Die plaaslike regering van die O.I.K. het van die begin af sy bes
gedoen om met die binnelande van die Kaapse gebied in aanraking te kom
en die moontlikhede daarvan op kommersiële, landbou- en mynboukundige
gebied te ondersoek. Met daardie doel voor oë het die goewerneurs van
die Kaap tal van sogenoemde landtogte uitgestuur—meestal in noordelike,
maar ook in oostelike rigting—, wat gelas was vertroubare gegewens te
versamel aangaande die aardrykskunde van die land, sy dierlewe, sy
plantegroei, sy inwoners, sy natuurlike hulpbronne. Ander togte, weer,
was meer spesiaal ingerig met die opdrag om slagvee (skape en beeste)
in te ruil van die inboorlinge vir die behoeftes van die amptenare en
die garnisoen van die kasteel en die bemanning van die verbygaande
skepe. So het ons die ekspediesies van Jan Wintervogel, Willem Muller,
Abraham Gabbema, Jan van Herwaerden, Jan Danckaert, Pieter Cruythoff,
Pieter Everaert, Pieter van Meerhoff in die tyd van Jan van Riebeeck;
van Jonas de la Guerre in die tyd van Zacharias Wagenaar; van Jeronimus
Cruse in die tyd van Jacob Borghorst. Ná ’n mislukte tog onder Oloff
Bergh het in 1685 goewerneur Simon van der Stel self hom aan die hoof
gestel van ’n verkenningsonderneming na Namakwaland en het daarin
geslaag tot aan die Buffelsrivier deur te dring en die ryk ertslae van
die koperberge sorgvuldig te laat ondersoek. Sy seun Willem Adriaen het
in 1705 opdrag gegee aan Johannes Starrenburg, die landdros van
Stellenbosch, om ’n nuwe landtog na die noorde te organiseer en daarvan
die leier te wees saam met Jan Hartog, baas-tuinier van die Kompanjie.
Die voorgegewe doel was om die land te verken en o.a. plantkundige
ondersoekinge te doen; die ware doel was om vee in te ruil vir die
goewerneur—nie slagbeeste nie trouens, wat tot dan toe op daardie soort
togte altyd die gewilde koopwaar gewees is, maar trek- en werkosse, wat
Willem Adriaen op sy plaas kon gebruik. Die rapport oor die reis deur
Starrenburg is handig opgestel, sodat ’n oningewyde leser moeilik
daaruit sal kan aflei dat Beëlzebub, soos Adam Tas die landdros genoem
het, nie die tog onderneem het in die belang van die Kompanjie nie. Tog
het die goewerneur die bewoordinge van die verslag nog te gevaarlik
gevind, want o.a. sou daaruit kan geblyk het hoe sy handlangers soms
nie geaarsel het nie om dwang op die inboorlinge uit te oefen en hulle
met die toorn van Willem Adriaen te bedreig in geval van onwilligheid
om hulle beeste af te staan. Toe hy dan ook die rapport opneem in sy
verdediging teen die aanklagte van die koloniste (die „Korte
Deductie”), het hy versigtigheidshalwe ’n aantal volsinne daaruit
weggelaat [230].
Die tog het dieselfde pad gevolg as Simon van der Stel, maar het nie
verder as die Olifantsrivier gekom nie en het dus alleen bekende
terrein „ontdek.” Aan ’n klein, toe droë riviertjie, wat hom ontlas in
die benedeloop van die Olifantsrivier, of die Ruigerivier, is een van
die toggangers, Jan Smit van Antwerpen, deur ’n leeu verras en verskeur
geword. Dit is hierdie tragiese voorval en die daaropvolgende jag op
die leeu wat in ondergaande uittreksel beskrywe word [231].
’N LEEU-AWONTUUR UIT STARRENBURG SE JOERNAAL.
Maandag den 2 November [1705]. Waaren wij vroeg met pakken inspannen en
opzadelen bezig, en togen ontrent 8 uuren verder voort, den cours al
langs de overkant van de Olifantsrivier vervolgende, tot ontrent den
middag dat wy die verlieten en ter regterhand insloegen, langs het
mizerabelste velt dat ’er bedagt kan worden. Het is al te maal rood
zand, bosschen en door de mollen t’ eenemaal ondermijnt; had het mij
mogelijk geweest, ik zoude mijn paard gaarne gedragen hebben, want die
arme beesten konden hun pooten niet verzetten, of zaten bijna tot den
boeg [232] in de molgaten en daar bij scheen de zon tot brandens toe en
nergens was water te krijgen, in somma, noit heb ik verdrietiger
agtermiddag gehad.
