"Voor mij is de grondslag van gezonde Kunst: een schoon gezond geestelijk
leven. 'n Schrijver moet leven als 'n gewoon mensch en zich vooral niet
opsluiten.... Valsch noem ik 't sonnetten te schrijven over zaken, die
men niet heeft ondervonden, of over landen, die men niet heeft gezien.
Altijd vensters open ... ja, ja wij hebben 'ier een prachtig uitzicht
... maar ik bedoel dat niet alleen materieel maar ook geestelijk...."
Toen was alle "zwânzerij" in 'm gezakt. Ingehouden-ernstig, z'n woorden
lang overdenkend, opkomende geestdrift terug-dringend met geweld of
spot, begon-ie me te vertellen over zijn arbeid: 'n Professorale
redevoering, die ik niet te onderbreken waagde....
--"'t Eenige literaire werk dat ik heb voortgebracht, en dat ik wensch
te erkennen als mijn werk is "De Wandelende Jood.""
Alles wat daar buiten staat, dat zijn zaken van zeer betrekkelijk
belang--àlles, zonder uitzondering. Later zullen we zien of mijn
besprekingen en mijn kritieken invloed hebben uitgeoefend of niet. Maar
nogmaals: dat zijn dingen waarover ik mij niet bekreun en als literatuur
beschouw ik ze niet.
Over 't algemeen heb ik die opstellen niet geschreven uit innerlijken
aandrang, maar alleen omdat er nu eenmaal 'n bewegingk bestond, en 'n
Tijdschrift dat dikwijls op mij rekende, 'n Een enkel maal omdat ik
ineens lust kreeg, om sommige gedachten, die tegenwoordig gangbaar zijn,
tegen te spreken.
Ik schrijf niet gaarne. Ik moet mij zelf altijd opwinden om wat te
schrijven.... Afgezien natuurlijk van mijn literair werk dat ik niet op
termijn behoef in te leveren....