DIE RAMPSPOEDIGE REIS VAN DIE GOUDEN BUYS.

Droevig Verhaal van ’t schip de „Gouden Buys,”

Uytgevaren voor de Camer van Enckhuysen, naer Oost-Indien, op den 4

Mey, Onder Commando van Schipper Theunis Baanman.

Na dat de Heeren Bewindthebberen van de Oost-Indische Compagnie ter

Camer Enckhuysen [145] de monsteringe van ’t Scheepsvolk bestaende in

ruym 190 man op den 9. April 1693 hadden gedaen, zeylden ’t schip den

12. dito van de reede der stadt Enchuysen af na Texel en geraeckte dien

dagh voor de Ven en den 14. dito onder de Vlieter [146] ten Ancker,

alwaer de meeste inladinge gelijck oock ’t meerendeel des Scheeps-volck

aen boort quam en op den 24. April den schipper met den boeckhouder en

vordere Officieren. Van daer weer verzeylende quamen in Texel op de

Koopvaarders Reede en eyndelijck tusschen ’t Nieuwe Diep en de Helder

[147] ten ancker; daer gevonden hebbende ’t Schip de Koning William en

’t gajoot [148] de Kers, beijde van de camer van Amsterdam, mede

gedestineert naer Indien: wierd ’er door de Heeren Gecommitteerdens van

beijde dese respective cameren, en hare schippers met eenige doenmaels

in Texel leggende Guinees, Surinaams, Lissabonsvaerders [149] Compagnie

en vorder admiraalschap gemaeckt [150], de schepen der Ed. Maetschappij

tot Commandeur en Vice Commandeur verkooren zijnde, meende man op den

1. Mey ’t Zee te geraken en waren al onder zeyl; doch de windt enigsins

tot nadeel lopende most dese vloot weder te rug en koste in ’t vallen

laten van ’t ancker het leven van een Matroos welcke met de poortuurlyn

[151] over boort wierd geslagen en quam niet weer boven. Eyndelijck

geraeckte men op den 4. Mey na zee, dog met seer groot perikel van het

schip en volck; want het ancker met groote moeyte geligt zijnde, konde

niet om hoog na begeerte gewonden werden, wat vlijt dat ’er oock by ’t

gantsche scheepsvolck wierde aengewent, echter men schokte soo met een

uytgestort Mars-Zeyl [152] na ’t Gat [153]; Doch niet sonder groote

vreese van een ervaren lootsman, om hier door aen de lagerwal, of op ’t

eygen ancker in ’t droogste van ’t Gat aen de gront te geraken; En hoe

wel men hier door seer belemmert was, sulcks dat men ’t achterste van

de vloot geraekten, men quam eyndelijck buyten gaets en in zee.

Den 7. dito sturf een soldaet.

Den 10. dito sag men de Schotse kust [154].

Den 12. dito was men daer noch onder ’t landt en kregen een zwaren

storm waerdoor wy genootsaeckt wierden een bijlegger te maken [155].

Het duerde tot den 17 dito, wanneer het weer wat bedaerde en een

bakstagh wind [156] kregen.

Den 18 dito quamen ons 4 schepen in ’t gesigt.

Een den 19 dito sagen wij Fairhil [157].

Den 20 dito passeerde deselve.

Den 22 dito storf den opper kuiper Reynder Luytsz. van Enchuisen.

Den 26 dito sagen wij de klip Rocolle [158].

Den 31 dito begon ons volck seer af te nemen en kregen verscheyden

siecken, dogh storf niet meer als een man, zijnde den bottelier Harme

Claasz. Langelens, van den 10. Juny tot op den 18. Juny aen toe. Doe

men nu echter met veele tegen winden achter Engelandt was omgekomen

begon den voortgang te beteren ende siecken eenigsins weder op te komen

en was de toestandt van saken in ’t schip redelijck wel want men bevont

sig op den 12. Juny al op de hoogte van 34 graden 0 min. noorder breete

en op den 18. dito op 24 graden 30 min. als wanneer het een goeden

spoet maeckten, ’t geene alles den leeser uyt de brieven van den

schipper geschreven aen zyn huysvrouw, als oock die van den boekhouder

aen zijn vader en van andere officieren kan afnemen en sien.

[Hier volg vier briewe wat die voorgaande bevestig.]

