Bij deze woorden van den onbekende maakten deze en zijn geleide eene

behendige zwenking en brachten zoo Don Quichot in hun midden. Deze

wendde zich koelbloedig tot Sancho Panza en zeide: "Zie nu, mijn

vriend, hoe wijd de faam van mijn heldenmoed zich verbreid heeft;

want deze lieden hebben ons op het eerste gezicht herkend, ofschoon

zij ons nooit te voren kunnen gezien hebben."

Intusschen kwam de onbekende nog nader en noodigde Don Quichot

beleefd uit, hem in zijne woning te volgen. "Ga met ons, genadige

heer!" sprak hij. "Wij zijn allen uwe dienaren en de beste vrienden

van Roque Guinart, die ons van uwe aankomst verwittigd heeft."

"Gij zijt een zoo beleefd man, heer ridder," antwoordde Don Quichot,

"dat ik uwe heusche uitnoodiging onmogelijk afslaan kan. Breng mij,

waarheen gij wilt; ik zal geen anderen wil hebben dan den uwen."

De vreemde boog diep en bracht zijn paard aan zijne zijde. Terwijl

zij nu langzaam door het gewemel der straten voortdrongen, wilde het

ongeluk, dat twee ondeugende straatbengels hun in den weg kwamen en

met onzen Don Quichot en zijn schildknaap wakker den draak begonnen

te steken. Een hunner lichtte Grauwtjes, de ander den staart van

Rocinante op, waarna beiden daar met goochelaarsvlugheid een handvol

stekelachtige distels onder wisten te schuiven. Zoodra de arme dieren

nu deze vreemde sporen voelden, trokken zij hunne staarten vast aan

het lijf en verergerden daardoor hunne pijn zoozeer, dat zij als

dol en razend heen en weer sprongen en eindelijk hunne toch al niet

bijster zadelvaste berijders hals over kop in het stof wierpen. Don

Quichot richtte zich beschaamd en hevig verstoord op, om Rocinante

van de oorzaak zijner kwelling te bevrijden, en riep Sancho Panza

toe, met zijn ezeltje hetzelfde te doen. Hierop bestegen zij hunne

kleppers weder en keken naar de jonge deugnieten, die hun die poets

gespeeld hadden, om. De ondeugende bengels hadden zich echter lang

geborgen, zoodat Don Quichot zonder hen gekastijd te hebben zijn weg

vervolgen moest. Weldra kwam hij met zijn begeleider in diens huis,

waar hij terstond bij zijne intrede door de talrijke dienaren met

luide juichkreten en eene ruischende muziek werd verwelkomd, al 't

geen den goeden ridder in niet geringe mate streelde en met aangename

aandoeningen vervulde.

Don Quichots gastheer heette Don Antonio Moreno en was een rijk en

aanzienlijk man. Zoodra hij den held onder zijn dak zag, was hij er

op bedacht, diens dwaasheden aan den dag te brengen, zonder dat de

leeuwenridder er iets van merkte; want zijn gast te krenken of zeer

te doen, was in geenen deele zijne bedoeling.

Vooreerst leidde hij hem aan tafel en onderhield zich met hem op

eene wijze, die, zonder hem te beleedigen, voor al de gasten uiterst

vermakelijk was, en daarop ging hij met hem in een afgelegen vertrek,

waarin niets dan een tafel van jaspis stond, die door een voetstuk

van dezelfde stof werd gedragen. Op die tafel stond een reusachtig

menschenhoofd van metaal, waarop Don Moreno zijn gast al dadelijk

opmerkzaam maakte.

"Dit hoofd, heer," sprak hij, "is vervaardigd door een der grootste

toovenaars, die ooit op aarde bestaan hebben. Het bezit de eigenschap

van op iedere vraag, die men het in het oor zegt, te antwoorden, en

het doet mij leed, dat ik u hier niet oogenblikkelijk van overtuigen

kan. Maar 't is vandaag Vrijdag en juist op dezen dag is het hoofd

stom. Morgen echter, zoo gij dat goedvindt, zullen wij er de proef

van nemen en zult gij zien, dat ik de volle waarheid heb gesproken."

