Dagboek
eener
reize
ter
walvisch- en robbenvangst,
gedaan in de jaren 1777 en 1778
door
den kommandeur
Hidde Dirks Kat
met eene kaart van Groenland
[Illustration]
Wat zeeman, die de kiel naar ’t barre Noorden stuurde,
Bestond er ooit op aard’, die zooveel ramps verduurde
Als KAT, die fiere KAT, die ’s lijdens beker heeft
Tot aan den boôm geleêgd, en toch, God dank! nog leeft?
Voorberigt.
Dagboek gehouden door den kommandeur Hidde Dirks Kat.
Vervolg mijner reize. 1778.
Naberigt.
[Illustration]
Voorberigt.
De uitgever van dit Dagboek vond het na de lezing zoo belangrijk, dat
hij den Heer Kommandeur HIDDE DIRKS KAT, thans een zeventigjarig
grijsaard, die den avondstond zijns merkwaardigen levens op het eiland
_Ameland_ slijt, verlof vroeg, om het door den druk gemeen te mogen
maken. Zijn Ed. vond daarin geene zwarigheid; vooral, daar ik zijn Ed.
te kennen had gegeven, dat zoowel de meer bejaarden als het opkomend
geslacht er welligt nut uit zouden kunnen trekken; te meer wanneer men
zich ook verledigen wilde, om, ten dienste der scholen dit verhaal zoo
te wijzigen, dat het een Leesboek voor de jeugd vormde. Tot dat einde
zou het, mijns inziens, ook eene zeer doelmatige strekking hebben. Als
_waarachtig verhaal_ verdient het niet alleen, om de hoogst
merkwaardige en zeldzame ontmoetingen, welke daarin voorkomen, de
aandacht van leergierige _ouden_ en _jongen_, maar heeft het, na de
lezing, de eigenaardige kracht, dat het niet, gelijk zoovele andere uit
het onuitputtelijk rijk der hersenschimmen in het rijk der
wezenlijkheid overgevoerde en de op nieuwigheden van allerlei aard
azende menigte verrukkende droomen, in rook en damp verdwijnt, maar als
_geschiedverhaal van daadzaken_ voortduurt en lessen en wenken bevat,
die zoo lang van waarde zullen zijn, als de Zeevarende Natiën, en met
name ons Vaderland, het van haar belang zullen rekenen, om bronnen,
waaruit weleer zoo aanzienlijke rijkdommen opwelden, niet te doen
opdroogen, maar zich, op het voetspoor van onvermoeid werkzame en
stoutmoedige voorgangers, geene geringe schatting te doen betalen van
de gedrogtelijke bewoners des IJs-oceaans. Geschiedverhalen van dezen
stempel hebben bovendien voor den mensch, hij zij oud of jong (want op
dit punt heerscht er bij ouden en jongen groote overeenkomst) iets
bijzonder aantrekkelijks. Het _avontuurlijke_, weet men, valt in veler
smaak. Zij zullen daarom dit stuk bij voorkeur willen lezen—en tevens
dingen leeren, die in het rijk der _wezenlijkheid_ t’huis behooren,
waarvan sommige misschien, te avond of morgen, partij zullen kunnen
trekken. Op onze eilanden en aan onze zeekusten, ja rondom op den
vaderlandschen bodem ontbreekt het niet aan jongelingen, die het warme
hoekje van den haard wel gaarne eens met de frische lucht aan de kusten
van _Groenland_, _Straat Davids_ en _Spitsbergen_ willen verwisselen,
als er maar geld bij te verdienen valt.—’t Is waar, dit _Dagboek_
behelst meer eene aaneenschakeling van ongelukken en daarmede gepaard
gaande zeer zeldzame Lotgevallen dan wel een kort overzigt van hetgeen
tot de Walvisch- en Robben-vangst behoort. Wanneer men dit hier meende
te ontmoeten, zoude men zich te leur gesteld vinden. Maar er komen
zaken in voor, die de Jeugd tot dit weleer zoo gewigtig vak van
nationale nijverheid opleiden, er worden ontmoetingen, gevaren,
redmiddelen en uitkomsten in beschreven, die hem, die deze wateren eens
wil bevaren, grootelijks te stade kunnen komen; er heerscht, om mij zoo
eens uittedrukken, een _ouderwetsche_ geest van mannelijke
kloekmoedigheid, onvermurwde standvastigheid, ongeverniste Godsvrucht
en geheel opregt en eenvoudig vertrouwen op God en zijnen alvermogenden
bijstand in, die der jeugd en ook elken leeftijd nimmer zigtbaar genoeg
voor oogen gesteld of te diep in het hart geprent kunnen worden,
vermits deze loopbaan zich door ontelbare moeijelijkheden en gevaren
henen kronkelt, die alleen de man, wiens borst met het driedubbel erts
van ware Godsdienstigheid beslagen is, onverschrokken onder de oogen
kan zien.—Het ware misschien niet ondienstig der jeugd een Leesboek in
handen te geven, waarin zij zich, op eene doelmatige wijze, tot deze
belangrijke taak zou kunnen voorbereiden. Zoo de uitgever daartoe eenen
genoegzaam bemoedigenden wenk ontving, zou hij zich daartoe (spaart God
hem in het leven) gaarne in zijne snipperuren willen verledigen (hoe
weinig dit vak van wetenschap ook tot den omtrek zijner eigenlijke
Letteroefeningen behoort), aangezien hij zijn vaderland te lief heeft,
om niet met de grootste bereidvaardigheid, ten minste eenen enkelen
steen aan het gebouw van deszelfs herlevenden welstand in dit vak van
_industrie_ te leggen. Om het oorspronkelijke niet te verminken, is er
hier en daar slechts een weinigje aan den stijl gevijld en de spelling
naar de thans gewettigde gewijzigd. Gemakkelijk had de uitgever het in
eenen _dramatischen_ vorm kunnen gieten; doch dit had niet dan ten
koste der eenvoudige waarheid kunnen geschieden, welke het blanketsel
der kunst niet behoeft, maar in een eenvoudig gewaad, zoo als de brave
Kommandeur dezelve heeft ingekleed, altoos het meest behaagt.
Dat ouden en jongen hier iets nuttigs mogen vinden, is de hartelijke
wensch van den Schoolopziener van het 3de District in Vriesland, die
zich met de uitgave belastte.
M. M.
1817.
Dagboek
gehouden
door den kommandeur
Hidde Dirks Kat.
In den jare 1777, den 5 Maart, zeilde ik met de Brik _de Jufvrouw
Klara_, bestemd ter Walvisch- en Robbenvangst, en bemand met 38 koppen,
van de stad _Hamburg_ naar _Groenland_, voor rekening van den Heer
Boekhouder DAVID HENDRIK REWOEL, te _Hamburg_.
