kwamen twee Wilden, die mij het eerst (gelijk voorheen gezegd is, 17 en
18 October), op _Statenhoek_, naast God, het leven gered hadden, bij
den Koopman ANDRIES OELZEN en berigtten hem, dat zij nog éénen man van
mijn volk hadden gevonden, die nog gezond was. De Koopman vroeg mij
hierop, of er nog van mijn volk achtergebleven waren, waarop ik hem
berigtte (zoo als 12 October gemeld is) dat één van mijn volk aldaar
gestorven was en een ander beproefd had, om over het hoog gebergte heen
te klimmen, van welken ik tot hiertoe niets had vernomen, en dat
eindelijk een derde, met name JAN WIT, bij het overbrengen om de steile
klip (zoo als ik den 17 October verhaald heb) vermist werd. Ik
verblijdde mij, denkende, dat de man, nopens welken de Wilden berigt
bragten, JAN WIT zoude wezen. Ik verzocht daarop den Koopman ANDRIES
OELZEN om een weinigje tabak en schreef eenen brief, dien ik aan JAN
WIT adresseerde. Het een en ander zond ik met deze Wilden naar hem toe.
De Wilden, bij hem komende, gaven hem den brief, met het weinigje
tabak, dat hem verkwikte. Maar helaas! hij kon den brief niet lezen en
dus bleef de inhoud hem onbekend. Naderhand ontdekten wij, dat het JAN
WIT niet was, zijnde het de man, die (zoo als op den 12 October gezegd
is) van ons over het hooge gebergte was gegaan, en dien wij alreede in
het ijsgebergte verloren hadden geschat. Na verloop van twee dagen
wandelde die man bij de woning dier Wilden om en zag drie mannen in
eene vrouwe- of koene-boot met de Wilden bij hem aan land komen. Hij
verwelkomde dezelve en verstond, dat zij van het verongelukte schip van
Kommandeur KASTERKOM waren. Zij verhaalden hem, hoeveel zij door honger
en koude geleden hadden, doordien hunne Wilden gebrek aan voedsel
hadden. Zij vroegen hem, hoe hij daar gekomen was? Hij antwoordde
hierop: met Kommandeur KAT, vermoedende voor het overige, dat deszelfs
togtgenooten wel al dood zouden zijn, nademaal zij, wegens de diepte,
om het steil gebergte niet heen konden komen; zijnde hij van hen
afgegaan en over het hoog gebergte heen gewandeld. Zeven dagen had hij
in hetzelve doorgebragt, zijnde hij eindelijk hier gekomen, na veel
lijden te hebben doorgestaan.
Hij verblijdde hen met te zeggen: ik heb eenen brief met een weinigje
tabak ontvangen, maar ik kan niet lezen en weet dus niets van deszelfs
inhoud. Zij lazen hem toen den brief voor, waaruit zij verstonden, dat
dezelve door HIDDE DIRKS KAT geschreven was, wordende daarin gemeld,
hoe hij zich te gedragen had, om bij dezen te komen. Dit was voor hen
allen eene blijde tijding, hetwelk zij met vreugde-tranen aan den dag
legden, daar hun zulks nieuwe hoop gaf, om eindelijk eens weêr te regt
te komen.
Kort voor mijn vertrek van _Frederiks Hoop_ kwam deze man, met de boven
genoemde drie mannen, die bij hem waren, bij mij, waarover wij ons zeer
verheugden. Nu vernam ik, dat het JAN WIT niet geweest was, maar de
man, die (zoo als ik den 12 October gemeld heb) van ons was gegaan over
het hoog ijsgebergte. Hij verhaalde mij, dat hij, onder het verduren
van honger, koude en wanhoop, ja somtijds in volslagene magteloosheid,
zeven etmalen in het ijsgebergte omgezworven had, hebbende bij wijlen
op de ijsbergen of op de klippen in de sneeuw uitgerust, als zijnde
dezelve grootendeels met ijs en sneeuw bedekt. Hij had in dien tijd nu
en dan aan den oever van de zee, of de rivier, voedsel gevonden, te
weten Mosselen; waarop hij zich, ten langen laatste, geheel afgesold,
op het strand had nedergezet, om te sterven.—Op dit oogenblik had hij
iets, in de gedaante van eenen vogel, op de rivier gezien, dat op hem
afkwam. Ziende, dat het een Wildeman in zijn schuitje was (iets,
hetwelk hij nooit voorheen gezien had) had hij het ergste gevreesd.
