dame en het ongeluk van den ridder ten diepste geroerd scheen, "vriend
Sancho, 't is wel waar, dat ik u een stadhouderschap beloofd heb, maar
ik moet u nu ronduit en stellig verklaren, dat daar niets van komen
kan, als gij u zoo halsstarrig en onhandelbaar betoont. Wat zouden
mijne onderdanen op het eiland, dat voor u bestemd was, denken, als ik
hun zulk een gruwzamen en hardvochtigen tiran op den hals zond? Neen,
neen, Sancho! Gij moet of uit liefde tot uwen heer u die slagen
getroosten, of ge zult het uw leven lang niet tot stadhouder brengen."
"Ei, ei, niet zoo haastig, doorluchtige heer!" antwoordde Sancho
op vrij wat onderdaniger toon; "men dient zich op zoo'n ding toch
wel eens te beslapen. Gun mij twee dagen tijd en dan wil ik u nader
bescheid geven."
"Dat gaat niet aan!" sprak Montesinos met akelig holle stem. "Hier
op staanden voet en binnen vijf minuten moet alles beslist zijn. Ja
of neen--wat zegt gij?"
"Zeg ja, beste Sancho!" fluisterde de hertogin den schildknaap toe,
die besluiteloos stond, als een ezel tusschen twee bossen hooi. "Zeg
ja, en toon u daardoor dankbaar voor al de goedheid en liefde, die
uw dappere heer u tot hiertoe betoond heeft. Zeg ja, en wees niet
bang voor zoo'n beetje pijn."
"Nu, welaan dan," zei Sancho eindelijk; "daar gij allen mij zoo dringt,
wil ik die vracht van drie duizend drie honderd in 's hemels naam
maar op mij nemen. Doch 't is onder voorwaarde, dat ik ze mijzelf
toetellen mag, wanneer en zoo veel of zoo weinig, als mij op een keer
goeddunkt. Daartegenover beloof ik, dat ik mijn best zal doen om zoo
gauw mogelijk schoone lei te krijgen en jonkvrouwe Dulcinea van hare
betoovering te verlossen."
"Dat is voldoende," riep Montesinos.
En zoodra hij dat woord over de lippen had, nam de liefelijke muziek
van fluiten, harpen en horens weer een aanvang, terwijl Don Quichot,
verrukt over zijne opoffering, zijn trouwen schildknaap om den hals
viel en hem onder heete tranen op voorhoofd en wangen kuste. De hertog,
de hertogin en alle verdere tegenwoordigen gaven insgelijks hunne
voldoening en tevredenheid te kennen, en toen de kar zich weer in
beweging stelde, boog Dulcinea eerbiedig het hoofd voor de hertogin
en wierp Sancho Panza een allerliefst kushandje toe.
Sancho zelf voelde zich een oogenblik volkomen gelukkig, doch had
twee minuten later al weer bitter berouw, dat hij zoo gek geweest was,
dat zware pak van drie duizend drie honderd slagen op zich te nemen.
Onderwijl begon het in het oosten te schemeren, en allen keerden
naar het slot terug, om na de vermoeienissen der jacht en na al die
spannende ontmoetingen een verkwikkenden slaap te genieten. De hertog
en de hertogin waren meer dan ooit in hun voornemen versterkt, om met
Don Quichot en zijn schildknaap nog allerlei kluchten en dwaasheden te
vertoonen, en stelden zich daar onbegrijpelijk veel pret en genoegen
van voor.
Tot opheldering van het pas beschreven avontuur hebben wij alleen maar
te zeggen, dat de geheele comedie volgens de beschikking van den hertog
zoo was opgevoerd. Montesinos was de hofmeester van het slot, Dulcinea
een knappe jonge page geweest, terwijl de verschillende talrijke
dienaren des hertogs als toovenaars en duivels hadden moeten optreden.
HOOFDSTUK XX.
HET AVONTUUR MET HET HOUTEN PAARD.
Eenige dagen verliepen, zonder dat met onze beide helden iets
bijzonders was voorgevallen. Op de vraag van de hertogin aan den
schildknaap, of hij met het werk zijner zelfkastijding al begonnen was,
antwoordde Sancho toestemmend.
