"Helpt mij weer op de beenen!" kreunde de overwinnende held met

klagende stem.

Men hielp hem overeind, en toen hij weer eenigszins vast op zijne

voeten stond, zeide hij: "Den vijand, dien ik overwonnen heb, wil

ik met huid en haar opeten, of 'k mag lijden, dat ge hem den nek

omdraait. Ik verlang geen buit van den vijand; maar als een mensch

hier in de nabijheid maar een sikkepitje medelijden of vriendschap

in zijn hart heeft, laat hem mij dan een slok wijn geven en mij

't zweet afdrogen, want ik smelt bijna tot klaar water weg."

Op deze smeekende bede werd hem wijn gereikt. Men droogde hem af en

bond de schilden los, waartusschen hij had vastgeklemd gezeten. Toen

hij zich weer vrij roeren kon, waggelde hij naar zijn ledikant toe,

en hij had dat pas bereikt, of hij lag in diepe onmacht.

Toen de deelhebbers aan de klucht dit bemerkten, werden zij ongerust

en vreesden, dat de dolle comedie den armen schildknaap wel eens het

leven kon kosten. Onze brave Sancho kwam echter spoedig weer bij,

en zoo had die bezorgdheid dan ook een einde.

"Hoe laat is het?" vroeg de lijder met zwakke stem.

"Het daglicht zal spoedig aanbreken," antwoordde men hem.

Hierop stond Sancho zonder een woord te spreken van zijn ledikant op

en begon zich aan te kleeden, en niemand waagde het, hem een woord

te zeggen, ofschoon allen even nieuwsgierig waren, hoe de geheele

geschiedenis afloopen zou.

Na zich in de kleeren te hebben gestoken, ging Sancho langzaam naar

den stal en scheen er zich niet om te bekommeren of men hem volgde

of niet. In den stal gekomen, trad hij zelf op zijn ezel toe, omarmde

het trouwe dier, drukte het een kus op den ruigen kop en zei, terwijl

de gulle tranen hem bij de wangen neerstroomden:

"Kom hier, mijn oude vriend en makker, die alle lasten en lusten met

mij gedragen hebt. Zoolang wij ons aan elkaar hielden, wist ik van geen

zorg, en ik kan in waarheid zeggen, dat toen mijne jaren, mijne dagen

en mijne uren gelukkig waren. Sinds ik u verliet, heb ik maar altijd

met ergernis, moeite en kommer te kampen gehad, en ik wil daarom alle

eerzucht en trotschheid van mij afzetten en de ongelukkige zucht, om

het tot wat hoogers te brengen, met kracht in mijne borst verstikken."

Onder deze woorden zadelde hij zijn ezel, zonder dat iemand zich

daartegen verzette, steeg, daar hij half lam en kreupel getrapt was,

met moeite op en voegde den hofmeester, den secretaris, dokter Recio

en anderen, die om hem stonden, de woorden toe:

"Mijne heeren, ik verzoek u, maakt plaats voor mij, opdat ik tot mijne

oude vrijheid terugkeeren kan. Ik wil uit mijn tegenwoordigen dood

opstaan en mijn vroeger leven weder opzoeken. Tot stadhouder ben ik

nu eens voor al niet geboren, en hoe men eilanden en steden tegen een

oprukkenden vijand verdedigen moet, daarvan heb ik geen verstand. Ik

weet meer van spitten, graven en wingerd snoeien dan van wetten geven

en vreemde rechtzaken beslissen. Ik wil liever schrale aardappelsoep

eten dan aan een rijk bezette tafel zitten, voor de kostelijkheden,

waarvan ik niets over de lippen mag nemen, zoodat ik te midden van

den overvloed van honger omkom. Ik wil liever in vrijheid gebrek

lijden, dan in slavernij op zijden kussens rusten. God zij met u,

heeren! Zegt aan uwen hertog, dat ik hier arm gekomen ben en ook arm

weer weggegaan. Ik heb niets gewonnen en ook niets verloren, en mij

dus althans aan geen schelmerij en afpersingen schuldig gemaakt. Gaat

opzij en laat mij den weg vrij; want waarachtig, 't wordt tijd, dat

ik naar mijne ribben laat zien, waarvan in dezen stormachtigen nacht

zeker een stuk of wat gebroken zijn."