Toen deze Wilde bij hem aan den wal kwam, had hij hem, uit vrees van
gewelddadig aangevallen te zullen worden, eenen zijden halsdoek
toegereikt, dien deze had aangenomen. Hierop was zijne vrees in vreugde
veranderd. Deze goede Wildeman had hem opgerigt, ondersteund en in zijn
huis geleid, dat, buiten zijn weten, in zijne nabijheid, in het
klipachtig gebergte stond. Zij bewezen mij (vervolgde deze man) alle
liefde, gaven mij van hun voedsel en verwarmden mij. Hier bleef ik tot
op het tijdstip, dat ik den brief van u, Kommandeur KAT, benevens de
hier vermelde hulp ontving. Door middel van denzelven ben ik thans bij
u.
Vervolg mijner reize.
1778.
Toen ik mij op _Frederiks Hoop_ bevond, ging de boot, die mij daar
gebragt had, met leeftogt terug naar de Kolonie _Juliaans Hoop_ (No.
29.). Ik gaf met dezelve eenen brief aan den Koopman ANDRIES OELZEN
mede, waarin ik hem voor alle zijne aan ons bewezene liefde bedankte;
hem tevens verzoekende, om, zoodra mogelijk, mijne dáár geblevene
manschap met de genen, die nog verder op in leven mogten zijn, naar mij
toe te zenden, hetwelk hij, in het vervolg van tijd, volbragt heeft.
Hier op _Frederiks Hoop_ (No 33.) verzocht ik den Koopman KAREL BRUIN
om, benevens mijn volk, met dit schip naar ons vaderland te mogen
vertrekken. Ik ontving hierop een gunstig toestemmend antwoord.
Doordien het ijs tegen den wal aan lag, moesten wij hier blijven tot op
het einde van de maand Julij. In dien tusschentijd kwam het
achtergebleven volk bij mij, bestaande in tweeëntwintig man; gedurende
dezen tijd kregen wij rantsoen, waarbij wij het leven konden houden.
Omstreeks den 10 Augustus (No 33.) waren wij gereed en zagen wij kans,
om met het schip zee te kregen. Wij ontvingen tot ons onderhoud voor
acht weken proviant mede en maakten te zamen een gezelschap uit van
tweeëntwintig passagiers, buiten de scheeps-equipage. Wij gingen toen
op reis. In zee komende bevonden wij het ijs twee mijlen van het land,
digt aan een gesloten. Om hier door te komen laveerden wij langs het
ijs om de Noord tusschen het groot ijsgebergte door. Met zeer veel
gevaar kwamen wij 15 mijlen in de acht dagen tijds om de Noord en wel
tegen den Noorden-wind in. Ons schip was goed en wel bezeild. Eindelijk
kwamen wij voor de Kolonie _Gorthoop_ genaamd (No 35.). Hier deden wij
twee schoten, waarop twee Wilden bij ons aan boord kwamen. Wij schreven
eenen brief aan den Koopman van die Kolonie, dat, bijaldien wij niet
door het ijs konden komen, wij voornemens waren daar binnen te loopen,
in welk geval wij zijnen bijstand verzochten.
Op den 18 Augustus (No 36.) hadden wij des namiddags mooi weêr, kregen
eenen zuidelijken wind en zetten toen onzen koers nog 8 mijlen om de
Noord. Die afgelegd hebbende, kwamen wij den 19 Augustus (no 37.)
tusschen het ijs en het land door behouden in zee, op vrij water. Nu
konden wij onze reis doorzetten. Des namiddags zagen wij een
Galjas-schip ten westen van ons. Wij zeilden er heen en ontvingen het
berigt, dat hetzelve met levensmiddelen naar de Noord-Kolonien bestemd
was. Wij gingen met onze sloep bij hem aan boord en kochten eenen
kleinen voorraad van suiker, thee en koffij en eenige proviant tot onze
verkwikking, waarna wij ons afscheid namen. Vervolgens bleven wij
kruisen tegen den zuiden-wind. Na verloop van eenige dagen kregen wij
eenen goeden wind, en zetten toen onze reis door. Na drie weken zeilens
zagen wij de _Orkadische_ eilanden. Toen hadden wij harden wind uit het
Zuidwesten tot den 9 September (No 38.).
