Misdade van die Slawe.
Eenigen tyd daar na [212] is ’er een zeer droevig en beklagelyk geval
door een party weggelope slaven en slavinnen gebeurt, ’t welk ik der
moeite wel waardig acht dat ik den lezer de gantsche geschiedenis
omstandiger verhaal dan ik reeds in een van myne vorige hoofdstukken
gedaan heb.
Eenige slaven en slavinnen van verscheide burgers maakten eenen aanslag
om geweer van hunne meesters te stelen en de vlugt te nemen, om daar
door hare verlore vryheid weerom te bekomen [213]; zy waren onder
malkanderen ook overeengekomen dat ’er een van hen koning en eene
koninginne zoude zijn [214], met magt om allerhande bedieningen onder
hen als vrye luiden te begeven. Aldus ’t hazenpad gekozen en achter den
Duivelsberg gekomen, zagen zy eenen schaaphoeder van den burgermeester
Cornelis Botma [215] den welken zy wilden dwingen eenige hamels zonder
geld te laten volgen. Door dien hy zich echter daartegen kante, en ’t
belang van zyn meester na behoren behertigde, sneden zy hem den hals af
en lieten hem in zyn bloed leggen. Vervolgens dodeden zy ook eenige
hamels en namen in een dal achter den Tafelberg, welk dal met bomen
bedekt was, de vlugt, alwaar zy hunne hamels kookten en zich vrolyk
maakten.
Den anderen morgen, met het krieken van den dag, sloegen zy hunne
tenten op en trokken dieper landwaarts in, terwijl hunne meesters niet
wisten waar deze baldadige landlopers gebleven waren en twyffelden of
zy misschien de 5 slaven van den heer keldermeester Jacob de Wets [216]
verlede jaar weggelopen, waren gevolgt. Deze vlugt wierd aan den
fiskaal independent ook bekent gemaakt, dog deze wist ook niet waar hy
ze zoude laten zoeken. Ondertusschen deeden deze vermetele vlugtelingen
niet dan stelen en moorden tot dat zy eindelyk in den Groenen Kloof nog
een groter schelmstuk uitvoerden. Wanneer zy, zoo als gemeld is, in den
Groenen Kloof quamen, ontmoeten zy eenen Duitscher van Hamburg van
geboorte die ’t vermaak van de jagt nam en wyl zy hem van verre zagen
aankomen, verborgen zy zich achter struwellen tot dat hy dicht by hen
was, wanneer zy hem allen teffens op ’t lyf vielen en ’t geweer afnamen
met deze woorden: „Wat wilt gy doen? Gy moet sterven; wilt gy bidden,
zoo maakt het kort, wy hebben niet lang tyd.” Daar op verzocht deze
Duitscher dat zy hem maar een weinig tyd mogten vergunnen, om zyn ziel
in Gods bescherming te bevelen zoo als zy ook deden. Dog wyl hy in zyn
gebed aanhield en hen de tyd te lang viel, zeiden zy tegen hem: „Maakt
dat gy ons niet ophoud, wy konnen zoo lang niet wachten.” Ondertusschen
lieten zy hem op zyn lang smeken nog een Vader Onze bidden waar na zy
hem ’t hoofd insloegen [217], en als zy zagen dat hy dood was, sneden
zy hem den buik op, namen ’t ingewand daar uit en hingen de darmen over
de struiken en lieten hem aldus leggen [218].
Wie heeft ooit van een yzelyker gruwelstuk gehoort? Wie heeft ooit
gelezen dat een moordenaar eenen rampzaligen aldus heeft gehandelt?
Geen beest pleegt tegens zyns gelyke eene zodanige gruwzaamheid, veel
min kan zulks met een mensch bestaan. Dog de maat van hare zonden zal
nu ras vol worden, vermids zy zich van hier begeven en eenen
diergelyken of nog wel afgryzelyker moord in den zin hadden, dien God
echter belet heeft.
Haar aanslag was zich na de Saldanha-Baay te begeven, om dat zy hadden
gehoort dat ’er maar een man dien post der Voortreffelyke Maatschappy
bewaarde en op de aankomende schepen achting gaf en dat de anderen
elders gebruikt wierden. Tegen den avond quamen zy aan dat huis onder
voorwentzel dat zy van hunne principalen uitgezonden waren om geweer na
hunne veeplaatzen te brengen. Deze eenvoudige geloofde zulks, te meer
om dat hy kleine kinderen by hen zag. Ondertusschen vernam hy van eene
slavinne, die hy ter zyde in een ander vertrek had gebragt, hunnen
goddelozen aanslag, te weten, om hem dezen nagt te vermoorden, als mede
dat zy reeds de twee verhaalde moorden hadden gepleegt en bad hem dat
hy tog ter dege op zyne hoede zoude zyn, en, na dat hy haar had
verboden om aan iemand iets daar van te zeggen, liet hy ze gaan en riep
den eenen na den anderen in zyne kamer, alwaar hy hen zoo voort de
handen op den rug bond met bedreiginge, dat hy de geene die den mond
opende om te schreeuwen zoo voort door den kop zoude schieten en hy
bleef den gantschen nacht by hen, om te beletten dat de een den anderen
los maakte. Zoo dra de dag begon aan te breken, bond hy ze allen met
een touw aan malkanderen en dreef ze aldus voor zich, de slavin alleen
liet hy vry gaan tot dat hy ze aan de Kaap zelf bragt [219].