Uyt dese brieven welcke gekomen zijn met de Surinaams en

Guinees-vaerders, dien doen van haer affscheyden kan den leeser afnemen

dat alles doen wel gestelt was en een yder met genoegen en goede

eenigheyd de reys vervorderde, insonderheyd de officieren onder

malkanderen, doch hoe wel sy met den anderen waren en wat goeden

voortganck sy maeckten, sy scheenen als tot haer ongeluck te haesten;

want eer S. Jaga [159] in ’t gesigt was warender al 14 dooden. Hier

scheyde het galjoot de Kers van haer om ’t gemelde Eylandt aen te doen

en de siekten weder toenemende ordonneerde den schipper twee beddinge

voor de sieken op het onderdeck te maken en zeylden doen by de windt

voort. Eyndelijck omtrent de Linie, als wanneer den schipper van de

Koning William aan ons boort quam, en siende den bedroefden toestandt

wenste ons wel met haar volk te konnen helpen, maar hadde selver mede

veele sieken waar op hy tegens den avondt zeyl maakte en ons verliet;

als wanneer in ’t Schip den Gouden Buys ruym 40 dooden en aan de kant

van de 50 sieken werden getelt. 7 a 8 weeken dreven in stilte omtrent

de Linie om de selve te passeeren ’t geen de siekte door de groote

hitte meer en meer vermeerderde, soo dat ’er op eenen dag wel 6 a 7 te

gelyck sturven en over boort wierden geset.

Droevigh was ’t om te aanschouwen, Godt dagelijks om uytkomst

aanroepende; eyndelijk geraakte na veel suckelens door de Linie.

Omtrent desen tijdt viel weder een matroos overboort en verdronck. Op

sekeren avondt doen het gebedt soude geschieden, quamen alle de

gesonden in de selve ende den schipper, ongeveer maar 30 man bij hem

vernemende, vraagde den schipper aan de quaertiermeester Harmen Jansz.

of dit al het gesonde en de rest siek waren, het welk den schipper met

verbaastheyd al suchtende dede uytbarsten: „Lieve God! zegen ons; is

dit al mijn gesondt volck van 104 zielen dewelcke noch binnens boort

moeten wesen? Wat wil dit noch worden?”

Meenichmaal seyde de schipper, na ’t eyndigen van ’t gebed, dat soo

daar by de siecken eenige lust tot het een of ’t andere waar, van dat

geen by hem in de kajuit of in ’t schip was, sy het maar souden eyschen

en halen en die niet selfs konde komen, om dat geene dat hy garen had

te halen dat hy dan sijn maat ofte ymandt anders konde zenden en dat

hem soude gegeven worden dat geene dat tot verquickinge soude kunnen

dienen, gelijck sulcks meermaal is geschiedt en uytgedeelt. Wat na dese

tijd passeerde wy de hooghte van d’Abrollus [160], alwaar ons een

travaat [161] soo heftigh trof dat wy onse kruys-stengh [162] en

groote-stengh [163] verlooren; onse voor-stengh was ook seer beschadigt

maar bleef nog staan. Hier bleven wy 3 a 4 etmaal in desen desolaten

staat leggen drijven; eyndelijck malkander nieuwe moedt gevende, kreeg

Lourens Thijsz., derde timmerman, met hulp van ’t andere volck alles

weder vaardigh; wy hadden doen al 3 timmerlieden doodt en de vierde

lagh sieck ter kooy. Wy zeylden dan in Gods Naem weder henen, hopende

nog met hulp van Godt het schip behouden over te brengen.

4 a 5 Dagen hier naer verlooren onse onder stuerman ende de opper lagh

in sijn kooy heel kranck; twee dagen hier naer sturf onse derde waak

[164], met onse schipper was het oock niet wel die ook seer begost te

klagen.

Omtrend desen tijd quam ons een schip in ’t gesight, zijnde als doen na

gissinge omtrent 300 mijlen van de Caap; het schip ons naderende quam

onse schipper met sijn siecke leeden voor den dag en liet onse reen met

kettinge vast maken [165]; wy waren doen siecken als gesonden ruym 30

man sterck, maakten alles dat tot tegenweer diende vaardigh [166] maar

doen wy het selfde nader quamen, toonde hij een roode vlagh waer uyt wy

vermoeden dat het een Deen ofte een Engels schip was. Hy bleef

ander-half etmael by ons, als wanneer hy weder uyt ons gesight raakte,

hebbende doen een goede windt, zeylende op ’t seggen van onse stuermans

jonge die wat van de navigatie geleert hadde en vorder van den schipper

onderrigt wierde voort, want wy hadden doen geen eene stuerman meer en

onse schipper lag oock heel sieck in de kooy; oock hadden wy geen eene

chirurgijn, in somme wy waren soo zwack van volck dat wy naeulijks het

roer konde bedwingen.

