Maar er is toch één opzicht waarin ik heelemaal niet met ze mee kan gaan
en dat is de overdreven vereering van de woordkunst, waardoor alles is
gereduceerd op klank, rythme en taalschoon. Het middel wordt dan doel.
De hoofdzaak is toch maar wàt je schrijft en het hòe verdwijnt daarbij
dikwijls. Als ik wel eens een schrijver lees, die een grauw armebuurtje
op een triestigen dag weer beschrijft, dan kan ik dat heel mooi vinden,
maar als ik een auteur ontmoet die niets anders doet dan dat, dan zeg
ik: wat vind ik dat toch allemachtig pover!
--"Aan welke schrijvers geeft u dan de voorkeur?"
--"De man die het meeste invloed heeft gehad op mijn denken is Heine,
Heinrich Heine. Die had ik altijd open op mijn schrijftafel liggen. En
daarvan heb ik een ding altijd over gehouden: dat ik een haat heb aan al
wat ze noemen "onschuldige scherts". "Der Witz muss schlagen!" dat is er
bij mij altijd in gebleven. En dat heeft mij de heerlijkste voldoening
gegeven. Mijn moeder kon kort voor haar sterven zeggen: "Als Marcellus
eens een geestigheid wil vertellen dan is niets hem te heilig.""