"Omdat," antwoordde de dokter met de grootste bedaardheid, "omdat ons

aller meester Hippocrates, de grootste medicijnmeester van alle tijden,

met wijsheid gezegd heeft: Omnis saturatio mala, perdix autem pessima;

wat op zijn plat Spaansch beteekent: Men mag zijn maag niet volstoppen,

en te veel patrijs eten is de pest."

"Als dat waar is, zoek dan zelf uit, wat goed en dienstig voor mij

is, maar poets dan de plaat en laat mij rustig eten, zonder steeds

met dat verwenschte zwarte stokje te wijzen, want, zoo waar als ik

leef, ik ben flauw van honger. Eten moet de mensch, en die heel niets

gebruikt, zal eer aan zijn einde komen, dan die zich tienmaal op een

dag de maag bederft."

"Hoogst wijs en verstandig gesproken, heer stadhouder," zeide de

dokter; "en 'k wil dus eens zien, wat hier voor uwe genade al zoo

dienstig is. Deze gestoofde konijntjes zijn een geducht zwaar eten,

en gij moet ze maar stilletjes laten staan. Dit kalfsvleesch zou

beter gaan; maar tot mijn spijt zie ik, dat het bijzonder vet is,

en dus deugt het volstrekt niet voor uwe genade."

"Maar daar dampt nog een groote schotel, zeker met olla podrida;

geef dien hier, want onder al de dingen, die in zoo'n hutspot komen,

is zeker toch wel een, dat goed voor mij is."

"In geen geval!" antwoordde de lijfarts. "Zoo'n olla podrida is

't ongezondste en onverteerbaarste, dat op de wereld te bedenken

is. 't Is een kost voor boeren en schippers; maar op de tafel van een

stadhouder mogen alleen de fijnste, onschuldigste, uitgezochtste hapjes

verschijnen. 'k Moet uwe genade dus ernstig raden, liever een paar

van deze beschuitjes met wat kweegelei te nemen. Dit laatste vooral

verwarmt de maag, bevordert de spijsvertering en is dus bijzonder

aan te bevelen."

Bij het vernemen van deze woorden wierp zich Sancho Panza in zijn

stoel achterover, keek den dokter een poosje stijf in de oogen en

vroeg hem toen zeer ernstig, hoe hij heette en waar hij gestudeerd had.

"Mijn naam, heer stadhouder," antwoordde de arts, "is Pedro Recio

d'Aguero, ik ben geboren te Tirteafuera en heb aan de hoogeschool

van Osuna gestudeerd."

"Goed, goed! heer dokter Pedro Recio," barstte Sancho Panza thans

woedend los, "goed, goed! Maar ik zeg u nu: maak oogenblikkelijk,

dat ge weg komt, of 'k zweer, een stok te zullen nemen, en je daarmee

zoo lang te ranselen, als mijn arm 't maar uithouden kan. Van een

verstandigen en billijken dokter wil ik raad aannemen, maar niet van

een domkop, als gij zijt. Ga, zeg ik! Scheer je dadelijk de deur uit,

of ik neem dezen stoel en sla hem op je dommen schedel in duizend

stukken. Geen mensch zou een woord zeggen, als ik een dokter ombracht,

die beul en dwingeland over anderen wil wezen. Marsch, zeg ik nog

eens, en geeft mij te eten, of loopt met heel dit stadhouderschap

naar de maan! Een ambt, dat zijn meester niet genoeg te eten geeft,

is geen knip voor den neus waard, en ik althans dank er voor."

Toen Sancho zich zoo geweldig boos maakte, kreeg de dokter een schrik

op het lijf en wou reeds heengaan, toen het luid schetteren van een

posthoren hem nog even deed wachten. De hofmeester trad aan het raam,

keek naar buiten en zeide: "Heer stadhouder, daar komt een bode van

den hertog, die zeker gewichtige tijding brengt."

"Laat hem binnenkomen!" beval Sancho.

Met zweet bedekt en half buiten adem trad de postiljon binnen,

haalde een brief uit zijn tasch en reikte dien den stadhouder over,

die den hofmeester beval, het adres voor te lezen.

