Don Quichot, die ook zijn deel van de aanblazing gehad had, nam na eene

poos het woord weer en zeide tegen Sancho: "wij moeten nu spoedig de

tweede luchtlaag bereiken, waar de donders rollen en de bliksems als

vurige slangen heen en weer schieten, en eindelijk, als wij al hooger

en hooger klimmen, komen wij in het luchtgebied van het vuur. 't Is

leelijk, dat ik niet weet, hoe de kruk te draaien om ons zoo ver van

dat gebied te houden, dat wij niet verbranden."

Terstond wenkte de hertog nu eenige dienaren, en men warmde de

gezichten der luchtreizigers door middel van eenige bossen vlas, die,

aan stokken gebonden, licht vuur vatten en ontvlamden, en ook even

gemakkelijk waren uit te dooven.

"Ik laat mij villen," zei Sancho, toen hij die hitte op zijn lichaam

bespeurde, "als wij niet al midden in dat vuurgebied of er althans

heel dicht bij zijn. Mijn gezicht gloeit als vuur en 't zou wel goed

wezen, dat ik mijn blinddoek eens afnam, om te zien, op wat hoogte

we eigenlijk zijn."

"Doe dat vooral niet!" waarschuwde Don Quichot. "Denk aan de historie,

die eens met zekeren pastoor Torralva is voorgevallen. De duivels

voerden hem op een bezemstok door de lucht mee en hij moest, als wij,

zijne oogen toehouden. Binnen de twaalf uren kwam hij naar Rome en werd

in de straat Torre de Nona neergezet, zag het tumult eener belegering,

en was den volgenden morgen al weer in Madrid, waar hij alles vertelde,

wat hij gezien had. Onder weg, zoo verklapte hij, hadden de duivels

hem bevolen, de oogen te openen, en toen was hij zoo dicht bij de

maan geweest, dat hij haar wel met de hand betasten kon. Maar naar de

aarde had hij niet durven kijken, uit vrees van duizelig te worden

en naar beneden te tuimelen; en daarom, Sancho, mogen ook wij onze

blinddoeken niet afnemen. Misschien komen wij zoetjes aan wel zoo

hoog, dat wij plotseling op het koninkrijk Candaya neervallen kunnen,

als een valk op zijn prooi. In allen gevalle is Krukhouts vlucht van

verbazende snelheid, en ofschoon wij nog pas een half uur uit den

tuin weg zijn, kunt gij er staat op maken, dat wij reeds honderden

mijlen achter den rug hebben."

"Hoe het daarmee is, weet ik niet," bromde Sancho Panza; "maar wel

weet ik, dat jonkvrouw Magalona, als ze 't hier op mijne plaats kon

uithouden, zeker vrij grof van huid en van ledematen is geweest."

Al deze woorden werden door het gezelschap in den tuin duidelijk

verstaan, en men vermaakte zich er natuurlijk niet weinig mee. Om

echter aan de klucht een einde te maken en heel het vreemde, kunstig

aangelegde avontuur met een luisterrijk slot te kronen, werd thans

aan Krukhouts staart eene brandende lont vastgemaakt. Daar spatte

nu de gansche buik van het holle paard met schrikbarend geknetter

en gekraak uiteen en deed den dapperen held en zijn schildknaap half

verzengd en geheel bedwelmd en verbijsterd op den grond tuimelen. Van

dit oogenblik maakten de gravin Trifaldi en hare medebaarddraagsters,

de twaalf dames, met de meeste verdere toeschouwers haastig gebruik

om zich uit de voeten te maken, zoodat zij uit den tuin verdwenen

waren, voordat de gefopten weer uit hunne bedwelming ontwaakten. De

overigen wierpen zich op den grond en hielden zich, alsof zij ook in

onmacht lagen.

