De huizen hebben de gedaante van de letter T. BB is de lengte, b.v. 100

voeten, dan is de breedte 16 en de hoogte 8 voeten. Zij zijn gebouwd

van zwart potleem. De muren zijn naar gissing dik 3 voeten, het dak met

sparren is een weinig schuins gelegd en met zwarte aarde

overgepleisterd. Voorts is het met Zeehonden-vellen digt gemaakt. De

streep van A tot C verbeeldt den gang, die naar het huis loopt. Dezelve

is 14 voeten lang en zoo laag, dat men er op handen en voeten door moet

kruipen, om in het huis te komen. De twee openingen tot den gang zijn

bij de letters DD en de daarbij geplaatste stipjes. In het huis zelf

kan men regt overeind gaan. Het is afgedeeld met schermen van

Robbe-vellen van ongeveer 5 voeten hoogte en 7 voeten lengte. Het

overige gedeelte der ruimte langs het huis heen voor alle deze zes

afgeschutte woonplaatsen langs is met steenen belegd, waarop zij hunnen

arbeid verrigten, hebbende ter wederzijde van den langen gang één

venster nevens de stipjes in den winkelhoek van de T. Ieder venster

heeft 3 voeten in het vierkant. De glazen zijn gedroogde en aan

elkander genaaide Zeehonds-darmen. Aan het einde van dezen gang is

nevens A een rond gat, waardoor zij de schuitjes uit en in huis steken.

Ook worden dezelve binnen ’s huis vervaardigd op de met steenen belegde

plaats, die voor de schermen langs loopt. Hunne lampen zijn van eenen

uitgeholden steen gemaakt, waarin zij traan branden, zijnde de pitten

van mos. Ook maken zij zelve potten van zwarte aarde, die zij met traan

en mos vullen, bekleedende zulks de plaats van een vuur, waarover zij

koken. Deze vuurpot hangt voor hunne slaapplaats, waarover zij in eenen

kleinen pot hun Robbevleesch en Visch koken. Hunne lampen geven goed

licht, maar het een en ander veroorzaakt veel stank in huis, vermits

alle rook den gang uit moet, langs welken zij in huis gaan of kruipen.

Zij hebben geen’ schoorsteen—dus is het zeer benaauwd in huis. Door den

langen gang in huis komende, vindt men aan de eene zijde van het _Huis_

of _Poortje_ zonder deur eene door hen zelve vervaardigde ton met

loopend water, waarin een stuk ijs staat, om het koel en smakelijk te

houden. Dit is hunne drank, waarop zij zeer gesteld zijn. Aan de andere

zijde van dit Poortje staat eene groote balie met hun eigen water of

_urine_. Mannen, vrouwen en kinderen zijn gewoon zich alle avonden in

dat stinkende water te wasschen. De vrouwen binden het haar, daarmede

gewasschen, in een’ top op het hoofd te zamen. Zij zijn klein van

statuur, doch in ’t gemeen zijn de vrouwen grooter dan de mannen. De

mannen zijn platachtig van aangezigt en neus, en bruin van tint,

hebbende in ’t gemeen bruine oogen en geenen baard, dien zij, naar men

zegt, uitplukken. Doch ik heb zulks niet gezien. Mannen en vrouwen

hebben deels lang bruin of zwart grof haar. Hunne tanden zijn wit.

Ouders en kinderen liggen door malkander met een ruig honden-vel

overdekt, zijnde hetzelve als een deken gevormd. Bij vermeerdering van

gezin wordt de slaapplaats met vellen afgeschut. Staande dat tijdstip

zijn de mannen en kinderen verwijderd. Zulk eene vrouw gaat gemeenlijk

met drie a vier dagen weder aan haar werk. Steenpuisten zijn hun

voornaamste ongemak. Kinderpokjes kennen zij niet. Van andere ziekten

onder hen weet ik niet. De dooden worden in een vel of vacht genaaid en

dadelijk met alle de gereedschappen, waarmede zij den kost plagten te

winnen, onder de steenen begraven. Zij schreijen alle morgens en alle

avonden een vierde uur lang over de afgestorvenen en wel met tranen.

Daarna zijn zij vrolijk en leven zeer vreedzaam. Zij zingen niet.

