vleesch kastijdde; doch daar vergiste hij zich in, want de slimme
deugniet sloeg, in plaats van op zijn rug, op de omstaande boomen los,
en liet van tijd tot tijd eens een luider of zachter kreet hooren, om
zijn meester in zijn goed geloof te versterken. Deze werd intusschen
door Sancho's voorgewende pijn en smarte tot diep in de ziel geroerd,
en toen de geeseling eene goede poos geduurd had, riep hij hem toe,
dat hij nu vooreerst maar uitscheiden moest.
"Naar mijne berekening hebt ge al ruim duizend slagen doorgestaan,
en dat is voor één keer voldoende," riep hij.
"Neen, neen, gestrenge heer," antwoordde Sancho. "Ik houd vol,
tot ik althans twee duizend op mijn baaitje heb. Op die manier is
't in tweemaal beredderd en ben ik 't gauwst van het ding af."
"Nu dan, als dat uwe vrije verkiezing is, wil ik u niet tegenhouden,"
sprak Don Quichot. "Sla toe dan maar, zoo lang gij kunt en wilt."
Sancho begon zijn werk met nieuwe krachten en met zulk een ijver,
dat de boomstammen onder zijn bereik bijna al hun bast verloren. Eens
bracht hij een ouden beuk een slag toe, die door het halve bosch
dreunde, en schreeuwde daarbij: "Hier sterft Simson en alles, wat
bij hem is."
Nu kon Don Quichot het lijden van zijn armen schildknaap niet langer
uitstaan. Hij liep op hem toe, hield zijn geeseltouw vast en riep:
"Houd op! Ik kan niet langer aanhooren, hoe gij om mijnentwil kreunt
en huilt. Denk aan vrouw en kind, en draag zorg, dat gij voor hen
behouden blijft. Dulcinea mag wachten, en ik wil in hoop leven,
tot gij weer nieuwe krachten hebt verzameld."
"Zooals gij wilt, heer!" antwoordde Sancho Panza. "Wees echter nu
zoo goed, mij uw mantel om te hangen, dat ik geen kou vat; want ik
zweet als een oliekoek."
De goedgeloovige ridder haalde zijn mantel, pakte Sancho als een
bakerkind in, en legde zich toen met hem onder de boomen neder. Met
de zon stonden zij echter weer op en vervolgden hun weg.
De volgende nacht gaf Sancho gelegenheid, om zijne boete geheel
te volbrengen, en hij gebruikte dien, evenals den eersten, om niet
zijn eigen rug, maar de arme basten der boomen met vreeselijke woede
te kastijden. Don Quichot telde iederen slag, en toen de laatste
viel, was hij hoogst verblijd en kon nauwelijks den dag afwachten,
om te zien, of Dulcinea van Toboso dan ook in den vollen glans hare
herkregen schoonheid voor hem zou staan.
Voor dag en dauw zat hij weer te paard en keek onderweg elk vrouwelijk
wezen aan, om in haar de onttooverde prinses te herkennen. Maar de dag
verstreek en toen het avond werd, gaf Don Quichot den moed verloren
en hing als half suf en wezenloos op zijn paard. Droefgeestig zag hij
voor zich neer, en zelfs Sancho's kluchtigste uitvallen vermochten hem
geen lachje af te persen. Eindelijk ontdekten de beide zwervers hun
dorp en bereikten dat, voordat het nog ten volle donker was. Toen zij
de straat doorreden, zag Don Quichot twee jongens op een dorschvloer
en hoorde den eenen zeggen: "Geef je geen moeite, Periquille; je zult
haar je leven lang niet weerzien."
Bij het vernemen van deze woorden, zuchtte de ridder, alsof zijn hart
breken zou, en zeide tot Sancho: "Hebt gij gehoord, wat die jongen
zei? Ik zal Dulcinea mijn leven lang niet weerzien."
"Malligheid! Malligheid, edele heer!" riep Sancho lachend. "Die jongen
meent heel wat anders."
"Neen, neen," antwoordde Don Quichot zwaarmoedig, "'t Is eene
voorbeduiding en ik weet, dat mij zwaar ongeluk boven het hoofd hangt."
Zonder naar Sancho's troostend antwoord te luisteren, reed hij
bedrukt verder en bereikte spoedig zijn huis, waar hij door zijne
nicht, zijne huishoudster, den pastoor en Sanson Carrasco met groote
blijdschap ontvangen werd. Ook vond hij er de vrouw van Sancho,
die terstond beslag op haar man legde en hem met niet al te zachte
en zoete woordekens welkom heette.
"Vrouw, zwijg stil!" zeide Sancho. "Ik breng een zak vol geld mee,
en heb dat zuur, maar eerlijk verdiend."
"Nu, als je geld meebrengt, wil ik je weer in genade aannemen,
beste manneke," antwoordde de vrouw op geheel veranderden toon. Zij
omarmde hem, zoende hem, dat het klapte, pakte hem onder den arm,
nam grauwtje bij den teugel en stapte zoo triomfantelijk naar huis.
Terwijl zij zich thuis Sancho's avonturen liet vertellen, maakte
Don Quichot zijne vrienden en verwanten met zijne lotgevallen en
ontmoetingen bekend en verzweeg niet, dat hij overwonnen was geworden
en de plechtige belofte had afgelegd, een vol jaar in werkeloosheid
onder zijn eigen dak te zullen doorbrengen.