Dit luidde: "Aan Don Sancho Panza, stadhouder van het eiland

Barataria. Eigenhandig of door den secretaris te openen."

"Wie is hier mijn secretaris?" vroeg Sancho, na het adres te hebben

vernomen.

"Ik, genadige heer," antwoordde een der aanwezigen en trad voor. "Ik

kan lezen en schrijven en ben een Biscayer."

"Nu, als dat waar is, dan kunt gij secretaris zelfs van den keizer

zijn. Maak nu dien brief open en vertel mij wat er in staat."

De secretaris gehoorzaamde. Nadat hij zich met den inhoud van den brief

had bekend gemaakt, zette hij echter een zeer bedenkelijk gezicht en

zeide, dat het schrijven eene zaak van het uiterste gewicht betrof,

die in het diepste geheim moest behandeld worden.

Sancho liet nu dadelijk allen, op den hofmeester en den secretaris

na, de zaal verlaten, en verzocht den laatste vervolgens, den brief

hardop voor te lezen.

"Mij is ter oore gekomen," luidde de brief, "dat eenige woedende

vijanden een aanval op het eiland Barataria voorhebben, en ik raad

u dus, vriend Sancho Panza, toch vooral waakzaam en op uwe hoede

te zijn. Ook heb ik vernomen, dat vier personen, die uwe wijsheid

vreezen, eene samenspanning gemaakt hebben, om u van het leven te

berooven. Houd dus uwe oogen open en eet niet van de spijzen, die

men u voorzet. Ingeval gij in nood mocht geraken, zal ik u te hulp

komen. Handel voor het overige, gelijk men dat van iemand van uw

verstand verwachten kan, en wees gegroet.

De hertog."

De stadhouder hoorde van dit schrijven niet weinig vreemd op en ook

de anderen konden hunne verwondering niet verbergen.

"Wat moeten wij dan doen?" vroeg Sancho, zich tot den hofmeester

keerend. "Ik voor mij ben er voor, dat wij in de eerste plaats en

zonder alle verwijl dien heer dokter Recio in eene diepe gevangenis

werpen, omdat juist hij pogingen gedaan heeft, om mij aan den

pijnlijksten en akeligsten dood, den hongerdood namelijk, over te

leveren."

"Ja, maar nog noodiger reken ik, dat gij van al de gerechten, die

hier op tafel staan, geen brok aanroert, heer stadhouder," zeide

de hofmeester.

"Gij maakt u zeker al te bezorgd, heer," bromde Sancho Panza;

"maar toch wil ik uw raad opvolgen en niets gebruiken, dan een

paar wijndruiven en een stuk brood. Geeft beiden hier, want ik val

wezenlijk flauw van honger, en als wij ons, zooals de hertog schrijft,

tot een veldslag moeten gereedhouden, is 't bovenal noodig, dat wij

ons hart en onze ledematen door krachtig voedsel sterken. De buik

draagt het hart, zegt het spreekwoord, en niet het hart den buik. Gij,

heer geheimschrijver, moogt den hertog antwoorden, dat wij zijne

orders stipt opvolgen en niets verzuimen zullen, om zijne gunst en

genade waardig te blijven. Nu weg met dat tafellaken, en geeft mij

wat krachtigs tot hartsterking! Later zal ik 't met alle schelmen,

spionnen en moordenaars klaarspelen, al kwamen ze bij scheepsladingen

vol naar ons eiland over."

Op dit oogenblik trad een edelknaap in de zaal en berichtte, dat

verscheidene partijen buiten stonden, om de gerechtigheid van den

heer stadhouder in te roepen en zijne beslissing over verschillende

twistvragen te hooren. Zuchtend bleef Sancho zitten en liet de menschen

komen, welker verhalen hij met het grootste geduld aanhoorde. Zoo

goed als hij kon, deed hij uitspraak in de verschillende gevallen en

zocht iedereen naar zijn beste vermogen tevreden te stellen.