Spreken en lagchen is hun vermaak. In den zomer slaan zij hunne tenten

op langs de kust. Dan komen zij bij elkander, bedrijven vreugde,

huppelen en springen en leggen in hunne eenvoudigheid groote

vergenoegdheid aan den dag. Schoon de zindelijke mensch groote

morsigheid in hunne levenswijze opmerkt, ziet men in tegendeel, dat zij

veel vernuft bezitten in het konstig maken van hunne kleederen, in het

bereiden der vellen en in de wijze, waarop zij hunne kleederen naaijen.

Op de nevensgaande Kaart ziet men eenen Wildeman in zijn schuitje

afgebeeld. Dit stuk is bewonderenswaardig. Hetzelve ligt, als de

Wildeman er in zit, met het middelste gedeelte, 4 duimen boven water.

Hij heeft de zwarte _halve geut_ (of run) A in zijn’ regterhand nevens

het hoofd. B verbeeldt den pijl, waaraan nog drie kleine pijltjes (of

harpoentjes) beneden aan de schacht zitten. C verbeeldt een blaasje,

dat op den pijl vastgemaakt is. De Wildeman is zoo sterk en geschikt,

dat hij, op eenen verren afstand, met zijne regterhand den pijl B

wegschiet uit de _halve geut_ (of run) A, en den vogel treft. Is het

misgeschoten, dan drijft de pijl B op het water aan het blaasje C,

hetwelk aan den pijl is vastgemaakt. Hij schiet den pijl over den mast

van een schip heen. D is een pijl of harpoen, welks punt in den

voorsteven van het schuitje rust. Het ander einde rust op een tafeltje,

dat drie pootjes heeft, waarop de lijn G in goede orde in bogten is

gelegd. Deze lijn is van een Robbe-vel vervaardigd en zeer kunstig in

het rond uitgesneden. Dezelve is vastgemaakt aan den langen harpoen en

het ander einde aan de blaas E, welke door een houtje, als eene veer,

op het schuitje achter den Wildeman wordt vastgehouden. Zoodra de

Wildeman met den langen harpoen D eenen Zeehond (of Rob) schiet, dan

loopt de lijn van het tafeltje en rukt de blaas E van het schuitje of

onder de houten springveêr H weg, hetwelk zoo kunstig is gemaakt, dat,

slipte de blaas niet goed van het schuitje, zoo zoude hetzelve in

wanorde komen en de Wildeman zou moeten verdrinken. Nadat de Rob moê of

afgemat is, slepende de blaas E achter zich, wordt hij gevangen en

voorts afgemaakt. De blaas E is een welbereid Robbevel, of een geheele

Rob, zeer kunstig bereid en voorzien met eene beenen _bus_, welke

daarin vastgemaakt is, en waardoor een gaatje loopt, waardoor zij de

blaas vol wind blazen, er een pennetje in stekende, om er den wind in

te houden. Zij komen met hunne welgemaakte schuitjes (hoedanige ik op

bladz. 25 beschreven heb) zelfs bij stormachtig weêr bij onze schepen

in zee, wanneer wij genoodzaakt zijn, om voor klein zeil te zeilen. De

zee spoelt gedurig op hunne zitplaats over het schuitje heen. Zij

liggen als een vogel op zee, zoo wel en luchtig zijn dezelve gemaakt.

Eén man kan zulk een schuitje dragen. Hoe vlug deze Wilden zijn, kan

men daaruit opmaken, dat zij, zittende in het schuitje (zie de figuur)

zich met hetzelve in het water kunnen kantelen en zeer snel met den

riem F weder oprigten, of liever, zij tuimelen met het schuitje eenen

slag in het rond, hetwelk eene verwonderenswaardige vertooning

oplevert. I is een in zee zwemmende Zeehond of _Rob_.—F is de

roeispaan, welken zij met de linkerhand vasthouden, liggende dwars over

het schuitje heen. Aan de einden van het schuitje is een beenen knopje

en aan de voorstevens een stukje been, hebbende ten doel, om het

schuitje tegen het aanstooten van het ijs te wapenen. Al dit kunstwerk

is zeer bewonderenswaardig. Hunne schuitjes zijn zoo geschikt, om er in

onstuimig water mede te werken, dat geen bouwmeester hier te lande in

staat is, iets dergelijks van leder zoo waterdigt te maken. Hunne

welbereide en zeer kunstig genaaide kleederen zijn even

verwonderenswaardig.

