Nu trok men het slot zelf binnen, waar Don Quichot in eene zaal werd

geleid, die met de kostbaarste tapijten van zijde en goudlaken belegd

was. Hier werd hij door zes edelknapen van zijne zwaarste wapenstukken

bevrijd en van kleederen voorzien, die hem op bevel des hertogs werden

aangeboden. Vervolgens omgordde hij zich met een zwaard, wierp zijn

scharlaken mantel om, zette eene groene zijden muts op en begaf zich

in eene groote zaal, waar eene menigte staatsiedames hem met zilveren

bekkens tot handenwassching wachtten. Terwijl hij dit deed, verscheen

de hofmeester met twaalf edelknapen, om hem naar de tafel te geleiden,

waar de hooge heerschappen hem reeds wachtten. Don Quichot werd in

het midden genomen en in eene zaal geleid, waar allerprachtigst,

schoon slechts voor vier personen, gedekt was. De hertog, de hertogin

en een hooge geestelijke kwamen den gast te gemoet en verwelkomden

hem. Onder duizend ceremonies en plichtplegingen werd hij naar de

tafel geleid en moest, niettegenstaande zijn weigeren, de eerste

plaats daaraan innemen. De geestelijke zette zich tegenover hem,

terwijl gastheer en gastvrouw hem in hun midden namen.

Sancho Panza, die bij alles tegenwoordig was, stond versteld en

verbaasd over al de eer, die hier zijn meester werd bewezen, en kwam

nu tot het vaste besluit, om dien ook verder op zijne avontuurlijke

tochten getrouwelijk te volgen.

Gedurende den maaltijd vroeg de hertogin met belangstelling, hoe de

jongste berichten van jonkvrouwe Dulcinea van Toboso luidden en of de

ridder haar in den laatsten tijd ook weer eenige reuzen of gevangen

helden had toegezonden.

"Neen, genadige vrouw," antwoordde Don Quichot; "mijn ongelukkig

gesternte belette mij dat. Ik heb wel reuzen, ridders en roovers

overwonnen,--maar hoe hadden die de volschoone jonkvrouwe kunnen

vinden, nu zij door een afschuwelijken toovenaar in eene gemeene

boerin veranderd werd?"

"Ei, ik vind haar toch nog 't bekoorlijkst schepsel, dat maar ergens te

vinden is," zeide Sancho Panza, zich voorbarig in het gesprek mengende,

"en wat springen aangaat, is zij den besten koordedanser de baas. Zij

wipt op haar muilezel, alsof die niet hooger dan een kat was."

"Hebt gij haar ook in haar onbetooverden staat gezien?" vroeg de

hertog.

"Natuurlijk," antwoordde Sancho Panza. "Ik ben immers de man geweest,

die hare betoovering het allereerst in den neus kreeg."

Toen de geestelijke zooveel over roovers, reuzen en betooveringen

hoorde spreken, kwam hij vanzelf op de gedachte, dat het Don Quichot

van La Mancha moest zijn, met wien hij hier aan ééne tafel zat. Op

zijne navraag vernemende, dat zijn vermoeden gegrond was, gaf hij

zich veel moeite, om Don Quichot van zijne onzinnige inbeelding terug

te brengen. Tegen verwachting werd hij door den ridder zoo duchtig

afgezouten, dat hij doodstil zweeg en gedurende den ganschen maaltijd

geen mond meer tot spreken opendeed.

Toen nu de tijd kwam, dat men van tafel opstaan zou, traden vier

jonkvrouwen in het vertrek. De eene droeg een zilveren waschbekken,

de andere een zilveren lampetkan, de derde twee handdoeken van het

fijnste en witste linnen, en de vierde een groot stuk welriekende

Italiaansche zeep. De jonge dame met het bekken trad vooruit en hield

dat Don Quichot, alsof dat vanzelf sprak, onder den baard. De ridder

vond dit wel wat vreemd, doch deed zulks niet blijken, maar stak

zonder omstandigheden zijn baard in het water, in de meening, dat

het daar ter plaatse zeker gebruik moest zijn, zich na den maaltijd

in plaats van de handen het baardhaar te wasschen.

Thans kwam de dame met de zilveren kan, goot het water daaruit over 's

ridders baard uit en trad toen achteruit, om voor hare gezellin plaats

te maken, wier blanke hand hem het gansche gezicht met zeep inwreef.