Toen Don Quichot en Sancho na eenigen tijd weer bijkwamen en zich

vrij wat gekneusd en gehavend van den grond oprichtten, keken zij vol

bevreemding naar alle kanten rond, daar zij bemerkten, dat zij zich

in denzelfden tuin bevonden, waaruit zij waren opgestegen, en hunne

verbazing klom nog, toen zij eenige personen als dood op den grond

zagen liggen. Eindelijk zag Don Quichot aan het eind van den tuin

eene lange lans staan, waaraan, met zijden snoeren vastgemaakt, een

groot blad wit perkament hing. Hij ging daarop toe en ontdekte op het

perkament een opschrift in gouden letters, van den volgenden inhoud:

"De groote en wereldberoemde ridder Don Quichot van La Mancha heeft het

gevaarvolle avontuur ter gunste van de gravin Trifaldi bestaan alleen

reeds door de bedoeling, om het te volbrengen. De gravin en hare dames

zijn van hare baarden bevrijd, Malambruno is dood, en de heerschappij

over het koninkrijk is aan de rechte handen teruggegeven. Zoodra

de schildknaap Sancho Panza zijne zelfkastijding volbracht heeft,

zal ook de schoone Dulcinea hare vroegere gedaante weder aannemen

en in de armen van haren dapperen ridder en bevrijder snellen. Aldus

spreekt Martino, de machtigste aller toovenaars."

Na het lezen van dit opschrift was Don Quichot zeer verheugd, met

zoo gering gevaar eene zoo roemvolle daad verricht te hebben, en

zijn hart klopte hoorbaar bij de gedachte, dat hij zijne verhevene

Dulcinea thans wellicht spoedig onttooverd zou zien. Evenwel herstelde

hij zich spoedig, bedwong zijne verrukking en trad op den hertog en

de hertogin toe, die schijnbaar nog altijd in diepe onmacht op een

groen grasperk lagen uitgestrekt.

"Op, op, doorluchtige heer!" riep hij, de rechterhand des hertogs

grijpend en duchtig schuddend. "Op, heer, en wees goedsmoeds! Het

avontuur is gelukkig volbracht, zonder iemand schade gedaan te hebben,

gelijk gij uit dat getuigschrift daar aan die lans met eigen oogen

zien kunt."

De hertog richtte zich langzaam op en nam den schijn aan, alsof

hij uit een diepen slaap ontwaakte. Evenzoo deden de hertogin en de

overigen, en allen hielden zich zoo verbaasd, alsof zij van al het

voorgevallene geen sikkepitje wisten. Met nog half gesloten oogen las

de hertog het gouden opschrift, dat hij zelf had opgesteld, en viel

toen Don Quichot om den hals, hem met gelukwenschingen overstelpend

en hem wel honderdmaal verzekerend, dat hij de beste ridder was,

dien het aardrijk nog ooit had gedragen.

Sancho Panza vroeg intusschen naar de gravin Trifaldi en haar gevolg,

en hoorde tot zijne verwondering, dat de geheele schaar verdwenen was

op 't zelfde oogenblik, toen het vliegend luchtpaard kwam aansuizen

en brandend op de aarde was neergevallen.

De hertogin vroeg den schildknaap, wat hem op zijne luchtreis al zoo

was overgekomen.

"Dat wil ik u van stukje tot beetje vertellen, doorluchtige mevrouw,"

antwoordde Sancho. "Toen ik voelde, dat wij door de vuurstreek vlogen,

vroeg ik mijn meester, of ik den blinddoek niet wat los mocht maken;

maar die verbood mij dat. Daar ik evenwel zoo erg nieuwsgierig was,

lichtte ik den doek toch zoo'n beetje op en keek door de opening bij

mijn neus langs naar de aarde. Van de ontzettende hoogte, waar wij

met de snelheid van den razendsten stormwind voortdreven en waar de

bliksemstralen ons maar zoo om de ooren sisten, leek zij mij niet

veel grooter dan een mosterdkorrel toe en de menschen, die er op

omkrabbelden, leken mij pas zoo groot als een walnoot. Daaruit kunt

gij opmaken, tot wat hoogte wij 't al gebracht hadden."

"Maar, vriend Sancho," zei de hertogin met een ernstig gezicht,

schoon zij moeite had om haar lachen te verbijten, "als de aarde u

maar zoo groot als een mosterdkorrel toescheen, maar de menschen zoo

groot als een walnoot, dan moest immers één mensch de geheele aarde

bedekt hebben?"