"Heer stadhouder, neen, dat mag niet gebeuren," zeide Recio, de

lijfarts. "Gij moogt niet weg, voordat ik zelf uw toestand onderzocht

heb, en ik beloof u, mijn uiterste best te zullen doen, om u ten

spoedigste van alle pijnen en kwetsuren te bevrijden. Ook geef ik

u mijn woord, dat gij voortaan vergunning zult hebben, om alles te

eten en te drinken, wat uw hart maar begeert."

"Te laat, te laat!" antwoordde Sancho. "Gij komt te laat, vrienden. Ik

laat mij nu zoo weinig van mijn voornemen afbrengen, als ik ooit

een Turk worden wil. Liever dan in dit verwenschte stadhouderschap

blijven, wil ik zonder vleugels ten hemel vliegen. Neen, neen! Ik ben

uit het geslacht der Panza's, die een hardnekkig geslacht zijn. Als

die eens zeggen, dat een ding krom is, dan moet het krom blijven,

al zei de heele wereld anders, en al was 't ook zoo recht als een

lamsstaartje. Ik moet weg, heeren; maakt mij dus ruimte, want iedere

minuut, die ik nog hier blijf, wordt mij een nagel aan mijn doodkist."

"Genadige heer," nam nu de hofmeester het woord, "wij zouden u

zonder tegenspraak gaan laten, ofschoon wij uw helder verstand en

uitstekend voorbeeld ongaarne missen; maar 't zal u bekend zijn,

dat ieder stadhouder voor het neerleggen van zijn ambt rekenschap

van zijn beheer moet geven. Voldoe aan deze verplichting, en ga,

als gij u toch niet wilt laten terughouden."

"Niemand kan zoo iets van mij verlangen, als niet de hertog zelf

het gebiedt," antwoordde Sancho. "Tot hem ga ik, en aan hem zal ik

rekenschap afleggen, zooveel hij maar verkiest. Van u echter heb

ik geen getuigenis noodig, want dat ik mij niet verrijkt en in alle

onschuld geregeerd heb, weet gij even goed als ik zelf 't weet."

"Bij den hemel, Sancho heeft recht!" riep Recio, de lijfarts. "Ik

voor mij stem er voor, dat wij hem in vrede laten trekken, want de

hertog zal brandend verlangen hem weer te zien."

Al de anderen waren het met den dokter eens, verklaarden, dat men den

stadhouder moest laten trekken, en boden aan, hem van al, wat hij op

reis noodig had, ruim en rijkelijk te voorzien.

"Ik heb alleen maar wat haver voor mijn grauwtje, en wat brood en

kaas voor mijzelf noodig, en van een en ander ben ik al voorzien,"

zeide Sancho. "De weg, dien ik af te leggen heb, is niet lang, en

daarom zou meer pakkage mij maar lastig wezen."

Na deze woorden nam hij afscheid, omhelsde de achterblijvenden,

werd door hen omarmd, en liet hen eindelijk verbaasd over zijne

zielsgrootheid, levenswijsheid en standvastigheid staan.

Sancho Panza reed langzaam voort, totdat hij het landgoed van den

hertog tot op ongeveer eene halve mijl was genaderd. Hier liet hij zich

van zijn grauwtje glijden, legde zich onder een boom en overpeinsde,

wat hij zijn meester Don Quichot en den hertog en de hertogin al zoo

vertellen zoude. Terwijl hij hierover nadacht, overviel hem de slaap,

en daar hij den ganschen voorgaanden nacht geen oog had toegedaan,

werd hij eerst weer wakker, toen de zon al onder en het ten volle

donker geworden was. Verschrikt rees hij op, klom weer in den zadel

en wou zich zooveel mogelijk haasten, om het hertogelijk slot nog

tijdig te bereiken.

