"Goed! De man nu, die ons 't eerst er toe bracht, wat meer na te denken
over kunst en zoo, dat was mijn neef Kolff, die niet erg bekend is, maar
enorm veel heeft gedaan. Hij was de eerste, die--in "Het Vaderland"--De
Bock, Maris en Mauve dorst verdedigen, die op de tentoonstellingen
werden uitgelachen. Ook nam hij 't op voor Wagner, en was een van de
eerste pelgrims naar Bayreuth. Hij las Zola al, voordat iemand bij ons
er aan dacht, en ik bewaar nog altijd een pak brieven die Zola hem heeft
gestuurd. Nu, die man dan dineerde eens in de week bij ons en dan kwam
't gesprek vanzelf op allerlei nieuwe dingen in literatuur en kunst. We
zaten toen ook in een club "_'t Vlondertje_" hiette die; daar zaten
dezelfde lui in als in de "Nederlandsche Spectator-Club", die bij
Nijhoff vergaderde; je had daar ook Willem Maris, Boele van Hensbroek
... enfin een massa lui uit dien tijd. Die club kwam bijeen in een
bierhuisje in de Kettingstraat, daar schonken ze heel lekker Duitsch
bier. En naderhand verhuisden we naar Linken, een koffiehuis in de
Spuistraat. In de pauze zag je daar dan ook de kamerleden komen om hun
bittertje te drinken. Ik herinner mij nog levendig, dat Schaepman er
dikwijls verscheen: een man als een boom; en een ander bekend Kamerlid,
nogal klein van stuk en schraal, hoor ik met een dun stemmetje vragen:
"Wat zult u gebruiken? meneer Schaepman"; en die reus bromde dan met
zijn zware stem: "Geef me nog maar een grokkie!--""