Eindelijk viel de avond, en nu eerst was Sancho vrij van zaken en

hield, zonder door de wijze vermaningen van den lijfarts gestoord

te worden, een duchtigen avondmaaltijd. Na afloop daarvan bekroop

hem de lust om eens iets van het eiland te zien, en ging hij dus met

den hofmeester, den secretaris, den kroniekschrijver en een talrijk

gevolg van gerechtsdienaars en schrijvers op weg. Sancho Panza met

den staf, die zijne waardigheid aanduidde, stapte in het midden en

wel met zooveel deftigheid, dat tot de kleinste kinderen eerbied en

ontzag voor hem kregen. Na zoo eenige straten doorgekuierd te zijn,

vernamen zij een luid degengekletter, snelden daarop toe en bemerkten

twee mannen, die woedend op elkaar inhieuwen, en eerst toen zij de

hooge overheid zagen naderen, hun grimmig gevecht staakten.

"Hierheen, mijne heeren!" riep een der vechtenden het hooge

gezelschap toe. "Men heeft mij willen berooven en op de publieke

straat aangevallen."

"Stil, stil, goede man," antwoordde Sancho. "Zet maar zoo'n keel niet

op en vertel mij de oorzaak van uwe ruzie. Ik ben de stadhouder en

zal dat appeltje wel zien te schillen."

De tweede kampioen nam terstond het woord en zeide: "Heer, gij moet

weten, dat deze knaap daar zoo pas in een speelhuis over de duizend

realen heeft gewonnen. Ik was daarbij en besliste in twijfelachtige

gevallen meermalen in zijn voordeel. Toen hij nu opstond, verwachtte

ik, dat hij mij uit dankbaarheid eenige realen in de hand zou stoppen;

doch hij streek zijn geld op en ging heen, zonder zelfs naar mij

om te zien. Ik volgde hem en verzocht hem, mij althans acht realen

af te staan, daar ik een arme drommel ben en dat geld opperbest kan

gebruiken. Maar nu wou die schraalhans mij maar vier realen geven,

waaruit uwe genade zien kunt, wat een gemeene en onbeschaamde rekel

hij is. Ik maakte mij boos over zijne inhaligheid, wij kregen harde

woorden en 't einde van 't lied was, dat wij de degens trokken en

elkaar te lijf gingen."

"En wat hebt gij van uwen kant te zeggen?" vroeg Sancho Panza den

anderen rustverstoorder.

"Ik moet erkennen, dat die sinjeur over het geheel de waarheid heeft

gesproken," antwoordde gene. "Ik wou hem niet meer dan vier realen

geven, omdat hij al vaak genoeg nog meer heeft gekregen en dus alles

zoo nauw niet rekenen moest. En dat ik hem zijn zin niet gaf, is het

beste bewijs, dat ik geen gauwdief ben, want gauwdieven zorgen wel,

dat zij een ander, die hun in de kaart kijkt, met geld en goede

woorden den mond stoppen."

"Dat is wel wezenlijk zoo," zei de hofmeester tot den stadhouder. "Uwe

genade mag dat wel ernstig in overweging nemen."

"Ik zal uitspraak doen naar billijkheid en recht," antwoordde

Sancho. "Gij, die eerlijk of oneerlijk gewonnen hebt, betaalt terstond

honderd realen aan uw makker en dan nog dertig aan de armenkas.--En

gij," keerde hij zich tot den tweede, "steekt die som op en pakt

dan zoo gauw mogelijk uwe biezen. Voor volle tien jaren zijt gij van

het eiland verbannen, en als gij voor dien tijd terug mocht komen,

zult gij opgeknoopt worden aan de hoogste galg, die in mijne staten

te vinden is. Zoo en niet anders zal het gebeuren, en daarmee basta!"

De een betaalde, de ander streek op; de een ging naar huis, de ander

stapte de poort uit, en daarmee was de gansche zaak op de kortste en

beste manier afgedaan.

Sancho Panza ging verder, toen daar een gerechtsdienaar aankwam,

die een jongmensch bij zijn kraag voortleidde.

"Heer stadhouder," sprak de gerechtsdienaar, "zoodra deze jonkman

ons van verre in het oog kreeg, keerde hij dadelijk om en ging als

een haas op den loop. Wie het oog van de wet schuwt, heeft zeker

wat kwaads op zijn geweten, dacht ik, zette hem na en kreeg hem,

daar hij kwam te vallen, gelukkig te pakken."