Don Quichot was over deze begaafdheid van een levenloozen metalen

kop zoo zeer verwonderd, dat hij zijn gastheer bezwaarlijk gelooven

kon. Daar de proef op de som echter zoo spoedig geleverd zou worden,

gaf hij zijne ongeloovigheid niet te kennen, maar dankte Don Moreno,

dat die hem met zulk een merkwaardig tooverwerk had bekendgemaakt. Zij

verlieten het vertrek en keerden naar het overige gezelschap terug,

dat zich onderwijl met Sancho Panza's grappen en kluchtige vertellingen

niet weinig vermaakt had.

Tegen den avond werd een wandelritje gedaan. Don Quichot was

niet gewapend, maar droeg over zijne gewone kleeding een wijden

zwaren mantel van donkere stof, die hem niet weinig zweetdroppels

afperste. Ook bereed hij heden niet zijn Rocinante, maar een fraai,

kloek muildier, dat bijzonder net en sierlijk was opgetuigd. Toen

men hem den mantel omwierp, spelde men hem, zonder dat hij er iets

van merkte, een blad perkament op den rug, waarop met groote letters

geschreven stond: "Dit is de ridder Don Quichot van La Mancha."

Toen men nu de straten doorreed, trok dat groote plakkaat natuurlijk

ieders oogen tot zich. De menschen lazen hardop: "Dit is de ridder Don

Quichot van La Mancha!" En Don Quichot, die dit hoorde, verwonderde

zich zeer, dat iedereen hem zoo goed kende en bij zijn naam wist te

noemen. Verbaasd wendde hij zich tot Don Moreno, die aan zijne zijde

reed, en sprak:

"Wat is het toch aangenaam een dolend ridder te zijn, en in alle

hoeken en einden der aarde bekend en beroemd te worden! Zie maar,

beste heer, tot zelfs de dartele straatjeugd in deze stad kent mijn

persoon en moet zeker ook met mijne roemrijke daden bekend wezen."

"Natuurlijk, en dat is ook geen wonder," antwoordde Don Moreno hoogst

ernstig, schoon hij moeite had zijn lachlust te onderdrukken. "Gelijk

het vuur niet verborgen en onderdrukt worden kan, zoo blinkt en

schittert ook de verdienste, welke de man zich door heldenmoed en

dapperheid verworven heeft."

Intusschen werd het gedrang om Don Quichot heen toch zoo erg, dat

men hem het plakkaat heimelijk weer afnemen en naar huis terugkeeren

moest. Daar was een prachtige avondmaaltijd aangericht, en tot diep

in den nacht vermaakte de ridder met zijn dolle, dwaze en ongerijmde

redeneeringen het gansche gezelschap.

Tegen den volgenden dag, wanneer het betooverd menschenhoofd zijne

kunsten vertoonen moest, had Don Moreno verschillende bevriende

families genoodigd. Daar was niemand onder, die iets van het eigenlijke

geheim van dat hoofd wist, dan twee jonge ridders, aan wie Don Moreno

het ontdekt had. Het was een kunstwerk, dat van een vindingrijkheid

en vernuft getuigde, die ieder versteld deden staan.

De eerste, die het oor van het hoofd naderde, was Don Moreno zelf. Met

zachte stem, maar toch zoo luid, dat ieder zijne woorden verstaan

kon, vroeg hij: "Kunt gij mij ook zeggen, hoofd, met welke gedachte

ik mij op dit oogenblik bezighoud?"

Het hoofd, zonder de lippen te bewegen, antwoordde met heldere stem:

"Over gedachten oordeel en spreek ik niet."

De toehoorders waren ten toppunt van verbazing, te meer daar zij

overtuigd waren, dat in het gansche vertrek of althans in de nabijheid

van de tafel geen menschelijk wezen was, dat had kunnen antwoorden.

"Kunt gij mij eenige personen noemen, die zich in dit vertrek

bevinden?" vroeg Don Moreno weder.

"Gij en uwe vrouw zijn hier," sprak het hoofd met dezelfde

duidelijkheid; "buitendien zijn twee vrienden met hunne echtgenooten

tegenwoordig, verder de bij uitnemendheid beroemde ridder Don Quichot

van La Mancha, en eindelijk nog Sancho Panza, zijn trouwe schildknaap."