Den 10 September (No 39.) stevenden wij _Hitland_ voorbij met zwaar
weêr uit het Westen en West-zuid-westen. Na verloop van drie of vier
dagen passeerden wij op den 13 September (No 40.) _Schagen_ in het
_Kattegat_, en kwamen na verloop van eenige dagen den 18 September op
de plaats van onze bestemming, te weten _Kopenhagen_, alwaar ik met
mijn volk aan den wal stapte en in eene herberg ging. Ik vond daar
Kommandeur HANS JOHANNES, die weleer drie jaren lang als stuurman met
mij van _Hamburg_ gevaren had. Deze bragt mij bij de _Groenlandsche
Directeuren_. Ik gaf dezen mijne rekening over van de schuld, die ik
voor mij en mijn volk in de _Straat Davids_ en in de _Kolonien_ gemaakt
had. Dezelve ontsloegen mij daarvan ten volle, en nadat ik aan deze
Heeren alles, wat mij wedervaren was, verhaald had, nam ik afscheid;
betalende mijne schuld, met hun mijnen dank te betuigen. Voorts ging ik
met Kommandeur HANS JOHANNES naar deszelfs huis. Ik verhaalde denzelven
ook mijne lotgevallen en werd met liefde onthaald.
Na verloop van twee dagen vertrok ik op den 20 September van daar met
een schip naar _Lubeck_, alwaar ik den 22 September met mijn gezelschap
aan den wal stapte. Den 23 September kwam ik bij mijnen patroon, den
Heer D.H. REWOEL te _Hamburg;_ en vervolgens aldaar bij mijnen zwager,
den Kommandeur C.J. NEY komende, vernam ik, tot mijne overgroote
blijdschap, dat mijne vrouw met één kind nog in leven en gezond was,
zijnde een van mijne kinderen in mijne afwezigheid gestorven.
Daarna kwam ik den 27 September met een vaartuig op het eiland
_Ameland_ en ontmoette vrouw en kind in goede gezondheid. Het is mij
onmogelijk deze zielroerende blijdschap te beschrijven. De menschen op
straat hieven een vreugdegejuich aan en riepen elkander mijne
terugkomst toe.
God zij hartgrondig gedankt voor alle onverdiende genade, aan mij HIDDE
DIRKS KAT bewezen!
[Illustration]
Naberigt.
Men vindt in de beschrijving van JELDERT JANZEN GROOT, die op den 10
April 1777 van _Amsterdam_ naar _Groenland_ gevaren is, en ten zelfden
tijd met Kommandeur HIDDE DIRKS KAT zijn schip tusschen _Statenhoek_ en
_IJsland_ verloren heeft (welke beschrijving hij, na zijne terugkomst
van de _Straat Davids_, in het licht heeft gegeven) schier dezelfde
berigten, niet tegenstaande elk hunner zijne bijzondere ontmoetingen
had bij het verlies van schepen en manschap, en bij het verblijf op het
ijs en aan den wal. Gemelde J.J. GROOT teekent mede aan, dat de wilde
mannen zeer ervaren zijn _in_ en voorkennis hebben _van_ den aan- en
afloop van het ijs, als mede van weêr en wind, hetgeen zoo verre ging,
dat men op deze hunne voorspellingen vrij gerust staat kon maken.
Wijders meldt hij, dat de bekeerde of de gedoopte Groenlanders hunne
godsdienst-oefening stiptelijk onderhouden, dat zij ’s morgens niet
uitgaan, vóór dat zij hun gebed gedaan en eenen Psalm gezongen hebben,
verrigtende zij des avonds bij hunne t’huiskomst wederom hetzelfde. Wij
bevonden, (zegt hij) dat de Groenlanders, die het verste om de Zuid en
zelfs aan _Statenhoek_ wonen, de eenvoudigste, de menschlievendste, en
de gulhartigste zijn. Bij de ongedoopte Wilden bevond men geene
godsdienst-kennis; maar bij de ongedoopte Wilden konden wij voor een
weinigje veel meer inruilen, dan bij de gedoopte, zoo dat het
Christen-worden dier menschen geene mededeelzaamheid heeft aangebragt.
Dit verschil was in het oog loopende.
BERIGT AAN DEN ZEEMAN.