"Dat zou men wel haast zoo zeggen," antwoordde Sancho; "maar toch

stak er een tipje van uit, en ik zag haar heelemaal."

"Sancho, dat is niet mogelijk," verklaarde de hertogin. "Als men maar

een tipje ziet, kan men onmogelijk het geheel zien."

"Och, ik kan met eene zoo verstandige en voorname dame niet

redetwisten," antwoordde de schildknaap; "maar bij dit alles moet gij

toch in aanmerking nemen, dat hier overal tooverij bij in 't spel kwam,

dat wij met tooverij door de lucht vlogen, en dat ik door tooverij

de heele aarde zien kon, van wat plaats ik ook uitkeek. Indien gij

evenwel dit niet gelooft, dan gelooft gij misschien ook niet, wat

mij nog later is overkomen. Kijk, uwe doorluchtigheid, toen ik de

oogen opsloeg, streken wij al zoo dicht bij den hemel langs, dat

ik hem haast met de handen aanraken kon. Hij is ontzettend groot,

als men hem zoo van nabij ziet. Verder wou 't geval, dat wij in

de buurt van het zevengesternte kwamen, en daar ik in mijne jeugd

geitenherder ben geweest, kreeg ik lust, om eens eventjes die zeven

geitjes toe te spreken. 't Hing er maar van af, of ik kans zou zien,

om van Krukhout te komen. Wat doe ik eindelijk? Ik draai de kruk om,

zonder dat mijn heer er iets van merkt; ons paard staat doodstil; ik

wip er af, en houd met de geitjes een praatje van wel drie kwartier

en sprong toen weer achter mijn heer op, zonder dat Krukhout in al

dien tusschentijd een poot verzet had."

"Maar wat deed Don Quichot zoolang? Zeg, edele heer, hoe hebt gij u

den tijd gekort?" vroeg de hertog.

"Daar ik van al de dingen, die Sancho Panza gezien wil hebben,

niets merkte, kan ik er ook niets van zeggen. Ik heb mijn doek geen

oogenblik verschoven en dus hemel noch aarde, zee noch land gezien. Wel

bemerkte ik, dat wij de streek der winden door en nabij de streek

des vuurs kwamen; maar dat wij het veel verder gebracht hebben, kan

ik bezwaarlijk gelooven. In aanmerking nemende, dat wij niet zonder

tot asch te verbranden tot in den hemel, waar de Zeven Geitjes zijn,

konden komen, moet ik zelfs denken, dat Sancho Panza òf gedroomd òf,

wat nog veel erger is, schandelijk gelogen heeft."

"Daar kan men licht de proef van nemen," zeide Sancho Panza met

onverzettelijke onbeschaamdheid. "Men heeft mij maar te vragen,

hoe de geitjes er hebben uitgezien. Geef ik onvoldoende antwoorden,

maak mij dan maar voor een droomer en een leugenaar uit."

"Kom, beschrijf ons die geiten dan eens; we zijn nieuwsgierig,"

zeide de hertogin.

"Goed," antwoordde Sancho. "Twee er van zijn groen, twee rozerood,

twee hemelsblauw en een is bontgevlekt."

"Ei, dat moeten dan wel vreemde geiten zijn," zeide de hertogin. "Bij

ons te lande komen ze zoo niet voor en heb ik althans ze nooit in

die kleuren gezien."

"Ik voor mijn part vind het heel natuurlijk, dat tusschen de geiten

des hemels en de geiten der aarde een beetje onderscheid bestaat,"

meende Sancho.

"Maar zeg eens, Sancho, hebt gij onder die geiten ook een bok

gezien?" vroeg de hertogin.

"Neen, mevrouw, en dat zou mij ook verwonderd hebben, want dan liep hij

gevaar van met zijne horens aan de horens van de maan vast te raken."

Met dit antwoord had men van de stoute leugens van den braven

schildknaap vooreerst genoeg. De hertog had zich met het gansche

avontuur kostelijk vermaakt en het had in hem den lust opgewekt om

de klucht nog wat verder te laten voortspelen. Voortaan had hij het

hoofdzakelijk op Sancho Panza gemunt, die toch eindelijk zijn gehoopt

stadhouderschap moest aanvaarden.