De bewondering der toeschouwers maakte voor schrik en ontzetting

plaats, die enkelen de haren te berge deed rijzen. Don Moreno trad nu

echter achteruit en zeide: "De hier door mij genomen proeven overtuigen

zeker iedereen, dat de toovenaar, wien ik dit hoofd afkocht, mij niet

heeft bedrogen. Wie nog lust heeft, eene vraag te doen, trede nader."

Oogenblikkelijk trad eene jonge vrouw op het hoofd toe en vroeg:

"Wat moet ik doen, om recht schoon te worden?"

"Wees goed en deugdzaam," luidde het antwoord.

De dame trad terug, en een jong man richtte tot het wonderhoofd de

vraag: "Wie ben ik?"

"Dat weet gij zelf!" werd hem geantwoord.

"Dat is waar," sprak de ridder; "maar wilt gij mij niet zeggen,

of gij mij kent?"

"Ik ken u," antwoordde het hoofd; "gij zijt Don Pedro Noviz."

"Goed, goed; meer verlang ik niet te hooren," riep de jonge man en

scheen niets van het geval te begrijpen.

"Zeg, hoofd, welke wenschen voedt mijn zoon?" vroeg een oud-achtig

ridder, die insgelijks was toegetreden.

"Ik oordeel eigenlijk niet over wenschen," klonk de stem uit het hoofd;

"alleen kan ik u zeggen, dat uw zoon u wenscht te begraven."

"Dat kan ik zelf wel zoo wat half begrijpen!" zeide de oude ridder

wrevelig. "Maar genoeg, genoeg; ik vraag niet meer."

Don Moreno's vrouw trad nu toe en zeide: "Ik wensch niets anders

te weten, dan of ik mijn edelen echtgenoot nog recht vele jaren zal

mogen bezitten?"

"Dat zult gij," antwoordde het hoofd. "Uw gemaal zal nog jaren lang

leven, want hij is gezond, matig en deugdzaam."

"En hoor dan nu mijne drie vragen, wijs hoofd!" vroeg eindelijk Don

Quichot. "Kunt gij mij ook zeggen, of het waarheid of een droom was,

wat mij in de grot van Montesinos is overkomen?--Kan ik mij op Sancho

Panza's zelfkastijding gerust verlaten?--En eindelijk, zal mijne

edele gebiederes Dulcinea ooit onttooverd worden?"

"Van die grot zwijg ik," antwoordde het hoofd. "Met Sancho Panza's

geeseling zal het langzaam vooruitgaan; maar eindelijk zal de

aanminnige Dulcinea van Toboso u toch in haar vollen glans weer

verschijnen."

"Verder verlang ik niets te weten," zeide Don Quichot en trad

terug. "Maar gij, Sancho Panza, wilt gij het hoofd niet eene vraag

voorleggen?"

"Ei, te vragen had ik genoeg, maar ik wil 't kort maken," zei

Sancho. "Hoor dan eens, heer kopstuk! Zal ik het nog weer eens tot

een stadhouderschap brengen, of zal ik schildknaap blijven? En dan

nog--zal ik ooit vrouw en kinderen weerzien?"

"Stadhouder of regent zult ge in uw eigen huis zijn, waar ge ook vrouw

en kinderen weerziet, als ge daarheen terugkeert. Voor 't overige

zult ge ophouden schildknaap te blijven, zoodra gij het dienen van

een heer hebt opgegeven."

Hiermede eindigden de vragen en antwoorden, en allen, tot op Sancho na,

waren verbaasd over het wonderbare en de wijsheid van dat hoofd. Sancho

daarentegen bromde wat in zijn baard, daar de verkregen antwoorden

maar half naar zijn zin waren geweest.

Voordat wij verder gaan, moeten wij hier het wonder van dat sprekend

hoofd verklaren.