Op den 7den ligtte ik het anker op de _Elve_, liep in zee, en zeilde
met eenen gunstigen wind en goed weêr tot den 13den, op welk tijdstip
wij, na in goeden staat de Noordzee te zijn doorgezeild, met eenen
gunstigen wind _Hitland_ voorbijstevenden, vervolgens de reize
voortzetten en op den 5 April (No 1.) voor het Westijs van _Groenland_
op 71 graden 30 minuten Noorder Breedte aankwamen, bij welk ijs wij ons
tot den 30sten ophielden, vangende op hetzelve 30 vaten robbespek.
Den 1sten Mei geene robben meer kunnende vangen, zetten wij met
verscheidene schepen de reize om de Noord door het ijs voort, koers
houdende op _Spitsbergen_, en kwamen den 13 Mei (No 2.) op 75 gr. 30
min. N.B. tegen het Zuidijs; op den 17den (No 3.) raakten wij met
verscheidene schepen door hetzelve heen op 78 gr. 30 min. N.B., en, van
daar om de West zeilende, kwamen wij op den 26sten aan de
Westijsvelden; hier werden door verscheidene schepen eenige Walvisschen
gevangen. Vervolgens geraakten wij van den koers af, dreven op goed
geluk heen en maakten nu en dan de schepen aan de ijsvelden of schotsen
vast.—Op den 1 Julij (No 4.) bevonden wij ons op 72 gr. 30 min. N.B. In
dien tusschentijd vingen wij eenen Walvisch van 30 vaten spek. Nu eens
dreven wij met 27 schepen in getal in het ijs, dan bevonden wij ons
weêr tusschen het ijs op vrij water. Sommige schepen vingen toen nog
eenige Walvisschen. Tot den 4den dreven wij onophoudelijk sterk om de
Zuid-west, uit hoofde van den stroom en den harden wind uit het
Noord-oosten. Tot hiertoe zagen wij geen land, drijvende bestendig met
het ijs om de Zuid-west tot den 12den. Toen geraakten wij met 27
schepen sterk in het ijs bezet, en hadden 3 a 4 dagen zwaren storm uit
het Noord-oosten en geen gezigt wegens den dikken mist tot den 16den
(No 5.).—Toen opende zich de lucht en kregen wij de kust van
_Gale-Hamkes_, op eenen afstand van 10 a 12 mijlen, ten Noord-westen,
in het gezigt. Wij zagen toen nog 27 schepen rondom ons en dreven sterk
om de Zuid-west. Het weêr bedaarde. Van 16 Julij tot 1 Augustus
geraakten eenige schepen uit ons gezigt. In dien tusschentijd vingen
wij nog eenen kleinen Walvisch in gemeenschap met Kommandeur HANS
PIETERS. Voorts dreven wij zonder ophouden door den sterken stroom en
wind uit het Noord-oosten om de Zuid-west tot den 6 Augustus (No 6.).
Toen geraakten eenige schepen uit ons gezigt, van welke eenige met een
gedeelte van het volk vergaan zijn. Wij bleven met 5 schepen in het ijs
ingesloten, liggende aan een klein ijsveld vast gemaakt, te weten
Kommandeur HANS PIETERS, PIETER ANDERSEN, HANS CHRISTIAAN JASPERS,
ALBERT JANS en HIDDE DIRKS KAT, alle vijf met _Hamburger_ schepen. Dit
was op 68 gr. 30 min. N.B. Hier zagen wij het land niet meer, maar
niets dan ijsbergen, welke, met de toppen in de wolken, het land
bedekken. Men kan dezelve wel 16 a 18 mijlen ver zien. Even zoo vond ik
naderhand het land op 62 gr. 30 min. N.B. in de _Straat Davis_
benoorden _Kaap Vaarwel_. Van den 6den tot den 16den dreven wij door
den sterken Noord-oosten wind en den stroom met het ijs om de
Zuid-west. Tot den 18den werkte het ijs geweldig door malkander,
hetwelk te midden van den storm afgrijsselijk was te aanschouwen. In
dien schrikbarenden toestand werden de schepen van Kommandeur PIETER
ANDERSEN en ALBERT JANS door het ijs verbrijzeld. De manschap redde
zich op het ijs, wordende een gedeelte van den leeftogt door dezelve
geborgen. Wij verdeelden de manschap met den leeftogt op de drie
overgeblevene schepen, welke nabij de verongelukte in het ijs beklemd
lagen, op ieder van welke zich nu 78 zielen bevonden. Dit gebeurde op
67 gr. N.B. Nadat wij van de 5, 2 schepen verloren hadden, dreef het
Walvisch-spek en de Traan om ons heen, op welker reuk de Beeren in
menigte af kwamen, waarvan wij eenige dood schoten, die door het volk
van de twee bij ons zijnde schepen, wegens gebrek aan leeftogt, werden
ingezouten. De zoodanige, die er dadelijk van aten, vonden dit vleesch
niet onsmakelijk, maar na verloop van twee dagen, ging hun het vel in
den mond en van de tong als mede op andere plaatsen van het ligchaam en
van handen en voeten af. Volgens het oordeel van Koopman ANDREAS OELZEN
had men het, vóór het inzouten, ter deeg moeten laten uitvriezen,
alsdan zoude het een onschadelijk voedsel zijn geworden. De Beeren
veroorloofden ons niet, om gedurende den nacht van het een tot het
ander schip te gaan en verlieten ons niet, vóór dat wij van het
omdrijvende spek verwijderd waren. Voorts dreven wij met onze drie in
het ijs bezette schepen gedurig om de West tot den 24 Augustus (No 8.).
Toen konden wij uit den top van den mast het eiland _IJsland_ zien en
tevens de vrije zee, hetwelk ons hoop gaf, dat wij met onze schepen dit
eiland zouden kunnen bereiken, in gevalle het ijs van elkander mogt
trekken. Op dit tijdstip, waarin de hoop klein begon te worden, kwam ik
zeer dikwijls bij mijnen vriend, den Kommandeur HANS PIETERS, een man
van 67 jaren, die aan eene _scorbutieke_ ziekte krank te bedde lag, om
met denzelven over de mogelijkheid, om het eiland _IJsland_ te
bereiken, te raadplegen. Deze had insgelijks weinig hoop, gevoelende
tevens zijn sterfuur naderen. Bij vollen verstande beklaagde hij ons,
daar wij in de kracht des levens in zulk eenen naren toestand
verkeerden; “Doch,” zeide hij, “God is magtig! Hij zal nog wel eenigen
onzer in het leven sparen, om deze gewigtige gebeurtenis aan de
nakomelingschap medetedeelen. Hetgeen ons te beurt valt, is niet zonder
wijze bedoeling der Voorzienigheid. Welligt kan het nog van dienst zijn
voor menschen, die naderhand in soortgelijke omstandigheden komen te
verkeeren.” Hij moedigde mij overigens sterk aan, om, bijaldien onze
drie schepen vergingen, vooral goeden moed en raad te houden, de
scheepssloepen, zooveel mogelijk, in goeden stand te brengen en van
leeftogt te voorzien.