Don Quichot liet zich alles welgevallen en sloot zijne oogen,

om daar niet van het bijtend zeepsop in te krijgen. De hertog en

de hertogin hielden zich doodbedaard en wachtten den afloop dier

kluchtige waschpartij rustig af.

Toen nu de dame met de zeep Don Quichots rimpelige tronie met een

vinger dikke laag schuim overdekt had, hield zij zich, alsof er geen

water meer was, en verzocht hare vriendin met de kan, schielijk nog

wat te halen, om den edelen ridder niet te lang daar zoo ingezeept

te laten zitten.

De dame ging en Don Quichot bleef in de potsierlijkste positie,

die men zich voorstellen kan, stijf en onbeweeglijk als een paal op

zijn stoel zitten. Al de aanwezigen staarden hem aan, en nu zij hem

daar zoo zagen met zijn langen, bruinen, mageren hals, met gesloten

oogen en wit bepleisterd gezicht, moesten zij zich geweld aandoen,

om niet in luid lachen uit te barsten.

Nadat de klucht lang genoeg geduurd had, kwam de jonge dame met de

schenkkan terug, goot een stroom water over 's ridders mager gezicht

uit en waschte dat, tot het laatste spatje zeep was verdwenen. Daarop

kwam de dame met de handdoeken aan de beurt, maakte eene eerbiedige

buiging voor den natten held en droogde hem heel handig en sierlijk

af. Toen dit verricht was, wilden alle vier de zaal verlaten; doch

de hertog riep haar nog bij de deur terug.

Hij had zich met dat kluchtig tooneel, waarvan hij volstrekt niets

geweten had, evengoed als al de anderen verlustigd, maar wilde niet,

dat de ridder merken zou, dat men hem voor den gek had gehouden.

"Komt," zeide hij tot de dames, "komt en wascht nu mij ook, maar zorgt,

dat er niet weer gebrek aan water is."

De ondeugende meisjes begrepen dadelijk, wat de hertog wou, en maakten

dus geen zwarigheid, om aan zijn verlangen te voldoen. Zij naderden

zeepten hem met de grootste handigheid in, wieschen hem, droogden hem

af en behandelden hem in alles, gelijk zij den ridder gedaan hadden,

behalve dat zij daar nu niet de helft van den tijd toe besteedden.

Sancho Panza had deze vreemde ceremonie met groote oogen aangezien.

"Waarachtig," mompelde hij, "'k wou, dat het hier te lande gebruik

was, ook schildknapen den baard te wasschen, en nog liever had ik,

dat men zijn baard meteen kon afgeschoren krijgen, want de mijne

wordt al schrikbarend lang."

"Wat mompelt gij daar, Sancho?" vroeg de hertogin, die merkte, dat

hij iets op het hart had.

Sancho zeide het haar.

"Dan kunt gij geholpen worden," antwoordde de spotachtige dame. "Mijne

hofjuffers zullen u afzeepen en u des noods tot over de ooren in het

zeepsop steken. Hofmeester, draag gij zorg, dat de schildknaap van

onzen edelen gast naar zijn wensch bediend wordt."

De huishofmeester boog zich en verliet met Sancho Panza het vertrek,

terwijl Don Quichot nog met den hertog en de hertogin aan tafel bleef

zitten en hen druk over het lief en leed der dolende ridderschap

en over de schoonheid zijner doorluchtige dame Dulcinea van Toboso

onderhield.

Nog waren zij levendig in gesprek, toen zij op eens luide stemmen

en een groot geschreeuw in het paleis hoorden. Zij luisterden, en de

hertog wilde reeds buiten gaan, om naar de oorzaak van dat rumoer te

vernemen, toen op eens Sancho Panza in een wonderlijken toestand en

zeer verschrikt kwam binnenstuiven. Hij had een ouden schuurlap als een

servet voor en een talrijke troep keukenjongens en ander volk volgde

hem op de hielen. Een van dezen droeg eene tobbe met vuil spoelwater

en een ander had een groot stuk grove zeep. in de hand. Deze beiden

wilden den ontstelden schildknaap te lijf en deden al hun best,

om hem te wasschen en zijn baard in te zeepen.

"Wat moet dat beduiden, menschen?" vroeg de hertogin. "Wat hebt gij

met dezen braven man voor? Weet gij niet, dat mijn gemaal voornemens

is, hem tot de waardigheid van stadhouder te verheffen?"