Het blad en de voet van de tafel namelijk waren van hout, waaraan

men door beschildering en verlakking het aanzien van jaspis had

weten te geven. Het hoofd was hol en hol waren ook de voet en het

blad van de tafel, in welk laatste het hoofd zoo kunstig ingezet

was, dat men geen teeken van verbinding bemerken kon. De voet van

de tafel stond in verband met de keel en de borst van het hoofd,

en dit alles weer met een vertrekje, dat onder de kamer met het

hoofd was gelegen. Door de holte van voet, tafel, keel en borst liep

eene zeer kunstig aangebrachte blikken buis of pijp, die voor niemand

zichtbaar was en zich tot diep in het benedenvertrekje uitstrekte. Hier

nu stond de persoon, die de antwoorden had te geven. Om de gedane

vragen te verstaan legde hij zijn oor aan de opening van de buis,

en hij antwoordde door zelf in de buis te spreken.

Een neef van Moreno had zich, na nauwkeurig van alles onderricht

te zijn, met de rol van het orakel belast en die, gelijk wij gezien

hebben, uitmuntend volgehouden.

Verscheiden dagen verliepen. Don Quichot werd steeds zeer voorkomend

behandeld en voelde zich volmaakt tevreden en gelukkig. De kleine,

onschuldige parten, die men hem speelde, bemerkte hij niet, daar Don

Moreno met scherp oog over hem waakte en zorgde, dat niemand hem te

na kwam.

Daar gebeurde het op een morgen, dat hij met Sancho Panza in

volledige wapenrusting een ritje langs de haven deed en hier een

ridder ontmoette, die, evenals hij, van top tot teen gewapend was en

eene zilveren maan als wapenteeken op zijn schild droeg. Deze vreemde

ridder reed recht op Don Quichot toe en zeide, genaderd zijnde,

met ridderlijke hoffelijkheid:

"Doorluchtige, glansrijke en wijd en zijd vermaarde Don Quichot van

La Mancha, zie in mij den ridder van de zilveren maan, wiens faam

denkelijk ook reeds tot uwe ooren is doorgedrongen. Ik ben gekomen,

om met u te kampen en de sterkte van uw arm te ondervinden, daar ik

u tot de bekentenis wil dwingen, dat mijne dame schooner en edeler

dan Dulcinea van Toboso is. Erkent gij dit vrijwillig, dan moogt

gij ongehinderd uws weegs trekken en voor ditmaal den dood ontgaan;

zoo niet, gord u aan ten strijde, en de hemel doe de waarheid

zegepralen. Ben ik overwinnaar, zoo verlang ik niets anders van u,

dan dat gij voor een jaar uwe wapens nederlegt, uwe avontuurlijke

tochten staakt en u naar huis begeeft, om in rust en vrede verpoozing

te vinden. Ontwapent gij mij, dan zij mijn leven aan uw goeddunken

overgelaten, mijne wapens mogen uw buit zijn, en de roem mijner daden

zal dienen, om den uwen te verhoogen en ten top te voeren. Overleg,

of gij met deze voorwaarden tevreden zijt, en antwoord zonder lang

dralen, want heden nog wil ik uw lot en het mijne beslist weten."

Don Quichot voelde zich door deze aanmatigende taal des ridders van

de zilveren maan ten ergste beleedigd, en op kalmen, maar vasten en

ernstigen toon antwoordde hij:

"Heer ridder van de zilveren maan, van wiens daden ik nog geen woord

vernomen heb, ik neem uwe uitdaging en uwe voorwaarden aan. Neem uwe

plaats in, waar gij wilt! Ik zal hetzelfde doen, en dan mag in Sint

Pieters naam de kamp beginnen."

Terwijl de beide ridders hunne plaatsen innamen, naderde Don Moreno

met verscheiden vrienden en vroeg, om welke reden de tweekamp wezen

zou. De ridder van de zilveren maan verklaarde hem dat, en wijl Don

Moreno dadelijk eenige guiterij vermoedde en geen groot gevaar voor

zijn gast vreesde, liet hij de zaak haar vrijen loop.

"Daar er geen ander middel bestaat, toont dan in 's hemelsnaam wat

gij kunt, mijne heeren!" zeide hij glimlachend. "Ik zal mij, met uw

goedvinden, tot kamprechter opwerpen."

