbrak ook geenszins aan commando's,
die elkander lijnregt tegenspraken, en dus had ieder onderhoorige
eene schoone gelegenheid om te gelijk gehoorzaam en ongehoorzaam te
wezen. Verscheidene stemmen trachten elkander te overschreeuwen; in
't kort, het geweld en rumoer, dat een brandtooneel regt levendig
maakt, ontbrak ook nu niet.
Onder de menigte toeschouwers, die eene zoogenaamde goede plaats
hadden, bevonden zich ook onze reizigers. Mijnheer Korenaar had zijnen
bril opgezet, en sloeg met aandacht de vlammen gade, die zich om de
balken kronkelden, totdat zij door de nederstortende zoldering voor
een oogenblik werden uitgedoofd, om daarna met vernieuwde kracht weêr
te voorschijn te komen. Ambrosine leunde op den arm van Torteltak,
en beefde van angst en ontzetting. Zij klemde zich nader aan den
jongeling, als gevoelde zij bescherming te behoeven, en die liever
bij hem te moeten zoeken dan bij Mama, die haar aan de andere
zijde vasthield, en vele onnoodige jammerkreten uitte. De Morder
stemde met haar in, dat het toch waarachtig eene ijselijkheid is,
om wanneer men één nacht in eene stad logeert, dan zulke dingen te
moeten treffen. Hij wond haar overigens op, door haar te verzekeren,
dat men den brand nog in geen tweemaal vierentwintig uren zou meester
worden, dat misschien de geheele stad wel eene prooi der vlammen
zou worden, en dat straks zeker de brandende balken op de hoofden
der menigte zouden neêrstorten. Veervlug staarde het tooneel met
verrukking aan, sprak van den vuurkoning, die thans alle elementen
beheerschte,--van massa's water, die in vloeijende vuurstroomen werden
opgelost,--en eindigde alle dergelijke uitboezemingen met den uitroep:
"Prachtig schouwspel! Verrukkelijk! Heerlijk!"--Een zeer hardhandig
Nijmegenaar naast hem, geenszins in zijne verrukking deelende, en van
zijne overige uitroepingen niets begrijpende, vond het gepast hem in
deze uitroepingen te storen, door hem een klap voor den mond te geven,
welke handgreep, Veervlug eenigzins pijnlijk aandoende, tot vrij hevige
onaangenaamheden aanleiding gaf. Gelukkig was het, dat de _foule_ hen
een weinig van elkander afdrong; anders weet ik niet wat de gevolgen
zouden geweest zijn: want Pols, nog steeds met de koffers bezig, was
niet tegenwoordig om te bevredigen. Holstaff stond, met één grooten
traan in ieder oog, het akelig tooneel te aanschouwen. "Ach! ach! hoe
ijselijk!" riep hij uit. "Die bloeden van kinderen, die nu in dit huis
zullen verbranden, en die hopelooze ouders, die hunne dierbaarste
panden op zulk eene vreeselijke wijs verliezen, en ze niet kunnen
redden,--voor al het goud van de wereld niet kunnen redden! Die
ongelukkige kinderen, geheel omringd door onmeêdoogende vlammen--den
dood voor oogen--zonder hunne ouders--alleen--die arme, arme bloeden!"
"Hou toch je mond van die arme bloeden van kinderen!" gromde een burger
hem toe. "Denk jij, dat wij hier de menschen laten verbranden? Daar
zijn geen kinderen in huis. Daar waren maar twee oude luidjes en eene
meid, en die zitten al een uur in veiligheid."
"Geen kinderen!" mompelde Holstaff: "een raar huisgezin zonder
kinderen. "Nu, ik kan het niet helpen. Dan verliezen die menschen
alleen hun goed. Ik dacht dat zij veel ongelukkiger waren."
Het huis was intusschen tot den grond toe afgebrand; doch daar het stil
weder was, en men de noodige voorzorgen voor de andere huizen nam,
bepaalde zich het onheil tot die eene woning. Ten half vier ure was
men, den brand geheel meester, en zag men langzamerhand de menschen
aftrekken. De reizigers keerden weêr in hun logement; velen bleven uit
voorzigtigheid beneden, waar eenigen op sofa's en stoelen insluimerden,
terwijl anderen, onder een calmerend kopje thee, over den brand
van dien nacht, over de oorzaken en gevolgen redeneerden, en ieder
hunner een of meer dergelijke _scènes_ had bijgewoond, zeer geschikt
om onder zulke omstandigheden te worden meêgedeeld en aangehoord,
maar ook evenzeer geschikt om verder geheel te worden vergeten.