"En waarmee hebt gij uzelf de slagen toegedeeld?" vroeg zij verder.
"Wel, hier met mijn hand," antwoordde hij.
"Ei," sprak de hertogin, "dan zijn de slagen zeker wat heel zacht
uitgevallen, en ik twijfel zeer, of de gestrenge heer Montesinos
daar wel mee zal tevreden zijn. Gij moet eene stevige geeselroede of
een dik touw met knoopen nemen, daar voor de verlossing van eene zoo
uitstekende en schoone dame wel wat pijn mag worden geleden."
"Nu, als 't knijpt en weer knijpt, mevrouw, geef mij dan eene roe,
zooals 't hoort, en dan wil ik mijzelf daarmee kwispelen, als 't niet
te erg zeer doet. Maar uwe doorluchtigheid mag vrij gelooven--schoon
'k maar een boer ben, zoo is mijn huid toch even gevoelig als 't vel
van den besten edelman, en mijzelf erg te pijnigen is volstrekt mijn
plan niet."
"Goed, goed!" zei de dame lachend; "ge zult morgen eene roe hebben,
die net voor je past en je de teêre huid niet al te erg zal havenen."
Met deze toezegging stelde Sancho zich tevreden.
Eenige dagen daarna zaten de hertog en de hertogin na afgeloopen
maaltijd met hunne beide gasten in den tuin en spraken over beroemde
ridders van vroeger en later dagen, toen men op eens den schellen,
gillende toon van eene fluit en het dof gerommel van eene oude
trom vernam. Geen van allen wist eerst, wat van deze vreemde en
onwelluidende muziek te denken, en Don Quichot werd zoo onrustig, dat
hij op zijn stoel heen en weer schoof en van verlangen brandde, om te
weten, welk nieuw avontuur hier voor hem aanstaande was. Sancho zat,
als gewoonlijk, weer zoo in angst, dat hij zich zoo dicht mogelijk bij
de hertogin hield en gaarne onder de plooien van haar lang sleepkleed
zou zijn weggekropen.
Terwijl zij met gespannen verwachting naar de treurige en zwaarmoedige
tonen van die muziek luisteren, traden aan het andere eind van den tuin
twee mannen in rouwkleederen binnen, welke laatste zoo lang waren, dat
zij ruischend op den grond nasleepten. Die mannen sloegen op trommen,
die insgelijks met zwart rouwfloers behangen waren. Aan hunne zijde
stapte een pijper, en dicht achter hen volgde een reusachtig lang
man, van top tot teen in het zwart gekleed en met een sleep, die ter
breedte van wel ruim tien el het stof van den grond wegveegde. Over
zijn kleed droeg hij aan een gordel van zwart leder een verbazend
groot zwaard met zwarten greep en zwarte scheede, en zijn gezicht
was met een zwarten sluier bedekt, door welken een dichte, lange,
sneeuwwitte baard heenschemerde. Met deftig afgemeten passen trad hij
nader en zette de voeten telkens naar de maat der trommen neer. Zijne
reusachtige figuur, zijne vreemde kleedij en fiere houding brachten
allen in de grootste verbazing.
Na den tuin doorgegaan te zijn, trad hij regelrecht op den hertog
toe, die hem met de overigen staande opwachtte, wierp zich aan diens
voeten neer en wilde met zijne toespraak beginnen, toen de hertog hem
beduidde, dat hij geen woord aanhooren zou, indien hij niet dadelijk
weer opstond. De reus rees dus weder overeind, sloeg zijn sluier op
en vertoonde zijn gezicht, dat met den diksten, langsten en witsten
baard versierd was, dien ooit een menschelijk oog had aanschouwd.
"Doorluchtigste heer en hooge gebieder," begon hij met eene stem,
die zwaar en diep als het rollen van den verren donder uit zijne
breede borst kwam, "mijn naam is Trifaldin met den witten baard,
en ik ben stalmeester van de gravin Trifaldi, die met anderen naam
ook Dueña Dolorida genoemd wordt. Op last van haar verschijn ik,
om uwe hoogheid een genadig gehoor te verzoeken, en om te vernemen,
of zich hier op het slot ook de dappere en nooit overwonnen ridder
Don Quichot van La Mancha ophoudt, om wiens wille mijne meesteres uit
haar koninkrijk Candaya hierheen is gekomen. Zij wacht aan de poort
van dit slot en verlangt slechts uwe vergunning, om binnen te komen
en u haar ongehoord ongeluk mee te deelen."