De beide ridders dankten Don Moreno en maakten zich tot den aanval

gereed. Don Quichot riep de bescherming van zijne Dulcinea in, en nam

hierop nog een weinig meer veld, daar hij zag, dat zijne tegenpartij

datzelfde deed. Hierop wendden beiden hunne rossen en stormden met

geweld op elkaar in.

Daar nu het paard van den ridder der zilveren maan veel flinker en

lichter ter been was, dan de stijve, half lamme Rocinante, bereikte

de ridder Don Quichot, voordat deze een derde van de renbaan had

doorloopen, en trof hem met zoo vreeselijk geweld, dat ruiter en ros

in een ommezien over elkaar heen tuimelden en zich lagen te wentelen

in het stof. Terstond boog nu de ridder van de maan zich over Don

Quichot heen, zette hem zijne lans op de borst en sprak:

"Gij zijt overwonnen, ridder, en moet sterven, indien gij de

voorwaarden van onzen kamp niet dadelijk aanneemt."

Hoewel bitter gekneusd en bijna van zijne zinnen beroofd, bracht

Don Quichot toch, zij 't al met zwakke en trillende stem, de koene

woorden uit: "In spijt van uwe lans beweer ik, dat Dulcinea van

Toboso de schitterendste schoonheid op den wijden aardbodem is,

niettegenstaande ik van mijzelven erkennen wil, dat mijne zwakheid en

mijn ongeluk mij verhinderd hebben, deze waarheid zegevierend staande

te houden. Grijp dan nu uwe lans, ridder, en beroof mij van mijn leven,

gelijk gij mij reeds mijn eer en mijn roem ontnomen hebt."

"Dat zij verre van mij," antwoordde de ridder van de zilveren

maan. "Leve jonkvrouwe Dulcinea van Toboso, en moge zij ten eeuwigen

dage als roem en bloem der schoonheid en volmaaktheid gehuldigd

worden. Ik voor mijn deel ben ten volle tevredengesteld, wanneer

gij u voor een jaar naar uwe woonplaats wilt terugbegeven en van uw

avontuurlijk leven afzien."

"Welaan, dat wil ik beloven, omdat het niet tot nadeel van mijne

verheven gebiederesse strekt," antwoordde Don Quichot al kreunend

en zuchtend. "Ik wil dat beloven, en als een trouw, eerlijk en braaf

ridder mijn woord in alles gestand blijven."

Na het ontvangen van deze toezegging wierp de ridder der zilveren maan

zijn paard om, maakte voor Don Moreno en zijn geleide eene beleefde

buiging en reed heen in galop.

Onderwijl werd de gevelde dolende ridder van den grond opgetild, zijn

gelaat ontdekt en hem de helm afgenomen. Hij droop van zweet en was

doodsbleek. Rocinante was zoo deerlijk gehavend, dat hij geen poot

verzetten kon, en Sancho Panza toonde zich zoo bijster bedroefd en

neerslachtig, dat men puur niet wist, wat met den armen sukkel aan

te vangen. Sancho dacht, dat alles een droom of een werk van booze

toovenaars en heksenmeesters was, nu hij zijn dapperen heer daar zoo

uit den zadel gelicht, tegen den grond gekwakt en verplicht zag,

om voor een rond jaar wapens, zwaard en lans neer te leggen. Dat

leek hem ongehoord, ongeloofelijk toe. Lijdelijk zag hij toe, hoe Don

Quichot in een draagkoetsje gepakt en naar de stad teruggebracht werd,

terwijl hij zelf langzaam en met een bedrukt harte volgde.

Wij moeten nu verklaren, wie eigenlijk de ridder van de zilveren maan

en wat zijne bedoeling was. Don Moreno vernam dat eerst, toen hij

in al de logementen der stad naar hem vroeg, hem vond en de volgende

opheldering van hem verkreeg:

"Gij moet weten, mijnheer, dat ik Sanson Carrasco heet en een landsman

van onzen ridder Don Quichot ben. Zijne gekheid ging mij en allen,

die hem kenden, aan het hart, en daar ik het er voor hield, dat alleen

ongestoorde rust in zijn eigen huis hem van zijne dwaze inbeeldingen

genezen kon, ontwierp ik een plan, om hem die te verschaffen. Eerst

ging ik, als spiegelridder verkleed, op weg, om met hem te vechten en,

bleef ik overwinnaar, hem de belofte af te dwingen, dat hij voor een

bepaalden tijd zijne tochten opgeven en naar huis terugkeeren zou. Het

geluk liep mij echter tegen, want ik werd de onderliggende partij

en bracht er met moeite het leven af. Evenwel liet ik mij door dien

eersten tegenspoed niet afschrikken, maar verschafte mij nieuwe wapens

en een beter paard, volgde het spoor van den goeden man en vond hem

eindelijk hier, waar ik mijn doel bereikte. Dit is alles, wat ik u te

vertellen heb, en ik verzoek u dringend, Don Quichot niet te verraden,

met wien hij gevochten heeft, daar ik dan een vergeefsch werk zou

gedaan hebben. Onze vriend moet echter zijn verstand terugkrijgen,

daar hij op die dwaze inbeeldingen en kuren na de beste en braafste

mensch van de wereld is."

Don Moreno beloofde het diepste stilzwijgen en Sanson Carrasco verliet

nog dienzelfden dag de stad.

Onderwijl bleef Don Quichot zes dagen te bed liggen, was verdrietig,

somber en nadenkend, en kon zijn ongelukkig gevecht met geen

mogelijkheid uit het hoofd zetten. Sancho Panza zocht hem te troosten,

zoo goed hij maar kon.

"Beste heer," sprak hij, "laat den moed niet zinken en steek het

hoofd maar weer op. Het ding is nog vrij gezegend afgeloopen, en

al hebt ge al een harden smak gekregen, toch zijn al uwe ribben nog

heel. Kom, laat ons naar huis terugkeeren en ons alle avonturen uit het

hoofd zetten. Troost u met mij en bedenk, dat ik er in den grond nog

bekaaider afkom, dan gij. Dat stadhouderschap mag naar de maan loopen;

maar 'k had toch wel graaf of zoo wat willen worden. Doch hoe is daar

kans op, nu gij naar huis moet en op uw koningschap weinig hoop meer

is? Door uw ongeluk hebt ge meteen mijn spel voor altijd verbroddeld."

"Zwijg, Sancho!" antwoordde Don Quichot op knorrigen toon. "Hoe kunt ge

zulke onnutte jammerklachten aanheffen, daar ge wel weet, dat ik mijn

heldenleven toch maar voor één jaar opgeven moet? Is die tijd voorbij,

dan grijp ik weer naar lans en zwaard en, onder 's hemels zegen, zal

een koninkrijk dan wel niet uitblijven. Maar anders hebt gij gelijk. Ik

wil alle donkere gedachten uit mijn hoofd zetten en zonder verwijl op

reis gaan naar huis. Zadel Rocinante en uw ezel, en pak mijne wapens

op uw grauwtje, daar ik die nu toch een jaar lang niet dragen mag."

Ten hoogste verblijd, ging Sancho Panza heen, om aan de bevelen van

zijn meester te voldoen. Deze zelf kwam uit zijn bed kruipen, trok zijn

lederen kleeding aan en ging Don Moreno opzoeken, om dien edelen man

voor zijne gastvrijheid te danken. Don Moreno omarmde hem hartelijk en

wenschte hem allen bedenkelijken zegen en voorspoed. Daarop besteeg

de dolende ridder Rocinante, en Sancho Panza kuierde te voet bij hem

aan, daar zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen en hij

't goede beest niet te zwaar belasten wou.

Zoo verlieten de beiden Barcelona, waar onzen ridder door zijne

nederlaag 't zwaarste leed had getroffen, dat hem, naar zijne

gedachten, ooit op aarde kon overkomen.

HOOFDSTUK XXIV.

DON QUICHOTS TEHUISKOMST EN DOOD.

De overwonnen ridder van den leeuw en de droevige figuur trok stil

en bedrukt zijns weegs. De droefheid knaagde als een vretende worm

aan zijn leven en deed zijne krachten bij den dag afnemen.

