HOOFDSTUK III.

Een rustige avond en een onrustige nacht te Nijmegen.

De omstreken van Nijmegen hebben dit boven de stad zelve vooruit,

dat zij bijzonder mooi zijn. Indien gij daar dus arriveert, en gij

hebt een paar dagen den tijd, en een vriend, die het wel met u meent,

dan zal hij niet verzuimen eene calêche te doen inspannen en met

u naar Berg en Daal te rijden; is hij daarenboven gul en vrolijk,

dan zal hij u in kennis brengen met den Steinberger kabinetwijn en

den opgewonden kastelein aldaar; en wanneer gij over Ubbergen en

Beek zult zijn teruggekeerd, en veel gesproken en gelagchen hebt,

zult gij aangename souvenirs van uw Nijmeegsch tourtje verzameld

hebben. Maar indien gij geen goede vrienden bezit en geen tijd hebt

om een ordentelijk uitstapje te maken, dan benijd ik uw lot niet,

zoo gij langer dan twee uren in Nijmegen moet vertoeven. Dit laatste

was nu het geval met Polsbroekerwoud en zijne vrienden. Zij hadden

besloten, zich goed te amuseren, en moesten zich tot eene wandeling

naar Belvédère bepalen; en daar zij nog tijd over hadden, maakten zij

het plan, om daarna een uurtje door het beroemde, maar hun onbekende

Kalverbosch te kruisen. Dit laatste werd evenwel niet ten volle

geëffectueerd, daar zij spoedig bemerkten, dat men dit bosch in minder

dan vijf minuten door en door kan leeren kennen, en men, om langer

tijd daarmeê door te brengen, óf steeds denzelfden weg moet gaan,

óf den bedaarden tred der slakken aannemen, die zich in gemeld bosch

in overvloed bewegen. Zij kwamen dus spoedig in hun logement terug,

en hadden daar goede gelegenheid en ruim tijd om uit te rusten, eer

het _souper_ werd aangerigt. De zakboekjes werden uitgehaald en het

reisjournaal begonnen; maar men stond verbaasd, dat men zoo weinig

had op te teekenen, en Polsbroekerwoud was genoodzaakt punctum te

zetten op de vijfde bladzijde van zijn journaal in folio, hoewel

hij eene beredeneerde opgave gedaan had van de waarde der spijzen

en dranken, die men in den loop des dags, deels uit behoefte, deels

uit weelde, deels uit verveling, had gebruikt. Uit welk oogpunt hij

de vier flesschen Rijnwijn, die men nog vóór het _souper_ gebruikte,

beschouwd heeft, is mij niet uit zijne aanteekeningen gebleken. De

wijn werkte bij deze gelegenheid meer op de oogleden dan op de tong,

en het was nog geen half elf geslagen, toen zij de zaal verlieten en

zonder verwijl hunne slaapkamers betrokken.

Pols bemerkte dadelijk toen hij in bed kwam, dat Mijntje het niet

voor hem had opgeschud. Hij deelde deze opmerking aan Torteltak mede,

die met hem op ééne kamer sliep. Maar deze sloeg hierop weinig acht;

want hij bereidde zich voor, om van Ambrosine te droomen, en, aan

haar denkende, wakker te worden.

En Ambrosine?--Wij hopen, dat zij goed zal gerust hebben. Zij was pas

negentien jaren oud, en zal dus later nog gelegenheid genoeg gehad

hebben, om slapelooze nachten door te brengen.

Omtrent middernacht scheen alles in een diepe rust verzonken

te wezen. Zoo beschouwde het althans de knecht, die, zijne

redenen hebbende om iedereen te doen ontwaken, zulk een geweld

op de kamerdeuren begon te maken, dat de slaap bij alle reizigers

oogenblikkelijk zijne heerschappij aan den schrik en de verwarring

overliet.

"Zeg eens, vriendje! wat moet dat?" zei Polsbroekerwoud, de deur van

zijne kamer openende. "Het is duidelijk, dat gij u vergist, want wij

hebben verzocht om niet voor zeven ure geroepen te worden."