De kust van _Gale Hamkes_ 10 a 12 mijlen van land vertoont zich
bergachtig en hoog; op de breedte van 68 gr. 30 minuten zagen wij geen
land meer en niets dan ijsbergen, die, met de toppen in de wolken, het
land bedekken. Men ziet dezelve reeds op eenen afstand van 16 a 18
mijlen. Van gelijken aard vond ik naderhand het land op eene N. Breedte
van 62 gr. 30 minuten in de _Straat Davids_ benoorden _Kaap Vaarwel_.
Op 66 gr. zagen wij noch Walvisschen noch Robben noch gevogelte meer.
De stroom loopt bestendig om de Zuid-west, en toen wij er waren, veel
sterker dan gewoonlijk, omdat de wind bestendig uit het Noord-oosten
woei en met den stroom in dezelfde lijn liep.
De reden, waarom het eene _IJsveld_ veel sneller drijft dan het ander,
is deze: het ijs is somtijds van 2 tot 6 vademen en meer dik, zijnde de
_IJsbergen_ somtijds wel 10 a 30 vademen en meer diep. Wanneer
laatstgemelde nu op droogten of hoog uitstaande blinde klippen
vastraken, worden dezelve gestopt. Op deze wijze drijft het vlot-ijs de
vastgeraakte ijsklompen voorbij met meerdere of mindere snelheid naar
gelang van den stroom.
In de _Straat Davids_, op de N. Breedte van 61 gr. 40 minuten zijn wij,
tusschen _Juliaans Hoop_ en _Frederiks Hoop_ eene _IJsvallei_
voorbijgevaren. Deze was eene halve mijl lang, loopende landwaarts in.
Aan deze groote vallei lagen de ijsbergen met hunne blinkende toppen in
de lucht. Deze hooge ijsbergen, welke men vroeger dan het land ziet,
zijn een zeer goed kenmerk van den weg, dien men in de _straat_ heeft
afgelegd. Men ziet diezelfde vallei desgelijks ten Oosten van
_Statenhoek_, vermits die opening, waarin de vallei ligt, het land
doorsnijdt, zijnde eene rivier die, naar uitwijzing van de Kaart, van
het Oosten naar het Westen loopt. Zoodanig is het voorkomen der
ijsbergen tusschen _Jan Maaijen Eiland_ en _IJsland_ op 68 gr. 30
minuten N. Breedte, zoo als voorheen gezegd is. Op mijne vraag, hoe ver
zich de woonplaatsen der Wilden om de Noord naar _Spitsbergen_
uitstrekken, verstond ik van den Koopman ANDRIES OELZEN, dat dezelve
zich zoo verre uitstrekken, als men kraaijen of raven aantrof.
KORT UITTREKSEL
Uit het kort doch echt verhaal van Kommandeur MARTEN JANZEN[1] wegens
het verongelukken van zijn schip, genaamd _Het witte Paard_ en van nog
negen andere schepen door de bezetting van het West-ijs in _Groenland_
ten jare 1777.—_Leeuwarden_ bij _Tresling_ 1778.
[1] Van dezen Kommandeur wordt op bladz. 42 van dit Dagboek gewag
gemaakt. _De Uitg_.
(In dit verhaal wordt mede gevonden een gedrukte brief van Kommandeur
HIDDE DIRKS KAT aan zijne huisvrouwe, geschreven uit _Straat Davids_.
Daar deze echter onderscheidene in het _Dagboek zelve_ voorkomende
bijzonderheden bevat, heeft de uitgever het overtollig geacht denzelven
hier mede te deelen. Het navolgende _kort Uittreksel_ dient tot nadere
bevestiging van het door ons medegedeelde Dagboek van den Kommandeur
HIDDE DIRKS KAT.
“Den 17 September (1777) hadden wij harden wind uit het O.N.O. en zware
kruijing van het ijs, waardoor het schip van Kommandeur KASTRIKOM van
achteren een gat kreeg en heel lek werd. Wij moesten toen vijf pompen
aan den gang houden, en zetten de _victualie_ en ’s volks goed op eene
schots. In den avond verloor Kommandeur GROOT zijn schip, waarvan wij
ter naauwernood de _victualie_ borgen. Den 8sten stopten wij het lek
van ons schip, waardoor wij lens kregen en het met ééne pomp gaande
konden houden. Toen namen wij de _victualie_ weder in en het volk werd
op de twee nog overig zijnde schepen verdeeld. Het schip van Kommandeur
BROERTJES was nog digt. Den 9 September kregen wij een weinig ruimte,
doch hadden zware deining en eene hooge zee, waardoor wij van elkander
raakten. Ook werd ons schip weder zeer lek en ontramponeerd. Het zag er
toen voor onze beide schepen, met het volk van vijf schepen bemand, en
nog eenig volk van het schip van Kommandeur KLAAS KUIKEN, dat al vroeg
gebleven was, met zich voerende, zeer droevig uit. Wij waren toen op 65
gr. N. Breedte en dreven nog al hard Westwaarts op, alle dagen het land
in het gezigt hebbende. Nu begon ons de moed te ontvallen. Wij konden
daags slechts tweemaal een klein rantsoen schaffen, en dagelijks
vertoonden zich zeer groote ijsbergen, daar wij tusschen door dreven.