Eyndelijck raakten met hulp van onsen stuermans jonge soo verre dat wy

den 11 October het landt in ’t gesigt kregen, alwaar wy digt onder en

tot op een mijl na aen landt liepen. Kort hier op quam een travaad die

ons marsseil vande raa [167] in zee deed wayen; onse schipper liet de

gesonde in de kajuyt by hem komen die in 6 a 7 man bestonden en seyde:

„Mannen, sou het niet beter wesen dat gy het zee-waerts lag?” [168]

maar antwoordde van neen, wat souden wy met ons kleyn getal volck uyt

rechten? Eyndelijk op het lang aanhouden van den schipper staken met

dese weynige machteloose nogtans weder ’t zee of ’t nog mogelijk waer

om de Caap of de Saldange Baey te konnen winnen dog alles te vergeefs.

Na dat wy nu 8 dagen ’t zee hadden gezworven en ’t landt al weder uyt

het gesigt waren geweest, kon men door contrarie windt geen hooger

haven bestevenen; dies quamen wy ter voornoemde plaets in S. Helenaes

Baey ten anker. Wy waren geen 6 man sterk bequaam eenige dienst te

doen, de rest moesten haer op handen en voeten behelpen; trecken de

groote en fokke raa [169] neder; maakte het voor marsseyl [170] los,

besloegen [171] de blinde [172] en bergden de zeylen onder in ’t schip;

bleven in dese gestalte omtrent 2 a 3 weeken leggen hopende door het

een of ’t ander middel gered te werden.

Als wy hier dan dus lange vruchteloos gelegen hadden, ontbood de

schipper, die nu al 14 dagen plat te bedd’ had gelegen die gene die wat

konde gaan in cajuyt by hem, alwaar wy met ons 13 a 14 man quamen. Hy

seyde: „Mannen, wy hebben hier dus lang gelegen en sien geen hulp op

uytkomste. Wie heeft lust om na de Saldange Baey te gaen die maer 12 a

14 mijlen van hier leyt, daer sult gy Christenen vinden om die te

spreeken.” Hier op traden wy met ons sevenen toe te weten Jacob Lepi

[173] boekhouder,—de commandeur van de soldaten,—Flip Warlo, Schiman

[174],—Jan Christiaansz., botteliers-maat [175],—Jan Harder,

soldaat,—Daniel Silleman, watermaker [176] en ick, Lourens Thijsz,

timmerman. Maekten ons dan vaardig om aen land te gaen en kreegen ter

nauwer nood op den 11 November de schuyt buyten boort; namen de man

twee beschuyten, een kan water, een bottel wyn, een met brandewyn, yder

wat tobak, een paar pistolen, vier snaphanen en elck een hou-degen,

waar mede by den schipper zijn gegaan die wy veel gesontheyd

toewensten, gelijk hy ons yder man voor man by de hand vattede ook

geluck toe-wenste met aanmoedinge van onse reyse kort voort te setten;

wy lieten hem in een slechte staet heel krank leggen, wel te gemoet

siende dat wy hem niet levendig souden weer vinden; trocken zo op de

Reys.

Hier mede sijn wy in de schuyt gegaen en na land geroeyt, alwaar tegen

de middag zijnde den selven 11 Novemb. aan quamen; op ’t land gekomen

zijnde dronken malkander toe uyt een bottel france wyn; hier op

marscheerden wy in Gods naem de strand langs.