"Wat vergissen!" zei de knecht: "ziet ge dan niet, dat het huis

hiernaast in lichtelaaije vlam staat?"

Pols keek op, en zag in den gang geen brandend huis, maar door de ramen

een eenigzins suspecten gloed. "Dat is weergaês lastig," zeide hij;

"dan zou dit logement ook wel eens gevaar kunnen loopen."

"Dacht ik het niet!" riep De Morder, zijne kamer uitstuivende: "nu

zullen wij allen nog levend verbranden. 't Is ongepermitteerd. Wij

kunnen zeker de trappen niet meer af."

"Ik zeg immers niet, dat _dit_ huis in brand staat," riep de knecht,

steeds op kamerdeuren bonzende. "Kleed u maar aan. Ik kan voor niets

instaan."

"Dat is anders niets," zeide Pols, "al is de trap afgebrand. Ik heb

een veiligheidskoord bij mij, en wij kunnen het raam dan nog uit. Wij

moesten daarvan in alle geval maar gebruik maken."

"Is er brand?" riep Torteltak. "Hemel, Jan! en die dames, daar van

Numero 5?--Zeg dan toch, Jan! zijn die dames gered?"

"Wees bedaard, mijn vriend!" riep Pols. "Hier heb ik het koord al." En

waarlijk, daar kwam de man aan, met een vervaarlijk groot kabeltouw,

van knoopen en een haak voorzien.

"Loop naar den duivel met uwe koorden!" vloekte de ander, terwijl

hij zijne elegante _chamberlouc_ omsloeg en in drift zijne lokken

arrangeerde; "ik wil het lieve meisje redden."

Pols vond dezen uitval van Torteltak wel niet heel lief, maar vergaf

het hem toch gaarne, omdat hij in deze oogenblikken geene lieve

gezegden kon verwachten; hij liet dus den jongeling voortspoeden om

dames te redden, en bereidde zichzelven om voor het goed te zorgen,

waarvan de anderen geen werk schenen te maken. Hij liet ze dus aan

hun lot over, maar verzocht hen vriendelijk, om toch bedaard te wezen

en zich niet te veel te agiteren.

Daar heerschte evenwel noch onder de vrienden, noch onder de overige

reizigers, de door Pols zoo zeer begeerde kalmte. Ook in de kamer der

familie Korenaar scheen die te ontbreken. Daar evenwel was de mare niet

zoo onverwacht gekomen. Mevrouw was wakker geworden, had eene ongewone

drukte gehoord, en gemeend een brandlucht te bemerken. Ontsteld stond

zij op, trok haren echtgenoot bij een arm het bed uit, en naderde

met hem het venster. Daar zagen zij de vlammen, die het naaste huis

verteerden. "Hemel, Korenaar! wat zijn wij in gevaar!" riep zij

wanhopig: "dat komt ook van die Kleefsche reizen."

"Maar, bout! waart gij het dan niet, die zoo op dat reisje aangedrongen

hebt?"

"Maar ik heb niet aangedrongen, om in een logement te gaan naast

huizen die 's nachts uitbranden."

Dit argument was te forsch voor den ouden Heer. Hij trachtte zich te

verontschuldigen; doch Mevrouw verbood het hem: "Kleed u, in 's Hemels

naam, maar aan, en maak voort; of wilt gij nu ook nog dat uwe vrouw

en uw arm kind verbranden?--Ambrosine, lieve kind! word toch wakker!"

"Wat is er, wat is er?" riep deze, haar lief kopje uit de gordijnen

stekende. O! had Torteltak haar zóó gezien met dat lieve blosje op de

wangen, en die oogjes nog dronken van slaap, hij zou waarlijk hebben

moeten bekennen, dat het nachttoilet haar beter stond dan Mevrouw hare

Mama, schoon deze eene echte kant en Ambrosine maar een _neigetje_

om de muts had.

"Sta op, mijn kind! sta op! daar is brand. Schielijk! sla uwen mantel

om.--Korenaar, wat talm je toch! haast u dan, in 's Hemels naam!"

Bons, bons! klonk het op de deur. "Mijnheer, sta spoedig op!" riep

de knecht.