Ik legde mijne scheepskaart op het bedde van den kranken HANS PIETERS,
en raadpleegde met hem in zijne jongste oogenblikken. “Kommandeur KAT,”
zeide hij, “houd goeden moed en gedenk aan mijne gezegden! Poog, is het
mogelijk, daar wij _IJsland_ reeds voorbijdrijven, bij den hoek van
_Straat Davis_, _Statenhoek_ genaamd, te landen.” Hierop stierf hij
welgemoed op den 3 September. Niet lang daarna werd zijn schip
verbrijzeld.—Van 24 tot 30 Augustus (No 9.) werden wij zeer sterk door
stroom en wind om de Zuid-west gedreven, zijnde bestendig ingesloten
door het ijs met eene zware _deining_ of hooggaande zeeën, zoo dat wij
ieder oogenblik vreesden met man en muis te zullen vergaan, dat God tot
hiertoe nog verhoedde.
Van 30 Augustus tot 6 September (No. 10.) stevenden wij tusschen het
eiland _IJsland_ en het vaste land van _Nieuw-Groenland_ door, op eenen
afstand van 14 mijlen van den wal, van rondom met ijs bezet. De drie
schepen waren bij elkander. Het woei een orkaan uit het Noord-oosten.
Van rondom was de werking van het ijs onbeschrijfelijk wreed en
schrikbarende. Wij zagen elk oogenblik den dood te gemoet. Dit viel
voor op 66 gr. N.B. Wij zagen toen noch Walvisschen, noch Robben (of
Zeehonden), noch gevogelte meer. Dit duurde van den 6den tot den 8sten
September op gelijke schrikbarende wijze voort. Toen bedaarde het weêr,
en wij dreven sterk langs de kust (of de ijsbergen) heen in eene
Zuid-westelijke rigting op eenen afstand van 14 mijlen, terwijl wij het
land in het gezigt hadden. De wind woei bestendig uit het Noord-oosten
tot den 24 September (No 11.).—Toen konden wij van het dek de opene zee
aanschouwen, hetgeen ons hoop gaf, om uit het ijs te komen. Onze
schepen waren tot heden in eenen tamelijk goeden toestand en van
leeftogt voorzien; doch vermits stroom en wind dezelfde streek hielden,
opende het ijs zich niet, zoo dat onze schepen bestendig door het ijs
ingesloten en nu en dan in hetzelve beklemd waren. Dit duurde tot den
29 September (No 12.) wanneer zich een geweldige storm uit het
Noord-oosten verhief. Wij bevonden ons toen eene mijl ver van de opene
zee. Onze 3 schepen bleven gedurende denzelven zoo goed als
onbeschadigd. Maar op den 30sten September (No 13.), toen de wind
allengs begon aftenemen, werden onze 3 schepen door de geweldige
werking der hooggaande zeeën (_deining_) tusschen het ijs ingedrongen,
en door deszelfs ontzettende stooten in één oogenblik verbrijzeld. De
masten buitelden op het ijs. Elk zocht op de best mogelijke wijze
lijfsberging op de woedende schotsen. Na het vergaan van onze schepen,
hadden wij het geluk van een gedeelte van onzen leeftogt bij ons op het
ijs te bergen. Ook redde ik zeven sloepen. Hier stonden wij in dezen
angstvollen toestand onder den blooten kouden hemel, zonder
schuilplaats, 21 mijlen ver van land op het ijs, in zee, op 64 gr. N.B.
Het land was uit ons gezigt. Wij bevonden ons naar gissing 80 mijlen
ten Westen van het eiland _IJsland_. Ik en Kommandeur HANS PIETERS
bevonden ons met onze schepen, toen dezelve vergingen, digt bij
elkander en Kommandeur H.C. JASPERS was twee mijlen verder landwaarts
van ons. In dit tijdstip werd diens schip ook verbrijzeld, nemende hij
de vlugt naar het schip van Kommandeur KLAAS J. KASTERKOM, hetwelk,
schoon buiten ons gezigt, door hem gezien kon worden. Twee sloepen met
12 man bleven bij het verongelukte schip van H.C. JASPERS, welke daar
verongelukten. Kommandeur KASTERKOM bevond zich op zijn schip met 286
man, toen het bij _Statenhoek_ verging. Van dit getal zijn slechts
eenige te regt gekomen, alle de overige vergaan.
Nu bevonden wij ons, van ieder schip 78 man, op het ijs. Ik H.D. KAT
redde zeven sloepen en eenigen leeftogt. De een zag den ander met
droefheid aan, in zware gepeinzen verdiept, hoe en waar wij, in dezen
treurigen toestand, waarin wij den dood voor oogen zagen, onze
levensdagen zouden eindigen. Wij hadden geene zeilen, om eene tent op
het ijs opteslaan, waaronder wij ons een weinig zouden hebben kunnen
verschuilen.
Op den 1 October was er van onze verbrijzelde schepen niets meer te
zien of te vinden. Wij stonden hopeloos op het geweldig stootend ijs,
in vreeze, om ieder oogenblik door hetzelve vermorzeld te worden. Het
land was buiten ons gezigt. Wij waren nabij de opene zee en werden
Zuid-westwaarts aan voortgeslingerd op de schotsen. Dit duurde tot den
3den October (No 14.) wanneer wij ons nog met 78 zielen op eene
ijsschots van ongeveer 200 vierkante voeten in de opene zee bevonden.
Rondom ons heen was de zee eene vierde mijl ver vol ijsgruis. Dit was
ons behoud, vermits wij door middel van hetzelve niet, bij het
slingeren van onze ijsschots door de hooggaande zeeën, van dezelve
afgespoeld werden. Ondertusschen ging zulks met groot gevaar vergezeld,
zoo dat wij alle oogenblikken vreesden om te zullen komen.