Als wy omtrent derdehalf uur [177] gegaan hadden, leyden het tegens een

zand-heuvel aen strand neder, latende de zee aan de rechterhand soo ons

van de schipper belast was, maakte wat vuyr en rookte een pijp toebak

en ging met ons vijven leggen slapen latende twee de wacht houden die

na verloop van eenigen tijd van twee andere verlost wierden; bragten

dese nagt over sonder eenigh wild gedierte te vernemen, marcheerden des

morgens weder soetjes voort want het hard lopen wegens de scheurbuyek

ons benomen was, ’t welck ons ook geen meerder beschuyt had doen mede

nemen. Tegen den avond, na dat wy vuyr gemaakt en een pijp toebak

gerookt hadden, leyden wy ons weer te slapen en hielden wacht als

vooren; in de nagt deden wy verscheyden schoten om eenige vreemde

beesten die wy vermoedende waren van ons af te weeren en de nagt over

gebragt zijnde, zijn wy met de morgenstond weder aan ’t marcheeren

geraakt en quamen omtrent 10 uyren in de Bogt van de Baay. Dese bogt

was omtrent twee en een halve mijl van de plaats daar wy met de schuyt

aan quamen, daar wy echter door onse zwakheyd nu omtrent twee etmaal

over gegaan hadden; alwaar wy een revier vonden die genaemt wierd (zo

ons naderhand onderricht is) de Berg Revier; hadden geen meer water,

weshalven verblijd waren maer het duirde niet lang door dien de rivier

geen soet maer sout water hadde, alzo zijn uytgang in zee hadde, die

alle ses uyren op en afliep; hier stonden wy te kijken en konden

deselve niet passeeren van wegen sijn diepten: Dese rivier is na

gissing 4 a 500 voeten breet. Wy, niet wetende wat wy souden beginnen,

sagen malkanderen bedroeft aen; vermits door de groote hette sulken

dorst leden dat het onuytspreeckelijk was, resolveerden de revier hoger

op te gaan, alwaar wy het water tamelijk begosten te krijgen, drinkende

daar doen zo veel af dat het ons van onderen als een spuyt ontliep. Wy

sagen malkanderen nochmaal bedroefder aan en seyden: „De schipper heeft

ons leelijk bedrogen.”

Den volgenden morgen, als onse boekhouder ouder gewoonte het gebed

hadde gedaan, marcheerden wy weder de rivier hoger op en quamen

eyndelijk zo verre daar het water heel zoet was, daar wy leggen bleven.

Twee van onse mackers gingen de rivier noch hooger op om te sien of er

geen hoop van uytkomste te vinden was; ende een stuckweegs opgegaan

zijnde sagen zy aan de over kant twee leeuwen komen drincken, die zo

haast sy haar sagen weder boswaart in vluchten. Sy proefden het water,

maar bevonden het noch brak te wesen, keerden dan wederom en verhaalden

ons wat sy gesien hadden. Resolveerden doen gesamentlijk de rivier

hoger op te gaan tot dat wy op een vlakte quamen daar wy by malkander

gingen zitten en schepten onse kannen met brack water, daar wy zo

hartig van dronken dat het ons qualijk bequam. Wy maakten alhier vuyr

en leyden ons daar rondom, maar konden de gantsche nacht niet rusten

van wegens de pijn die wy in ons ligchaam kregen ’t welck wy oordeelden

van het bracke water was spruytende.

Des morgens gingen weder met den dagh de rivier hoger op tot dat wy

eindelijk bevonden dat het water vers wierdt alwaar wy een etmaal

bleven leggen, maakte vuyr en schepte onse kannen weder vol, kookte het

selve met wat safferaan (dat wy uyt ons schip mede genomen hadden) het

welcke wy droncken om ons wat te verstercken, want nu in geen twee

dagen gegeten hadde.