"Dames, dames! haast u, wat ik u bidden mag!" riep weldra eene andere

stem, die door Ambrosine herkend werd.

"Ja, wij komen!" riep Mevrouw, en deed de deur open. Torteltak nam

Ambrosine bij de hand, en trok haar voort. Mama volgde, met pakjes

beladen, nog roepende: "Korenaar, kom dan toch! maar vergeet je

horologie niet."

Zonder hulp van veiligheidskoorden--want de trap stond nog zoo pal,

alsof er in het geheel geen brand in de buurt was--kwamen al de

reizigers beneden, en snelden de voordeur uit, om te zien, op welke

hoogte de zaken stonden. Polsbroekerwoud had in den gang een kruiwagen

opgemerkt, en begon nu al de koffers en valiezen van zichzelven en

zijne reiscompagnons naar beneden te slepen. Hij was geheel gekleed,

behalve dat hij zijne slaapmuts voor de nachtlucht had opgehouden;

het veiligheidskoord had hij om zijn middel gewonden, om het altijd

bij de hand te hebben. Met ongewone vlugheid klom hij de trappen op,

waarvan hij telkens beladen weêr neêrdaalde. Hij lette weinig op de

menschen, die om hem heen woelden en draafden, als zij hem maar niet

in den weg kwamen, en dan was het: "Wat ik u bidden mag, een weinigje

plaats; maar wees toch bedaard! Op mijn woord, die agitatie is meer

hinderlijk dan nuttig."

Eindelijk had hij alles bijeen op den kruiwagen, en krood nu den

zwaren last met moeite voort, zich eenen weg banende door de menigte,

die toegesneld was, om den brand te helpen blusschen, of door hunne

tegenwoordigheid de blusschers in den weg te staan. Een eind wegs kon

hij voortgaan; maar weldra zag hij zich aangehouden door een serjant

van de schutterij, die in functie was, hoewel hij een phantasie-kostuum

scheen te dragen, en die, de zilveren strepen op zijne mouw, dat teeken

van uitgebreide magt, zoo lang daar geen zilveren schouderbladen

present zijn, aan Pols vertoonende, met eene barsche stem vroeg:

"Waarheen?"

"Dat weet ik niet, vriend! Ik red mijn goed maar uit den brand!"

De serjant scheen het uiterlijke van de koffers meer gedistingueerd

te vinden dan dat van Pols; althans hij voegde hem toe: "Wat jou

goed? Je ziet er mij wel naar uit, om met een dozijn zulke koffers

te reizen. Laat jij dat goed maar staan, mannetje, en zoek een goed

heenkomen."

Dit zeggende, greep de serjant, ongewoon om magt uit te oefenen en

nu verheugd een schitterend feit te kunnen verrigten, Pols bij den

arm, en wilde hem van zijn goed verwijderen. Gelukkig evenwel kwam

gedurende die worsteling een welgekleed Heer naderbij, en vroeg:

"Wat is hier te doen?"

De serjant keek den ondervrager eerst brutaal aan, maar veranderde

weldra zijn gezigt, en nam zijne chacot zeer beleefd af, daar hij

in dien heer iemand herkende, wiens kleederen hij poetste en wiens

boodschappen hij verrigtte, wanneer er geen brand was, en hij dus

geene schitterende uniform droeg.

"Eene schreeuwende onregtvaardigheid," riep Pols. "Ik ben Joachim

Polsbroekerwoud van Rotterdam. Ik ben hier voor mijn plaisir. Ik red

mijn goed en dat van mijne vrienden, en deze soldaat hier wil mij

hierin verhinderen. Maar ik zal naar den Burgemeester gaan. Ik wil

dat mij regt geschiede."

"Blijf maar hier bij uw goed," zeî de Mijnheer, "of breng het

naar uw logement terug. Zij zullen straks den brand wel meester

worden. Stoffel! ik zou dien Heer maar laten gaan."

"Alderbest, Mijnheer!" zeî de serjant, die in het dagelijksch leven

Stoffel scheen genaamd te worden.