Zoo dra zy daar quamen, wierden zy in een donker gat geworpen; kort
daar na naauwkeurig ondervraagt en, alles beleden hebbende, op de
volgende wys gevonnist: dat vyf [220] van hen levend zouden worden
gerabraakt, daar onder hare koning en hoofdmoordenaar die alvorens met
gloejende tangen zoude genepen worden; wyders dat zy allen levend van
’t kruis genomen, op een rad gezet en aldaar zoo lang met spys en drank
verzien zouden worden tot dat zy van zelf den geest gaven, voorts dat
de koninginne aan een paal gewurgt zouden worden en dat alle de anderen
met stroppen om den hals de executie onder de galg zouden aanzien, en
vervolgens strengelyk gegeesselt en op ’t voorhoofd gebrandmerkt
worden.
Eer en alvorens dit vonnis wierd voltrokken verzocht de geen die deze
midsdadigers herwaards gebragt had, nogmaals zeer instandig dat de
behoudster van zyn leven, menende de slavinne, die hem dezen aanslag
had geopenbaart van de straffe mogt worden verschoont; dog wat redenen
men heeft gehad om zulks niet te doen hebbe ik nooit konnen ontdekken;
zy moest nevens de anderen gelyke straffe uitstaan en quam niemand vry
als een kind van 8 jaren [221] dat de vader gedwongen had mede te gaan
en een dochtertje van een half jaar dat de zoo genaamde koninginne met
zich op haar rug genomen had.
Wanneer ik de executie zag, stont ik verstelt over de hardnekkigheid
van deze booswigten, want daar anders iemand de felle pyn van ’t breken
van zyne leden voelt, zoo als by ’t rabraken geschied, zoo heb ik
overal waargenomen dat zodanige rampzaligen erbarmelyk schreeuwen; dog
hier hoorde ik by geen eenen slag een enkelt woord zelfs niet „O wee!”
en wanneer men ze van ’t kruis nam en levend langs eene ladder ophaalde
en twee aan twee met den rug tegen elkander op een rad zette en ze met
een touw om haar lyf daar op vast bond, maakten zy wederom geen gerucht
ter waereld en verzochten enkelyk water om te drinken, roepende in de
Portugeesche tale: „Ago, por bebe” ’t welk hen niet alleen gegeven
wierd maar men bood hen ook wyn en allerhande spys aan, waartoe zy
echter geen trek hadden.
Dien namiddag ten 3 uuren gaven zy den geest en wierden door de
beulsknechts van de raden afgestoten, naderhand twee aan twee aan
malkanderen gebonden en door drie beulsknechts door alle straten buiten
na ’t gerecht gesleept en aldaar weder op raden gezet. De koningin
stont toen ze gewurgt zoude worden op een stoeltje en wanneer men het
weg trok viel zy voor over om dat de strop aan stukken brak; dog door
dien zy zoo voort weder de oogen opende en na de lucht snakte, wierd zy
op bevel van den rechter andermaal gewurgt en vervolgens met haar
gemaal den gemelden koning gesleept en tegen hem over aan de galg
gehangen.
Is dat niet een treurig en droevig voorbeeld, dat een menschelyk hert,
’t welks slechts een weinig nadenken heeft, zodanig kan doen ijzen dat
het met diergelyke booswigten onmogelyk medelyden hebben kan? Ik
verzeker u, Lezer, dat ik eene grilling over myn gantsch lichaam voel,
zoo dikwyls als ik daar om denk, om dat ik vele zelfs zwaarder
executien heb gezien, dog gene daar de misdadigers zoo verstokt geweest
zyn. Wie nu een weinig gevoelig is, zal zekerlyk deze vermetelheid niet
alleen vervloeken, maar ook eene zodanige hardnekkigheid doemen.
[22 Oktober word Kolbe aangestel as sekretaris ad interim van Landdros
en Heemrade op Stellenbosch.]
Terwyl ik echter dit ambt bekleedde, vielen ’er zeer zeldzame zaken
voor, waar van ik ’er maar eenige mededelen zal, want dezelve alle te
verhalen zoude te wydlopig en te verdrietig vallen. Van moordaardige
slaven heb ik reeds een gruwzaam exempel verhaalt.
Een ander (slaaf [222]), dien de Heer Elzevier heeft laten verkopen,
verstoute zich uit wraakzucht, ’t huis van zynen gewesenen heer op
Elzenburg in den brand te steken [223]. Door dien hy echter door de
slaven, die ’t huis bewaarden verscheidemalen in zyn voornemen belet,
en eindelyk door dezelven gevat en herwaards na Stellenbosch gebragt
wierd, zoo liet Landdrost Mulder hem na de Kaap brengen, en maakte hem
na vrywillige bekentenis zyn proces welkers slot was dat hy met een
keten om ’t lichaam aan een paal zoude vastgemaakt en hout rontom hem
gelegt, en aldus levend verbrand of gebraden werden [224].
Nooit had ik konnen denken dat een mensch dien de vlam gestadig in de
oogen en in ’t aangezicht speelt, zoo lang konde leven, als deze deed;
want hy liep niet alleen lang rontom den paal en weerde de vlam van
zich af, maar hy beweegde heel lang armen en beenen, en riep overluid:
„O Deos mio pay!” O God, myn Vader! en leefde aldus ruim een quartier
uurs in ’t vuur. Waar uit dan licht is af te nemen, dat, wyl zyn
lichaam niet verbrand maar gebraden is, zulks een zeer pynelyke en
erbarmelyke dood moet zyn, waar mede schier geene zoort van dood kan
vergeleken worden.