"Waarom gingt gij op den loop, manneke?" vroeg Sancho.

"Heer, om niet op de vele vragen te moeten antwoorden, die de

gerechtigheid iedereen voorlegt," antwoordde de vreemde.

"Wat is uw beroep?"

"Ik ben wever."

"Wat weeft gij?"

"Lanspunten, met uwer genades permissie."

"Ei, ei, ge lijkt mij een rare snaak toe; ge wilt u er zeker met een

grap afmaken," zeide Sancho. "Maar 't is goed.--Zeg, waarheen waart

ge nu op weg?"

"Ik ging alleen, om een luchtje te scheppen."

"En waar vindt men dat op dit eiland?"

"Waar 't waait, heer."

"Opperbest, mijn kereltje! Ik zie, dat ge een guit zijt. Verbeeld

je dan nu maar, dat ik de frissche lucht ben en je in de gevangenis

blaas. Pakt hem, mannen, en neemt hem mee. Zoo waar ik stadhouder ben,

zal hij van nacht slapen, waar hij geen frissche lucht kan scheppen."

De jonge man lachte. "Gij zult mij in de gevangenis evenmin tot slapen

dwingen, als gij mij tot koning kunt maken," antwoordde hij stout.

"En waarom niet?" vroeg Sancho. "Kan ik u niet in de gevangenis

stoppen en vrijlaten, al naardat ik verkies?"

"Ja, dat kunt gij; maar tot slapen in de gevangenis kunt gij mij

niet dwingen."

"Zoo'n dekselsche jongen!" riep Sancho. "Hebt ge bij geval ook

een beschermengel bij de hand, die je de boeien afneemt, die ik je

misschien zal laten aanleggen?"

"Neen, dat niet," antwoordde de jonge man op luchtigen toon; "maar

toch blijf ik er bij, dat gij mij niet in de gevangenis kunt doen

slapen. Zie, beste heer, stel het geval, dat gij mij werkelijk in

boeien liet slaan en in de gevangenis werpen, dat gij den cipier

last gaaft mij ten strengste te bewaken, en dat deze werkelijk mijn

ontsnappen belette, dan zou toch niemand in staat zijn, mij tot slapen

te dwingen, als ik eens besloten was, mijne oogen open te houden."

"Ha, meent gij het zoo, maat?" riep Sancho en lachte hartelijk. "Ja,

dat is een ander ding. Dus wilt gij dan maar niet slapen, om uw wil

te hebben, maar niet, om mijne bevelen gehoorzaamheid te weigeren?"

"Zoo is het," antwoordde de jonge loshoofd.

"Nu dan, slaap thuis en droom genoeglijk," sprak Sancho. "Wees echter

in 't vervolg wat voorzichtiger met uwe tong, want niet iedereen houdt

van gekscheren, en ge kondt u door die snakerijen licht wel eens een

dracht slagen op den hals halen."

De jonge spotvogel ging zijns weegs en daar Sancho moe begon te

worden, maakte ook hij rechtsomkeert en keerde met zijn gevolg naar

het paleis terug.

Den volgenden morgen, zoodra de stadhouder opgestaan was, werd hem

een ontbijt voorgezet, dat, volgens de verordening van dokter Recio,

eenvoudig uit wat fruit en een glas koud water bestond. Sancho

had gaarne wat anders gehad; maar de lijfarts deed opmerken, dat

weinig en licht voedsel den geest scherp en levendig houdt, wat

vooral voor iemand, die ambt of waardigheid bekleedt een ding van

uiterst groot gewicht is. De arme stadhouder moest zich met deze

redeneering tevredenstellen; doch praatjes vullen geen gaatjes, en

hij leed een barbaarschen honger en begon in zijn hart het geheele

stadhouderschap en hem, die 't hem had opgedragen, al half naar de maan

te wenschen. Intusschen zette hij zich toch met knorrende maag in den

rechterstoel en hoorde in tegenwoordigheid zijner hoogste ambtenaren

de vraag aan, welke een vreemde hem tot beslissing voorlegde.