Gedurende dit gesprek had een dienstvaardig Nijmegenaar, die geene

klare denkbeelden van het _jus possessionis_ scheen te hebben, den last

voor Polsbroekerwoud een weinig verligt, en een der valiezen naar zijne

woning, die ver van den brand in een achterbuurtje was gesitueerd,

in veiligheid gebragt. Pols bemerkte dit eerst den volgenden morgen,

toen hij, bij het nazien van het goed, zijn valiesje met linnen gevuld

miste. Hij moest zich dit verlies getroosten; want daar de edelmoedige

achterbuurtbewoner niet eens een fooitje voor het dragen had gevraagd,

kon hij moeielijk zijn goed op het spoor komen, en hij droeg dit,

om langdurig oponthoud voor te komen, ook maar niet aan de policie op.

Terwijl dit eenige huizen van het logement plaats had, was er niet

minder beweging voor de woning, die in lichtelaaije vlam stond. In

kleine steden heeft men zoo weinig gelegenheid om dergelijke

geimproviseerde illuminatiën te zien, dat, als het dan ook eens plaats

heeft, iedereen zich verpligt acht daaraan te adsisteren. In groote

steden, vooral in de hoofdstad, waar men zulke dingen meer gewoon

is, verschijnen bij zoodanige gelegenheden alleen de stilzwijgend

genoodigden; als daar zijn: de geattacheerden aan de brandspuiten,

de schutters die het piquet hebben, de zakkenrollers,--in één woord,

de zoodanigen, die daar in functie moeten wezen. Onder de dilettanten

ziet men gewoonlijk alleen de naaste geburen en heel enkele van de

alleropgewondenste vuuraanbidders. Terwijl occupeert zich niemand van

de overige inwoners met zulke zaken, die hen niet aangaan, behalve

de torenwachters, die het alarmdeuntje wel slapende kunnen spelen,

en de nachtwachts, wie het woordeke _brand_ in de keel verroest

is. Maar nu in Nijmegen! De gansche populatie was op de been. Niemand,

dan die door gebrekkigen ouderdom of lamheid aan huis geconsigneerd

was, bleef in zijne woning; dames _en négligé_, zoo als zij zich

anders alleen aan hare kameniers vertoonden,--kameniers _en demi

toilette_, zoo als zij gewoonlijk slechts door de lakeijen gezien

werden,--mannen en vrouwen, in hetgeen zij maar het digtst bij de

hand vonden, gehuld,--snelden naar het vroeger onopgemerkte, nu zoo

belangwekkende huis. Zelfs de moeders meenden, dat zulk een schouwspel

hare zuigelingen zou interesseren; althans zij drongen met zoodanige

schepseltjes voorwaarts. "Het was op dien weg," om in dagbladenstijl

te spreken, "eene voortgolvende massa, een digte phalanx; de straat

was eivol."--Verscheidene particulieren wisten reeds zeker de oorzaak

van den brand, schoon de bewoners van het huis zelve die nog niet

gisten. Sommigen hadden den vorigen avond, ja 's middags al, iets

branderigs geroken, en zoo veel wisten weêr anderen van goederhand,

dat het huis veel te hoog geassureerd was.

Intusschen waren eenige brandspuiten in werking geraakt, en

overstroomde het water, dat voor de brandende woning gedestineerd was,

de straat; want eene kenmerkende eigenschap van de slangen eener

brandspuit is, dat zij lek zijn. Een veel te groot aantal armen

bewoog de pompen, en een veel te groot getal schutters, om orde

te houden, was aanwezig. Het ontbrak ook geenszins aan commando's,

die elkander lijnregt tegenspraken, en dus had ieder onderhoorige

eene schoone gelegenheid om te gelijk gehoorzaam en ongehoorzaam te

wezen. Verscheidene stemmen trachten elkander te overschreeuwen; in

't kort, het geweld en rumoer, dat een brandtooneel regt levendig

maakt, ontbrak ook nu niet.