Tegen den morgen hoorden wij door het scheepsvolk van Kommandeur PIETER
ANDERSEN, bestaande in 78 man, die zich op eene tweede digt bij ons
drijvende ijsschots bevonden (No 3.) Gode een gezang toezingen. Maar,
toen de dageraad aanbrak, waren zij van de ijsschots vergaan,
uitgezonderd Kommandeur PIETER ANDERSEN met eenige manschappen, die
zich gered hadden. Om middernacht was onze ijsschots midden
doorgebroken ten gevolge van de geweldige deining, waardoor wij 4 van
onze sloepen verloren, benevens onze meeste _victualie_ (No 2.); van
mijne 78 man (No 1.) verloor ik op dit tijdstip niemand. Dit viel na
gissing voor 40 mijlen ten Oosten van _Statenhoek_. Gedurende den nacht
waren wij door den stroom het land sterk genaderd.
In den ochtend van den 4 October (No 15.) bevonden wij ons op dezelfde
ijsschots, die nu op de helft van 200 tot 100 voeten in het vierkant
verkleind was, op eenen afstand van 10 mijlen dwars van het land af.
Het weêr was nu goed. Ook hadden wij geene deining of verheffing van
zee, zijnde aan alle kanten ingesloten door drijfijs, dat, naar ons
bedunken, aan het land vast lag. Nu besloten wij onze drie sloepen te
verlaten en, zoo mogelijk, te voet op het land aantegaan, weshalve wij
onzen overgeschoten leeftogt onder malkander verdeelden, bestaande
eeniglijk in brood, waarvan ieder man omtrent vijf scheepsbeschuiten
met een weinigje boter ontving.
Bij nader inzien begrepen ik en Kommandeur ALBERT JANS, om onze drie
sloepen op onze kleiner ijsschots, waarop God ons, tot op heden, zoo
wonderbaar bewaard had, voor als nog, niet te verlaten. Hiertoe
besloten nog 49 andere, terwijl de overige 27 man een zeer aandoenlijk
afscheid van ons namen en over ijs naar land gingen. Of deze aan land
zijn gekomen, is mij onbekend.
In dezen nacht veroorzaakte eene hooggaande zee met weinig wind, zulk
eene zware deining in het ijs, dat de schotsen om ons heen de een tegen
de ander opstegen, zoo dat wij ieder oogenblik den dood te gemoet
zagen. Doch God was ons genadig. Het speet ons toen zeer, dat wij met
de 27 man niet naar land waren gegaan. Deze nacht vertoonde aan ons oog
akelige gedaanten. De zee woedde aan de buitenzijde tegen het ijs. De
baren verhieven zich als torens in de lucht, makende in den langen
donkeren nacht eene verschrikkelijke vertooning, terwijl het zoute
water vurige stralen uitschoot. Onze kleine ijsschots van 100 voeten in
het vierkant was als met eene borstwering van kleine ijsschotsen
omgeven. Deze schoven zoodanig op elkander, dat wij ons naauwelijks
konden bergen. Doch wij bleven dezen nacht met onze 3 sloepen nog
onbeschadigd.
In den ochtendstond van den 5 October (No 16.) bedaarde het weêr, en de
zee werd hand over hand kalmer. Nu maakten wij onze drie sloepen
gereed, om er gebruik van te kunnen maken, als de gelegenheid ons
voorkwam, en besloten, om zoo lang op onze kleine ijsschots van 100
voeten vierkant, (waarop God ons tot hiertoe zoo wonderbaar bewaard
had) te blijven, tot dat wij genoodzaakt zouden zijn, om dezelve te
verlaten. Het kwam ons voor, als of die schots voor ons bestemd
was.—Ons voedsel was zeer gering. Van onze 5 scheepsbeschuiten hadden
wij niet veel meer overig. Den dorst leschten wij met aan een stuk
uitgevroren ijs te zuigen. Des namiddags legde ik mij, bij mooi weêr,
in eene der sloepen neder, om een weinig te rusten. Ik was naauwelijks
een weinig ingesluimerd, toen het volk, (hetwelk in hoopen van 17 man,
voor ieder der drie sloepen één, verdeeld was) met groote verbaasdheid
in de sloepen viel, en mij, met een luidruchtig geschreeuw, bekend
maakte, dat de zee over onze ijsschots heen liep, waardoor dezelve
dreigde te zinken. Hierop opende zich boven verwachting het ijs, zoo
dat wij ons zeer schielijk op de vrije zee bevonden. Wij zetten toen
onze zeiltjes bij (No 16.) met eenen gunstigen Noord-oosten wind en
stevenden op _Statenhoek_ aan. Wij hadden een kompas, konden het land
zien en zeilden des nachts langs het wit blinkend ijs.
Onze schipbreuk (No 13.) was zeer verschrikkelijk, vergezeld van de
smartelijkste gevolgen tot den 5 dezer, maar onze ijsbreuk (No 14.) en
het verlies van de schots was niet minder schrikbarende. Wij zeilden
bij het ijs langs tot den 6 October (No 17.). Des middags bevonden wij
ons, naar gissing, 6 mijlen beoosten _Statenhoek_. Hier dreven wij met
het ijs zeer verre in zee op; (No 17.) zoo dat mijn volk uit onkunde en
vrees weigerde, om langer langs het ijs zeewaarts in te zeilen, hetwelk
nogtans noodzakelijk was, vermits dit ijs aan _Statenhoek_ vast lag en
ons om de punt heen leidde. Wij zouden alzoo doende met onze sloepen
land hebben bekomen, schoon men zich bij deze onderneming het gevaar
van wind en zee moest getroosten. Nu was men genoodzaakt, om, zooveel
mogelijk, door het ijs te werken, ten einde het land te bereiken.
Hiermede vorderden wij niet meer dan eene halve mijl, wanneer wij
genooddrongen werden het werk te staken en de sloepen op het ijs te
halen. Hier vond ik eenen ijsberg (zie No 17.) welke, naar gissing, 60
a 70 voeten hoog was. Dezen beklom ik met eenige van mijne manschappen
en toonde hun de dwaasheid hunner keuze, hebbende mijnen raad niet
willen volgen, om met onze sloepen rondom de ver in zee uitstekende
ijspunt heen te zeilen, wanneer wij op _Statenhoek_, waarschijnlijker
wijze, hadden kunnen landen. Dit was nu te laat. Wij hielden ons voorts
bij onze drie sloepen op het ijs, gekweld door grooten honger en koude
en afgesold door vermoeidheid, doordien wij geene rust hoegenaamd
genoten.