Ik vond in de valleijen van het gebergte boompjes, doch niet hooger dan

ongeveer 10 voeten, zonder vrucht, sommige lage boompjes (of heesters)

met blaauwe bessen. Des morgens gaan de mannen met hunne voornoemde

schuitjes naar zee op de Robben- of Zeehonden-vangst, en, des avonds

komen zij weder t’huis. Dan halen de vrouwen de gevangene Robben op het

land, snijden ze in lange reepen en deelen daarvan mede aan hunne

kinderen, gelijk wij er mede onze portie van kregen. Hiervan eten zij

met smaak en het bekomt hun ook wel. Wij, door grooten honger geperst,

gebruikten er desgelijks van, vermits wij niets anders konden krijgen.

Doch het bragt bij ons een’ fellen buikloop te weeg, waardoor wij

ongemeen verzwakten. Aangezien wij door den traan zeer morsig waren,

vonden wij ons genoodzaakt, om ons met het voornoemde stinkende water

uit de balie te wasschen, welks stank en sterkte wij ter naauwernood

met neus en oogen konden verduren. Doch wij gingen, na het wasschen,

naar buiten en wieschen ons vervolgens met water en sneeuw af, hetwelk

ons dan weder frisch maakte. Zoo moesten wij ons aan hunne levenswijze

gewennen. Dit gebeurde binnen _Kaap Vaarwel_ op 60 gr. 15 minuten N.

Breedte. Uit hoofde van het slechte weder moesten wij hier met de te

voren genoemde vier dagen, in het geheel vijfentwintig dagen

doorbrengen.

Den 17 November. Ik wist de Wilden in dien tijd te beduiden, dat zij

tabak voor mij moesten halen; vermits ik wist, dat er, het zij van

nabij, het zij op eenen verren afstand, Christenen op deze kusten

moesten wonen. Op sterk aanstaan besloten zij eindelijk hiertoe en

namen de moeijelijke reis met hunne snel varende schuitjes aan. Zij

gaven mij te verstaan, dat ik schrijven moest. Ik gebruikte daartoe een

wit Robbevel en schreef daarop mijnen naam, met vermelding van mijnen

toestand, met Robbenbloed.

Ik gaf aan de aanzienlijksten in huis mijn horologie, voorzien zijnde

van eene gedreven kas, waarop zij zeer gesteld schenen, tot een

geschenk. Hierop gingen zij naar de volkplanting op reis.

Heden ontving ik eenen brief van mijnen Stuurman, die mij meldde, dat

Kommandeur MARTEN JANZEN en JELDERT JANS DE GROOT bij hem waren

geweest. Zij waren gelukkig om _Kaap Vaarwel_ met twee vrouwe-booten

heengekomen.

Doordien de Wilden met deze snelvarende schuitjes in den tijd van 12

uren 20 mijlen kunnen afroeijen, zoo kan men daaruit opmaken, welk een

eind weegs zij konden afgelegd hebben, toen zij, na een tijdsbestek van

drie dagen, weder terugkwamen. Zij lieten volstrekt niet blijken, dat

zij iets voor ons hadden en droegen hunne schuitjes naar hunne woning,

waaruit zij mij, uit het achtereinde, eenen brief, benevens pennen,

inkt, papier en tabak overreikten. Dit alles kwam van eenen Hernhutter

met name JAN SIBRANDS. Het lezen van den Hoogduitschen brief, die door

een’ Christen geschreven was, veroorzaakte ons groote blijdschap.

Dezelve is naauwelijks te beschrijven. Bij dien brief ontvingen wij

tevens vierentwintig Eendvogels, die ons grootelijks verkwikten. Doch,

wegens gebrek aan zout, waren dezelve min smakelijk. Wij namen daarvoor

in plaats Robbenbloed met zout water gekookt, hetgeen ons echter in ’t

geheel niet voldeed.