"Genadige heer," zeide deze tot hem, "uw gebied wordt door een

waterrijken stroom in tweeën gescheiden. Over dien stroom ligt

eene brug, aan wier eene eind een galg en een rechtshuis staan,

in welk laatste zich gewoonlijk vier rechters ophouden, om eene

wet te handhaven, die door den heer van den stroom is uitgevaardigd

en luidt: "Indien iemand over deze brug gaat, dan moet hij vooraf

zweren, waarheen en tot welk einde hij die overschrijdt. Zweert hij

de waarheid, dan mag men hem ongemoeid laten gaan; doch zweert hij

valsch, dan moet hij onverwijld opgehangen worden en sterven aan de

galg, die bij de brug staat."

"Na het bekendmaken van deze wet gingen velen over de brug; doch

iedereen zwoer de waarheid, en men liet hen dus ongehinderd trekken. Nu

gebeurde het echter, dat een man, wien de eed werd afgevorderd, zwoer

en beweerde, dat hij over de brug ging enkel en alleen met plan,

om aan die galg opgehangen te worden en te sterven.

"De rechters keken elkaar bij dien eed verbaasd aan en zeiden de een

tot den ander: "Als wij dezen man ongemoeid gaan laten, dan heeft

hij gelogen en moet volgens de wet wegens meineed sterven. Opknoopen

mogen wij hem evenwel niet; want deden wij dat, dan had hij immers

de waarheid gezeid, toen hij zwoer, dat hij enkel en alleen over de

brug wilde gaan, om opgehangen te worden, en diensvolgens moet hij

krachtens de letter van de wet vrij zijns weegs gaan."

"Zoo staat nu het geval, en gij, heer stadhouder, moet beslissen,

wat de rechters met den man moeten aanvangen. Tot hiertoe zijn zij 't

nog altijd oneens en zitten met de handen in het haar. Zij vertrouwen

op uwe scherpzinnigheid en verkeeren in de zoete hoop, dat gij die

harde noot kraken en het raadsel oplossen zult."

"Hoor, goede vriend," antwoordde Sancho, "uwe heeren rechters hadden

zich de moeite kunnen besparen van u hierheen te zenden, want ik ben

een man, wien de natuur een grooter portie domheid dan verstand heeft

geschonken. Vertel mij 't geval evenwel nog eens, en dan wil ik zien,

of ik, zooals men wel zegt, den spijker op den kop kan treffen. Spreek

op, goede vriend!"

De vreemde vertelde de geheele geschiedenis nog eens, en toen nog

eens, totdat Sancho Panza haar goed genoeg meende begrepen te hebben,

om er zijn oordeel over te zeggen.

"Mij dunkt," sprak hij, "dat ik dat dingetje wel zal klaren. 't

Geval komt eenvoudig hierop neer: De man verklaart onder eede, dat

hij over de brug wil gaan, om aan de galg te sterven. Sterft hij nu,

dan heeft hij de waarheid bezworen, en moet volgens de wet worden

vrijgelaten. Sterft hij evenwel niet, dan heeft hij een meineed gedaan,

en moet krachtens de wet gehangen worden."

"Juist zoo is het, heer stadhouder," zeide de vreemde.

"Nu dan doe ik uitspraak," sprak Sancho, "dat men de eene helft van

den mensch, die de waarheid heeft gezegd, vrijen overgang late, maar

de andere, die gelogen heeft, zonder barmhartigheid ophange. Op die

manier krijgt ieder deel wat hem toekomt."

"Als wij ons aan deze uitspraak hielden, heer stadhouder," antwoordde

de vreemde, "zouden wij gedwongen zijn, den bedoelden persoon in twee

helften te deelen, en de leugenachtige van de waarheidsprekende te

scheiden. Deze scheiding zou het onschuldig deel echter niet kunnen

overleven, en de wet zou dus niet worden gehandhaafd."