Terwijl hij nu zoo voortdraafde, wilde het ongeluk, dat hij in de

donkerheid opeens met zijn beest in een diep, donker gat stortte, dat

daar tusschen eenig vervallen muurwerk openlag. Onder het vallen meende

hij, dat hij den bodem des afgronds wel nooit levend bereiken zou.

Intusschen liep het nog al redelijk goed af. Op eene diepte van

ruim achttien voet kreeg de ezel vasten grond onder zijne pooten en

kwam Sancho op grauwtjes buik te liggen, zonder zich eenigszins van

belang bezeerd te voelen. Hij betastte zijne ledematen, onderzocht

de stevigheid zijner beenderen, en hield den adem in, om te weten,

of hij ook ergens een gat in zijn lichaam was gevallen; echter was

zijn lichaam van top tot teen heel gebleven.

Eindelijk stond hij op en zocht met de handen in de ruimten des

afgronds rond, om zoo mogelijk middelen en wegen te ontdekken, om

zonder vreemden bijstand weer uit den kuil te komen. Tot zijn bitter

leedwezen waren de wanden echter overal glad en zeer steil, zoodat

hij zich over zijne toekomst niet weinig ongerust moest maken. Zijn

angst nam nog toe, toen nu ook de ezel, die door den val deerlijk

gekneusd en geschaafd was, op jammerlijken toon begon te schreien en

te balken. Hij dacht nu niet anders, dan dat hij met zijn geliefd

grauwtje in die ongelukkige groeve op ellendige manier van honger,

dorst en gebrek zou moeten omkomen.

Weeklagend bracht hij den nacht in het gat door, totdat daarin

eindelijk het schemerlicht van den aanbrekenden dag doordrong, zonder

den braven schildknaap echter veel troost aan te brengen; want bij

het schijnsel der zon overtuigde hij zich, dat uit zijne gevangenis

te ontkomen zonder vreemde hulp een onmogelijkheid was. Hij begon

opnieuw te jammeren en te schreeuwen, en zette zijne stem zooveel

mogelijk uit, om een toevalligen voorbijganger van zijn klimmenden

nood te onderrichten. Zijn geschreeuw was echter als de stem van

een roepende in de woestijn, daar in den ganschen omtrek geen levend

wezen dat vernam. Sancho achtte zich dus reddeloos verloren en begon

zichzelf als een stervende te beschouwen. Desniettemin bespeurde hij

nog iets als medelijden met zijn grauwtje, dat met verdraaide oogen

op den grond lag en zijn bek opendeed, alsof het ieder oogenblik een

roerend klaaglied dacht aan te heffen. Sancho Panza hielp hem met veel

moeite op de been, liet hem, daar hij moeielijk rechtop staan kon,

tegen den wand leunen en versterkte hem vervolgens met een stuk brood,

dat hij nog uit zijn knapzak opschommelde.

"Neem dat maar en eet," zeide hij, alsof de ezel hem verstaan kon. "Met

een goede bete in den mond kan een mensch nogal veel doorstaan,

en een ezel zeker ook."

Terwijl grauwtje aan de broodkorst knabbelde, zag Sancho Panza nog

eens in zijne gevangenis rond, en ontdekte eindelijk aan de eene

zijde eene opening, die juist groot genoeg was, om hem door te laten,

als hij zich bukte en zoo klein mogelijk maakte. Hij kromde zijn rug

dus, kroop er in en vond, dat de doorgang naar eene tamelijk ruime

en wijde plaats leidde, waarin, vermoedelijk door een half vervallen

dak, de zonnestralen helder en glansrijk neervielen. Bij hun schijnsel

bemerkte hij, dat deze ruimte zich tot een hol verwijdde, welks omvang

hij nader moest onderzoeken.

Allereerst keerde Sancho tot zijn ezel terug, van wien hij

onmogelijk scheiden kon, en beproefde de opening zoo veel mogelijk

te verbreeden. Met behulp van een zwaren, scherpen steen gelukte dit

hem zoo tamelijk goed, en het duurde niet lang, of hij kon er ook

grauwtje zonder al te groot bezwaar doorkrijgen. Hij pakte hem dus

bij den halster, sleepte hem mee en drong toen verder in 't hol door,

om misschien aan 't ander eind daarvan een uitgang te vinden. Soms

tastte hij in den donker, soms verlichtte een van boven invallende

zonnestraal zijn pad; maar nog altijd bleef zijne ziel met angst en

bange vrees vervuld.