De brief van den Duitschen broeder behelsde, dat wij ons onder goede

Wilden bevonden; hebbende zij last gegeven aan dezelve, om ons, wanneer

de gelegenheid gunstig was, bij hem te brengen. Uit hoofde van slecht

weêr en harde vorst bleven wij, na de ontvangst van dien brief, er nog

tot den 19 October (No 28.) wanneer wij in den ochtendstond, bij goed

weder, met eene vrouwen-boot, onder het geleide van verscheidene mannen

en vrouwen, die deels in onze boot, deels in afzonderlijke schuitjes

nevens ons roeiden, vertrokken. Des avonds waren wij bijna dood

gevroren. Wij kwamen echter in den nacht bij andere Wilden om de Noord

behouden aan land. Een der Wilden gaf ons te verstaan, dat hij een

Christen was, met name LODEWIJK. Hij bragt ons in den nacht in zijn

huis, zijnde hetzelve van het vroeger omschreven maaksel. In dit huis

woonden verscheidene huisgezinnen. Ik beschouwde dit alles met

verwondering. Aan een’ pilaar, waarop het huisdak rustte, zag ik onder

andere Duitsche zaken een vaderlandsch spiegeltje. Dit verrukte ons ten

hoogste. Het huis verder in oogenschijn nemende vond ik voorts, aan

denzelfden pilaar, maar tot mijne droefheid, eene Hoogduitsche

_Courant_. Een mijner vier mannen dezelve lezende vernam ik daaruit,

tot mijn innig leedwezen, dat mijn zwager, Kapitein KORNELIS HIDDES,

van _Amsterdam_ uitgevaren naar de _Middellandsche Zee_, door den

_Turk_ genomen, en te _Larassy_ in _Turkije_ opgebragt was. Dit

verdubbelde mijne smart. Kort daarna kwam de Duitsche broeder JAN

SIBRANDS bij mij in huis en verwelkomde mij met groote liefde. Hij nam

mij mede naar zijn huis, dat, gelijk hier te lande, van steenen gebouwd

was, doch klein, bevattende drie vertrekken. Zijne vrouw reinigde mij

van het ongedierte en gaf mij een schoon hemd, dat mij zeer verkwikte.

Hier waren drie Duitsche Hernhutters, van welke twee gehuwd waren,

hebbende één kind. Wie zal zich een duidelijk begrip vormen van de

streelende gewaarwording, welke mijn afgemat ligchaam nu alreede te

beurt viel! Dit is in waarheid onbeschrijfelijk.—Eerst verwelkomden zij

mij met een glaasje _liqueur_, daarna in den nacht met melkspijs, welke

wij met zilveren lepels aten—vervolgens sliep ik op een zacht bed van

veren.—Ach! hoeveel dankbaarheid gevoelde ik wegens dat alles jegens

den goeden barmhartigen God, die ons tot dus verre door zijne genade

geleid had. Ik genoot dezen nacht goede rust.

Op den 20 November werd ik des morgens bij het opstaan, onthaald op een

kopje koffij met eene boterham.—Nu naar alles vragende, verhaalden zij

mij, wie daar al van tijd tot tijd geweest waren. Ik deelde hun hierop

het verhaal mijner lotgevallen, tot hiertoe, mede. Zij namen zeer veel

deel in ons wedervaren. Deze volkplanters betoonden ons Christelijke

vriendschap, doch deze overtrof in geenen deele het onthaal, hetwelk

wij genoten hadden bij de arme Wilden, bij welke wij het eerst waren

aangeland. Hier zullen ongeveer twee honderd gedoopte menschen zijn

geweest. De Duitsche broeder JAN SIBRANDS verhaalde mij, dat hij,

vierendertig jaren geleden, met zijne vrouw, door Kommandeur ITS

ALDERTS van _Amsterdam_ derwaarts gebragt was. Hij had een aantal

schapen. Het land was aan den benedenkant van het gebergte vlak en

groen. Ik onthield mij hier drie dagen lang met veel genoegen. Hem

verzoekende, of ik aldaar met mijne vier mannen, gedurende den winter

zou kunnen blijven, vermits wij niet verder om de Noord meenden te

kunnen reizen, weigerde hij zulks, oordeelende het beter te zijn, dat

wij ons verder Noordwaarts op naar _Juliaans Hoop_ begaven, zijnde een

_Deensche_ volkplanting op 61 graden. Ik kreeg van deze Hernhutters

mijn horologie weder, dat zij van de Wilden, aan welke ik het ten

geschenk had gegeven, ingeruild hadden tegen tabak, schietgeweer,

spelden en naalden. Deze Hernhutters voorzagen ons voorts van leeftogt

voor zeven dagen.

Den 21 November (No 29.) gingen wij op vrouwe-booten op reis, vergezeld

van Christen-wilden, namelijk één man en eenige vrouwen, en voorts, tot

hulp en gezelschap, nog twee mannen, ieder in een afzonderlijk

schuitje. Na eene reis van zeven dagen bereikten wij de voornoemde

volkplanting _Juliaans Hoop_.