Op den 7 October (No. 18.) kwamen wij des morgens bij goed weêr, tot
het verbazend en ijsselijk besluit, om onze drie sloepen te verlaten,
om te zien, of wij te voet over ijs het land zouden kunnen bereiken,
aangezien wij aan alle zijden door het ijs ingesloten waren, en onze
leeftogt slechts bestond in 3 scheepsbeschuiten voor ieder hoofd. Vóór
dat wij dit echter ondernamen, braken wij eerst het hout uit de
sloepen, maakten daarvan een vuur aan op het ijs, verwarmden onze
ingewanden met wat heet theewater en nam elk onzer een’ beet van zijne
drie beschuiten. Sterke drank ontbrak ons ten eenenmale. Na deze
verkwikking namen wij een zeer aandoenelijk afscheid van twee onzer
lotgenooten, welken wij Gods groote genade toewenschten. Wij moesten
hen, door dien zij niet gaan konden, bij de sloepen laten. (No 17.)
Vervolgens gingen wij, ten getale van 49 man, op het land aan. De
laatste groete aan deze twee achterblijvende mannen viel ons zeer
smartelijk. Wij hadden 2 haken, 1 theeketel en 1 biermok, tot ons
gerijf, bij ons.
Van 7, 8, 9 tot den 10 October (No 19.) liepen wij, afgemat door honger
en koude, van het eene stuk ijs op het ander, om land te winnen. Het
ijs ging door de zeewelling of deining onophoudelijk met geweld open en
toe. Sommige onzer, pogende van de eene op de andere schots te komen,
geraakten, door de gladheid van het ijs, tusschen de schotsen, in het
water, verdronken en werden tusschen het ijs verpletterd. Ik zelf
geraakte tweemaal van het ijs af, doch werd telkens weêr opgehaald en
gered door de twee haken, vóór dat het ijs zich weêr toesloot, en moest
zoo met mijne natte kleederen al den volgenden tijd gaan, hetwelk mij
ongemeen verzwakte. Ik had toen nog twee scheepsbeschuiten. Men beseffe
eens, welke kracht de goede God ons in deze omstandigheden verleende!
Ziende de zwarigheden, die wij nog moesten te boven komen, was het
schier niet om uit te houden.—Dagelijks overviel ons de vrees voor wild
gedierte, en onder het voortwandelen opende zich van tijd tot tijd eene
groote ijsspleet voor onze voeten, waarin velen onzer hun graf vonden,
vermits het ijs zich dadelijk, bij het terugkeeren van het water,
toesloot. Des avonds bevonden wij, dat wij nog twee mijlen van het land
verwijderd waren. Doch daar het ijs niet aan het land vast lag, moesten
wij hopende wachten, of het zich aan het land mogt aansluiten. Terwijl
wij dezen nacht met een diep neerslagtig hart doorbragten, lag de een
en zat de ander op het ijs, terwijl een derde stond. Ik zat in het
midden van twee ter regter en linker zijde naast mij liggende mannen,
welke des morgens dood gevroren waren.
In den morgenstond van 11 Oct. (No 20.) bevond ik, dat Kommandeur
ALBERT JANS met eenige manschappen, gedurende den nacht, door de
uitwerking van het draai-ijs van mij was verwijderd geraakt. Ik zag
dezelve hier niet weder. Dezen morgen dreef ons eene lange strook ijs
voor den mond eener rivier voorbij. Deze stiet tegen onze ijsschots.
Wij stapten er dadelijk op over, met uitzondering van één’ man, die
niet verder voort kon. Wij moesten hem met hartverscheurende smart
verlaten. Deze lange strook ijs bragt ons aan land. Wij hadden aan
beide zijden van dezelve de opene zee, en kwamen des na den middags bij
_Statenhoek_ aan. Deze hoek ligt op 59 graden 30 minuten N. Breedte.
Wij vonden in de valleijen eenige groente en boompjes, waaraan blaauwe
bessen groeiden. Wij plukten die bij menigte en aten ze met veel smaak.
Onze blijdschap, dat wij aan land waren gekomen zonder vooruitzigt,
waar wij belanden zouden, was onbeschrijfelijk groot. Hier bevonden wij
nog 18 in getale te zijn. Waar de overige gebleven zijn, behalve de
voorgemelde 27 man, die naar land waren gegaan, is ons ten deele
onbekend. Deze nacht viel ons lang en bang, door het vallen van
menigvuldige sneeuw en eenen harden kouden wind, alsmede door gebrek
aan voedsel, drank en warmte. Ook konden wij niet gaan leggen,
aangezien onze kleederen doornat waren. In dezen toestand konden wij
ons eenigermate een denkbeeld vormen van het lijden van onzen Heiland
JEZUS CHRISTUS, althans hetzelve behoorlijk waarderen, daar wij nu
zelve lijden moesten ondergaan.
De dageraad van den 12. October (No 21.) verblijdde ons. Onze bij
voorraad voor den volgenden dag geplukte bessen, waren alle onder de
menigvuldig gevallen sneeuw verloren gegaan. Wij zetten nu onze reis
landwaarts in voort, om inwoners te ontdekken. De een zette zich hier,
de ander dáár vermoeid en moedeloos neder. Mij viel in de gedachten, om
weder den zeekant te kiezen, vermits de bewoners zich van de zee
moesten generen. Terugkeerende namen wij de hier en daar nedergezetenen
weêr op. Zij hadden zich vermoeid en afgemat nedergelegd, om te
sterven—wij spraken hun moed in, zooveel onze krachten en onze hoop, om
nog eens geholpen te worden, toelieten. Wij kwamen voorts te zamen
weder aan den zeekant en volgden dezelve om de Noord, om menschen te
vinden.
In het omloopen van eene rivier vonden wij, kort daarna, op een’
uithoek aan den zeekant een spits heuveltje, door menschen handen van
steenen op een gestapeld. Dit gaf ons nieuwen moed, dat wij ten langen
laatste inwoners zouden vinden. Hier konden wij niet verder komen,
vermits het strand ons verliet, staande de zee tegen een steil gebergte
aan. Ook lag hier bij het land geen ijs, waarop men om deze punt heen
konde loopen. Wij moesten hier dus _halte_ maken, op hoop dat wij, bij
laag water, om den voet van het gebergte heen zouden kunnen gaan. Doch
ook met laag water was zulks onmogelijk. Wij vonden tot onzen troost
door Gods genade, bij de invallende ebbe, voedsel voor onze afgematte
ligchamen. Dit bestond in groote Mosselen, die wij gretig verzamelden,
om onzen overgrooten honger te stillen. Wij bragten deze Mosselen bij
eenen steen, die boven den vlakken grond uit het gebergte uitstak,
welke plaats wij tot schuilplaats uitkozen. Ook vonden wij hier, tot
meerdere vertroosting, een teeken, zijnde drie tent-plaatsen van 18 a
20 voet in het vierkant, omringd van een groen begroeid dijkje van één
voet hoogte. Men kon zien, dat de wilden hier in den zomer hunne tenten
opsloegen. Dit dijkje dient, om het van het gebergte afvloeijende water
aftekeeren. Wij stonden nu in overweging, hoe aan vuur te komen; welke
zwarigheid zeer onverwacht werd weggenomen door een’ vuurslag, hetwelk
een der Officieren, buiten zijn weten, bij zich had. Op de hoogere
plaatsen van het strand vonden wij vrij wat droog hout, dat ons zeer
verblijdde. Daarna beproefden wij met alle omzigtigheid, om van drooge
hemdslippen (voor zoo verre wij nog droog linnen aan het lijf hadden,)
eenen nieuwen voorraad van tonder te maken, hetwelk ons door middel van
den voornoemden vuurslag gelukte. Wij hadden (gelijk gezegd is) een
klein theeketeltje en een biermok. Toen nu ons vuur aan den gang was,
kookten wij van tijd tot tijd een keteltje vol Mosselen, die ons als
honig smaakten. Ook plukten wij middelerwijl bessen, die wij desgelijks
kookten en waarvan wij het sap dronken. Dit verkwikte ons ongemeen.