"De hemel sta mij bij!" mompelde hij in zijn baard. "Dat Don Quichot

toch maar in mijne plaats was! Hij zou wat mij een ongeluk toelijkt,

voor het allergelukkigst avontuur houden, en zeker al deze afgronden en

onderaardsche gangen voor bloemtuinen en schitterende paleizen aanzien,

waaruit hij op eene of andere heerlijke, bloeiende lustgaarde moest

geraken. Ik ongelukkige daarentegen, die meer vrees dan heldenmoed in

mijn binnenste bespeur, ik denk bij iederen voetstap, dat zich voor

mij een bodemlooze afgrond zal openen, waaruit geen menschelijke

macht mij ooit redden kan. O ongeluk, wees verwenscht door hem,

dien gij zoo gruwelijk hebt beetgenomen!"

Toen hij onder zulke en soortgelijke ontboezemingen zijn weg een goed

half uur had voortgezet, ontdekte hij in de verte een helder schijnsel,

dat zeker het lieve volle daglicht moest zijn. Vol hoop ging hij

daarop aan, en hij hield zich vast overtuigd, dat hij daar den uitweg

uit de gruwelijke gangen en spelonken der onderwereld moest vinden.

Terwijl Sancho Panza in dat hol omdwaalde, trof het, dat de dappere

ridder Don Quichot, die tot nu toe op het slot van den hertog een

zeer aangenaam en genoeglijk leven geleid had, zijn nu bij den dag in

welgedaanheid toenemenden Rocinante besteeg en uitreed, om eenige uren

de frissche lucht te genieten. In diepe gedachten reed hij vooruit,

totdat eensklaps Rocinante met de voorpooten zoo dicht bij eene diepe

steenkloof kwam, dat hij onwillekeurig een zijsprong deed en den edelen

ridder uit zijne droomerijen opwekte. Deze hield zijn paard in, keek

naar de kloof om en reed er zoo dicht bij, dat hij er in neerzien

kon. Terwijl hij al bespiegelingen maakte, wat die donkere afgrond

toch wel in zijn schoot verbergen kon, drong daaruit een dof, diep

stemgeluid tot zijn oor door. Hij luisterde scherp en nieuwsgierig

en vernam zeer duidelijk de woorden:

"Holla daar boven! Is er niet een of ander christenmensch in de buurt,

die mij hooren en zich over mij armen zondaar ontfermen kan? Hulp,

hulp, schrei ik; hulp voor een ongelukkigen, in de diepte gezakten

stadhouder!"

Don Quichot was dadelijk overtuigd, dat dit de stem van zijn

schildknaap Sancho moest zijn, en bleef een oogenblik stom van

verbazing.

"Wie is daar omlaag?" riep hij eindelijk. "Wie schreeuwt daar om hulp?"

"Ik ben het," antwoordde de stem uit den afgrond, "ik, de benarde

en benepen Sancho Panza, gewezen stadhouder van het eiland Barataria

en schildknaap van den beroemden en dapperen ridder Don Quichot van

La Mancha."

De verwondering van den dolenden ridder nam bij deze woorden nog toe,

en daar hij zijn voormaligen dienaar onmogelijk in zoo zonderlingen

toestand kon vermoeden, kwam hij op de gedachte, dat de arme

stadhouder moest gestorven zijn, en dat nu diens geest verscheen,

die wegens begane zonden in het graf geen rust kon vinden. In deze

veronderstelling zeide hij:

"Bij alles, wat heilig is, bezweer ik u, verkond mij, wie gij

zijt! Zijt gij een boetende ziel, geef mij dan te kennen, wat ik

voor u doen moet, en zoo waar ik leef, wil ik alles doen, om u de

rust en de ongestoorde zaligheid te verschaffen. Mijne roeping is,

de noodlijdenden te helpen en de bedrukten bij te staan, en daarom wil

ik ook u beschermen, ook als uw lichaam niet meer op aarde omwandelt."