HOOFDSTUK XXI.

SANCHO PANZA OP HET EILAND BARATARIA.

Nadat de hertog zijn plan ontworpen en aan zijne talrijke bedienden

de noodige bevelen en aanwijzingen gegeven had, liet hij op een dag,

korten tijd na die wonderbaarlijke luchtvaart, Sancho Panza roepen

en kondigde hem aan, dat hij zich toerusten en klaar houden moest, om

zijne waardigheid als stadhouder te aanvaarden, daar zijne aanstaande

onderdanen al zoo naar hem verlangden, als het dorre land naar den

Meiregen.

Sancho Panza boog zoo diep, dat zijn neus bijkans den grond raakte,

en zeide: "Heer, sinds ik tot de Zeven Geitjes opsteeg en daar de

aarde zoo klein en nietig aan mijne voeten zag liggen, is de begeerte

om stadhouder te worden een weinigje afgekoeld. Indien uwe hoogheid

mij een klein brokje hemel verkoos te geven, zou ik dat liever nemen,

dan het grootste eiland van den aardbodem."

"Vriend Sancho," antwoordde de hertog, "gij weet wel, dat ik zoo hoog

in de lucht over niets te zeggen heb, en dat ik u daar dus ook geen

stadhouderschap kan aanbieden. Ik geef u, wat ik in staat ben te geven:

een vruchtbaar, kostelijk bebouwd, fraai en volmaakt eiland, waar gij

overvloedig gelegenheid zult vinden om u met schatten te verrijken."

"Nu, komaan," sprak Sancho, "om uwe doorluchtigheid pleizier te doen,

wil ik dan zoo'n stadhouder worden; 't is anders niet eerzucht,

die mij aandrijft mijn nederigen stand te verlaten, maar alleen de

begeerte om goed te doen en te vernemen, hoe zulk een stadhouderschap

eigenlijk smaakt."

"Ei, als ge daar eens van geproefd hebt, zult ge er heel den tijd

van uw leven alle tien vingers naar likken," meende de hertog. "Geen

heerlijker ding, dan te bevelen en nergens verzet of weerspannigheid

te vinden. Morgen al zult gij op reis gaan, en van avond nog krijgt

gij uwe ambtskleeding en wat meer tot uwe uitrusting behoort."

Sancho Panza boog andermaal als een knipmes en ging heen, om aan

zijn meester het groote nieuws te verkondigen, dat hem zoo pas was

meegedeeld. Don Quichot gaf hem de beste lessen en vermaningen,

en Sancho hoorde hem zoo aandachtig aan, dat de ridder van zijn zoo

op eens tot eene hooge waardigheid verheven schilddrager de beste

verwachtingen opvatte.

En nu kwam de dag tot vertrekken en ging Sancho Panza met een talrijk

gevolg op weg. Hij droeg de kleeding van een geleerde en daarover

een mantel van donkerblauw laken. Op een muildier zat hij, en zijn

grauwtje, met splinternieuw tuig en zadel, werd hem nageleid, daar

hij van dat trouwe dier onmogelijk kon scheiden. Hij was zoo tevreden

en gelukkig, dat hij op dat oogenblik niet met den keizer van China

had willen ruilen.

Na eene korte reis kwam Sancho Panza met zijn gevolg in een stadje met

ongeveer duizend inwoners aan, dat eene der aanzienlijkste bezittingen

van den hertog was. Men maakte hem wijs, dat dit het eiland Barataria

was; en alhoewel Sancho nog over geen water was gekomen, zoo nam hij

die verzekering toch voor goede munt op en brak er verder zijn hoofd

niet mee.

Toen hij de poorten der kleine stad naderde, die met een ringmuur

omgeven was, kwamen hem raad en overheid plechtig te gemoet, om hem

te verwelkomen. De klokken werden geluid, het volk juichte en jubelde,

en met veel staatsie werd hij naar de hoofdkerk geleid, om voor zijne

verheffing te danken, de sleutels der stad te ontvangen en zich in

zijne volle waardigheid den volke te vertoonen.