"Mevrouw," antwoordde de keukenjongen, "wij wilden den heer eenvoudig

wasschen, gelijk hier te lande gebruik is en zooals hij zelf verlangd

heeft."

"Ja zeker heb ik!" riep Sancho Panza hevig vergramd; "maar ik wil,

dat dit met schoone doeken en niet met oude schuurlappen gebeurt. Wie

mij met zulke instrumenten aankomt, heeft te wachten, dat ik hem den

schedel insla."

De hertogin vond Sancho Panza's gramstorigheid en heel zijn uitzien

zoo kluchtig, dat zij 't wel van lachen uitschateren moest. De hertog

daarentegen zette een zeer ernstig gezicht en hield zich, alsof hij

die plagerij ten strengste afkeurde.

"Gij zijt schandelijk lomp en vlegelachtig geweest," wendde hij zich

tot den dartelen troep, "en ik vertrouw, dat zulke dingen niet weer

zullen gebeuren. Neemt den heer Sancho die vodden af en maakt, dat gij

wegkomt. Ik waarschuw u, dat gij den schildknaap van dezen dapperen

dolenden ridder niet weder reden tot klachten en ontevredenheid geeft."

De knapen meenden, dat hun meester ernstig boos was, ofschoon hij zich

alleen zoo hield, om ridder en knecht in den waan te houden, dat hij

hen werkelijk voor dolende helden aanzag. Zij namen den schildknaap

de schuurlappen af en dropen stilletjes af, terwijl Sancho den hertog

te voet viel en hem met een vloed van woorden voor zijne welwillende

bescherming dankzeide.

Thans stond men van tafel op en Don Quichot verwijderde zich, om

in zijn koel vertrek een korte middagrust te nemen. De hertog nam

intusschen maatregelen, dat Don Quichot voortdurend als een echt

dolend ridder behandeld werd, en stelde zich daar niet weinig pret

en vroolijkheid van voor.

Weinig dagen later wenschte de hertog eene groote jachtpartij te

houden, en nadat zijne dienaren van al, wat zij te doen zouden hebben,

nauwkeurig onderricht waren, werden Don Quichot en zijn schildknaap

van een geheel nieuwe jachtkleedij voorzien. Sancho trok die aan en was

er zeer in zijn schik mee; maar Don Quichot weigerde zulks, zeggende,

dat hij zichzelf in geen opzicht vertroetelen mocht en dus liever

zijne zware wapenrusting wilde aanhouden. Hij reed op Rocinante en

Sancho Panza in zijn nieuw pak op zijn ezel, niettegenstaande hem een

paard uit des hertogs stallen was aangeboden. Dat hij van zijn geliefd

grauwtje scheiden zou, was immers wat al te veel van hem gevergd.

De jachthorens schalden en op hun roepstem verscheen de hertogin,

als eene koningin uitgedost. Don Quichot reed aan hare zijde en

hield uit pure ridderlijkheid den teugel van haar telganger vast,

ofschoon de hertog dit niet toelaten wou, wat hem eene bijna al te

groote beleefdheid en hoffelijkheid toescheen.

Na een korten rit kwamen zij aan eene tusschen bergen ingesloten

woudstreek, die rondom door jagers was afgezet en waar de jacht

zou gehouden worden. Deze begon met groot alarm, met geschreeuw

en geklapper. De honden blaften en huilden, de horens klonken en

't was een leven en een rumoer, dat men zijn eigen woorden niet kon

verstaan. De hertogin steeg van haar paard en vatte, met eene korte

jachtspies gewapend, post op eene plaats, waar gewoonlijk wilde zwijnen

plachten uit te breken. De hertog en zijn gast volgden haar voorbeeld

en dekten haar aan weerszijden. Sancho Panza bleef op eenigen afstand

achter hen op zijn grauwtje zitten, dat hij uit vrees voor mogelijk

gevaar niet durfde verlaten.

Nauwelijks hadden allen op die wijze hunne posten ingenomen,

of zij zagen een zwijn aankomen, dat, door de honden opgejaagd,

grimmig zijne slagtanden wette en de schuimvlokken uit zijn wijden

muil liet vliegen. Zoodra Don Quichot het ontdekte, greep hij zijn

schild vaster, tastte naar zijn zwaard en trad een weinig vooruit,

om het getergde dier te ontvangen. Datzelfde deed de hertog, daar

hij zijn jachtspies vaster omklemde, en de hertogin volgde hem moedig

op den voet. Sancho alleen werd door schrik overmeesterd bij 't zien

van het geweldig everzwijn.