Hier bleven wij drie dagen. Wij waren nog 18 in getale. Door het gemis
van rust verzwakten onze ligchamen uitermate; te meer daar wij, bij dag
en nacht, de koude van sneeuw, wind en vorst moesten verduren. Wij
hielden ons wel nabij het vuur, maar onze oogen konden hetzelve niet
verdragen. In den loop van deze drie dagen werd iemand onzer, die zich
bij nacht van het gezelschap verwijderd had, des morgens dood op de
klippen gevonden. Schoon onze moed dagelijks afnam, schonk het slechte
weêr ons somtijds weder hope, dat de Wilden, zoodra het weêr bedaarde,
wel op zouden komen dagen.
Op den 15 October (No 22.) kwam een der manschappen mij vragen, of men
niet eens eene kans zoude wagen, om over het hoog klippig gebergte heen
te klimmen, ten einde ons voornemen, om menschen om de Noord te
ontdekken, voort te zetten. Dit kwam mij onuitvoerlijk voor, aangezien
eenige van mijn volk, ten gevolge van de koude en het langdurig
afmartelen van het ligchaam, opene handen en voeten hadden. Des
ongeacht nam de man, die zulks voorstelde, de reis over het klipachtig
ijsgebergte aan, wenschende ons een zeer aandoenlijk vaarwel. (No 34.)
Geen eenig man van mijn volk was in de _Straat Davids_ geweest en
verstond dus een enkel woord van de landtaal. Ik had in mijne jonge
jaren drie reizen uit _Holland_ derwaarts gedaan, en eenige woorden van
die taal in het geheugen bewaard. Des namiddags ging een mijner
Officieren, met name PIETER HENDRIKS, op eene hoogte van het gebergte,
om eens uittezien. Van daar ontdekte hij zeewaarts in, in den mond van
de rivier, drie voorwerpen in de gedaante van vogelen op het water. Hij
riep mij toe, wat men daar van denken moest? Ik liep met haast naar hem
toe, en zag terstond (doordien ik in vroegere dagen meer zulke
vertooningen gezien had), dat het Wilden of inboorlingen konden zijn.
Nu kwam het geheel gezelschap naar ons toe. Wij verhieven tweemaal een
luid geschreeuw, dat door gezegde Wilden gehoord werd, die diensvolgens
op ons af kwamen. Wij liepen gezamenlijk naar het zeestrand, om hen in
onze armen te ontvangen. Ten gevolge van onze overgroote blijdschap,
dat wij, buiten ons, weêr menschen zagen, bleven die lieden met hunne
kleine schuitjes, die naauwelijks boven het vlak van de zee uitstaken,
op eenen afstand van ongeveer 100 roeden van de kust liggen. Doordien
ik de landtaal niet magtig was, en niet wist, hoe die Wilden omtrent
ons gezind waren, besloot ik mijn volk naar de voornoemde plaats terug
te doen keeren. Nu stond ik daar alleen, en noemde in mijne
verlegenheid een woord, waarvan ik zelf de beteekenis niet wist, te
weten (_ome kageit_). Dit woord beteekent, gelijk de _Hernhutters_ mij
naderhand zeiden, (_vriend kom hier!_) Daarop kwamen zij, bij drieën in
een schuitje, bij mij. Ik hielp hen uit hunne schuitjes en omhelsde
hen; hetwelk zij met wederliefde beantwoordden. Dit waren ongedoopte
Wilden. Ik vergezelde hen naar onze verblijfplaats, waar mijne overige
manschap zich bevond.
Zij namen alles naauwkeurig op. Toen zij vernamen, dat wij noch voedsel
noch rustplaats hadden en onze ligchamen uitgemergeld waren, kon men
zien, dat zij medelijden met ons hadden. Met naar de Zon te wijzen
gaven zij ons te kennen, dat zij den eerstvolgenden dag weder zouden
komen, om ons te helpen. Het weêr was nu vrij goed, ’s avonds namen zij
hun afscheid, en keerden naar hunne woningen terug. Het baarde ons nu
veel droefheid, dat één van ons volk ons vrijwillig verlaten had, om
over het gebergte te gaan, daar wij het nu met malkander zoo ver
gebragt hadden. Terwijl wij hem verloren schatten, begon onze hoop van
tijd tot tijd levendiger te worden, vermits wij nu menschen gevonden
hadden, die ons, zooveel wij hen begrijpen konden, wilden helpen.
Den 16 October hadden wij storm met sneeuwjagt. Ofschoon wij met
reikhalzend verlangen uitzagen, ontdekten wij heden nog geene helpers.
Wij schreven dit toe aan het slechte weêr. Dit gaf ons troost. ’s
Nachts bedaarde het weêr. Wij bleven onder de voorschreven uitstekende
steenklip van het gebergte.
Den 17 October (No 23.), des morgens was het mooi weêr; wij zagen uit
naar onze helpers en deze kwamen des voormiddags ten 11 ure bij ons,
bij drieën in een afzonderlijk schuitje. Ik gaf hun onze onmagt en ons
gebrek aan voedsel te verstaan. Zij begrepen dit en besloten mij
medetenemen op de volgende wijze.