Eens, toen hij met Sancho Panza door een bosch reed, keerde hij zich

na lang stilzwijgen eensklaps tot zijn reismakker en zeide:

"Sancho Panza, voor zoover ik weet, hebt gij u nog maar vijf van de

slagen toegediend, die tot ontoovering van mijne Dulcinea vereischt

worden. Zal ik haar zoet, liefelijk aangezicht ooit weer aanschouwen,

dan moogt gij niet langer zoo traag zijn, maar moet voortaan wat

vlijtiger tegen uw eigen vleesch woeden. Daar ik mij echter overtuigd

heb, dat gij uit liefde tot mij dit offer niet brengen zult, stel

ik u voor, iederen slag met klinkende munt te betalen. Overleg eens,

wat gij eischen wilt, en begin dan maar dadelijk. Daar gij mijn geld

in bewaring hebt, kunt gij u later zelf betalen."

Bij dit aanbod spalkte Sancho mond en oogen open.

"Mijn gestrenge heer ridder," zeide hij, "dat lijkt mij een heel

verstandig voorstel toe, en uit liefde tot mijn vrouw en kinderen,

die dat geld goed gebruiken kunnen, wil ik het aannemen. Zeg op,

hoe duur wilt gij iederen slag, dien ik mijzelf geef, betalen?"

"Bepaal zelf den prijs," antwoordde Don Quichot.

"Ei, 't zijn drie duizend drie honderd slagen," zeide Sancho. "Vijf

daarvan heb ik al beet, maar de rest blijft nog over. Om echter niet

krenterig te wezen, wil ik die vijf niet meetellen, en dus komen we

weer op drie duizend drie honderd. Reken ik nu voor iederen slag een

quartillo, en dat is zuinig gerekend, dan geeft dat drie duizend drie

honderd quartillo's of acht honderd vijf en twintig realen [2]. Laat

mij die som van uw geld afnemen, en dan zal ik, al doet mijn rug wat

zeer, vergenoegd en tevreden naar mijn vrouwtje terugkeeren."

"Sancho, gij zijt een juweel van een man!" riep Don Quichot. Ga dan

maar terstond aan den gang, en als ge goed haast maakt, beloof ik u

nog honderd realen extra."

"Goed, om u genoegen te doen, wil ik van avond nog beginnen,"

verzekerde Sancho Panza. "Onder den blooten hemel, midden in dit

bosch zal mijne huid in flarden gaan en mijn bloed gestort worden."

De avond, schoon voor Don Quichots ongeduld te traag en te langzaam,

kwam eindelijk en breidde zijne donkere schaduwen over het geboomte

uit. Ridder en knaap ontdeden tegen schemerdonker hunne dieren van

zadel en tuig, legerden zich op het malsche gras en hielden in vrede

hun sober avondmaal. Hierop maakte Sancho uit grauwtjes halster een

stevig geeseltouw en ging alleen twintig passen dieper het bosch in,

waarbij hij zorg droeg, zijn dik lichaam zoo goed mogelijk achter de

boomstammen te verbergen.

"Vriend Sancho," riep Don Quichot, toen zijn schildknaap zijne

marteling zoo onverschrokken te gemoet ging, "vriend Sancho, zorg,

dat ge uzelf niet doodslaat, en overhaast u niet zoo, dat ge te gauw

buiten adem raakt. Nu, ga uw gang en wees verzekerd, dat ik iederen

slag, dien ge u geeft, nauwkeurig zal tellen. De hemel sterke u onder

uw loffelijk werk."

"Wees zonder zorg, heer; ik zal mij taai houden," riep Sancho

terug. "De pijn zal mij zoo gauw den dood niet doen."

Hij trok zijn buis uit, ontblootte zich het bovenlijf tot aan

den gordel en zwaaide zijn geeseltouw met macht en geweld. Klits,

klats! vielen de forsche slagen neer, en Don Quichot begon te tellen.

Vijf of zes klappende slagen waren gevallen, toen hij ophield en riep:

"Heer, ik heb te weinig gerekend! Ieder van deze slagen is op zijn

minst een halven reaal waard."

"Sla toe! Sla toe, Sancho!" riep Don Quichot. "Ik verdubbel den

bedongen prijs."

"Goed; dat blijft zoo afgesproken," antwoordde Sancho, en klits,

klats ging het opnieuw.

Don Quichot van La Mancha · 第 18 / 19 段