Het schip kraakte geweldig, en wij moesten, bij het zinken af,
onophoudelijk pompen. Wij bevalen ons Gode aan en baden het mogt Hem
behagen ons uitkomst en redding te geven. Den 30 September
vermeerderden onze smarten, doordien Kommandeur BROERTJES ook zijn
schip verloor. Hij kwam met zijn volk, zoo als zij gingen en stonden,
den 1 October bij ons aan boord. Zij hadden van hunne _victualie_ niets
kunnen bergen, doordien het ijs aan losse schotsen lag.
“Nu was ons schip er maar alleen, en waren wij, weinig _victualie_
hebbende, belast met al de manschap van alle de geblevene (acht)
schepen. Dienzelfden achter middag kwam nog bij ons aan boord HANS
CHRISTIAANSZ. van _Hamburg_ met vijftig mannen, die hun schip op den 30
September aan den zeekant verloren hadden. Zij berigtten ons, dat er
nog twee schepen bij hen geweest waren als Kommandeur HIDDE DIRKS KAT
en HANS PIETERS van _Hamburg_. Doch die waren uit hun gezigt geraakt.
Een harponier van HANS CHRISTIAANSZ. was met dertien mannen aan den
buitenkant van het ijs bij het wrak gebleven, met voornemen om
_IJsland_ op te zoeken. Wij waren toen op 64 gr. en dreven nog al hard
om de Zuid-west bij het land langs. Met 286 zielen, welke zich thans
bij ons aan boord bevonden, hadden wij daags niets meer dan ieder tien
lepels eten tot rantsoen, waarom het volk, om den honger te stillen,
het tandvleesch, dat tusschen de Walvisch-baarden zit, opat en de
Scheeps-honden slagtte. Wij dreven toen in eene bogt tot op 5 mijlen
van land. Twaalf mannen enterden naar den wal, doch konden het vaste
land niet krijgen, maar kwamen op een eiland, daar zij zwarte bessen
vonden. Dit was op 63 gr. Wij dreven nog al hard Zuidwaarts en ons
schip kraakte gedurig door het kruijen van het ijs. Doch dit alles was
slechts een begin van onze rampen, dewijl de dag van den 11 October ons
lot geheel scheen te zullen beslissen. Wij verloren toen ons laatste
schip. Het werd geheel aan stukken gekruid en verpletterd. Wij borgen
ter naauwernood nog de _victualie_ op eene schots ijs. Wij moesten van
de eene schots op de andere springen om ons leven te behouden. Alle
vervoegden wij ons op de schots, daar de _victualie_ op stond. Onze
toestand was toen naar. Er werd een vreesselijk gejammer en gekerm
gehoord, en wij zonden onze gebeden hemelwaarts om hulp. Wij sloegen op
de schots twee tenten op, om ons verblijf daarin te houden; doch wij
waren in gedurige vreeze van onder de ijsbergen door te gaan, maar zij
draaiden ons alle nog gelukkig voorbij.
“Den 12 October dreven wij op de schots met een’ harden gang om de Zuid
tot 60 gr. 50 min. N. Breedte. Het ijs was somtijds digt en dan weêr
geheel open met eene hooge deining. Wij zagen geene uitkomst van
redding en dachten niet anders dan van honger te zullen sterven, of
door de schotsen weggespoeld te worden, dewijl wij gedurig door
ijsbergen heen dreven. Den 13den dito des morgens lag het ijs weder
digt gesloten. Wij hadden nog drie sloepen bij ons, maar konden er geen
gebruik van maken. Wij besloten het ijs te verlaten en naar land te
zoeken. Ieder man had nu dertien beschuitenbrood, en hiermede gingen de
Kommandeurs JELDERT JANS GROOT, HANS CHRISTIAANSZ. en ik (MARTEN
JANZEN) met nog veertig mannen over het ijs naar den wal. Wij kwamen
toen op een eiland, waar wij den nacht blijven moesten. Een gedeelte
van het volk bleef op de schots bij de tenten, en eenige kwamen,
bezuiden ons, op de eilanden, daar het ijs bij langs liep. Ook raakten
er eenige onder de schotsen.