"Heer," schreeuwde Sancho Panza, die nu eindelijk de stem zijns

meesters herkende, "heer Don Quichot van La Mancha, merkt gij dan niet,

dat ik uw schildknaap en in mijn gansche leven nog nooit gestorven

ben? Ik heb om redenen, die ik u later wel eens zal vertellen, mijn

stadhouderschap verlaten en ben gisterenavond met mijn grauwtje in

dit hol gevallen, zooals 't stomme dier, als het spreken kon, zeker

plechtig zou helpen getuigen."

Op ditzelfde oogenblik, juist alsof de ezel verstaan had, wat zijn

heer sprak, begon die geducht te schreeuwen en balkte zijn Y-ah zoo

luid, dat de gansche grot er van weergalmde.

"Sancho, aan uw ezel herken ik u," riep Don Quichot nu zeer

verblijd. "Wacht nu maar een kort poosje en heb geduld, totdat ik

terugkom. Ik wil in vliegende vaart naar het kasteel van den hertog

rijden, dat dichtbij ligt, en wil volk roepen, om u uit den afgrond

op te trekken, waarin uwe zonden u zeker hebben doen neerstorten."

"Zoo gij gaan wilt, edele heer, blijf dan maar niet staan leuteren,"

antwoordde Sancho uit de diepte. "Ik ben hier als bij levenden lijve

begraven en kom om van angst en benauwdheid."

Don Quichot zette het dadelijk op een galop en deelde de onderaardsche

ontdekking aan den hertog en de hertogin mede. Terstond werden de

noodige orders aan de dienaren gegeven; men trok, toereikend van

ladders en touwen voorzien, naar het hol, en Sancho Panza werd, hij

en zijn ezel, met behulp van veel volk en niet zonder groote moeite

en inspanning uit zijn onderaardschen kerker opgetrokken. Zonder zich

met de menschen, die hem geholpen hadden, in veel praatjes in te laten,

trok hij nu met zijn grauwtje naar het slot, waar het doorluchtig paar

en zijn niet minder doorluchtige meester hem reeds met groot ongeduld

wachtten. Hij ging echter eerst tot hen, nadat hij zijn ezel met zorg

van al het noodige had voorzien.

"Mijne genadige heerschappen," sprak hij eindelijk, voor den hertog

en de hertogin eerbiedig de knie buigend, "daar ben ik weerom. Het

stadhouderen heeft mij in veel opzichten niet recht willen bevallen,

en dus vond ik maar beter dat te laten varen; voordat het mij liet

varen. Arm ging ik heen, arm keer ik terug, en ik heb niets verloren,

dan bijna mijn klein beetje verstand. Ik heb als rechter gezeten, heb

processen uitgewezen, en ben daarbij bijkans van honger omgekomen,

omdat die wijze dokter Recio uit Tirteafuera dat voor gezond

voor mij hield. Bij nacht en ontijd overvielen de vijanden ons,

en schoon mijne onderdanen zeiden, dat ik die door mijn heldenmoed

weer verjaagd had, zoo weet ik dat toch wel beter en mijne arme

ribben kunnen er een droevig klaaglied van zingen. Gisterenmorgen

verliet ik het eiland, viel in een diepen, donkeren afgrond, stond

uren lang den vreeselijksten doodsangst uit, en zou zoo zeker als

wat zijn omgekomen, als mij niet mijn dappere meester tot hulp en

troost was toegezonden.--Zoo is 't met mij gegaan, heer hertog, en

eerbiedig leg ik de van u verkregen waardigheid hier weer voor uwe

voeten neer. Van mijne hoogte afdalend, keer ik weer in den dienst

van mijn ouden heer terug, waar 'k mij althans zat mag eten, wat voor

een hongerigen mensch een uitstekend en zeer aangenaam medicijn is."

