HET SCHRIJVEN ZELF.

Aan 't schrijven zelf, daar heb ik eigenlijk maar 'n paar jaar aan

gewerkt. [1] Ik ben 'n geest die van zeer schoone constructies houdt en

ik let er voortdurend op, dat ieder woord zijn eigen kracht toont, en

dat de subtielste schakeeringen er van tot hun recht komen. Nu merkt men

dat in den "Wandelende Jood" niet zoozeer op. Want ik heb tevens gezocht

naar 'n niet al te literaire uitdrukkingswijze, en 't klinkt u misschien

vreemd,--als ik lang op 'n volzin gewerkt heb is hij dikwijls veel

eenvoudiger geworden dan hij in 't begin was.

Elk woord hangt voor mij samen met 't gevoel dat 't uitdrukt, door z'n

structuur, door z'n klank, door alles. Ik bedoel niet den

conventioneelen zin van 't woord, maar 't gevoel er van, net zooals van

Looy 't opvat. Alleen tracht ik misschien eenvoudiger te blijven en

minder middelen te gebruiken om 'n zeker effect te bereiken. Ik wil heel

sober zijn. Er staat in mijn boek geen enkele zin waarvan ik mij niet

zeer nauwlettend rekenschap heb gegeven, waarin ik niet angstvallig heb

nagegaan wat ieder woordje in dat bepaalde verband te beduiden heeft....

En toch,... zoo'n zin is niet 't werk van 't kalme bewustzijn, 't

Gebeurt mij wel dat ik niet juist gestemd ben en dan kan ik niets

vinden.... En er zijn wel andere zaken, die men onmiddellijk vindt. Dan

voel ik wel dat 't goed is, maar of dat nu ontleed kan worden, dat

weet ik niet.

Voorlezen? U doet mij daar een vreemd verzoek. Ik houd er niet van, uit

mijn werk aan anderen voor te lezen.... Maar enfin, u vraagt 't, en ik

zal de hardste niet zijn.

Daar zijn in mijn werk van die vondsten die ik zeer gelukkig heet en

waarmee ik blij was. Zoo, ik sla 't boek op ... op goed geluk ... en God

zegene den greep.... Hier,... page 75.

"Toen de haan hem wakker kraaide, was het woud door de open deur gezien,

al blauwig van den vroegen uchtend; een rozige straal gleed van het

vensterken in de kluis, en buiten was er getjilp en gefluit van meezen

en merels in de koelte."

Ik was al heel gelukkig toen ik dat geschreven had omdat ik daarin een

synthetisch beeld geef ... dat vochtige ... dien blauwigen nevel

tusschen de boomen van 'n woud voel ik daar zoo uit.... Dat klinkt mij

zoo goed: al blauwig van den vroegen uchtend ... ik zeg hier uchtend en

niet: morgend ... ook al weer om de zelfde reden ... dat komt zoo

van zelf.

Ja, ik schrijf uiterst langzaam ... herwerk sommige volzinnen wel drie

of vier maal. Maar er zijn natuurlijk ook plaatsen waar men om zoo te

zeggen zelf niet meer schrijft ... plaatsen waar men meegesleept wordt

door z'n ... door z'n ... hà-ha-ha-ha-hà.... Enfin, ik wil zeggen: waar

't gemakkelijk gaat, allez!

Heel 't begin is nog al moeizaam geschreven, dat wil zeggen de eerste

bladzijden, en Verwey heeft er van gezegd, dat de taal eenigzins

geforceerd is. Maar ik voor mij geloof ... wel, ik geloof dat-ie gelijk

heeft, voilà.

Overigens ... 't boek is nu al van drie jaar geleden in dezen vorm ...

ik kon 't niet loslaten, ik kon 't niet uit m'n handen laten gaan

voordat 't me geheel bevredigde ... dat is nu eenmaal 'n ziekte van

me.... Maar met uitzondering van 't begin moet ik u zeggen, dat ik er

niets aan zou weten te veranderen.

De menschen bespreken mijn boek als 'n werk van de gedachte en ik

wenschte 't te zien besproken als 'n werk van literatuur. Een gedachte

op zich zelf heeft toch geen kunstwaarde, wel? Nee, natuurlijk niet,

evenmin als 'n feit op zich zelf. Kunstwaarde krijgt 'n gedachte eerst,

als ze niet meer zuiver verstandelijk blijft maar ... ja, hoe zal ik 't

zeggen?... ineenvloeit tot 'n geheimzinnig complex....

Neen ik zeg 't u nogmaals: ik bèn niet uitgegaan van gedachten, ik ben

uitgegaan van gevoelens. Juist door de uitwerking ... door 't

schrijven,... zijn de gedachten mij duídelijk geworden ... maar ik ben

in geen geval ... in géén gevàl van gedachten.... Oi-oi-oi-!... dan had

ik er eenvoudiglijk een tractaatje van gemaakt, en geen literair werk!

Wat de stijl betreft sta ik op 't zelfde standpunt als Flaubert.... Van

hem heb ik veel geleerd ... maar wat ik vooral aan 'm te danken heb, dat

is wel, dat ik mijn kracht zoek in soberheid, in de economie van de

effectmiddelen. Ik geloof dat één enkel middel meestal voldoende is....

Ik wil wel trachten u te zeggen wat ik bedoel.... Laten we dien eenen

zin nog eens hernemen.... Als ik schrijf: al blauwig van den vroegen

uchtend, dan zou een ander geneigd zijn, een heele beschrijving van 't

woud te geven met allerlei effectmiddelen, niet waar? maar ik wil zoo

beknopt mogelijk blijven. Ik voor mij geloof, dat men in de moderne

literatuur wat al te zeer de strekking heeft om veel middelen aan

te wenden.

Ik acht mij niet gebonden door sommige zaken. Ik zal er niet tegenop

zien een nieuw woord te gebruiken of 'n nieuwe wending, als dat mij

noodig schijnt. Een schrijver moet uitgaan van zijn gevoel en ons

precies vertellen wat er in 'm is. Ik houd niet van overdreven veel

stijlmiddelen.... Zelfs bij van Looy zijn zinnen, waar 't gebruik van

sommige dingen mij geheel overbodig voorkomt. Hij heeft 't misschien

noodzakelijk gevonden, maar mij lijken ze bijna nutteloos. Levende

werkelijkheid wil ik geven, zonder al te veel de sensatie te

ontleden....

"Maar de lezer? Als die nu niet...."

--"Als de lezer niet zooveel effect krijgt als ik wilde geven: Zijn

schuld. Dan moeten de menschen maar aandachtig leeren kijken wat er

staat. Maar wacht wat, ik heb daarover ergens iets geschreven. Hier: ik

heb 't over een vertaling van Flaubert.... Als ik daar in lees: "De

grachten vol water stonden" dan vind ik dat 'n nutteloos verdraaien van

den zin. De essentiëele fout, ik bedoel als vertaling van Flaubert, ligt

hierin, dat hier meer getracht wordt naar 't weergeven van elk détail,

zoo nauwkeurig mogelijk, dan naar de klassieke zuiverheid, die bij hem

't geheel zoo streng beheerscht. En dat mag men toch wel eischen van 'n

vertáling."

[1] 128 blz. zeer ruim gedrukt.

De mannen van '80 aan het woord Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school. · 第 138 / 162 题