’s Morgens vertrocken weder van hier de rivier langs ende des avondts

nadat wy vuyr gemaakt hadden, stelden twee schilt wachten. Drie van ons

geselschap vernamen een groot wilt beest, niet wetende wat voor een

dier het was; sagen ook een zee koe in de rivier ende des anderen

daags, als wy weder souden vertrecken, vonden ons genootsaakt een

gedeelte van ons geweer wegh te werpen, overmids wy onmachtigh wierden

de selve langer te dragen. Een van onse mackers gingh na het gebergte

om te sien of hy yets soude kunnen bekomen; hy bleef wel drie dagen

achter so dat wy meenden dat hem een wildt gediert verslonden hadde

waar over met malkanderen bedroeft waren. Onse commandeur konde ook

naeulijks meer voort komen want sijn gemacht was soo gezwollen als een

bol van een hoedt; en onser aller beenen begonnen soo te zwellen dat wy

niet langer gaen konden. Eyndelijck een weynigh verder gekomen sijnde

vonden een vlack-velt, bewassen met riet, ’t welck ons dede resolveren

een flotje te maken ende te sien of wy de rivier daar mede konde

overkomen. Als doen quam onse macker voornoemt weder by ons die

verhaelden, als dat hy meenden een Hottentot gesien te hebben die voor

hem wegh liep. Wy verheughden ons seer toen hy weder by ons quam

vermids inde rivier een hoet hadde sien drijven die wy meenden de zijne

geweest te hebben, maer bevonden als doen contrarie, soo dat wy niet

konden bedencken waar dat die hoet van daen gekomen was. Ons vlotje

klaar hebbende braghten het aan de kant van de rivier, doen is Daniel

Silleman over de rivier gezwommen om eens te sien hoe het aan de ander

kant mochte wesen, maar doen hy weder quam zeyd’ hy dat het een woest

en wilt landt was, ’t welck ons dede resolveeren aan dese kandt te

blijven en met malkanderen weder na ’t strant te gaen daer ons schip

lagh; vulde dan onse kanne met water en gingen voort.

Omtrent 1. half mijl verre gegaen zijnde, viel onse schimman Philip

Warlo van wegens sijn zwackheyd neder, ende bleef daar leggen [178]. Hy

dan siende geen uytkomste voor hem versoght ons maer voort te gaen; wy

wenschen hem dan met schreyende oogen adieu. Wy gingen dan varder met

onse zwacke leden, het boswaerts schuyns door na strant, hebbende nu

also omtrent 2 en een half week met malkanderen gedoolt tot dat wy

eyndelijk daer quamen. Een weynig langs de selve gegaen zijnde, vonden

onse schipper in sijn combaers genaeyt doot leggen die van het wilt

gedierte al een stuck uyt sijn bil gehaalt was. Wy lieten hem leggen

want hadden geen kraght ook geen gereetschap om hem te begraven. Kregen

het schip int gesigt dat nog voor sijn anckers lagh, keerden weder na

onse schuyt om met deselve na boort te varen en daar by gekomen zijnde,

bevonden dat al het goet dat daar in gebleven was de zee uytgeslagen

hadde, dat wy soo nauw als konden by een soghten. Ook was daar een

stuck uyt de schuyt geraakt, maar onse timmerman brack de achter pleght

[179] daar uyt en maakte weder een stuk daar van in deselve so dat wy

de schuyt te naasten by weder kant en dight kregen. Doen bragten wy

dreggen [180] met laagh water uyt en kregen de schuyt alsoo weder vlot,

maar soo haast als wy hem vlot hadden, quam daar een brandingh en

sloegh hem wel half vol water; kort daar op volghde nogh een ander, soo

dat de schuyt daar meest door aan stucken raakten en wy de selve

verlieten, ziende malkanderen bedroeft aan en geen kans overigh om

weeder aan boort te geraken. Stacken een stock op en bonden daar een

wit hemdt aan om ons in ’t schip te laten sien, maar vernamen geen

teeken wederom, ’t welck ons dede vertrouwen dat sy alle mosten dood

sijn; bleven dien naght daar op strandt en resolveerden om ’s anderen

daaghs weder bos-waerts in te gaan, sijnde Jan Herder, soldaat, aldaar

in onmacht blyven leggen, alsoo veel sout water hadde gedronken en

storf.

Wy dan met ons vijven boswaerts ingaande, ten eynde om aldaar eenig

voetsel en soetwater, of indien mooglijk was een eynde onses ongevals

te soeken, vonden eenige swarte beessen [181]; bleven daar wel 2 a 3

dagen by leggen etende van deselve soo veel wy konden vermids wy

uytgehongert waren, want in 14 dagen geen spijs genuttigt hadden.

Na ’t verloop van dese dagen verlieten wy de beesten en zijn het bos

verder door en door gegaan om weder aan de rivier-kandt te geraken,

want den grooten dorst genootsaakten ons den dauw van de bladeren te

licken ende ons eygen water te drincken, ’t welck ons also flaeuw en

principael onse boeckhouder maakten dat hy daar neder viel en seyde:

„Mannen, ik kan niet meer,” halende met eenen een brief van den

schipper voor den dagh waar in soo wy meenden kennisse en berigt van

den slechten toestants onses schip was en hoewel den boekhouder aan een

yder van haar toestondt om na een goedt heen komen te soeken en hun

leven soo sy best konde bergen, soo wilde den timmerman Lourens Thijsz.

niet van hem scheyden, vermids oock sijn quade benen, maer bleef by den

boeckhouder leggen.

