--"Dat heb ik wel eens gehad, maar ik zeg maar: Als ik dat niet doe, dan
kan ik niet werken. Een schilder gaat naar buiten: een slootje
schilderen; en die man is heel gelukkig: want de dingen kunnen 't hem
niet verwijten. Maar ik moet net zoo iets met de menschen doen, en dat
kan ik niet helpen. Ze zeggen wel eens van me: Hij heeft zijn heele
familie beschreven. In hemelsnaam. Ik kan 't niet helpen!
"Maar dat brengt me natuurlijk wel eens in rare omstandigheden. Je hebt
menschen met heele beroerde familieverhoudingen en die willen zich
wreken over het een of ander, en dan komen ze bij me en ze zeggen: "We
willen u alles vertellen, haarfijn, als u er een roman van maakt". Maar
dat is niets voor mij: Ik wil 't heel graag allemaal aanhooren, geef ik
ze dan ten antwoord, maar of ik er een roman van kan maken, dat beloof
ik niet ... en dan willen ze me doorgaans niets vertellen.--"
Ons praatje was ten einde: twaalf uur. We babbelden nog wat over
graphologie, waarvan Emants een ernstig beoefenaar is. En namen haastig
afscheid.... Een belletje rinkelde en ik trad uit de werkkamer van
donker dof hout, de breede, breede trappen af; werd door de
degelijk-ernstige dienstbode geleid naar 't geel-belichte perzische
kamertje waar de gesluierde Fatma uithangt; kleedde mij sneller dan ik
verwacht had; stapte schutterig de straat in, met achter mij de
degelijke poort van dat ruime, holle heerenhuis.--