"Mijn waarde stalmeester Trifaldin met den witten baard," antwoordde
de hertog, "wij kennen sinds lang al het ongeluk van uwe meesteres,
de gravin Trifaldi, die alleen door de kunstenarijen van snoode
toovenaars Dueña Dolorida genoemd wordt. Meld haar, dat wij haar
wachten, en dat zij hier ook den dapperen en vermaarden ridder van
La Mancha zal vinden, van wiens grootmoedige gezindheid zij veilig
alle bescherming en bijstand mag hopen."
Bij het vernemen dier blijde tijding boog de stalmeester Trifaldin tot
afscheid de knie, wenkte trommelaars en pijper en verwijderde zich
met dezen, even deftig en plechtstatig, als hij gekomen was. Korten
tijd daarna verschenen twaalf in 't zwart gekleede dames in den tuin
en naderden twee aan twee op de maat van de muziek. Achter haar ging
de gravin Trifaldi aan den arm haars stalmeesters. Een zwart kleed
golfde om hare leden en drie edelknapen volgden haar, die haar den
sleep nadroegen.
In de nabijheid van het hertogelijk paar gekomen, schaarden de
twaalf dames zich in twee rijen, tusschen welke de gravin doorging,
om zich den hertog te voet te werpen, wat deze natuurlijk wist te
verhinderen. Hierop sprak zij met eene eer grove en mannelijke dan
fijne vrouwenstem de volgende woorden:
"Doorluchtige heer, eene ongelukkige nadert u, om uwe bescherming
in te roepen, die zij meer dan iemand anders ter wereld noodig
heeft. Voordat ik u echter mijn ongeluk vertel, zou ik gaarne weten, of
de wereldvermaarde en dappere leeuwenridder hier is en zijn getrouwen
schildknaap Sancho Panza bij zich heeft."
"Hier is Sancho Panza," riep deze, nu weer moedig voor den dag
springend, "en hier is ook mijn heer, de vreeselijkste en dapperste
ridder, die ooit op twee beenen stond. Zeg, wat gij begeert,
betreurenswaardige jonkvrouwe Dolorida. Wij zijn steeds bereid,
ongelukkigen te helpen en verongelijkten recht te verschaffen."
Voordat de dame hierop antwoorden kon, trad Don Quichot toe en zeide:
"Indien uw leed zich van den arm en de kracht eens dolenden ridders
eenige hoop op verzachting durft beloven, dan staat hier Don Quichot
van La Mancha, over wien gij vrij beschikken kunt, zoo gij zijne
diensten verlangt. Laat mij dus zonder verwijl de geschiedenis van
uw ongeluk vernemen."
De dame wilde den dapperen ridder de knieën omhelzen; doch hij liet
dat niet toe, maar verzocht haar bij herhaling, de oorzaak van haar
leed mee te deelen.
Zoo vernam hij dan, dat een schandelijke reus en toovenaar, Malambruno
geheeten, haar van hare heerlijkheid beroofd en haar zelve met al
hare hofdames op de afschuwelijkste wijze misvormd had door hare
gladde blanke gezichten met ruige borstels te bedekken.
Op een wenk der gravin sloegen hare gezellinnen hare sluiers op en
lieten tronies zien, die dusdanig met dichte baardharen begroeid waren,
dat Don Quichot een kreet van verbazing uitstiet en zelfs de hertog
en de hertogin zich verschrikt afwendden.
"Zie, heer ridder," sprak gravin Trifaldi, "zóó heeft die kwaadaardige
booswicht Malambruno ons toegetakeld. 't Was ons allen veel liever
geweest, als hij ons terstond gedood had en het hoofd afgehouwen. Maar
om nu tot de hoofdzaak te komen, moet ik u zeggen, dat niemand
buiten u mij helpen kan, daar nergens op aarde meer een ridder van
uwe dapperheid gevonden wordt."
