DIE MUSIEKKUNS VAN DIE HOTTENTOTTE.

Wat haar musiek aanbelangt, dezelve is niet wel in de figuraal en

vocaal musiek te verdelen, om dat de eene buiten de andere zelden of

nooit word gehoort. Ondertusschen zal het nodig zijn de nodige

speeltuigen van de Figuraal-Musiek eerst te beschrijven, welke met die

van de Europeaansche zeer weinig overeenkomen. Een van dezelve is ook

by de slaven gemeen, en kan ik derhalven niet wel zeggen, of dezen het

van de Hottentotten of de Hottentotten het van de slaven uit andere

landen ontleent hebben; by beiden van dezelven is het bekent met den

naam van Gom-Gom.

Deze Gom-Gom is een ronde boog van vast taai houd als olijf of

yzer-hout. Dezelve word met een middelmatige snaar, byna als de second

of A op de viool, bespannen, welke snaar zij zelven van schaapdarmen,

of zenuwen maken. Aan het eene end, daar ze aan den boog word

vastgebonden, maken zy een afgesneden en gesplete penneschacht vast,

welken zy nevens de doorlopende snaar in den mond houden op dat het

dreunen van de snaar haar niet zeer zou doen en aan de snaar ook den

ordentlyken klank niet benomen worde, welke zy door het inhalen en

laten gaan van den adem formeren.

Wanneer zy een volstemmige Gom-Gom willen maken, zoo als men ze ook

eenvoudig, slecht en op de jegenswoordig beschreve wijs heeft, zoo

steken zy aan het ander einde, eer de snaar aan den boog gespannen en

gebonden word, een cocos of klapper-note schaal, die daar gezaagt en

van binnen ter dege uitgeholt en van alle aanklevende huidjes gezuivert

is, welke als de resonans geven moet.

Van deze cocos-noot word van boven maar een derde deel afgezaagt, het

welk men hier wegwerpt, of anders aan een slaaf geeft, om daar uit te

drinken. Het overige en grootste deel maakt men op de gemelde wys aan

de snaar vast, zodanig dat de gaten niet te diep benedewaarts moeten

worden geboort, welke daarenboven ook recht tegen elkander over moeten

staan op dat de overige schaal te beter aan den boog kan sluiten. Om

dat nu de schaal of klank van de snaar daar in als in een ronde holte

weerstuit en zich vermeerdert, zoo klinkt het instrument niet alleen

veel beter, maar zy konnen ook door de beweging van de gemelde

cocos-schelp allerhande tonen maken, welke men op een ander instrument,

zoo eenvoudig als dit, zoude konnen practiseren.

Wanneer drie of vier gom-gommen van verscheide snaren by elkanderen

zyn, en de genen die daarop spelen wel met elkanderen overeenstemmen,

zoo maakt het een zachte en aangename muziek, waar van niemand door het

te hard geluid het hoofd zeer doet, maar het gehoor lieflyk gestreelt

word; en weet ik my te erinneren dat ik eens na het spelen van twee

Hottentotten heb geluistert, die in een stille nacht een zeer aangenaam

nachtmuziek op hare wys te zamen maakten. Wanneer echter bequamer als

Hottentots vingere daar aan quamen en eens de handeling ter dege daar

van hadden, zoude de lieflykheid ver groter wezen, en dit speeltuig

zoude na verloop van tyd tot meerder volkomenheid konnen worden

gebragt.

Behalven de gom-gom hebben zy een ander muzikaal-instrument het welk

een aarde pot is, van zodanigen vorm, als zy zelven maken en elders

beschreven is, en nemen zy daar toe een groten of kleinen pot, zoo als

zy willen. Zy overtrekken denzelven met een schaapvel ’t welk bereid

is. Zy binden het zelve met hunne riemen of zenuwen zeer vast en styf

gespannen daar over; daar na spelen alleenlyk de wyven (en nooit de

mans) daar op met hunne vingers, en slaan daar op zoo als in Braband en

te Duringen in Saxon op den rommelpot gespeelt word, behalven dat

dezelve hen ook by hunne vrolykheden en danzen voor een trom of

keteltrom verstrekken moet, konnende op dezelve ook gene andere tonen

worden gemaakt, als op een keteltrom, zoo als men uit de volgende

muzieknoten zien kan.

Wanneer zy dezen rommelpot gebruiken en daar op spelen, bedienen zy

zich daar onder van vocaalmuziek en schreewen allen te gelyk: Ho, Ho,

Ho, Ho, op de volgende wyze op noten gestelt:

Dit geschreeuw duurt dikwyls een vierde deel uurs na malkanderen, of

zomtijds langer, na dat ’er liefhebbers zyn, die ’er onder danzen. Dit

geschreeuw is voor zich zelven zeer onaangenaam, ten zy de rommelpot in

behorige harmonie daar onder word geslagen en het geschreeuw in

diervoegen word geschikt, dat de tweede eerst begint, wanneer de eerste

reeds eens Ho heeft gezongen, en de derde, als de twede het eerste Ho

heeft geeindigt, en de vierde den derden in een behoorlyke order volgt,

wanneer het nog eenigzins na een overeenstemmende muziek gelykt.

Ondertusschen valt ze den toehoorder ten laatsten verdrietig, wegens

den langen teem en het hard geschreeuw, om dat zy gene andere wyze van

zingen kennen.

’N LEEU-AWONTUUR UIT STARRENBURG SE JOERNAAL.

Uit ou Reisbeskrywinge: Dagverhale en ander letterkundige bronne oor die Kaap · 第 37 / 39 题