UIT PETER KOLBE SE „BESCHRYVING VAN DE KAAP DE GOEDE HOOP.”

Misdade van die Slawe.

Eenigen tyd daar na [212] is ’er een zeer droevig en beklagelyk geval

door een party weggelope slaven en slavinnen gebeurt, ’t welk ik der

moeite wel waardig acht dat ik den lezer de gantsche geschiedenis

omstandiger verhaal dan ik reeds in een van myne vorige hoofdstukken

gedaan heb.

Eenige slaven en slavinnen van verscheide burgers maakten eenen aanslag

om geweer van hunne meesters te stelen en de vlugt te nemen, om daar

door hare verlore vryheid weerom te bekomen [213]; zy waren onder

malkanderen ook overeengekomen dat ’er een van hen koning en eene

koninginne zoude zijn [214], met magt om allerhande bedieningen onder

hen als vrye luiden te begeven. Aldus ’t hazenpad gekozen en achter den

Duivelsberg gekomen, zagen zy eenen schaaphoeder van den burgermeester

Cornelis Botma [215] den welken zy wilden dwingen eenige hamels zonder

geld te laten volgen. Door dien hy zich echter daartegen kante, en ’t

belang van zyn meester na behoren behertigde, sneden zy hem den hals af

en lieten hem in zyn bloed leggen. Vervolgens dodeden zy ook eenige

hamels en namen in een dal achter den Tafelberg, welk dal met bomen

bedekt was, de vlugt, alwaar zy hunne hamels kookten en zich vrolyk

maakten.

Den anderen morgen, met het krieken van den dag, sloegen zy hunne

tenten op en trokken dieper landwaarts in, terwijl hunne meesters niet

wisten waar deze baldadige landlopers gebleven waren en twyffelden of

zy misschien de 5 slaven van den heer keldermeester Jacob de Wets [216]

verlede jaar weggelopen, waren gevolgt. Deze vlugt wierd aan den

fiskaal independent ook bekent gemaakt, dog deze wist ook niet waar hy

ze zoude laten zoeken. Ondertusschen deeden deze vermetele vlugtelingen

niet dan stelen en moorden tot dat zy eindelyk in den Groenen Kloof nog

een groter schelmstuk uitvoerden. Wanneer zy, zoo als gemeld is, in den

Groenen Kloof quamen, ontmoeten zy eenen Duitscher van Hamburg van

geboorte die ’t vermaak van de jagt nam en wyl zy hem van verre zagen

aankomen, verborgen zy zich achter struwellen tot dat hy dicht by hen

was, wanneer zy hem allen teffens op ’t lyf vielen en ’t geweer afnamen

met deze woorden: „Wat wilt gy doen? Gy moet sterven; wilt gy bidden,

zoo maakt het kort, wy hebben niet lang tyd.” Daar op verzocht deze

Duitscher dat zy hem maar een weinig tyd mogten vergunnen, om zyn ziel

in Gods bescherming te bevelen zoo als zy ook deden. Dog wyl hy in zyn

gebed aanhield en hen de tyd te lang viel, zeiden zy tegen hem: „Maakt

dat gy ons niet ophoud, wy konnen zoo lang niet wachten.” Ondertusschen

lieten zy hem op zyn lang smeken nog een Vader Onze bidden waar na zy

hem ’t hoofd insloegen [217], en als zy zagen dat hy dood was, sneden

zy hem den buik op, namen ’t ingewand daar uit en hingen de darmen over

de struiken en lieten hem aldus leggen [218].

Wie heeft ooit van een yzelyker gruwelstuk gehoort? Wie heeft ooit

gelezen dat een moordenaar eenen rampzaligen aldus heeft gehandelt?

Geen beest pleegt tegens zyns gelyke eene zodanige gruwzaamheid, veel

min kan zulks met een mensch bestaan. Dog de maat van hare zonden zal

nu ras vol worden, vermids zy zich van hier begeven en eenen

diergelyken of nog wel afgryzelyker moord in den zin hadden, dien God

echter belet heeft.

Haar aanslag was zich na de Saldanha-Baay te begeven, om dat zy hadden

gehoort dat ’er maar een man dien post der Voortreffelyke Maatschappy

bewaarde en op de aankomende schepen achting gaf en dat de anderen

elders gebruikt wierden. Tegen den avond quamen zy aan dat huis onder

voorwentzel dat zy van hunne principalen uitgezonden waren om geweer na

hunne veeplaatzen te brengen. Deze eenvoudige geloofde zulks, te meer

om dat hy kleine kinderen by hen zag. Ondertusschen vernam hy van eene

slavinne, die hy ter zyde in een ander vertrek had gebragt, hunnen

goddelozen aanslag, te weten, om hem dezen nagt te vermoorden, als mede

dat zy reeds de twee verhaalde moorden hadden gepleegt en bad hem dat

hy tog ter dege op zyne hoede zoude zyn, en, na dat hy haar had

verboden om aan iemand iets daar van te zeggen, liet hy ze gaan en riep

den eenen na den anderen in zyne kamer, alwaar hy hen zoo voort de

handen op den rug bond met bedreiginge, dat hy de geene die den mond

opende om te schreeuwen zoo voort door den kop zoude schieten en hy

bleef den gantschen nacht by hen, om te beletten dat de een den anderen

los maakte. Zoo dra de dag begon aan te breken, bond hy ze allen met

een touw aan malkanderen en dreef ze aldus voor zich, de slavin alleen

liet hy vry gaan tot dat hy ze aan de Kaap zelf bragt [219].