De andre drie nu gingen voort om de rivier op te soecken ende doen sy

een weynigh van de boeckhouder en timmerman af waren deden sy een

schoot die door haer op de selve wijs beantwoordt wierd waar mede

malkander adieu wensten. Dese twee bleven anderhalve dagh by

malkanderen leggen als wanneer de gemelte boeckhouder zoo verzwakte dat

hy niet meer spreken konde. Lourens Thijsz. dat siende, trooste hem met

schriftuerlijke reden soo veel als hy konde en siende geen uytkomste

wenste hem met schreyende oogen de saligheyt.

Alsoo verliet ick, Lourens Thijsz., gemelte boekhouder en gingh dat

wilde woeste bos alleen deur wandelen, tot dat ik eyndelijck aan een

vlack velt geraakten daar een oliphant die my ongemollesteert liet gaan

ontmoete, tot dat ick weder aan de voornoemde rivier quam alwaar ick

ging neder sitten Godt danckende voor sijne genade ende groote

barmhartigheyt dat hy my dus verre weder gebragt hadde. Ick schepte

mijne kanne weder vol water, daer ick soo veel van dronck dat het mijn

qualick bequam; mijn spijse was niet anders als gras en wilde beesten

dreck. Soo bleef ick hier 6 dagen leggen; ik vernam hier verscheyden

zee koeyen en telden wel 25 oliphanten die daer aan de rivier quamen

drincken en weder boswaarts ingingen.

De rivier langs gaende vonde ik een verrotte water-rot die ik van

honger op at en quam alsoo weder by het vlotje dat wy met malkanderen

gemaackt hadden, alwaar ik aan de overkant van de rivier eenige rook

sagh op gaan het welck my dede ontkleden en op het vlotjen sitten gaen;

dreef alsoo de rivier over. Hier over zijnde vondt ick een dooden haay

daar ick mede hartigh van at. Naer het eeten der selver gingh ik

boswaart in doch vondt geen menschen maar wel verscheyden soort van

beesten, als elanden, vogel-struyssen [182] en harte beesten, ’twelck

my weder uyt het bos deed komen, keerende na het vlotje ende daar even

op sijnde quamen twee leeuwen achter een hoeck van daan en gingen de

rivier langs. Ick dreef de rivier over ontrent ter plaetse daar ick

geweest was en ging deselve hooger op vijf dagen langh; vondt

onderwegen een endt-vogel die ick op at.

Des anderen daags vroeg in den morgenstondt ging ick op een hoogte

neder sitten vol van groote flaeute en mistroostigheyt, want hadde

doenmaels in drie dagen niet gegeten; schepte weer een weynigh moet en

rees op en gingh wat varder boswaert in alwaar ick 3 schiltpadden vondt

die uyt een bosje quamen kruypen; ick maakte aenstondts wat vuyr daer

ick deselve op brade, gingh daer by neder sitten en kreeg mijn gebeede

boeck, danckte Godt voor sijn genade dat hy mijn hadde deselve believen

te verlenen. Noch in ’t bidden zijnde, hoorde ick eenig gerijssel

meenende dat het beesten waren, soo dat ik schielijck opstondt en omme

siende sag ick drie wilde menschen, yder met een pyl en boogh voor my

staan. Ick verschrikte geweldig want ick sulcken soort van menschen

nooyt gesien hadt; zy dan stelden haer in postuer met haar geweer, ende

ick nam mijn pistool in de handt gingh also bevende op haar aen. Doen

ick nu by haar quam was ’er een van haar die een weynigh Duyts [183]

konde spreeken, die vraeghden my of ik een Duytsman[183] was;

antwoorden hem van ja, ende hy gaf my weder tot antwoort dat een

Duytsman een goet man was. Ik verhaelen hem dat ons schip daar op

ancker lagh en al ons volck gestorven sijnde wy met ons sevenen aan

landt gekomen waren, waervan drie gestorven en drie noch in ’t bosch

doolden, dien ik versogt of sy die wilden op soeken. Sy hadden eenige

schiltpadden by haer die sy aenstonds voor my braden, ende een van haar

haelde mijn kanne vol water, onderwijlen vroegen de andere na mijn

toeback daar sy seer begeerig na zijn. De schildtpadden nu gebraden

zijnde aten deselve te samen op; doen begeerden sy dat ik mijn boven

kleederen soude uyt trecken en met haar mede gaen ’t welck ik deede,

maer niet sonder groote vreese, want ik meende dat het menschen eters

waren; ik gaf haer dan al mijn goedt om te dragen maer sy waren so gaau

in ’t vooruyt loopen, dat ik haer niet konde volgen, soo dat sy my

eyndelijk uyt het gesigt raakten, ’t welck my deede geloven dat sy met

mijn goet weg waren.