"Mijn beste vriend," zeide Sancho Panza op deze tegenwerping,

"de man, om wien 't hier te doen is, heeft, als ik 't wel begrijp,

evenveel recht om te leven als om te sterven. De waarheid redt, de

leugen veroordeelt hem. Zeg dus aan de rechters, dat zij voor ditmaal

maar genade voor recht moeten laten gelden en den sukkel de vrijheid

geven, omdat goeddoen altijd loffelijker is dan kwaaddoen.--En loop

nu naar den drommel en meen niet, dat ik hier aangesteld ben, om

raadseltjes te raden, die onmogelijk op te lossen zijn. Loop heen,

zeg ik, en gij, hofmeester, bezorg mij wat stevigs te eten en laat

mij niet van honger en ergernis omkomen."

De vreemdeling stapte op, en de hofmeester betoonde zich genadig, daar

hij Sancho naar de tafel leidde, die evenals gisteren rijkelijk bezet

was. Indien niet de dokter achter hem gestaan had, zou de stadhouder

als een prins gesmuld hebben; maar nu kwam telkens een tik met dat

verwenschte zwarte stokje en haalde onzen hongerigen vriend de vetste

happen voor den mond weg.

HOOFDSTUK XXII.

HET STADHOUDERSCHAP NEEMT EEN EINDE.

Verscheidene dagen gingen voorbij, en de arme Sancho werd, in plaats

van met krachtige en gezonde spijzen, bijna alleen met terechtzittingen

en vervelende twistvragen gevoêrd. En toen hij in den zevenden

nacht zijner regeering op zijn prachtig staatsieledikant lag en de

zachte slaap hem niettegenstaande zijn honger juist de zware oogleden

toedrukken wou, vernam hij op eens een vreeselijk alarm en hoorde het

luiden der klokken met zulk een geschreeuw en rumoer, dat hij meende,

dat de ondergang der wereld, of althans van zijn eiland, voor de

deur stond. Hij rees verschrikt overeind en luisterde scherp toe,

om zoo mogelijk de oorzaak van al dat spektakel te vernemen. Het al

luider wordend getier, waaronder zich nu ook het geluid van trommen en

trompetten mengde, maakte hem geheel verbijsterd, en half zinneloos

van schrik en angst, was hij met een geweldigen sprong op de been,

trok zijne pantoffels aan, vloog naar de deur van zijn vertrek, rukte

die open en zag nu meer dan twintig personen, die van verschillende

kanten met brandende fakkels en ontbloote zwaarden toesnelden. Zoodra

zij den sidderenden Sancho zagen, riepen zij met luider stem: "Te

wapen! Te wapen! Op, heer stadhouder! Tallooze vijanden overstroomen

het eiland, en zoo uw krijgsbeleid en uwe dapperheid ons niet redt,

zijn wij reddeloos verloren! Grijp de wapens op!"

"Maar lieve tijd, waar zal ik mij mee wapenen?" huilde Sancho het

uit. "Ik heb van wapens en van vechten heel geen verstand, en 'k

stel dus voor, die dingen liever aan mijn heer Don Quichot over te

laten, aan wien dat beter toevertrouwd is. Mij, arme sukkel van een

schildknaap, staan de handen daar heel verkeerd toe."

"Geen uitvluchten! Geen bezwaren!" schreeuwden al de heeren als met

ééne stem. "Hier brengen wij u wapens; wapen u daarmee en stel u

dan als aanvoerder aan onze spits. Dat komt u toe en gij moet het,

want gij zijt onze stadhouder."

"Nu, wapen mij dan in 's hemelsnaam maar," antwoordde Sancho en gaf

zich lijdelijk aan zijn lot over.

Terstond namen de mannen nu twee groote schilden, die zij, daar de

heele historie weer een afgesproken stukje was, al meegebracht hadden,

en bonden daarvan het een vóór, 't ander achter aan Sancho's dikke

lichaam vast, waarna zij zijne armen door een paar daarin gesneden

gaten trokken en de schilden zoo vast bonden, dat hij tusschen de

planken als ingemetseld zat en geen stap vooruit doen, noch ook

de knieën buigen kon. Hierop gaven zij hem eene lans in de hand,

waarop hij steunen moest, om zich op de voeten te kunnen houden, en

vervolgens zeiden zij, dat hij nu maar voor hen uit moest stappen, als

hun aanvoerder, en hun door zijne dapperheid moed inboezemen. Wanneer

hij zich aan het hoofd des legers wilde stellen, zou de overwinning

hun nooit betwist kunnen worden.