Ik plaatste mij (na vooraf afscheid van mijn volk genomen te hebben,
onder voorwaarde, dat zij zich van deze plaats niet zouden verwijderen,
aangezien de Wilden hen van daar zouden afhalen) des middags ten 12
ure, achter één’ der Wilden op een schuitje, hetwelk zij vooraf op
zijde van een ander vastgebonden hadden, en zoo roeide de Wilde met mij
voort, hebbende een riemspaan in de hand, welks beide einden met een
blad voorzien waren. Op deze wijze bragten zij mij een vierde mijl
voorbij het steil gebergte, daar wij wegens de diepte niet om heen
konden komen. Het schuitje, waarop ik mij bevond, kan, van den voor-
tot den achtersteven, lang geweest zijn ongeveer 20 voeten en iets
breeder dan de dikte van een gewoon mensch. De Wilde zit in een rond
gat in het midden op den bodem neder, met de voeten voorwaarts onder
het dek. Zijn ligchaam steekt dan, van de lendenen af gerekend, boven
het dek uit. Hij zit in een kleed (of rok) van leder, dat aan het
schuitje vastgehecht is, zoo dat er geen water aan zijn lijf of in het
schuitje kan komen. Zijne handen en gezigt alleen zijn bloot. De
uiteinden van dit schuitje loopen van het midden af spits toe. Wanneer
de Wilde er in zit, ligt het schuitje in het midden van het dek
ongeveer 4 duim boven water. Het geheel is van Robben-vellen en de
inhouten van zeer dun en taai hout, dat daar te lande groeit, gemaakt.
De Wilde zette mij op de voorschreven plaats, doornat aan land.
Vervolgens bragten zij mij bij twee spelonken, in iedere van welke tien
personen beschut konden wezen tegen het onweder. Deze bergspelonken
waren overdekt tegen allen aanval van regen en sneeuw. Zij dienen den
Wilden in den zomer tot het droogen van Spiering en Zee-honden of
Robbevellen en vleesch. Hier bleef ik alleen staan. Hunne
menschlievenheid dreef hen tot mijne achtergeblevene manschap, welke
zij, op gelijke wijze, overbragten, doch niet verder dan om de steile
punt van het hoog gebergte, om welke wij, wegens de diepte, niet hadden
kunnen heen loopen. Dit geschiedde wegens het vallen van den avond.
Mijne togtgenooten liepen toen aan den voet van het gebergte langs het
strand en kwamen, één voor één, zoo als zij overgezet werden, des
avonds bij mij, met uitzondering van één man, die terugbleef. Hier
zijnde verzocht mijn volk mij, dat ik met de Wilden naar hunne woningen
op reis zoude gaan, om, dus doende, zooveel te spoediger bij de Wilden
ruste te vinden voor hunne afgematte ligchamen. Dit stonden de Wilden
toe, en alzoo ging ik met mijn’ Stuurman, de een na den ander, op twee
zamengebondene schuitjes achter de Wilden zitten. Maar wij moesten over
eene rivier, die twee mijlen breed was. Het kwam hier op stil zitten
aan. Door het toenemen van het onweder met sneeuwjagt werden wij tot
over het hoofd doornat, vermits wij, twee mijlen ver, bestendig in het
water moesten zitten. Deze twee schuitjes waren ieder met het gewigt
van drie man beladen, en het water spoelde onophoudelijk over de
schuitjes heen. Wij waren schier dood gevroren en stijf van de koude,
ja geheel magteloos. De Wilden bleven droog in hunne schuitjes,
uitgezonderd hunne handen en aangezigten, uit hoofde van hunne wel
gemaakte lederen rokken.
Men verbeelde zich eens de sterkte en geschiktheid dezer Wilden.—Twee
mannen, hebbende Kommandeur KAT achter zich zitten, deden deze
moeijelijke reis van twee mijlen, door eene onstuimige zee, met sterken
wind, in twee kleine of smalle schuitjes, door het gewigt van drie man
zwaar beladen, terwijl het water onophoudelijk over dezelve
heenspoelde, en zulks ondanks den voorafgaanden arbeid van dezen
dag!—Des avonds ten 5 ure kwamen wij, de een na den ander, over deze
rivier aan land. Nadat zij het een en ander tegen ons gezegd en ons
eenige teekenen gegeven hadden, welke wij niet verstonden, namen zij
hun afscheid. Hier stonden wij nu doornat en verkleumd, uitgehongerd,
geheel zonder vuur, spijze en drank.—In deze verlegenheid namen wij het
besluit, om onze bevrorene en afgematte ligchamen, zooveel mogelijk, in
beweging te houden. Wij liepen dus langs den vlakken oever van de
rivier, in hope, dat wij licht in de woningen zouden aantreffen. Doch
dit was, gelijk wij des anderen daags ondervonden, verkeerd van ons
gedaan. Na anderhalf uur gewandeld te hebben, legden wij ons ’s avonds,
ten 7 ure vermoeid en afgemat neder, zonder iets ontdekt te hebben.
Hier lagen wij nu magteloos op steenen in de sneeuw, bereid zijnde, om
dáár onzen geest aan onzen Formeerder terug te geven.—Wij bragten
echter dezen nacht in onze doornatte kleederen, met diepe ellende,
door.
Op den 18 October (No 24.) vroeg mijn Stuurman bij het aanbreken van
den dageraad: Kommandeur! leeft gij nog? Ik kon dit naauwelijks met ja
beantwoorden. Hij klaagde over zijne opgezwollene beenen en pijnlijk
ligchaam; en, wegens zijne smart, met veel moeite overeind gaande
zitten, kon hij de rivier, welke digt bij ons was, zien. De Wilden, die
ons den vorigen avond een eindweegs van _hier_ aan land gezet hadden,
zochten ons heden morgen, zijnde vier in getal, ieder in een
afzonderlijk schuitje, op dezelfde plaats weder, maar vonden ons niet,
doordien wij van die plaats verwijderd waren. Zij voeren toen met hunne
schuitjes voort langs de kust, om ons op te zoeken. Het was _zeer
opmerkelijk_, dat de overgroote pijn, welke de Stuurman liggende
doorstond, hem bewoog, om, met veel moeite, overeind te gaan zitten.
Dit was een groote zegen voor ons, doordien wij anders vermoeid zijnde
niet zouden zijn opgestaan. Nu ontdekte hij door zijn oprijzen de
Wilden en maakte mij zulks bekend. Ik kon naauwelijks overeind komen.
Nadat ik mij met mijnen Stuurman met veel moeite opgerigt had, hieven
wij een luid geschreeuw aan, zoo dat de Wilden ons hoorden, en dadelijk
met hun vieren op ons toe kwamen. Wij stortten oogenblikkelijk weder op
den grond of liever op de steenen in de sneeuw neder, door pijn en
zwakheid geheel overmeesterd. De Wilden vonden ons bij hunne komst
bijna als dooden nederliggen. Zij namen ons onder de armen op en
leidden ons aan den oever van de rivier, alwaar eene vlakke rots was.
