"De personen komen in mij op mèt hun handelingen tegelijk. Dat is iets
dat zich aan mij opdringt. Gegevens verzamelen? ja, dat doe ik ook: ik
heb schriften vol. Als ik een of andere uitdrukking hoor die ik typisch
vind, dan schrijf ik die op. Maar, eenmaal opgeschreven, blijft-ie wel
in mijn hoofd. Dan hoef ik hem ook niet meer na te slaan. In mijn
dialoog vindt u altijd uitdrukkingen die ik heb gehoord. En bij het
schrijven heb ik altijd bepaalde personen die ik voor me zie. Natuurlijk
gebruik ik een zelfde persoon wel eens twee-driemaal, telkens van een
andere kant bekeken. Maar ik gebruik altijd mij bekende personen als
model. En daarmee heb ik dan wel eens gekke resultaten. De menschen
weten dat natuurlijk wel een beetje van me ... ze vertellen me niet
alles meer. Maar als ze aan het raden gaan: wie bedoelt-ie nu eigenlijk?
dan hebben ze de plank glad mis meestal. Komt 't doordat ze zoo'n
persoon toevallig niet kennen, komt 't doordat ik slecht heb geschetst,
ik weet't niet. Altijd gebruik ik personen die ik ontmoet heb, en als ik
een stuk ontwerp, dan kunt u in mijn concepten de menschen vinden onder
hun _werkelijken_ naam. Eerst later verander ik die namen. Dat is
gemakkelijker voor me. Dan denk ik een poosje na: welken naam zal ik jou
nu geven, en hoe zal ik jou eigenlijk noemen? Trouwens, Ibsen dee dat
ook, dat heeft hij me zelf gezegd. Ik vroeg hem er eens naar en hij
antwoordde: Neen, mijn figuren zijn personen en geen symbolen. Maar, zei
Ibsen, levens worden soms van zelf symboliek als je ze scherp bekijkt.
Al mijn personen heb ik uit de werkelijkheid en daar ga ik zoo ver in,
dat ik zelfs hun taalfouten in mijn werk opneem."
--"En doet u dat instinctief of berust dat op een bepaalde overtuiging."
--"Dat gaat bij mij stelselmatig zoo. Querido heeft eens geschreven: je
hoeft alles niet gezien te hebben, je hoeft alles niet te weten. Als je
zoo'n klein beetje gezien hebt, dan maak je er zóó een boek van. Neen,
zeg ik, je moet zóóóó veel gezien hebben, en dan maak je er een heel
klein boekje van. Ik breng nooit personen in levensomstandigheden die ik
niet ken. Ik wou dolgraag een socialistisch boek schrijven, maar ik doe
't niet omdat ik het leven van die fabrieksarbeiders niet ken. Toen ik
een boek schreef over het boerenleven ben ik bij dien boer gaan
logeeren. De menschen die ik in mijn Monte-Carlo-novellen beschrijf heb
ik allemaal gezien, allemaal gezien.... Nu zeggen de menschen: "Schep
met je fantazie." Ja, maar die is altijd ontoereikend; je weet niet of
die zuiver is of onzuiver. Ik weet bijv. dat verschillende menschen zoo
heel verschillend hun zinnen maken. Die kun je natuurlijk wel uitvinden,
maar beter is, dat je ze van ieder individu persoonlijk weet. De meeste
menschen letten daar niet op: die hooren iemand spreken en daarmee uit.
Maar de zinsbouw van de menschen loopt erg uiteen. En als ik die
menschen behandel, dan moet ik ze persoonlijk hooren praten."
--"Maar geeft u dat geen gevoel van schennis, als u zoo personen uit uw
naaste omgeving in het openbaar ontleedt?"