Op den 28 November kwamen wij bij den Koopman ANDRIES OELZEN. Wij

hadden, gedurende deze reis van zeven dagen, ons nachtverblijf bij

Wilden, die geene Christenen waren, maar ons vriendelijk bejegenden en

ons dikwijls van hunne armoede nog iets mededeelden, als Robbevleesch

en gedroogde spiering. Gedachte Koopman ANDRIES OELZEN was met eene

inlandsche vrouw gehuwd. Hij had bij dezelve tien kinderen, vijf zonen

en vijf dochters, van welke twee zonen en drie dochters in leven waren.

Hij en één zijner zonen waren zeer ervaren in de muzijk, spelende op

verscheidene instrumenten. Hij had zesendertig jaren lang in _Straat

Davids_ geweest. Zoodra ik hem zag, herkende ik hem. Hij was in het

jaar 1763, toen ik met Kommandeur HANS BARENDS van _Holland_ voer, met

zijne vrouw en kinderen in de rivier of baai, _de Suikertoppen_

genaamd, bij ons aan boord geweest. Hij herinnerde zich zulks terstond.

Ook bragt ik hem te binnen, dat hij destijds het behoud van ons schip

was geweest. Vermits ons scheepsvolk, vermoeid van de Walvisch-vangst,

zich ter ruste had begeven, had hij brand in den schoorsteen ontdekt,

welke alreede zoo ver gevorderd was, dat het dek gevaar liep vlam te

vatten. Ook dit herinnerde hij zich zeer duidelijk. Het was

bewonderenswaardig, dat wij elkander na zoovele jaren, op deze wijze

ontmoetten!—

Bij dezen Koopman vonden wij eenige manschap van de andere verongelukte

schepen, die met vrouwe-booten verder om de Noord dachten te reizen.

Bij deze bevond zich Kommandeur ALBERT JANS. Ik gebruikte bij ANDRIES

OELZEN het avondbrood en vernachtte aldaar. Hij bejegende mij zeer

vriendelijk.

Op den 29 November (No 30.) ontmoette ik zeven mannen, die voor dezen

Koopman, langs de kust om de Noord, handel dreven in Vosse- en

Robbevellen en traan. Ik verzocht den Koopman ANDRIES OELZEN, of ik den

winter bij hem zou kunnen doorbrengen. Dit werd mij geweigerd, doordien

hij gebrek had aan levensmiddelen, en aldaar in twee jaren geen schip

was geweest met proviant. Toen Kommandeur ALBERT JANS mij in de

volkplanting _Juliaans Hoop_ verliet, gaf ik hem twee brieven mede,

welke in de maand Junij van het volgende jaar beide in het vaderland te

regt zijn gekomen. Ik trad vervolgens, na overleg met den Koopman, met

de voornoemde zeven mannen in onderhandeling. Deze wilden mij vier

mijlen ver mede terugnemen. Ik zou mij dan zoo lang bij de Wilden

ophouden, tot dat de overige manschap van hier vertrokken zou zijn. Zij

wilden mij dan naderhand van de plaats, waarheen zij voornemens waren

ons nu te brengen, weder afhalen. Toen ontzonk mij de moed. Ik moest

met mijne vier mannen van de Christenen weder terug naar de Wilden, die

ons vervolgens tien dagen lang, in hunne woning, met Robbenvleesch en

Spek, waarbij wij niet dan met veel tegenzin het leven rekten,

onderhielden.

Den 9 December (No 31.) schreef ik eenen brief aan voormelden Koopman

ANDRIES OELZEN in de Kolonie _Juliaans Hoop_, waarin ik hem verzocht,

om voor mij aan den Hernhutter JAN SIBRANDS te schrijven, of ik bij

dezen niet zou kunnen overwinteren, aangezien ik hier den winter niet

kon doorkomen. Na de ontvangst van dezen brief zond Koopman OELZEN mij

dadelijk zijnen zoon en dochters en meer anderen, die mij en mijn volk

van daar afhaalden.

Wij kwamen den 10 December voor de tweedemaal in het huis van Koopman

ANDRIES OELZEN. Kommandeur ALBERT JANS was toen met zijn volk om de

Noord vertrokken, zijnde Kommandeur HANS CHRISTIAAN JASPERS daar

gebleven. Hier kon ik nu, op aanbod van Koopman ANDRIES OELZEN, bij hem

den winter doorbrengen, zijnde de voornoemde manschap vertrokken, onder

voorwaarde, dat ik des middags Robbevleesch voor lief zoude nemen,

zullende hij mij tot avondeten vaderlandschen kost, te weten, gebroken

gort en witte erwten, voordienen. Ik nam zulks met blijdschap aan, en

verdeelde mijne manschap onder de Wilden, die zich met derzelver kost

moesten vergenoegen.