Zoo dra zy daar quamen, wierden zy in een donker gat geworpen; kort

daar na naauwkeurig ondervraagt en, alles beleden hebbende, op de

volgende wys gevonnist: dat vyf [220] van hen levend zouden worden

gerabraakt, daar onder hare koning en hoofdmoordenaar die alvorens met

gloejende tangen zoude genepen worden; wyders dat zy allen levend van

’t kruis genomen, op een rad gezet en aldaar zoo lang met spys en drank

verzien zouden worden tot dat zy van zelf den geest gaven, voorts dat

de koninginne aan een paal gewurgt zouden worden en dat alle de anderen

met stroppen om den hals de executie onder de galg zouden aanzien, en

vervolgens strengelyk gegeesselt en op ’t voorhoofd gebrandmerkt

worden.

Eer en alvorens dit vonnis wierd voltrokken verzocht de geen die deze

midsdadigers herwaards gebragt had, nogmaals zeer instandig dat de

behoudster van zyn leven, menende de slavinne, die hem dezen aanslag

had geopenbaart van de straffe mogt worden verschoont; dog wat redenen

men heeft gehad om zulks niet te doen hebbe ik nooit konnen ontdekken;

zy moest nevens de anderen gelyke straffe uitstaan en quam niemand vry

als een kind van 8 jaren [221] dat de vader gedwongen had mede te gaan

en een dochtertje van een half jaar dat de zoo genaamde koninginne met

zich op haar rug genomen had.

Wanneer ik de executie zag, stont ik verstelt over de hardnekkigheid

van deze booswigten, want daar anders iemand de felle pyn van ’t breken

van zyne leden voelt, zoo als by ’t rabraken geschied, zoo heb ik

overal waargenomen dat zodanige rampzaligen erbarmelyk schreeuwen; dog

hier hoorde ik by geen eenen slag een enkelt woord zelfs niet „O wee!”

en wanneer men ze van ’t kruis nam en levend langs eene ladder ophaalde

en twee aan twee met den rug tegen elkander op een rad zette en ze met

een touw om haar lyf daar op vast bond, maakten zy wederom geen gerucht

ter waereld en verzochten enkelyk water om te drinken, roepende in de

Portugeesche tale: „Ago, por bebe” ’t welk hen niet alleen gegeven

wierd maar men bood hen ook wyn en allerhande spys aan, waartoe zy

echter geen trek hadden.

Dien namiddag ten 3 uuren gaven zy den geest en wierden door de

beulsknechts van de raden afgestoten, naderhand twee aan twee aan

malkanderen gebonden en door drie beulsknechts door alle straten buiten

na ’t gerecht gesleept en aldaar weder op raden gezet. De koningin

stont toen ze gewurgt zoude worden op een stoeltje en wanneer men het

weg trok viel zy voor over om dat de strop aan stukken brak; dog door

dien zy zoo voort weder de oogen opende en na de lucht snakte, wierd zy

op bevel van den rechter andermaal gewurgt en vervolgens met haar

gemaal den gemelden koning gesleept en tegen hem over aan de galg

gehangen.

Is dat niet een treurig en droevig voorbeeld, dat een menschelyk hert,

’t welks slechts een weinig nadenken heeft, zodanig kan doen ijzen dat

het met diergelyke booswigten onmogelyk medelyden hebben kan? Ik

verzeker u, Lezer, dat ik eene grilling over myn gantsch lichaam voel,

zoo dikwyls als ik daar om denk, om dat ik vele zelfs zwaarder

executien heb gezien, dog gene daar de misdadigers zoo verstokt geweest

zyn. Wie nu een weinig gevoelig is, zal zekerlyk deze vermetelheid niet

alleen vervloeken, maar ook eene zodanige hardnekkigheid doemen.

[22 Oktober word Kolbe aangestel as sekretaris ad interim van Landdros

en Heemrade op Stellenbosch.]

Terwyl ik echter dit ambt bekleedde, vielen ’er zeer zeldzame zaken

voor, waar van ik ’er maar eenige mededelen zal, want dezelve alle te

verhalen zoude te wydlopig en te verdrietig vallen. Van moordaardige

slaven heb ik reeds een gruwzaam exempel verhaalt.

Een ander (slaaf [222]), dien de Heer Elzevier heeft laten verkopen,

verstoute zich uit wraakzucht, ’t huis van zynen gewesenen heer op

Elzenburg in den brand te steken [223]. Door dien hy echter door de

slaven, die ’t huis bewaarden verscheidemalen in zyn voornemen belet,

en eindelyk door dezelven gevat en herwaards na Stellenbosch gebragt

wierd, zoo liet Landdrost Mulder hem na de Kaap brengen, en maakte hem

na vrywillige bekentenis zyn proces welkers slot was dat hy met een

keten om ’t lichaam aan een paal zoude vastgemaakt en hout rontom hem

gelegt, en aldus levend verbrand of gebraden werden [224].

Nooit had ik konnen denken dat een mensch dien de vlam gestadig in de

oogen en in ’t aangezicht speelt, zoo lang konde leven, als deze deed;

want hy liep niet alleen lang rontom den paal en weerde de vlam van

zich af, maar hy beweegde heel lang armen en beenen, en riep overluid:

„O Deos mio pay!” O God, myn Vader! en leefde aldus ruim een quartier

uurs in ’t vuur. Waar uit dan licht is af te nemen, dat, wyl zyn

lichaam niet verbrand maar gebraden is, zulks een zeer pynelyke en

erbarmelyke dood moet zyn, waar mede schier geene zoort van dood kan

vergeleken worden.

Uit ou Reisbeskrywinge: Dagverhale en ander letterkundige bronne oor die Kaap · 第 35 / 39 题