Eindelyk quamen wy, na 5 mylen vorderens een kraal te ontdekken in een
zeer aardig gat, tusschen hooge style klipruggen inleggende. In den
regentijd is het een riviertje dat zich in de Olifantsrivier ontlast,
maar nu niet meer dan een dor, diep dal, met 3 of 4 zeer kleine brakke
waterpoeltjes voorzien.
Wy waren regt boven de kraal eer zy het wisten en daalden langs een
zeer stijle klip rugwaarts tot hen te voet na beneden. Op het eerste
gezigt wierden ze heel verbaast; een deel ging aan de andere kant den
berg op, wyl een ander getal jonge gewapende manschap ons te gemoet
trok. Eene der zelve was zoo voorbarig, dat hy bereets een pyl op zyn
boog gelegt had, omme die op my, de voorste zijnde, cours te doen
nemen, maar door het aanleggen van myn roer en het toeroepen van den
Hottentot, die ons den weg had gewezen en verzelde, stak hy die weder
op; en quamen toen met groote nieuwsgierigheid rondom ons, vraagende
zonder ophouden aan onze Hottentots wie wy waren en tot wat einde wy
zoo ver in ’t land quamen, waar op geantwoord zynde, warenze wel in hun
schik. Onze wagens, die een tour om moesten nemen, quamen eindelijk
mede om laag, en wij sloegen onze tent ontrent een kleine schoot weegs
van de kraal ter neder en gingen, na alles wel bezorgt te hebben,
rusten; maar wy wierden wel haast weder gestoort, want omtrent
middernacht begonden de beesten en paarden die voor de tent, tusschen
de wagens stonden, te schrikken en te loopen, en een der wagenrijders
die buiten sliep, te schreeuwen, waar op alle man met geweer ter tent
uitliep. Ontrent 30 treden voor de tent stont een leeuw, die, op het
zien van ons, zeer zagtzinnig ontrent 30 treden verder agter een doorne
boschje ging, dragende iets met zich dat ik meende een jong osje te
zijn. Wij deden over de 60 schoten op dat boschje en doornagelden het
dapper, zonder dat men eenig verder gewag vernam. De Z.O. wind waaide
sterk, de lugt was zeer klaar en de maan scheen op ’t helderste, zoo
dat wy alles op die distantie zien konden.
Na dat de beesten weder tot stilstant gebragt waren, en ik alles eens
overzag, miste ik den schildwagt van voor de tent, zijnde Jan Smit van
Antwerpen, in de groene kloof bescheiden. Men riep hem zoo luid als men
konde, maar te vergeefs, wyl niemant antwoordde, waar uit ik besloot
dat de leeuw hem had weggenomen; 3 of 4 mannen gingen op het
voorzigtigste na dat bosje, dat regt tegen over de deur van de tent
stont, om te zien ofze niets van dien man vernemen konden, maar quamen
hals over kop weder te rug, wyl de leeuw daar nog lag, zich ophefte en
begon te brullen. Zij vonden daar des schildwagts geweer, welkers haan
gespannen was, en deszelfs muts en schoenen.
Wy deden weder wel hondert schoten op dat bosch, dat 60 treden van de
tent en maar 30 treden buiten de wagens stont en waar op men als na een
doel konde schieten zonder den leeuw te vernemen; waar uit wy
presumeerden dat hy dood of weg moest zijn. Dit deed den wildschut, Jan
Hamanszoon [233], resolveren te gaan zien, of hij ’er nog in was of
niet, nemende een brandent hout inde eene hand. Maar zoo ras naderde hy
het bosje niet of de leeuw deed, onder een vreezelyk gebrul, een sprong
na hem, dies hy het brandend hout na hem toe gooide; midlerwijl schoot
het ander volk wel 10 schoten na hem, maar hy retireerde aanstonts
weder op zyn oude plaats, agter dat boschje. Dit brandhout, dat hy na
den leeuw gegooit hadde, was in ’t midden van ’t boschje gevallen, en
door de sterke Z.O. wind aangeblazen, geraakte het in de lichte vlam,
zoo dat men zeer klaar daar in- en dit doorzien konde. Men schoot ’er
nog al geduurig in; ondertusschen verliep de nacht en de dag begon aan
te breken, dat yder een moed gaf om hem alsdan regt te konnen treffen,
wyl hy ’er niet van daan konde of moest zich geheel bloot geven, alzoo
het boschje regt tegen een style kloof aanstont. Zeven mannen op de
buitenste wagen zittende, pasten op om hem, uitkomende, waar te nemen.