Onder de menigte toeschouwers, die eene zoogenaamde goede plaats

hadden, bevonden zich ook onze reizigers. Mijnheer Korenaar had zijnen

bril opgezet, en sloeg met aandacht de vlammen gade, die zich om de

balken kronkelden, totdat zij door de nederstortende zoldering voor

een oogenblik werden uitgedoofd, om daarna met vernieuwde kracht weêr

te voorschijn te komen. Ambrosine leunde op den arm van Torteltak,

en beefde van angst en ontzetting. Zij klemde zich nader aan den

jongeling, als gevoelde zij bescherming te behoeven, en die liever

bij hem te moeten zoeken dan bij Mama, die haar aan de andere

zijde vasthield, en vele onnoodige jammerkreten uitte. De Morder

stemde met haar in, dat het toch waarachtig eene ijselijkheid is,

om wanneer men één nacht in eene stad logeert, dan zulke dingen te

moeten treffen. Hij wond haar overigens op, door haar te verzekeren,

dat men den brand nog in geen tweemaal vierentwintig uren zou meester

worden, dat misschien de geheele stad wel eene prooi der vlammen

zou worden, en dat straks zeker de brandende balken op de hoofden

der menigte zouden neêrstorten. Veervlug staarde het tooneel met

verrukking aan, sprak van den vuurkoning, die thans alle elementen

beheerschte,--van massa's water, die in vloeijende vuurstroomen werden

opgelost,--en eindigde alle dergelijke uitboezemingen met den uitroep:

"Prachtig schouwspel! Verrukkelijk! Heerlijk!"--Een zeer hardhandig

Nijmegenaar naast hem, geenszins in zijne verrukking deelende, en van

zijne overige uitroepingen niets begrijpende, vond het gepast hem in

deze uitroepingen te storen, door hem een klap voor den mond te geven,

welke handgreep, Veervlug eenigzins pijnlijk aandoende, tot vrij hevige

onaangenaamheden aanleiding gaf. Gelukkig was het, dat de _foule_ hen

een weinig van elkander afdrong; anders weet ik niet wat de gevolgen

zouden geweest zijn: want Pols, nog steeds met de koffers bezig, was

niet tegenwoordig om te bevredigen. Holstaff stond, met één grooten

traan in ieder oog, het akelig tooneel te aanschouwen. "Ach! ach! hoe

ijselijk!" riep hij uit. "Die bloeden van kinderen, die nu in dit huis

zullen verbranden, en die hopelooze ouders, die hunne dierbaarste

panden op zulk eene vreeselijke wijs verliezen, en ze niet kunnen

redden,--voor al het goud van de wereld niet kunnen redden! Die

ongelukkige kinderen, geheel omringd door onmeêdoogende vlammen--den

dood voor oogen--zonder hunne ouders--alleen--die arme, arme bloeden!"

"Hou toch je mond van die arme bloeden van kinderen!" gromde een burger

hem toe. "Denk jij, dat wij hier de menschen laten verbranden? Daar

zijn geen kinderen in huis. Daar waren maar twee oude luidjes en eene

meid, en die zitten al een uur in veiligheid."

"Geen kinderen!" mompelde Holstaff: "een raar huisgezin zonder

kinderen. "Nu, ik kan het niet helpen. Dan verliezen die menschen

alleen hun goed. Ik dacht dat zij veel ongelukkiger waren."

Het huis was intusschen tot den grond toe afgebrand; doch daar het stil

weder was, en men de noodige voorzorgen voor de andere huizen nam,

bepaalde zich het onheil tot die eene woning. Ten half vier ure was

men, den brand geheel meester, en zag men langzamerhand de menschen

aftrekken. De reizigers keerden weêr in hun logement; velen bleven uit

voorzigtigheid beneden, waar eenigen op sofa's en stoelen insluimerden,

terwijl anderen, onder een calmerend kopje thee, over den brand

van dien nacht, over de oorzaken en gevolgen redeneerden, en ieder

hunner een of meer dergelijke _scènes_ had bijgewoond, zeer geschikt

om onder zulke omstandigheden te worden meêgedeeld en aangehoord,

maar ook evenzeer geschikt om verder geheel te worden vergeten.

Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden · 第 7 / 43 题