Terwijl ik intusschen kennis maakte met de arbeiders in de

volkplanting, welke wekelijks hun rantsoen vaderlandschen kost van den

Koopman ontvingen, kocht ik zulks van hen, onder voorwaarde, dat ik

hen, te _Kopenhagen_ komende, zoude voldoen. Dit stelde mij in staat,

om mijn volk alle Zon- en Woensdagen bij mij ten eten te vragen, om hen

op voornoemden voorraad te onthalen.

De Kolonisten wetende, dat Koopman ANDRIES OELZEN nog een vaatje bier

in zijn’ kelder had, verlangden zeer, om daarvan eens te proeven,

zeggende, dat mij zulks ook wel zoude smaken;—doch de kelderdeur bleef

gesloten. Maar op den 11 Januarij 1778 (No 32.) vierde de zoon van

ANDRIES OELZEN, die met een inlandsch meisje ging trouwen, zijne

bruiloft. De trouwplegtigheid werd waargenomen door eenen inlandschen

Kandidaat, die desgelijks met eene inlandsche vrouw gehuwd was en

aldaar woonde. Vóór deze bruiloft riepen deze Kolonisten mijne

tusschenkomst in ter verkrijging van eenen dronk biers. Ten einde zulk

te bewerken, verzocht ik den Koopman verlof, om ons op de bruiloft

vrolijk te mogen maken, hetwelk hij mij met blijdschap toestond.

Bruidegom, Bruid, Kandidaat en Vrienden kwamen nu met muzijk ter

bruiloft, en begonnen eenen vrolijken wilden dans. Het huis was van

binnen vervuld en van buiten omringd met vrolijk gezelschap, en, bij

die gelegenheid werd het vaatje bier uit den kelder gehaald. Op deze

wijze kreeg elk eenen dronk bier ter eere van het jonge paar. Zeer

toevallig kwamen in den voornacht drie Wilden met hunne schuitjes van

de volkplanting _Frederiks Hoop_, (alwaar het Proviantschip van den

Koopman, op eenen afstand van 30 mijlen om de Noord, bevroren lag)

brengende mede eenige ponden suiker, koffij en thee, welke den Koopman,

het jonge paar en ons allen zeer te stade kwamen. Zij hadden in langen

tijd niets van dien aard gehad. Thans werd de koffij spoedig gebrand en

gebruikte men op de bruiloft koffij en thee met boterhammen, hetwelk

ons ongemeen verkwikte en vervrolijkte.

Wij bragten den winter, na zooveel doorgestane ellende, op _Juliaans

Hoop_, met zooveel opgeruimdheid, als mogelijk was, door. Des nachts

zagen wij de schoonste vertooning van het afwisselend en spelend

Noorderlicht (No 41.) dat zich zoo wonderbaarlijk met alle kleuren aan

het oog opdoet, dat geene pen in staat is, zulks te beschrijven; zijnde

het voor menschen, die er niet aan gewoon zijn, zeer schrikbarende.

Waarschijnlijk ontstaat het Noorderlicht door de wederomkaatsing van

het glad in zee omdrijvend ijs, hetwelk op 71 gr. 30 min. en verder

Noordwaarts op naar de pool gevonden wordt en door stroom en wind in

eene sterke beweging is, daar het in de lucht uitstekende hoog

ijsgebergte met alle zijne zeer diepe dalen en blinkende brandpunten

zich in de lucht spiegelt en zich, rondom de Noordpool des hemels, in

de vloeibare deelen vertoont; welke spiegelende en spelende vertooning

zich misschien ook wel gedeeltelijk aan ons oog opdoet, doordien de

aarde zich alle 24 uren zeer snel om hare as wentelt.

Dit althans is proefondervindelijk. Wanneer men in _Groenland_ van

rondom in het ijs is ingevroren, en geen water kan zien, dan ontdekt

men de gaten, welke, groot of klein, zonder dat men dezelve kan zien,

op eenen afstand van 1, 2, 3 ja van 10 mijlen enz. in het ijs scheuren,

op gelijke wijze aan de lucht, als dezelve natuurlijk in het ijs zijn.