Eindelyk ging hy, eer het nog ter degen licht was, met de man in zijn
bek, den berg op kuyeren, krijgende wel 40 schoten na zijn huit, zonder
dat hem eene trof, schoon hem veele zeer na quamen, gelyk wy naderhand
bevonden hebben. Als hem een kogel wat digt by quam, keerde hy hem al
grynzende na de tent en knorrende na ons toe en ik ben van gedagten,
had hem yemant getroffen, dat hij met een volle vaart op tent en volk
aangekomen zoude hebben.
Wy besloten dan dat hy gequetst en niet verre van daar was; hier op
verzogt mij het volk ’t lichaam te mogen gaan opzoeken, om hem te
begraven wyl sy geloofden dat de leeuw door het gestaadig schieten,
niet veel tijd zoude gehad hebben, om daarvan te eeten. Ik stont
eenigen van hen zulks toe, mits een goede party gewaapende Hottentots
mede nemende, en onder belofte datze zich niet in gevaar zouden
begeven, maar gestaadig wel toezien en voorzichtig zijn.
Daar op volgden zy met hun zevenen, geadsisteert van 43 Hottentots, het
spoor, en vonden hem ontrent een halve myl van daar, by het lichaam,
agter een klein boschje, leggen. Hy sprong door het geschreeuw van de
Hottentots daadelyk op en nam de vlugt, waar op zy hem alle naliepen;
ten laatsten keerde het beest zich om en quam vreezelyk brullende onder
den hoop; het volk, ’t welk door ’t loopen vermoeit was, schoot mis, op
welke hy dadelyk aanquam.
Den Baas, of opperste Capitein van de kraal, deed hier een trouwe daad
aan 2 van ’t volk, daar de leeuw het op toezette. Des eenen roer
weigerde en de ander schoot mis; daar op sprong hy tusschen den leeuw
en ’t volk zoo na by, dat de leeuw hem met de eene klauw in de karos
sloeg en met den bek daar in beet, meenende den Hottentot te hebben,
maar die was hem te gaauw, liet zyn karos glippen en duuwde hem een
assegaai in de ribben. Aanstonts sprongen de andere Hottentots ook toe
en verçierden hem met hunne werpspiessen dat het wel een yzerverken
geleek; evenwel hield hy nog niet op met springen en brullen, maar beet
eenige der assegaaistokken af, tot dat hem de wildschut, Jan
Harmanszoon, een schoot in ’t oog gaf, die hem deed kenteren, waar op
de anderen hem verder doodschoten.
Het was een vreezelijk groot beest, en hij had kort te vooren nog een
Hottentot uit deze kraal gehaalt en opgepeuzelt. Ik ben hier dus
langwijlig geweest, om dat my niet voorstaat oit diergelijke assurantie
van een beest gehoort te hebben en de kloekmoedigheid van dien
Hottentot is mede aanmerkelyk.
Des mans lichaam was door hem van agteren met de linkerpoot aan de
linkerzijde van het hoofd geslagen, met den bek in de schouder gevat,
en dus voort gedragen; beide de billen en linker schouder waren
opgegeten. Wy bragtenze alle beide aan de tent, en begroeven den man
daar hy gegrepen was, gelijck wij den leeuw mede onder de aarde staken
op dat hem het vee niet ruiken zoude.
Het was dien ganschen dag brandent weer en de Hottentots waarschouwden
ons dat ’er nog 2 wijfjes hier ontrent waren, waarom ik des
agtermiddags een kraal van doorn liet maaken en op drie plaatzen of
passagies volk met geweer stellen, maar vernamen dien nacht geen
onraad.
Woensdag den 4 dito.
Maakten wy voortgang met de ruiling, daar wy de voorige 2 dagen over
getalmt hadden.... De zonneschijn was hier by na onverdragelyk, en in
de tent was het als in een oven.
Des avonts brulde het langs dit riviertje of alle de leeuwen van Africa
by malkanderen waren. Ik presumeer dat het de 2 wyfies waren omme het
gedoode mannetje te zoeken, dies verwagten wy niet anders dan hun
bezoek dien nagt, hier tegens hadden wy ons door ’t verhoogen onzer
Doorne-Kraal, en ’t stellen van roers, op de passagien, langs welken zy
hunne coers moesten nemen, mitsgaders het stoken van vuuren rondom ons
en ’t houden van dubbele wagt, wel voorzien; maar zy quamen niet.
En wyl hier ontrent geen meer kralen leggen, en voor ons niet te doen
viel, rezolveerde ik weder te rug te keeren om de Gonnemasche Kraalen
op te zoeken.