"Nu, aan mijn goeden wil zal het niet ontbreken," antwoordde Don
Quichot. "Beveel, wat ik verrichten moet, en uwe wenschen zullen
oogenblikkelijk vervuld worden!"
"Het eenige bezwaar, dat ons in den weg staat," sprak de gravin,
"is de omstandigheid, dat mijn koninkrijk over de vijfduizend mijlen
van hier verwijderd ligt. Zoo gij echter, waaraan ik niet twijfel,
moed genoeg bezit, om van eene reisgelegenheid gebruik te maken,
die mij ieder oogenblik ten dienste staat, ben ik in een ommezien
geholpen. Ik bezit namelijk het houten paard, waarop de dappere Pierres
de schoone Magalona ontvoerde. Het wordt bestuurd door een kruk,
die voor op den kop en ten volle de diensten van een teugel doet,
en daarbij vliegt het met eene lichtheid en snelheid door de lucht,
alsof de duivel zelf het medevoerde. Dit paard is, volgens echte
oorkonden, door den grootmeester van alle toovenaars, den grooten
Merlin, vervaardigd, die het aan zijn vriend, den dapperen Pierres
ten geschenke gaf. Na dien held heeft niemand het meer bestegen, wijl
ieder vreest er de lucht mee in te gaan. Evenwel is het het makste
en beste dier van de wereld. In een ommezien brengt het zijn berijder
in de verst verwijderde werelddeelen, en heeft daarbij het voordeel,
dat het noch eet, noch drinkt, noch slaapt, noch ook zijne hoefijzers
afslijt. Voor 't overige heeft het zulk een aangenamen en lichten gang,
dat men, terwijl men door de lucht vliegt, een boordevolle kom water
in de hand kan houden, zonder een droppel te morsen. Dit was de reden,
waarom de schoone Magalona het ook zoo gaarne bereed."
"Nu, wat een zacht en rustig draven aangaat," zei Sancho, "heb ik zelf
een grauwtje, dat het tegen alle telgangers van de wereld opneemt. Zijn
eenige fout is maar, dat hij niet door de lucht kan vliegen."
Allen lachten over Sancho Panza's dwaze aanmerking, en de gravin
ging voort:
"Zoo gij bereid zijt, heer ridder, mijne wenschen te vervullen en u
aan dat wonderdadig ros toe te vertrouwen, dan zal het zich op mijn
wenk een half uur voor den donker in ons midden bevinden."
"Hoeveel menschen nemen dan plaats op dat paardje?" vroeg Sancho.
"Niet meer dan twee," antwoordde jonkvrouwe Dolorida, ook gravinne
Trifaldi geheeten: "Één in den zadel en de ander achterop."
"Ik ben benieuwd, wat naam dat beest heeft," vroeg Sancho Panza. "Weet
gij mij dat ook te zeggen?"
"Zijn naam is niet zoo hoogdravend als Pegasus of Bucephalus, of
Orelia, maar 't is een doodeenvoudige, schoon bijzonder passende
naam. Het heet Krukhout de Gevleugelde, omdat het van hout is, omdat
het door een kruk bestuurd wordt en omdat het in vlugheid door geen
schepsel ter wereld wordt overtroffen."
"Ei, die naam is zoo kwaad niet en bevalt mij bijzonder goed,"
verklaarde Sancho. "Maar waar is de toom of halster, waardoor 't
geregeerd wordt?"
"Ik heb al gezegd, dat die kruk zijn teugel is," antwoordde de gravin
Trifaldi. "Al naarmate de ridder, die het berijdt, die kruk draait,
gaat het paard hoog in de lucht op of daalt weer naar de aarde neer,
houdt rechts of links, of rechtuit."
"Dat moet dan al een bijzonder knap dier wezen en 'k ben verlangend,
het eens te zien," zei Sancho. "Als men zich evenwel verbeeldt,
dat ik daar achterop zal kruipen, dan slaat men den bal glad mis en
verwacht peren van den olijfboom. Dat zou me wat moois wezen! Ik,
die mij pas op den zadel van mijn grauwtje kan houden, die toch goed
gevuld en zoo week als een kussen is, zou op de harde houten bonken
van een beest gaan zitten, dat met mij de lucht ingaat, zonder dat
ik weet, of het ooit weer op aarde te land zal komen! Neen, neen,
voor zoo'n reisje bedank ik!"