Ik volgde dan die selve passagie, tot dat ik haar vont sitten rooken

een pijp toeback; ik sette my dan by haer neder ende een weynigh gerust

hebbende, gingen weder te samen voort tot dat wy by haer hutte quamen

[184]. Daer sagh ik haar vrouwen en kinderen die doen sy my sagen

altemael vlughten, vermids sy sulcke menschen niet gewent waren soo ’t

scheen. Brachten my dan in haar Opperhoofs wooningh daar ik veel

koebeesten en schapen sag; sy gaven my harten vlees en melck te eten en

’s anderen daeghs maakten sy my honingh bier om te drincken, brachten

my oock eenige wortels [185], die sy uyt de aerde graven ende in plaats

van broot gebruyckten; ik at dat so hartig, sijnde van honger gans

uytgeteert dat het my qualijk maakten; sy deden my hier op uyt haar

hutte gaan vreesende dat ik soo aenstonds soude sterven. Doen ik nu in

de lugt geraakte, quam ik aanstonts aan ’t braken dat my geweldigh

verlichten en doen weder in haar hutte kroop, maer ick en konde tot

geen slapen komen uyt vrees dat sy my noch om den hals soude brengen.

’s Anderen daags quamen daar noch drie andere van haar geburen die heel

anders van manieren en gedaanten waren; sy hadden lange baerden en

waren gestadiger van wesen [186]. Doen vreesden ik weder dat sy my

souden gedoodt hebben, maar bevondt heel contrarie want sy maakte een

koe-beest vaerdigh om te slaghten die sy eerst met touwen bonden en

gingen doen daar rontomme danssen, springen, speelen en maakte groote

ceremonye volgens hare wijse; leyden my tusschen haer beyden daar by om

het selve te aanschouwen ’t welck ik met groote verwonderinge aansagh.

Dit gedaan zijnde maeckten sy het beest weder los, en lieten het selven

weder naert bos loopen. (Mijns oordeels is dat ter eeren van dese drie

gebuuren geschiet die sy genoot hadden, want sy haar met diversse

soorten van spijse op hare wijse tracteerden.) Soo braght ik dien nagt

met haar ten eynde. Den dagh gekomen zijnde, namen wederom van

malkanderen afscheyt en kusten my met haar handen toe. Ik had nu by

haar twee etmaal geweest in welcken tijdt zy my getracteert hadden met

alles wat sy konden by brengen. Maer het verloop der selve stuerde ick

haar naer de Saldange Baey en liet weten dat ick in haer wooninge was

en hoedanigh zy my gevonden hadden.

Sy gingen dan aanstonds henen en quamen ’s anderen daegs wederom;

braghten een Hollander met haer; wy veraltereerde beyde doen wy

malkanderen sagen en ’s morgens doen vertrocken wij na de Saldange

Baey, nemende drie Hottentotten by ons. Onderwijlen dat wy op weg waren

ontmoeten ons een oliphant, daar wy voor vlugten mosten; wy sagen

verscheyden harte-beesten en vogel-struyssen.

Eyndelijck aan de Saldange-Baey gekomen zijnde, maakten een van de

Hottentotten vyer tot een teecken dat wy daar waren vermids daar noch

een rivier tusschen ons en haar was [187]. Sy quamen dan aanstonds met

een kleyn vaertuygh en haelden ons over; soo raakten ik Lourens Thijsz.

eyndelijck in de Saldange Baey op den 1. of 2. Kers-Dagh, alwaar ik

noch 14 dagen siek lagh en naer verloop der selve quam daar een vryman

van de Kaap om te vissen waar mede ik, zijnde wat beter na de Kaap

vertrock en nam mijn logement ten huyse vande voorgenoemde vrijman

genaamt Lambert Adrijaansz.

Uit ou Reisbeskrywinge: Dagverhale en ander letterkundige bronne oor die Kaap · 第 31 / 39 题