Vol angst liet hij zijn grauwtje in den steek, ging op den loop en

deed zijn uiterste best, om een steeneik te beklimmen en zich tusschen

de takken te bergen. Dat gelukte hem echter niet. Toen hij ongeveer

de helft van de hoogte bereikt had en naar een tak greep, om nog

hooger te komen, brak die tak tot zijn schrik rits af, en onze arme

Sancho tuimelde met een luiden schreeuw naar beneden. Onder het vallen

raakte hij met zijne kleeren aan een anderen tak vast en bleef, zonder

dat hij den grond kon bereiken in de lucht hangen. Zijn jachtkleed

scheurde en hij verkeerde in doodelijken angst, dat de ever hem pakken

zou. Dus zette hij een geduchte keel op en brulde zoo ontzettend,

dat ieder die hem hoorde en niet zag, in de verbeelding moest komen,

dat een of ander wild beest hem reeds in zijne klauwen had.

Onderwijl werd het wilde zwijn geveld, en Don Quichot keek naar zijn

schildknaap om, ten einde hem zoo noodig te hulp te snellen. Hij kwam

op zijn gehuil af en zag hem, met het hoofd naar beneden, de beenen in

de lucht, aan den stam van den eik spartelen, terwijl onder hem, aan

den voet des booms, de ezel stond, die zijn meester, naar 't scheen,

in de ure van nood niet verlaten wilde.

Terstond snelde Don Quichot toe en hielp den luchtspringer weer op de

been. Bij het zien van zijn gescheurd kleed wrong de schildknaap de

handen, huilde bittere tranen en wilde van de troostwoorden, welke

zijn heer hem toesprak, volstrekt niets hooren.

Intusschen werd het gedoode everzwijn op een pakezel geladen en in een

groote jachttent gebracht, die midden in het bosch opgeslagen en waar

men met de toebereiding van een kostelijken maaltijd bezig was. Men

ging aan tafel en hield tot het vallen van den avond vroolijk feest.

Toen de sterren aan den hemel stonden, verlieten allen de tent en

trokken het bosch in, om naar de netten te zien, waarin het wild

gevangen werd gehouden. De nacht was donker en alleen de sterren

gaven een zwak en onzeker licht.

Op eens scheen het gansche bosch aan alle kanten in lichtelaaie vlam

te staan en te gelijk schetterden rondom tallooze horens en trompetten,

alsof een geheel leger ruiterij door het woud trok.

De glans van het vuur, verblindde de oogen en het schallend

geluid der blaasinstrumenten verdoofde de ooren der omstanders, en

allen schrikten, toen zich onder al dat rumoer nu ook een gillend

krijgsgeschrei mengde alsof twee vijandelijke legers tegen elkaar

oprukten. De trompetten schetterden, de klarinetten krijschten, de

trommen roffelden, de pauken donderden, de fluiten gilden, en dat

alles gelijktijdig en met zoo doordringend geweld en zoo aanhoudend,

dat men wel op staanden voet met doofheid had willen geslagen zijn.

De hertog scheen ten hoogste verbaasd, de hertogin schrikte, Don

Quichot verwonderde zich en Sancho had wel van angst in den grond

willen zinken.

Op eens echter verstomde dat schrikbarend leven, eene diepe stilte

volgde, en te gelijk naderde een ruiter in de dracht van den baardigen

Satan, die, in plaats van op een trompet, op een grooten, vreemd

gevormden Tritonshoren blies en daar akelig gillende, snerpende tonen

uit te voorschijn bracht.

"Wie zijt gij, vriend?" vroeg de hertog den ruiter. "Waar wilt gij naar

toe, en welke legerbenden zijn het, die daar door het bosch trekken?"

"Ik ben de Duivel en zoek den dolenden ridder Don Quichot van La

Mancha," antwoordde de ruiter met een stem, die allen omstanders door

merg en been ging. "Het leger, dat daar in aantocht is, bestaat uit zes

scharen beroemde toovenaars, die op een triomfkar de onvergelijkelijk

schoone Dulcinea van Toboso medevoeren. Zij nadert betooverd onder

geleide van den grijsaard uit de grot van Montesinos, die den edelen

Don Quichot de wijze zal mededeelen, waarop hij de hooge prinses

Dulcinea onttooveren kan."