"Weest gerust, mijne heeren en dames!" zeide Don Quichot, die elk woord
van zijn schildknaap verstaan had. "Ik vertrouw zeker, dat Sancho mij
in alles gehoorzamen zal. Had ik den reus nu maar hier! Waarachtig,
ik zou hem den kop van den romp houwen, voordat hij drie kon tellen."
"Geduld, edele ridder, nog korten tijd," zeide de gravin
Trifaldi. "Zoodra de avond komt, zal ook het ros verschijnen, en
gij kunt het dan terstond bestijgen. Dan zal ook mijne ellende haar
einde nabij zijn; mijn baard met al de baarden mijner dames zullen
spoorloos verdwijnen, en wij allen zullen u, heer ridder, eeuwige
erkentelijkheid verschuldigd zijn."
Zeer spoedig kwam de avond en dus ook de tijd, dat het vliegend paard
moest verschijnen. Don Quichot wachtte het met levendig ongeduld en
wilde daaraan reeds in woorden lucht geven, toen op eens vier wilde,
met groen klimop in plaats van met kleederen bedekte mannen in den
tuin traden en een plomp houten paard op hunne schouders droegen. Zij
zetten dat in de nabijheid van den ridder behoedzaam op den grond,
en een hunner sprak met machtige stem: "Wie moed voelt, die bestijge
den Gevleugelden Krukhout."
"Nu, ik voor mijn part heb geen moed, en zal hem dus niet bestijgen,"
verklaarde Sancho op stelligen toon.
"Wanneer de ridder, die dit ros bestijgt," ging de met klimop bekleede
man voort, "een schildknaap in zijn gevolg heeft, dan moet deze
achterop stijgen en zijn meester vergezellen. Hij kan daarbij zonder
vrees zijn, want hem zal in het minst geen kwaad overkomen. De ridder
heeft niets te doen, dan aan de kruk te draaien, die aan den hals van
het paard is aangebracht, en dan zal hij zonder verwijl naar de plaats
worden gedragen, waar Malambruno hem wacht. Opdat echter de ontzettende
hoogte, waartoe het paard opstijgen zal, de ruiters niet duizelig make,
moeten zij zich de oogen laten blinddoeken en mogen zij dien doek niet
afdoen, voordat het paard luid begint te brieschen. Dit is het teeken,
dat de tocht volbracht is en de ruiters hun doel hebben bereikt."
Na deze woorden bogen zich de mannen in klimop en verwijderden zich
met haastigen tred. Dolorida of gravin Trifaldi echter keerde zich
met tranen in de oogen tot den ridder en sprak:
"Daar, dapperste aller ridders, is nu Krukhout de Gevleugelde, en
niets ontbreekt meer om mij gelukkig te maken, dan dat gij met uw
schildknaap opstijgt en met vroolijk harte den tocht onderneemt."
"Dat zal geschieden, edele vrouwe," antwoordde Don Quichot, "dat zal
geschieden met vroolijk harte en met den besten wil, om uw wreker te
worden en u uwe vroegere schoonheid terug te verschaffen."
"Dan wensch ik u goede reis en behouden overtocht, edele heer," zeide
Sancho Panza. "Ik voor mij zal wel oppassen, dat ik mij niet in zulk
een gevaar begeef, en bedank er voor, daar achter op dat harde hout
te zitten. Ik blijf, waar ik ben, of als ik meega, wil ik de reis op
mijn eigen grauwtje doen."
"Sancho Panza," sprak hierop de hertog op bestraffende toon, "zoo
gij uw heer in de ure des gevaars in den steek laat, reken dan niet,
dat gij ooit eene stadhoudersplaats van mij krijgt. Vergezelt gij
hem echter, gelijk dat een rechtschapen schildknaap betaamt, dan zal
het stadhouderschap van mijn eiland Barataria uw loon zijn en kunt gij
verzekerd wezen van mijne voortdurende gunst en goedwilligheid. Twijfel
niet aan de waarheid dezer verzekering, maar wees overtuigd, dat wat
ik zeg ernstig gemeend is."