"Het bedroeft mij diep in de ziel, Sancho Panza," sprak de hertog,

"dat gij 't regeeren zoo schielijk moe zijt geworden. In allen gevalle

wil ik er op bedacht zijn, u een anderen, minder bezwaarlijken, maar

des te voordeeliger post aan te wijzen, en ik hoop, dat gij alsdan met

uwe doorgestane moeielijkheden en gevaren geheel verzoend zult zijn."

Sancho Panza boog zich, zonder antwoord te geven, en de hertogin gaf

orders, dat de arme schildknaap als een prins verpleegd en verzorgd

zou worden, daar men hem maar al te goed kon aanzien, hoe bitter hij

door zijne kwelgeesten, den lijfarts en den hofmeester, geleden had.

HOOFDSTUK XXIII.

DON QUICHOT VERLAAT HET KASTEEL VAN DEN HERTOG EN KOMT TE BARCELONA.

De edele ridder van den leeuw of van de droevige figuur werd het luie

leven op het slot nu zoetjes aan toch moe en verzocht dus den hertog

vergunning, om afscheid te nemen en zijn tocht te vervolgen. Deze

vergunning werd hem verleend, schoon eerst nadat de hertog en ook zijne

gemalin al hunne welsprekendheid verspild hadden, om hem tot langer

blijven te bewegen. Hij nam afscheid van het doorluchtig paar en ging

den volgenden morgen al voor dag en dauw weder op reis. Langzaam stapte

Rocinante met hem voort, en Sancho sjokte op zijn grauwtje vergenoegd

bij hem aan. De ezel was van een welgevulden knapzak voorzien,

en in Sancho's zak stak eene beurs met twee honderd goudguldens,

die hem op bevel des hertogs ten geschenke waren medegegeven. Geen

wonder derhalve, dat Sancho vergenoegd was, want zulk een voor hem

schier onmetelijken rijkdom had hij zijn leven lang nog niet bezeten.

Nadat de beide dolende helden den halven dag door dik en dun waren

voortgereden, bereikten zij een bosch, dat eenigszins bezijden den

weg lag, en hier zag de ridder zich eensklaps in een net van groene

draden verstrikt, die tusschen de boomen van den eenen stam tot den

anderen waren uitgespannen.

"Sancho," sprak hij tot zijn schildknaap, "het zou mij verwonderen,

als ons hier in dit woud niet weer een der zeldzaamste avonturen

wachtte. Zeker willen de boosaardige toovenaars, die mij onophoudelijk

plagen en vervolgen, mijne reis door dit net ophouden. Doch dit

zal hun niet gelukken! Al waren deze draden ook, niet uit boomwol,

maar uit ijzer, staal, graniet of diamant geweven, toch zou ik ze

als spinrag doorhakken, voordat men drie tellen kon."

Bij deze woorden trok hij zijn zwaard en spoorde Rocinante aan, om te

doen, gelijk hij gezegd had, doch werd daarin verhinderd, daar eenige

mannen van wild en woest uitzien van achter de boomen voor den dag

sprongen en zich op hem en op Sancho wierpen, beiden de wapens afnamen

en hierop het grauwtje zoo zorgvuldig doorzochten en uitplunderden,

dat in den knapzak geen enkel kruimeltje meer overbleef. Een geluk

voor Sancho was het, dat de roovers niet aan het onderzoeken van zijn

persoon dachten, daar in dat geval zijne goedgespekte beurs voorzeker

liefhebbers en een anderen bezitter gevonden had.

Terwijl de roovers nog bij den ezel bezig waren, en Don Quichot

de plundering met bedroefde oogen aankeek, kwam de hoofdman van de

bende aanrijden. Hij was een man op het oog over de dertig, kloek van

gestalte, vurig van blik en van een fier, ridderlijk voorkomen. Op een

wenk van hem staakten de roovers hun werk, en hijzelf naderde hierop

den edelen ridder Don Quichot, die bedroefd en nadenkend tegen een

boom stond te leunen.