Hier torschten zij ons heen en weêr, om ons weder aan den gang te
helpen. Na verloop van een uur gelukte zulks. Onze bevroren ledematen
werden weder buigzaam. Vervolgens bonden de Wilden, met meer dan
Christelijke hulpvaardigheid bezield, de vier schuitjes, zijnde van de
voren omschreven gedaante, twee aan twee te zamen, zetten ons achter
zich daarop, en voeren zoo met ons heen tot 3 ure in den namiddag, op
welk tijdstip wij allen, met levensgevaar, digt bij hunne woningen aan
land kwamen. Hunne vrouwen, die ons op eenen verren afstand van de
klippen of van het gebergte gezien hadden, kwamen toeloopen en hielpen
ons van de schuitjes in hare woningen. Dit was tusschen _Statenhoek_ en
_Kaap Vaarwel_, doch het naast aan eerstgemelde, op 59 gr. 55 min. N.
Breedte. Hier vonden wij een huis, waarin vijf huisgezinnen zamen
woonden, bestaande naar gissing in twintig zielen zoo oude als jonge.
De vrouwen trokken ons oogenblikkelijk onze natte kleederen uit,
omwonden ons met ruige land-honden-vellen en leidden ons tot eene
rustplaats op eenen brids, één’ voet boven de aarde of den steenen
bodem verheven. Hier ontdekten wij, dat het onmogelijk was geweest, dat
de Wilden ons, bij hunne eerste komst, konden medenemen, vermits zij op
eenen te verren afstand van hunne woning verwijderd waren. Wij
gevoelden ons als uit het graf verrezen. De overgroote liefde dier
wilde menschen, welke waarlijk die van vele Christenen te boven gaat,
maakte onze harten weemoedig en dankbaar tot God. Het schreijen van
kinderen te mogen hooren bevredigde ons met ons lot. Het scheen ons,
als of wij in ons eigen huis waren. Zij verkwikten ons met eene soort
van soep van Zeehonden- of Robbevleesch met water gekookt. Niemand, die
zulks niet ondervonden heeft, kan gelooven, hoe smakelijk wij daarvan
aten. Wij bevonden ons daarna zeer wel. Gedurende dezen nacht konden
wij echter niet in slaap geraken, doordien onze hersenen opgevuld waren
van treurige nagedachten, en, aan den anderen kant, van blijdschap, dat
wij ons alreede onder goede menschen bevonden, terwijl onze hoofden
suisden als het razen van den wind. Wij bespeurden hier groote warmte
in huis en werden geplaagd van ongedierte.
Op den 19 October (No 25.) gingen eenige mannen en vrouwen in den
ochtendstond, bij goed weêr, met twee vrouwe-schuiten (in de taal der
Wilden _koene booten_ genaamd) in zee, om mijn achtergebleven volk uit
de voornoemde spelonken te halen. Intusschen geraakte ik met mijn’
Stuurman in slaap, drie uren lang. Wij bevonden ons na den slaap vrij
wat verkwikt. Des avonds, om half vier ure, kwam mijn achtergebleven
volk, bestaande in dertien man, met de vrouwe-schuiten bij ons. Wij
waren van weêrzijde hartelijk blijde. Zij zeiden mij, dat JAN WIT, die
drie jaren met mij gevaren had, na de overvaart om de steile klip
(gelijk voorheen gezegd is) niet bij hen was gekomen. Zij wisten niets
van hem. Voorts kregen deze dertien man dezelfde verkwikking, welke wij
genoten hadden; doch, vermits zij niet doornat waren, werden zij, na
zich alvorens gewarmd te hebben, zonder honden-vellen, bij ons gebragt.
Wij verhaalden hun ons doorgestaan lijden, sedert wij door de Wilden
waren afgehaald geworden. Nu verheugden wij ons te zamen, dat wij, na
drie weken alle mogelijke gevaar en lijden onder den blooten hemel
doorgestaan te hebben, zoo verre geholpen waren.
Na drie dagen lang bij de Wilden vertoefd en alle bedenkelijke
vriendschap van hen genoten te hebben, reisden wij, den 22 October (No
26.) des morgens, vijftien man in getale, onder het geleide van twee
Wilden, over eene groote vlakte om de Noord, alwaar wij des namiddags
aan den zeekant twee huizen vonden. Hier ontmoette ik tot mijne groote
blijdschap, mijnen vriend ALBERT JANS met eenige manschappen, die,
gelijk gezegd is, op den 11 October met zijne ijsschots van mij was
afgedwaald. Ik verstond van hem, dat hij in den avond van den 11
October op zijne ijsschots voor de woningen der Wilden was aangeland,
waar de Wilden hem te hulp waren gekomen. Hij verklaarde, mij niet meer
te kennen, zoodanig was ik, gedurende den tijd van acht dagen, waarin
hij mij gemist had, door mijn omzwerven en doorgestane ellende
veranderd. Maar, toen hij vernam, wat wij in dien tijd van acht dagen
hadden uitgestaan, deed het hem geen wonder, ons in dien toestand te
ontmoeten. Hier kreeg ik mijn horologie weder, dat ik hem, een’ tijd
lang geleden, had gegeven, bij gelegenheid, dat ik doornat was van zout
water. Den nacht sleten wij hier gezamenlijk in de woning dezer Wilden,
welke nog ongedoopt waren. Ook kregen wij iets van hun armoedig
voedsel, zoo dat ik de liefde der Wilden, aan ons bewezen, niet genoeg
kan roemen.
Den 23 October (No 27.) verdeelden wij ons des morgens in partijen, van
drie, vier en vijf man, zijnde hier geen voorraad van spijze
voorhanden. Des namiddags gingen wij met vrouwe-booten op reis. Mij,
benevens vier man, viel het lot te beurt binnen _Kaap Vaarwel_ door,
mijnen Stuurman JENS JESSEN, desgelijks met vier man op _Kaap Vaarwel_
te trekken en de overige werden in de woningen, waarin wij ons
bevonden, verdeeld. Des avonds kwam ik binnen _Kaap Vaarwel_, alwaar ik
een huis vond, waarin zes woonplaatsen afgeschut waren. Wij waren daar
met mannen, vrouwen en kinderen een en twintig zielen sterk. Wij bleven
vier dagen bij deze ongedoopte Wilden, die ons zeer vriendelijk
bejegenden, en ons zooveel voedsel van Robbe-vleesch gaven, als zij
konden missen. Wij konden wel meer Robbe-spek krijgen; doch daaraan
moesten wij eerst door grooten honger gewennen, om het te kunnen
verdragen. De Robbe-lever en nieren smaakten ons wel. Het zout ontbrak
ons eeniglijk.
_De Huizen en Levenswijze der Wilden_
zijn als volgt:
[Illustration]