De figuur, de dracht, de geheele houding en de manieren van den nieuwen

stadhouder wekten bij allen, die niet in het geheim van den hertog

waren ingewijd en dus de geheele ceremonie voor ernst moesten houden,

niet weinig verbazing. Nadat de plechtigheid in de kerk was afgeloopen,

bracht men hem buiten, deed hem plaats nemen op den rechterstoel, en

de huishofmeester van den hertog, die het geheele kluchtspel bestuurde,

sprak hem aan als volgt:

"Eerwaarde heer stadhouder, het is een overoud gebruik op het

eiland, dat ieder, die er bezit van neemt, verplicht is eene vraag te

beantwoorden, die zeer moeielijk en ingewikkeld is. Dit gebruik heeft

geen andere bedoeling, dan om den bewoners al dadelijk een proefje

van de scherpzinnigheid van den nieuwen regent te geven. Uit diens

antwoord mogen zij dan opmaken, of zij over zijne aankomst zich te

verheugen of wel te beklagen hebben."

"Ei, als dat zoo is, kom dan maar met uwe vraag voor den dag, heer

huishofmeester," antwoordde de nieuwe stadhouder. "Ik wil haar

beantwoorden, zoo goed als ik maar kan, en dan moet het volk zelf

weten, of 't lachen of huilen wil."

Op dit oogenblik traden twee mannen in de rechtszaal, van wie de

een als boer was gekleed en de ander zich door de groote schaar,

die hij in de hand hield, als snijder deed kennen.

"Heer stadhouder," begon deze laatste, "ik en die boer hier komen om

eene netelige zaak voor uwen rechtsstoel. Deze goede vriend namelijk

kwam gisteren in mijne werkplaats, hield mij een lap laken voor en

vroeg mij, of ik kans zag, daaruit eene muts voor hem te maken. Ik

bekeek het laken van alle kanten, keerde 't om en om, berekende

de lengte en de breedte, en toen zei ik eindelijk: "Ja, dat zou ik

wel kunnen."

"Nu dacht het boertje zeker, dat ik hem een stuk van het laken

ontstelen wou of stilletjes in de hel wegmoffelen, en dus vroeg hij

mij, of 't niet mogelijk was, twee mutsen van het stuk te maken.

"Ik had dat gauw in den neus, en zei ja. Daarop verlangde de boer al

meer mutsen, en al meer, en dat van dit ééne lapje laken, totdat we

't eindelijk over vijf stuks eens werden, die ik hem beloofde te

maken. Voor een uur komt hij bij mij, om ze af te halen, en ik geef

ze hem. Maar toen hij nu de mutsen ziet, wil hij mij er geen maakloon

voor geven en verlangt zelfs, dat ik hem zijn laken zal betalen of

't hem heel en gaaf, zooals 't geweest is, teruggeven."

"En wat hebt gij nu te zeggen, vriendje?" keerde Sancho zich tot het

boertje. "Is alles zoo, als de snijder zegt?"

"Ja, daar kan ik niets tegen zeggen," antwoordde de man. "Maar laat

u nu eens de vijf mutsen toonen, die de gauwdief gemaakt heeft."

De snijder stak op den wenk van den stadhouder zijne hand onder den

mantel en, toen hij die weer voor den dag haalde, zag men vijf mutsjes,

die hij op de vijf vingertoppen van zijne hand had gestoken.

"Hier is," zeide hij, "wat die man van mij verlangde, en 'k mag hier

door den grond zinken, als ik ook maar een enkelen draad van 't laken

voor mij heb gehouden."

Al de toeschouwers lachten over die onnoozele poppenmutsjes en over

heel de kluchtige rechtzaak. Sancho Panza echter dacht een poosje

stil na en sprak toen:

"Ik geloof niet, dat tot het uitwijzen van deze rechtspraak veel

wijsheid en geleerdheid noodig is, en ik beroep mij dus enkel en

alleen op het gezonde menschenverstand. Mijn vonnis luidt aldus: "De

snijder, omdat hij den boer opzettelijk bij den neus nam, verliest

zijn maakloon; maar de boer verliest zijn laken, omdat hij, volgens

zijne eigen bekentenis, vijf mutsen heeft besteld. De mutsen echter

houd ik tot vergoeding van de rechtskosten.""