"Wees niet zoo bedrukt, man," sprak hij den dolenden held aan. "Gij

zijt niet in de handen van bloeddorstige duivels gevallen, en zoolang

ik Roque Guinart heet, zal uw persoon geen leed geschieden."

"Ik ben niet bedrukt uit vrees, dappere rooverhoofdman," antwoordde

Don Quichot. "Mij grieft alleen, dat ik door een onverhoedschen aanval

verrast en van het paard geworpen werd, daar ik als dolend ridder

toch had moeten vooruitzien, dat in dit woud gevaarlijke roofridders

huizen. Had ik maar eene minuut tijd tot bezinning gehad, dan zou

de overwinning u niet zoo licht zijn gevallen, want weet, dat gij

met Don Quichot van La Mancha spreekt, met den ridder van den leeuw,

van wiens daden de gansche aardbol weet te gewagen."

"Ha, gij zijt dus de beroemde dolende ridder, over wien men thans

overal hoort spreken?" zei de rooverhoofdman, die zich van die

ontmoeting met Don Quichot veel pret beloofde. "Nu, dan hoop ik, dat

gij eenige dagen als gast bij mij vertoeven zult, en ik beloof dan,

u zoo eerbiedig te zullen doen behandelen, als een ridder van uwe

vermaardheid met recht verwachten mag."

Don Quichot boog bij die vleiende woorden zeer beleefd en gaf zijne

bereidwilligheid te kennen, om eenigen tijd in het gezelschap van

den rooverhoofdman door te brengen.

"Waarheen wildet gij eigenlijk, toen mijn volk u aanhield?" vroeg

Roque Guinart.

"Naar Barcelona, naar het stierengevecht," antwoordde Don Quichot.

De rooverhoofdman scheen nu op eens op een inval te komen. Hij

trad op zij en schreef een briefje aan een vriend in Barcelona,

waarin hij dezen bericht gaf, dat Don Quichot bij hem was de zotste,

kluchtigste personage, die men in heel Spanje vinden kon. Hij wilde

hem over eenige dagen naar Barcelona brengen, en zorg dragen, dat

hij daar in volle wapenrusting, op Rocinante zijn strijdros gezeten

en in gezelschap van Sancho Panza, zijn schildknaap, aankwam. Hij,

de vriend, moest zijne bekenden daar vooraf van verwittigen en zou

zich met den wonderlijken ridder zeker kostelijk kunnen vermaken.

De hoofdman verzegelde dit briefje en gaf het aan een van zijn volk

over met last, om het onverwijld naar Barcelona over te brengen. Hierop

keerde hij zich weder tot zijn gast en liet zich in een gesprek met

hem in, dat hem al zeer spoedig van des edelen ridders volslagen

verstandsverbijstering overtuigde.

Drie dagen en drie nachten bleef Don Quichot bij Roque Guinart te gast,

en de hoofdman had al dien tijd overvloedig stof tot lachen. Toen

hij den dolenden ridder eindelijk moe werd en ook de dag naderde,

waarop Don Quichot in Barcelona moest verschijnen, ging hij met dezen

op weg en bracht hem en den schildknaap tot dicht onder de muren van

de stad. Hier nam hij afscheid en gaf den held aan zijn noodlot en

aan de handen zijner vrienden over, die hij wel wist, dat hem zeer

spoedig opsporen zouden. Terwijl hij naar het gebergte terugkeerde,

naderden ridder en schildknaap de poort der stad en reden dood op hun

gemak de eerste de beste straat op, over wier fraaiheid zij zich niet

weinig verwonderden.

Toen zij nu de huizen en de golvende volksmenigte met verbaasde

oogen aanstaarden, kwam eensklaps een rijk gekleed man met eenige

volgelingen op hen toe, bleef voor Don Quichot staan en riep met alle

teekenen van de grootste blijdschap:

"Ha, welkom, welkom in onze goede stad, gij pronkstuk en kompas van

heel de dolende ridderschap! Welkom, edele held Don Quichot! Wees

gegroet en bewonderd door een vurigen bewonderaar van uwe ongehoorde

dapperheid!"

Don Quichot van La Mancha · 第 17 / 19 段