"Goed, goed, doorluchtige heer," zeide Sancho, op wien het beloofde
stadhouderschap dadelijk krachtig werkte. "Ik ben een arme schildknaap
en kan anders niet, dan voor uwe genade dankbaar zijn en uwe bevelen
gehoorzamen. Laat mijn meester opstijgen, laat mij een doek voor de
oogen binden, en zeg mij, of ik op onze gevaarvolle reis den hemel
en de hertogin aanroepen en hun krachtigen bijstand vragen mag."
"Gerust, gerust moogt gij dat doen, vriend Sancho," sprak Trifaldin,
de stalmeester. "'t Is niet aan de tooverkracht des duivels en der
helsche geesten, waaraan gij u toevertrouwt, maar 't is eene eerlijke
en behoorlijke tooverij, waartegen de goede geesten niets inbrengen
kunnen."
"Nu welaan, dan ben ik bereid," zeide Sancho, niet zonder eene zachte
trilling in zijne stem.
"Waarlijk," sprak Don Quichot, "ik kan mij niet herinneren, mijn
schildknaap, behalve bij dat gedenkwaardig avontuur met de molens,
ooit zoo vreesachtig te hebben gezien, als heden, en indien ik maar
wat bijgeloovig was, zou ik dien angst voor een slecht voorteeken
houden. Maar kom eens hier, Sancho! Ik heb u een paar woorden onder
vier oogen te zeggen."
Sancho kwam bij hem, en beiden gingen een weinig bezijden af in
een boschje. Hier vatte de ridder zijn schildknaap bij beide handen
en sprak:
"Waarde vriend Sancho, wij hebben, zooals gij weet, een verren tocht te
doen en het is onzeker, hoe lang wij uitblijven zullen. Daarom wensch
ik zeer, dat gij terstond in uwe kamer gaat en u daar vóór ons vertrek
nog een vijfhonderd of duizend slagen van de drie duizend en drie
honderd toedient, die tot onttoovering van mijne gebiederes Dulcinea
van Toboso noodig zijn. Wat gedaan is, is gedaan, en gij zult er mij
bijzonder door verplichten. Frisch aan het werk dus, mijn vriend,
want uitstel leidt tot afstel en uw woord houden moet gij toch."
"Zoo waar ik leef, heer, 't is een onverstandig ding, dat gij daar
van mij vergt," antwoordde Sancho. "Hoe kunt gij verlangen, dat ik
mijne krachten ga verzwakken op een tijd, nu ik die zoo bijzonder
hoog noodig zal hebben! Waarachtig, 't is, alsof ge niet goed bij uw
hoofd zijt. Laat ons eerst de gevaarlijke reis volbrengen, en wees
dan verzekerd, dat ik mijn uiterste best zal doen, om den tijd der
betoovering voor u af te korten. Ik zal mij dan zoo vlug en handig
van mijne verplichting zoeken te kwijten, dat gij in de hoogste mate
tevreden zult wezen."
"Nu goed, vriend Sancho, ik wil op uwe belofte vertrouwen," antwoordde
Don Quichot. "Ik ben van uwe waarheidsliefde zoo volkomen overtuigd,
dat ik niet aan uwe woorden twijfelen wil. Kom dan weer mee bij de
overigen, en wij willen ons gereedmaken tot ons vertrek."
Zij keerden terug, en nu zou het vliegend paard terstond bestegen
worden.
"Bind u nu een doek voor de oogen, Sancho," zeide Don Quichot. "Wij
moeten stiptelijk volbrengen, wat men van ons verlangt."
"Ja, ja, maar doe gij dat maar eerst," sprak de schildknaap, "Als ik
achter zal zitten, dient gij natuurlijk eerst op te stijgen, en dus
heb ik tijd tot gij zelf klaar zijt."
Don Quichot zag het gegronde dezer aanmerking in, haalde zijn zakdoek
te voorschijn en verzocht de gravin Trifaldi, hem dien voor de oogen te
binden. Zij deed dat zonder tegenspraak, en nu werd de ridder op den
houten rug van het tooverpaard getild. Toen hij vast zat, onderzocht
hij de kruk aan den hals en bevond, dat die zich uiterst gemakkelijk
liet omdraaien en bewegen. Daar de ridder geen stijgbeugels had,
hingen zijne magere beenen steil naar beneden en had hij veel van
de figuur, welke men wel soms op oude behangsels ziet en die een
Romeinschen triumphator moet voorstellen.