Deze beslissing verwekte een algemeen gelach; maar men hield zich

aan het vonnis van den stadhouder, en de zaak was hiermee afgeloopen.

Nauwelijks was weer stilte gevolgd, of daar traden twee oude mannen

in de zaal, van wie de een op een dikken rietstok leunde. De ander,

die geen stok bij zich had, trad voor en sprak:

"Gestrenge heer, voor eenigen tijd leende ik dezen man, uit

goedwilligheid en om hem te helpen, tien goudguldens, eenvoudig onder

voorwaarde, dat hij mij die som terug zou betalen, zoodra ik die

opeischte. Ik liet een geruimen tijd verloopen, voordat ik het mijne

terugvroeg. Daar echter de man volstrekt niet aan terugbetaling scheen

te denken, sprak ik hem eindelijk aan en verlangde het geleende geld

terug. Toen hield hij zich erg boos en hield vol, dat ik hem nooit

uit de verlegenheid had geholpen, en al was dat zoo, dan had hij de

schuld al lang afbetaald. Nu heb ik noch een getuige, dat ik hem de

tien goudguldens leende, noch ook een getuige, dat ik ze weerom kreeg,

want hij heeft ze werkelijk niet terugbetaald, en ik verzoek u dus, dat

gij den leugenaar den eed moogt afnemen. Als hij zweert, dat hij mij

het geld terugbetaalde, dan wil ik daar in 's hemels naam in berusten."

"Wat zegt gij van dit geval, gij oude met den stok?" vroeg Sancho.

"Ei," antwoordde deze, "ik ontken niet, dat hij mij dat geld geleend

heeft, maar ik ben evenzeer bereid, er een heiligen eed op af te

leggen, dat ik de tien goudguldens weer in zijne handen gaf en hem

dus wis en waarachtig betaalde."

De stadhouder verlangde nu, dat de oude den eed afleggen zou, en deze

was daar dadelijk toe bereid.

"Houd gij zoolang mijn stok vast," zeide hij tot den eischer en reikte

hem den stok toe. Hierop stak hij zijne rechterhand op en legde den

verlangden eed af, dat hij de tien goudguldens in de handen van zijn

schuldeischer had teruggegeven.

"Nu welaan," zeide de eischer, "dan moet mijn zwak geheugen mij

bedrogen hebben, en ik wil mij dus tevredenstellen."

De beschuldigde nam zijn stok weder aan en beide partijen verlieten

de gerechtszaal.

Toen nu Sancho het bescheiden gedrag en de toegevendheid van den een

en de onbeschaamdheid van den ander bemerkte, liet hij zijn hoofd op de

borst zakken, legde den wijsvinger aan den neus en dacht een oogenblik

na. Op eens richtte hij zich op, wierp het hoofd in de hoogte, alsof

hij een licht zag opgaan, en beval, dat men de partijen terstond

terug zou roepen. Men bracht hen dus weder in de zaal, en Sancho sprak:

"Hoor eens, oude met den stok, geef mij dien rotting eens eventjes

hier."

"Met genoegen," zei de man en gaf den stok over.

Sancho nam dien, reikte hem den eischer toe en zeide tot dezen:

"Ga nu in vrede, want thans zijt gij in waarheid betaald."

"Hoe zoo dat?" vroeg de man verwonderd. "Dit ding is toch geen tien

goudguldens waard?"

"Dat is het wel," sprak Sancho, "of zeg anders, dat ik een ezel en een

stommerik ben. Ziet toe, menschen, en oordeelt, of ik verstand genoeg

heb, om uw stadhouder te blijven. Breek me dien stok eens midden door."

De stok werd in tweeën gebroken, en tot verbazing van alle verzamelden

bleek, dat hij van binnen hol was en de tien goudguldens bevatte,

waarover men twist had gevoerd. Iedereen verwonderde zich en hield

Sancho Panza voor een tweeden Salomo in wijsheid. Men vroeg hem, hoe

hij op de gedachte was gekomen, dat het geld in den rotting kon wezen.

