Ik schrijf de dingen pas op, als ze heelemaal rijp zijn, en gewoonlijk
duurt dat lang bij mij. Ik ben erg gesteld op 't perfect-zijn van mijn
werk. Ik kan niets uit mijn handen laten gaan of 't moet volkomen
doorwerkt zijn.... En vluchtig werken is mij onmogelijk.
Over dien "Wandelende Jood" heb 'k heel lang gearbeid. Niet omdat de
zaak niet klaar genoeg in mijn hoofd zat, maar enkel en alleen omdat ik
er zoo op gesteld ben, literair werk zoo lang mogelijk te laten rijpen.
Ik tracht zoo zuiver mogelijk te schrijven ... ieder woord juist àlles
te doen zeggen wat 't zeggen kan.... 't Wordt dan werk dat moeizaam is
voortgebracht ... 'n beetje zooals Flaubert schreef.
Ik moet lang over een volzin werken om 'm juist te krijgen. Daardoor ben
ik geneigd, te gaan houden van literair werk, dat niet te breedsprakig
is--woordkunst in dien zin, dat ieder woord zijn eigen waarde heeft...,
terwijl sommige Vlaamsche schrijvers op dit punt 'n beetje
slordig zijn....
"DE WANDELENDE JOOD."
Om nu tot mijn boek terug te keeren: 't is 'n werk dat ik sedert den
leeftijd, waarin ik tot literair bewustzijn ben gekomen, sedert mijn
17de of 18de jaar in mij heb gedragen.... 't Is waar: toen had het 'n
anderen vorm: 't Was toen "de Verzoeking van den H. Antonius". Van mijn
prilste jeugd dacht ik daar al aan, en in den loop der jaren heb 'k
sommige passages daarvan ook al geschreven.... Maar ik kost niet klaar
geraken ... 't was voor mij ondoenlijk alles saâm te dringen in 't kader
van mijn verhaal.... Maar ik wachtte rustig, en eens in '97--'k was pas
getrouwd, daarom herinner ik 't mij zoo goed--zat ik in mijn hof en 'k
las Goethe[1] ... en 't werd mij opeens duidelijk dat de Legende van "De
Wandelende Jood" geschikt zou zijn om alles te bevatten wat ik wilde
zeggen.... Dat schoot mij te binnen, en die zelfden dag heb ik 't heele
plan met alle symbolen en allegories uitgewerkt. Dat heb ik toen nog
negen jaar in mij omgedragen ... en al dien tijd heb ik voortgewerkt....
Want zoolang als ik nog met den H. Antonius zat te tobben bleef 't
materiáál en werd 't geen kunst.
[1] Der Ewige Jude.