"Maar om 's hemelswil!" schreeuwde de ongelukkige ridder in de klem;

"hoe zal ik dan gaan en vooruitkomen, daar ik niet eens de knie buigen

en geen lid van mijn lijf roeren kan? Als ik voorwaarts zal en moet,

neemt mij dan op uwe armen en zet mij ergens op een punt, dat ik met

mijne lans verdedigen kan. Dit wil ik met hart en ziel doen, maar

meer kan men van een tusschen planken ingeklemd mensch niet verlangen."

"Vooruit, al vooruit, heer stadhouder!" riepen daarop de mannen. "Niet

die planken hinderen u, maar de vrees voor den vijand is het, die

de u knieën knikken doet. Er is al veel tijd verzuimd, de macht der

vijanden groeit aan, 't gevaar wordt al grooter en grooter. Vooruit,

vooruit dan, heer stadhouder!"

Om deze beschuldigingen te ontgaan en de zich tegen hem verheffende

stemmen tot zwijgen te brengen, deed de ongelukkige Sancho Panza

werkelijk eene zwakke poging om zich van de plaats te bewegen. Zonder

zich staande te kunnen houden, plofte hij echter met zulk een

geweldigen bons voorover, dat hij een oogenblik meende, dat hij

al zijne beenderen stuk had gevallen. Daar lag hij dan nu en bleef

liggen, als een schildpad, die men de pooten heeft afgesneden. Geen

mensch hielp hem op of had medelijden met hem; veeleer werden de

fakkels terstond uitgedaan, een nieuw krijgsgeschreeuw ging uit de

rauwe kelen op, de kreet "Te wapen!" werd onophoudelijk herhaald,

en eindelijk liep zelfs de geheele schaar over den armen Sancho

Panza heen, waarbij ieder in 't voorbijgaan een zwaren zwaardstomp

of slag op zijn plankenharnas liet neerkomen. Zoo de arme stadhouder

zich niet als een schildpad had ingetrokken, zoo hij niet hoofd en

voeten onder zijne schaal verborgen had, zou 't leelijk met hem zijn

afgeloopen. Zoo echter kwam hij er met eenig angstzweet en eenige

schrammen en builen nogal boven verwachting goed af.

Intusschen daagden telkens nieuwe krijgers op. Eenige strompelden over

Sancho heen, andere tuimelden werkelijk op hem neer, en eindelijk was

er zelfs een, die eene geruime poos op hem bleef staan trappelen en

van dit standpunt, als van een toren, het gevecht scheen te leiden,

daar den moed der zijnen met bezielende woorden aanvurende.

"Hier, dappere mannen!" riep hij met donderende stem. "Hier is de

strijd het heetst. Hierheen, die een hart in 't lijf hebt! Verdedigt

dat poortje daar! Sluit de valpoort daar ginder! Werpt de stormladders

om en laat de beklimmers in de gracht tuimelen! Granaten hier! Hier pek

en hars en kokende olie!--Wakker, mannen! Slaat dood, die te na komt!"

Op deze wijze ging het eenigen tijd voort, daar de aanvoerder orders

gaf en alle maatregelen scheen te nemen, om een heftigen aanval

van het stadje en het slot af te slaan. Sancho hoorde elk woord en

onderwierp zich lijdelijk aan zijn zwaar lot.

"Mocht de hemel toch maar geven, dat het eiland verloren ging,"

zuchtte hij, "en dat de vijanden mij doodsloegen of althans uit deze

harde gevangenis bevrijdden!"

Een half uur verliep weer; doch toen scheen eindelijk zijn wensch om

verlossing uit zijn benauwden toestand verhoord te worden. Hij hoorde

luide stemmen en den blijden kreet:

"Victorie! Victorie! De vijand is overwonnen! Heer stadhouder,

op! Sta op en verheug u over uwe overwinning! Kom, en verdeel den

onmetelijken buit, die door uwe dapperheid den vijand is afgenomen!"

Don Quichot van La Mancha · 第 16 / 19 段