"Dat zal ik u vertellen," antwoordde hij. "Toen die bedrieger

zijn beschuldiger den stok gaf, terwijl hijzelf den eed aflegde,

vermoedde ik eene list en begreep ik, dat in den rotting de betaling

moest wezen."

Toen deze eerste rechtszitting zoo roemrijk en glansrijk voor hem

was afgeloopen, werd Sancho Panza naar een prachtig paleis geleid,

waar in eene fraaie zaal een kostelijk middagmaal bereid stond.

Terstond bij zijn binnentreden liet zich eene liefelijke muziek hooren

en traden vier pages toe, om hem een zilveren waschbekken voor te

houden, waarin hij met veel zwier zijne handen waschte. Toen verstomde

de muziek en Sancho Panza nam aan de rijkbezette tafel plaats. Hij

moest evenwel alleen zitten, want er was maar één stoel en ook maar

voor één persoon gedekt. Achter hem vatte een personage post, die een

baleinen stokje in de hand had en zich weldra als lijfarts deed kennen.

Men tilde een sneeuwwit laken op, waarmede al de kostelijke gerechten

overdekt waren. Een jong mensch, die zeer veel van een student had,

deed het tafelgebed; een page bond den stadhouder een kostbaar, rijk

met kanten omzoomd servet om den hals, en de kok zette een schotel

voor hem, waaruit hem een heerlijke geur tegensloeg.

Een honger als een paard hebbende, liet Sancho een begeerigen blik

over de tafel gaan, verheugde zich in den geest over de genietingen,

die daar voor zijn oog uitgebreid lagen, en wilde op den eersten hap

uit dien eersten schotel juist een tweeden laten volgen, toen men hem

't lekker gerecht met de grootste snelheid voor den neus wegnam en

hem een anderen schotel voorzette.

Onze gewezen schildknaap verwonderde zich over dit vreemde doen en

wou op den nieuwen schotel een aanval wagen, toen de dokter achter

hem zijn zwart stokje uitstak en op dien schotel tikte. Als een havik

uit de wolken schoot nu een page toe, pakte den schotel evenals den

eersten weg en was daarmee, voordat de onthutste stadhouder een,

twee, drie kon tellen, de deur uit.

Sancho zette een gezicht als een oorworm, keek de omstanders stijf

aan en vroeg op hoogen toon, wat voor goochelaarskunsten 't waren,

dat men hem het eten zoo voor den neus wegkaapte.

"Heer stadhouder," zeide hierop de lijfarts op plechtigen toon,

"gij moet hier te lande eten, zooals het gebruik dat voorschrijft. Ik

ben de lijfarts van uwe genade en word betaald, om u naar behooren

te bedienen. Ik zorg voor uwe gezondheid meer dan voor mijn eigene,

want ik studeer dag en nacht, om uw lichaamsgestel te leeren kennen en

u, mocht ge eens ziek worden, te kunnen bijstaan en genezen. Vooral

echter moet ik het oog op uwe maaltijden houden en toezien, dat gij

u de maag niet bederft. Ik mag u alleen dingen laten gebruiken, die

ik weet, dat u niet schaden kunnen. Al 't overige moet ik met mijn

stokje aanraken en buiten uw bereik laten brengen. Daarom gelastte ik,

den eersten schotel weg te nemen, omdat hij te verkoelend is, en de

tweede schotel moest verdwijnen, omdat hij te veel verhit en te veel

kruiderijen bevat, die den dorst aanzetten. Wie echter te veel drinkt,

mag nimmer op een lang, gelukkig en gezond leven rekenen."

"Nu," bromde Sancho, "laat mij dan toch eens van die gebraden patrijzen

proeven. Die kunnen toch wis en waarachtig geen kwaad."

"Ja, zeker wel," riep de lijfarts; "zoolang ik in leven ben, zal

mijnheer de stadhouder daar geen sikkepitje van over de lippen

krijgen."

"En waarom dat niet?" vroeg Sancho Panza driftig.

Don Quichot van La Mancha · 第 15 / 19 段