“Den 14 October enterden wij van het eiland, zoo wij meenden, naar den
vasten wal, maar bevonden het gebroken land te zijn, daar wij over heen
konden zien. Wij zagen ook tot onze verwondering volk van de
inboorlingen aan land staan. Ik (MARTEN JANZEN) die eenige woorden van
hunne taal kan spreken, terwijl ik op _Straat Davids_ gevaren heb,
smeekte hen om bijstand. Zij kwamen ons met hunne schuiten te hulp en
bragten ons aan land en in hunne woningen, daar zij ons gedroogde
Spiering en gedroogd Robbenvleesch met salade, die bij hunne huizen
groeide, te eten gaven. Er waren twee huizen, waarin wij geplaatst
werden. Wij bevonden deze menschen van eene goede inborst. Tot den
17den regende het dagelijks zoo sterk, dat wij, zonder doornat te
worden, niet buiten konden komen. Den 19den gingen achttien mannen van
ons af, om eenen weg te zoeken, doch zij kwamen des avonds onverrigter
zake terug. Het ijs lag ook zoo digt aan den wal, dat de Wilden ons met
hunne schuiten niet konden vervoeren, dewijl wij eerst een’ westen wind
moesten hebben, die het ijs afzette. Wij handelden voor een gedeelte
van onze plunje eene wildemans vrouwenschuit in, waarmede Kommandeur
GROOT met vijftien mannen op reis ging. Den 22sten dito was de wind
W.Z.W. Toen bragten de Wilden ons met twee schuiten naar _Statenhoek_,
waar Kommandeur GROOT weder bij ons kwam. Hier vonden wij twee huizen
en werden wel ontvangen. Den 23 en 24 woei het hard, waarom de
inboorlingen ons niet verder wilden brengen. Den 25sten woei de wind
uit den Noorden met harde vorst. Toen kwamen nog dertien mannen van ons
volk bij ons met berigt, dat zij iets noordelijker, dan ter plaatse,
waar wij geland waren, bij veel volk waren geweest, denkende zij, dat
die landwaarts gegaan waren. Den 26sten gingen wij drie Kommandeurs met
eene schuit op reis, om te zien, of wij dat volk ook konden vinden—doch
dit was vergeefs. Dien avond handelde ik nog eene schuit van de Wilden
in, om daarin onze plunje te bergen. Den 27sten was het goed weêr Toen
gingen Kommandeur GROOT, ik en nog achtentwintig mannen met twee
schuiten op reis, blijvende de overige vijfentwintig mannen aldaar. Des
avonds kwamen wij weder aan een huis, waar wij Spiering en
Robbenvleesch kochten voor knoopen, doeken, wanten enz. Wij vonden deze
Wilden weder eene goede soort van menschen. Den 28sten gingen wij weder
met twee loodsen op reis en voeren dus eenigen tijd voort, telkens des
nachts in tenten of huizen vernachtende tot op den 25 November. Toen
kwamen wij aan een huis, daar wij zes man van het volk van Kommandeur
HIDDE DIRKS KAT vonden, die op _Kaap Vaarwel_ aan land gekomen waren.
Zij zeiden ons, dat de gemelde Kommandeur met Kommandeur ALBERT JANS,
in eene bogt lag en nog zeventien mannen bij zich had. Den 6den was het
slecht weêr, en konden wij weinig eten krijgen. Den 7den gingen wij op
reis tot den 10den. Toen was het zeer koud, en kregen wij gaten in onze
schuiten, hetwelk ons deed besluiten, om aan land te vernachten. De
Wilden vingen vele Robben, vogels en visch, waarvan wij ook wat te eten
kregen. Den 12 November reisden wij weder voort en kwamen in den
achtermiddag ten 3 ure in eene groote bogt bij de Deensche Kolonie
_Juliaans Hoop_. Des Koopmans naam aldaar was ANDRIES OELZEN. Hier
werden wij wel ontvangen en op vaderlandschen kost onthaald. Ook gaven
zij ons kleederen, om ons te verwarmen.”
[Illustration]