"En al zijt gij tienmaal de Duivel, gelijk uw uitzien verraadt, zoo

vrees ik u toch niet," riep onze dolende ridder. "Zie op en zie in

den man, die hier staat, den onverschrokken Don Quichot van La Mancha

voor u."

"Welaan, als gij zelf de persoon zijt, dien gij noemt," antwoordde

de Duivel, "wacht dan hier de aankomst af van den grijzen Montesinos

en van de dame, welke men Dulcinea van Toboso noemt."

Met deze woorden blies hij op zijn reusachtigen horen, wierp zijn

paard om en stoof, zonder des ridders antwoord af te wachten, in

vliegenden galop voort.

Allen verwonderden zich over deze boodschap, maar vooral Don Quichot,

wien zij dan ook het meest aanging.

"Denkt gij de toovenaars, Montesinos en Dulcinea hier werkelijk af

te wachten?" vroeg de hertog den held, die in diepe gedachten stond.

"Stellig!" verklaarde Don Quichot met vaste stem. "Onversaagd en

onverschrokken wil ik hier wachten, al mocht ook de gansche hel met

al hare duivels tegen mij in aantocht zijn."

"En ik wil bij u blijven, heer", zeide Sancho Panza, terwijl hij,

als bescherming zoekend, zich dicht aan hem drong.

Onderwijl was het weer donker geworden en begonnen tallooze

lichtjes zich door het bosch te bewegen. Zij flikkerden hier en

schemerden daar: men had ze voor groote huppelende dwaallichtjes

kunnen houden. Toen echter volgde een gerucht en geraas, dat hooren

en zien deed vergaan, en te gelijk scheen dieper in het bosch een

hevig gevecht te beginnen. Van alle kanten dreunde het dof gedonder

van zwaar geschut en het onophoudelijk knetteren van duizend en nog

eens duizend musketten en geweren. Van dichtbij en uit de verte klonk

het geschreeuw der strijdenden, de luide toeroep der aanvoerders,

het gekerm en gekreun der gewonden en stervenden.

De trompetten, de horens, de fluiten, de trommen mengden zich

daartusschen en veroorzaakten in verband met het kraken en knetteren

van grof geschut en klein geweer een zoo schrikbarend en alle zinnen

verbijsterend spektakel, dat Don Quichot al zijn vaak beproefden

moed bijeenrapen moest, om niet het veld te ruimen. De arme Sancho

was tegen al die verschrikkingen niet opgewassen. Half zinneloos

van angst en schrik viel hij op den grond en begroef zijn gezicht

in de wijde plooien van het kleed der hertogin, die terstond beval,

dat men hem opnemen en een koud-waterbad zou toedienen. Dit gebeurde,

en toen de schildknaap weer tot bezinning kwam, was reeds eene kar

genaderd, welker knarsende wielen een scherp piepend, krijschend

en gierend geluid voortbrachten, dat alle gehoorvliezen verscheuren

moest. Vier goed gemeste, plompe stieren, met zwarte kleeden behangen,

trokken haar. Aan hunne horens waren dikke, brandende harsfakkels

vastgebonden, en op de kar zelve was een hooge zetel aangebracht,

waarop een grijsaard van eerbiedwekkend voorkomen troonde, van wiens

kin een lange, sneeuwwitte baard in dichte lokken tot over den gordel

neergolfde. Een wijde mantel van zwarte stof omkleedde zijne forsche

ledematen, en twee kleine duiveltjes, zoo verfoeilijk leelijk, dat

Sancho Panza er voor wegkroop, begeleidden hem en waren nagenoeg

evenzoo gekleed als hij zelf. Toen die kar tegenover Don Quichot

stilhield, rees de daarin zittende grijsaard van zijne kussens overeind

en riep met luider stemme: "Ik ben de wijze Lirgandeo!"

Hierop reed die eerste kar door en een ander grijsaard volgde, die

bekend maakte, dat hij de wijze Alquife was.

Toen verscheen een derde kar, waarin een vierkante, pootige kerel

met een bruin, verweerd en brutaal gezicht was gezeten, die, evenals

de vorigen, onder 't voorbijrijden opstond en met rauwe, schorre en

heesche stem uitschreeuwde, dat hij was de wijdbefaamde toovenaar

Arcalaüs, de doodvijand van Amadis van Gallië.