Gedurende dezen winter lag het ijs bestendig aan het land aangesloten

tot aan de maand Mei, zoo dat het proviant-schip niet bij ons kon

komen, hetwelk 30 mijlen van ons om de Noord lag ingevroren, maar in

het laatste van Junij ontving onze Koopman ANDRIES OELZEN op _Juliaans

Hoop_ eenen brief van Koopman KAREL BRUIN van de Kolonie _Frederiks

Hoop_, waarin deze hem meldde, dat 16 mijlen benoorden ons twee

vrouwe-schuiten (of _koene booten_) lagen, welke hij met levensmiddelen

naar ons had afgezonden, en welke Koopman OELZEN, wanneer de

gelegenheid zulks toeliet, van daar moest laten afhalen. Ook berigtte

hij, dat het proviant-schip nog tusschen het land en het ijs in zijn

gezigt lag, met bestek, om de reis naar _Juliaans Hoop_ voorttezetten.

Wij bragten daarop de Noordsche Jol van onzen Koopman in gereedheid en

HANS CHRISTIAANS en ik voeren beide mede tot hulp. Na verloop van vijf

dagen kwamen wij op eene plaats, alwaar wij voornoemden Koopman BRUIN

dachten te vinden; doch wij ontvingen berigt, dat Koopman KAREL BRUIN

den voorgaanden dag met twee geladene koene-booten terug was gegaan

naar de Kolonie _Frederiks Hoop_. Wij achtervolgden hem, en, na verloop

van nog vier dagen (zijnde naar gissing de 9 Julij (No 33.) kwamen wij

bij den Koopman KAREL BRUIN in de Kolonie _Frederiks Hoop_, vindende

daar tevens het Proviant-schip, dat anderhalf jaar in dit land was

geweest, vermits het, uit hoofde van de bezetting van het ijs, de

proviant niet ter bestemde plaats had kunnen vervoeren. Wij verblijdden

ons hartelijk, dat wij het schip bereikt hadden, en hoopten met het

genoemde vaartuig dit jaar naar het vaderland te kunnen terugkeeren.

Vóór het ontvangen van boven genoemden brief door Koopman ANDRIES

OELZEN gebeurde nog het navolgende. Omtrent het midden van Maart, ging

ik, met eenige van mijne manschap, onder het geleide van gedoopte wilde

mannen en vrouwen met eene _koene-boot_ of vrouwen-schuit naar

_Juliaans Hoop_ met proviant voor veertien dagen, om den overgrooten

honger van mijn achtergebleven volk, die zes mijlen Zuidelijker

geplaatst waren eenigzins te gemoet te komen. Dit was voor _ons_ een

zeer aandoenlijk tooneel. Aldaar komende vond ik vijf man in getale,

die van harte gezond waren, maar door den honger zoodanig verzwakt, dat

slechts drie hunner nog eenigzins konden loopen, terwijl de twee andere

bij de ongedoopte Wilden in huis op handen en voeten kropen. Toen wij

elkander zagen, schreiden wij van overgroote blijdschap na zooveel

doorgeworsteld lijden. Het is mij niet mogelijk de aandoeningen te

beschrijven, die onze harten overstelpten, en ik kon mij over de

gretigheid, waarmede zij, als geheel uitgehongerd zijnde, naar het

voedsel, dat ik hun toereikte, grepen, niet genoeg verwonderen. Zij

verzochten mij, om den nacht bij hen te blijven, maar wij waren

genoodzaakt, om zulks te weigeren, vermits, naar ons inzien, het ijs

den volgenden dag onze terugreize had kunnen beletten. Na hun moed en

troost te hebben toegesproken, namen wij een zeer aandoenlijk afscheid,

met belofte, dat, zoodra wij op _Juliaans Hoop_ leeftogt ontvingen van

een schip, dat 30 mijlen om de Noord van ons af lag, ik hun daarvan,

zooveel mogelijk, zoude toezenden, en tevens, dat ik alle pogingen

zoude aanwenden, dat wij met hetzelve schip naar ons vaderland

terugkeerden. Vervolgens namen wij met ons gezelschap de terugreize

weder aan.

Dagboek eener reize ter walvisch- en robbenvangst, in de jaren 1777 en 1778 door Hidde Dirks Kat · 第 2 / 3 段