Sancho volgde langzaam en met kennelijken tegenzin het voorbeeld
zijns meesters en zocht het zich op het achterdeel van het paard zoo
gemakkelijk mogelijk te maken. Hij vond dat evenwel zoo hard, dat hij
den hertog bad, hem toch een sprei of kussen te doen brengen, daar
hij de bezwaarlijke reis anders onmogelijk zou kunnen uithouden. De
gravin Trifaldi antwoordde, dat aan dit verzoek op geene wijze kon
voldaan worden, omdat het in Krukhouts aard lag, dat hij niet de
minste bedekking kon verdragen. Om meer gemak te hebben, moest hij
dan maar zoo gaan zitten, als vrouwen doen, wat hem zeker wel eenige
verlichting zou aanbrengen.
Sancho Panza volgde dezen raad, nam afscheid van de omstanders en bond
zich den doek voor de oogen. Terstond daarna maakte hij dien echter
nog eens weer los, keek met tranen in de oogen rond en verzocht al de
achterblijvenden, dat zij toch om hem zouden denken en zijn grauwtje
goed verzorgen.
"Lafhartige kerel!" riep Don Quichot hem hierop toe, "staat gij dan
al onder de galg of ligt gij op uw uiterste, dat gij de menschen hier
met zulke vragen lastig valt? Bind gauw den doek weer vast en leuter
niet van gevaar, zoolang gij u in mijne tegenwoordigheid bevindt."
Brommend en pruttelend bond Sancho Panza zich nogmaals den doek voor,
en toen Don Quichot merkte, dat alles in orde was, greep hij naar
de kruk en draaide die rond op de wijze, die hem was opgegeven. Op
'tzelfde oogenblik verhieven de omstanders hunne stemmen en riepen
hem na:
"God geleide u, dapperste aller ridders, met u, onverschrokken
schildknaap! Ha, wat vliegen zij! Dat snort als een pijl door de
lucht! Een mensch wordt duizelig alleen van 't gezicht! Houd u vast,
Sancho, en pas op, dat ge niet valt, want ge zoudt in duizend stukken
op den grond komen."
Sancho verstond elk woord, dat hem werd toegeroepen, en klemde zich
vol zielsangst vast, waartoe hij beide armen om zijn heer sloeg.
"Hoe zou het toch wel zoo wezen, heer," vroeg hij, "dat wij alles
verstaan, wat die daar beneden ons toeschreeuwen, ofschoon wij nu
toch al zoo hoog in de lucht vliegen? 't Is net, alsof ze nog dicht
om ons toe stonden."
"Breek daar uw hoofd niet mee," antwoordde de ridder. "Daar deze
luchtvaart zoo geheel buiten het bereik der gewone dingen ligt,
zoo moet gij op duizend mijlen afstands kunnen hooren en zien, wat
ge maar verkiest. Maar pak mij niet zoo vast, of ge zult mij nog van
het paard trekken. Wat zijt ge toch bang en flauwhartig! Ik begrijp
volstrekt niet, hoe ge u zoo angstig maakt, daar ik zeggen moet,
nog nooit een dier bereden te hebben, dat zachter gang heeft. 't Is
waarlijk, of we heel niet van de plaats kwamen. Onderdruk uwe vrees
dus, mijn vriend, en vertrouw, dat alles goed af zal loopen. De wind
is ons gunstig en blaast ons frisch in den rug."
"Ja, dat is zoo," erkende Sancho; "ik voel zoo'n koelte in mijn zij,
alsof 'k den wind uit duizend blaasbalgen kreeg."
Sancho Panza had het rechte woord getroffen, want inderdaad waren
't een paar groote blaasbalgen, die hem van frissche lucht in
overvloed voorzagen. De hertog had alles zoo goed ingericht, dat
zelfs de elementen meewerken moesten om de luchtreizigers in hun waan
te versterken.