OOR DIE GOOI- EN SKERMKUNS VAN DIE HOTTENTOTTE.

Behalven dit snel lopen, konnen zy ook zeer net met stenen en korte

stokken, zoo als ook met Hassagajen en alle andere harde en bequame

dingen werpen; zo dat de Heer Vogel in zyne tienjarige Oost-Indische

Reisbeschryving pag. 76 [225] hen reeds den lof heeft gegeven, dat het

by hen niets nieuws was, dat een Hottentot met een steen 100 schreden

ver een perk van een gulden in den omtrek konde raken; dit doen zij

niet eens of tweemaal, als of zy het maar by geval raakten, maar tien

malen en meer achter malkanderen, zonder eene reis te missen. Het

aanmerkelykste by dit werpen voor een toekyker is, dat hy onmogelyk kan

begrypen, hoe zodanig Hottentot doelen of raken kan, omdat hy geen

ogenblik stil blijft staan, maar in een gestadige beweging is, lopende

dan voorwaard, dan achterwaards, dan ter zyde, en dravende dan gebukt

en dan weder overend, heen en weder terwijl hij den steen zoo gezwind

werpt, eer men zulks voorziet en raakt echter met alle zijne grimassen

het voorgestelde perk zoo net, dat men moet zeggen dat de beste

schutter niet beter het wit zoude hebben konnen raken.

Zij konnen niet alleen zoo net werpen met stenen, maar ook met hunne

Kirri en Rakkum-stok [226], zoo als ook met hunne Hassagayen, zoo dat

hen niets kan voorkomen, waarmede zij deze kunst niet konnen

verrichten. Ik heb dikwijls met verwondering gezien, als zy uit ernst

of jok na elkander wierpen, om dat zy altoos de plaats waar de party

gestaan had, of hem zelven zekerlijk raakten, wanneer hij zich niet

door draajen en buigen of lopen daar van bevrijde. Ook heb ik dikwijls

gezien, dat zy met hunnen Rakum-stok een haas, ree of steenbok in eene

reis dood wierpen, zoo dat de stok of in ’t lichaam bleef steken, of

dat het wild op een andere wijs daar door gedood werd. Dit net werpen

heeft hen misschien gelegentheid gegeven, om op een verdediging bedacht

te zijn en zich in ’t vechten en afweren te oeffenen welk beide zy ook

meesterlyk verstaan......

Dikwils ben ik aanschouwer geweest, wanneer zy zich of uit ernst of uit

jok daar in oeffenden, en derf ik met waarheid zeggen, dat het al zeer

aangenaam om te zien is. Want zy lopen van elkanderen en werpen

malkanderen met stenen, Rackum-stok of ook met hunne lange Hassagayen.

Wanneer de party het geworpene ziet aankomen, gaat hij zelden van zijn

plaats af, ja zelfs bukt hij zich niet als hij maar zijn kirrie in de

hand heeft, dat hy het zelve daar mede kan afpareren. Vervolgens lopen

zy weder dicht by elkanderen, en houden de gemelde kirris in de handen

voor zich of boven het hoofd en doen daar mede zulke aardige stoten,

dat men niet weet, wat men van die aardige kunst zal denken en

twijffelt of een Europeaansche schermmeester dit wel beter zouw klaaren

als een Hottentot, te meer als men ziet hoe konstig zij deze laatste

houw en steek weten af te keren.

Ik hou my t’ eenemaal verzekert, dat wanneer een bequaam en wel

geoeffende schermmeester met een Hottentot zoude vechten, en dat zy

beide eenerlei geweer [227] hadden, de schermmeester of beschaamt hene

zoude moeten gaan, of ten minsten dat hy niet veel op zyne bequaamheid

zoude hebben te roemen; om dat zy zoo wel valsche quinten [228] en

zij-sprongen weten te maken als een schermmeester, en vrij wat beter en

vaardiger [229].

Uit ou Reisbeskrywinge: Dagverhale en ander letterkundige bronne oor die Kaap · 第 36 / 39 题