Men beklaagde hem, zonder hem te laten merken, hoe bij dien laatsten
kampstrijd de vork in den steel had gezeten, en de huishoudster
noodigde haar meester eindelijk uit, aan tafel te komen en zich door
een duchtig avondmaal te sterken.
"Neen, goede vrouw, ik weet beter, wat mij dient," antwoordde Don
Quichot zwaarmoedig. "Breng mij te bed en laat mij slapen, want het
is, alsof ik eene ziekte onder de leden heb."
Aan zijn bleek en vervallen uitzien merkten de overigen zeer goed,
dat de arme ridder werkelijk ziek moest zijn, en daarom verzette
zich dan ook niemand tegen zijn verlangen. Hij werd te bed gebracht,
om daar niet weder van op te staan.
Het verdriet over de in zijn oog vernederende nederlaag, die hij had
geleden, tastte hem hevig aan en haalde hem eene koorts op den hals,
die hem spoedig aan den rand van het graf bracht. Zijne vrienden
pasten hem wel met alle zorg op en lieten een dokter komen; doch
de middelen, die deze voorschreef, misten de gewenschte uitwerking,
en de toestand van den lijder verergerde van dag tot dag, zoodat de
dokter zijn naderend einde voorspelde.
Toen de overigen, onder wie ook Sancho Panza, van deze uitspraak
kennis kregen, waren zij sterk aangedaan, en alleen Don Quichot zelf
behield zijne bedaardheid.
"Gaat heen," zeide hij, "en laat mij slapen; zoodra ik weer wakker
word, zal ik u laten roepen."
Allen gingen op zijn verlangen de kamer uit, en hij sliep nu wel
zes uren achtereen. Bij zijn ontwaken was het, alsof hem op eens de
blinddoek van zijn oogen was gevallen, en met luider stem riep hij,
dat hij al zijne verwanten en vrienden nog eens wenschte te zien. Zij
kwamen en schaarden zich rondom zijn ledikant.
"Waarde en lieve vrienden," sprak hij, "de genade des hemels heeft
groote dingen aan mij gedaan en mijn verstand van de nevelen bevrijd,
die het zoo lang verdonkerd hebben. Nu, daar mijn einde nabij is,
zie ik in, dat mijn leven eene groote dwaasheid en dwaling was,
waartoe alleen het lezen van die ellendige ridderromans mij gebracht
heeft. Mij bedroeft niets, dan dat ik zoo laat tot dit inzicht ben
gekomen en dat mij geen tijd meer vergund is om mijne verkeerdheden
weder goed te maken. Ik weet, dat ik een dolzinnige dwaas was, terwijl
ik mij inbeeldde, een groot held en vermaard dolend ridder te wezen,
en het eenige, dat mij troost, is, dat ik gedurende mijne verblindheid
alleen zotternijen en dwaasheden, maar geen misdaden heb begaan. Mijn
einde is nabij; brengt mij dus een biechtvader, wien ik mijn zonden
bekennen en een notaris, wien ik mijn laatsten wil opgeven kan. Haast
u, want de minuten zijn kostbaar."
Verwonderd zagen allen elkaar aan en waren verblijd dat zoo den armen
krankzinnige nog in de laatste ure het helder licht der rede werd
teruggeschonken. Zij weenden bitter, doch verzuimden daarbij niet,
dadelijk aan het verlangen van den stervende te voldoen. Deze biechtte
den pastoor en liet daarop zijn testament opstellen, waarbij hij al
zijne have en goed aan zijne arme nicht vermaakte met de bepaling,
dat deze aan de oude huishoudster haar leven lang den kost moest geven
en nooit een man mocht trouwen, die een vriend van avontuurlijke
ridderromans en soortelijke geschiedenissen was. Aan Sancho Panza
kende hij een aardig legaat toe, en de pastoor zou tot aandenken zijn
helm en zijne verdere wapenrusting bekomen.
Nadat men hem de beschikking had voorgelezen, knikte hij tevreden
met het hoofd, zeeg toen op de kussens achterover, strekte zijn lang
lichaam tot zijne volle lengte uit en sloot de oogen. Allen schrikten,
schoten toe en bevonden, dat de ziel van den armen avonturier zacht
en vredig ter eeuwige ruste was ingegaan.
Zoo was het uiteinde van Don Quichot van La Mancha. Onder tranen werd
hij begraven, en op zijn grafsteen liet Sanson Carrasco het volgend
opschrift beitelen:
"Hier ligt de dappere, die alles overwinnen kon, behalve den dood. Bij
zijn leven was hij dwaas, op zijn sterfbed echter werd hij wijs,
en allen die hem kenden, betreurden hem."
Sancho Panza leefde nog lang, vroolijk en zonder zorgen, en men zegt,
dat hij dagelijks het graf van zijn ouden heer bezocht heeft. De
schildknaap was een schelm, maar niet ondankbaar en had de herinnering
van zijn heer tot aan zijn eigen dood van harte lief.
AANTEEKENINGEN
[1] Spreek uit "donja".
[2] Een quartillo is het vierde van de Spaansche koperen reaal,
welke laatste de waarde van omtrent 12-1/2 cent heeft.