Toen ben ik begonnen aan mijn eersten roman: "Egoïsme", een Haagsch
verhaal in twee deelen, dat in 1893 verscheen. Wat die roman in had, kan
ik u in een paar woorden zeggen: Als je wat ouwer wordt, hè? en je hebt
bovendien wat studie van 't onderwerp gemaakt, dan ga je 't leven wat
ernstiger beschouwen, je gaat je vragen stellen, en dan voel je vooral
die eene vraag telkens in je opkomen: "Hoe moet je eigenlijk het geluk
in 't leven vinden?" Misschien zou ik daar nu een ander antwoord op
hebben dan toen,... ik weet niet ... later dùrf je die vraag zoo niet
meer stellen ... maar al komt er veel deceptie in je leven ... een kern
moet er toch blijven waar je onder alle omstandigheden je geluk in
zoekt. Dat thema heb ik in mijn roman behandeld: Een jong, mooi
vrouwtje--trouwt met een succesman--heeft allerlei teleurstellingen--en
komt tot deze conclusie: dat je 't geluk niet van buiten af kunt
verwachten: dat je 't in je zelf moet zoeken.
"Nu, ik hoop, dat je in je huwelijk even gelukkig zult zijn als ik,...
dat is mijn beste, allerbeste wensch."
"En terwijl zij zich afwendt, om op haar beurt plaats te maken voor een
anderen bezoeker met een anderen wensch, glimmen in haar ooghoeken twee
smartelijke tranen, zooals jagers zeggen wel eens in de lieve oogen van
een aangeschoten hert te hebben gezien."
Deze roman is uitverkocht. Niet meer te krijgen.
En verder is het met mij gegaan zooals met ieder ander schrijver: Je
blijft doorwerken, doorwerken, doorwerken. Ik moest er natuurlijk wat
anders bij doen--mijn journalistieke arbeid. Daarmee zijn we nu zoowat
gekomen tot de oprichting van de "Hollandsche Revue."