Op korten afstand van ons gezelschap hielden de drie karren stil;

't merg en been verscheurend piepen en gillen hield op en, in plaats

daarvan, lieten zich de smeltende tonen eener uitermate liefelijke

muziek hooren, wat Sancho Panza al dadelijk voor een gunstig voorteeken

hield. Een weinig moed krijgende, richtte hij zich op en zeide tot

de hertogin:

"Waar ze zulke deuntjes spelen, kan geen gevaar wezen, hoogedele

doorluchtige mevrouwe!"

"En ook niet, waar zooveel licht en helderheid is," gaf de hertogin

hem glimlachend tot bescheid.

De muziek klonk nader en nader, en Don Quichot zag nu een kar aankomen,

die van buiten geheel den vorm van een Romeinsche triomfkar had. Zij

werd getrokken door zes grauwe muildieren, die met sneeuwwitte dekken

van het fijnste lijnwaad behangen waren. Op elk dier zat eene in het

wit gekleede gestalte met een fakkel in de hand; doch op een troon op

de kar zelve vertoonde zich eene dame, in een langen golvenden sluier

van zilverstof gehuld, waarop een tallooze menigte gouden sterretjes

flonkerden. Het gelaat der dame was ook wel door een sluier bedekt,

maar deze was zoo fijn en doorzichtig, dat men door de plooien heen

een zeer schoon jonkvrouwelijk gelaat kon ontdekken.

Naast de dame vertoonde zich eene gestalte in een mantel, die haar van

't hoofd tot de voeten reikte, terwijl een zwarte sluier haar gelaat

aan het oog onttrok.

Langzaam kwam die kar op Don Quichot en het verdere gezelschap toe, dat

haar met nieuwsgierigheid en de uiterste spanning opwachtte. Tegenover

onzen held hield zij stil; de muziek verstomde en de mannelijke

gedaante richtte zich langzaam op. Den zwarten sluier opslaande,

liet zij een ontvleesden schedel met ledige oogholten zien, zoodat

men den dood in eigen persoon meende te aanschouwen.

Don Quichot schrikte, Sancho werd doodsbleek en zelfs de hertog en de

hertogin staarden met angst en ontzetting de vreemde huiveringwekkende

gedaante aan, die nu met holle, gesmoorde stem de woorden liet hooren:

"Ik ben Montesinos en kom in het gevolg der aanminnigheid en

schoonheid, om den edelen ridder Don Quichot te verkondigen, dat

zijne hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso kan onttooverd worden,

indien Sancho Panza, zijn schildknaap, zichzelf drie duizend en drie

honderd slagen op zijn breeden rug toetelt. En dan moeten die slagen

zóó zijn, dat zij wezenlijk pijn, builen en striemen veroorzaken."

"Lieve hemeltje, dan zou de heele historie op mijn armen rug

neerkomen!" riep Sancho Panza. "Niet drie duizend slagen wil ik

mijzelf geven, niet drie honderd, niet eens drie! Wat heeft mijn

rug met de betooverde Dulcinea uitstaande? Loop heen! Als meester

Montesinos er geen ander middeltje op weet uit te vinden, dan moet

de schoone jonkvrouw vooreerst nog maar wat betooverd blijven."

"Hoor me zoo'n ondankbaren schelm en deugniet eens!" riep Don Quichot

verontwaardigd. "Wacht, man! ik wil je naakt aan een boom binden,

en daar zult ge niet drie duizend drie honderd, maar zes duizend zes

honderd zoo wichtige en klappende slagen toegeteld krijgen, dat men ze

drie duizend en drie honderd buksschoten ver hooren kan. Zwijg stil,

zeg ik, of ik ruk je dadelijk de zwarte ziel uit het lijf."

"Bedaar, edele ridder!" sprak Montesinos met holle stem. "De slagen,

die de wakkere Sancho Panza doorstaan moet, mogen niet opgedrongen

worden, maar hij moet ze zich zelf geheel vrijwillig toebrengen,

en hij heeft vrijheid, om ze op verschillende tijden geheel naar

eigen goeddunken door te staan. Mocht het zijne verkiezing wezen,

ze van eene vreemde hand te ontvangen, dan zal het getal tot op de

helft verminderd worden, ofschoon onder voorwaarde, dat de zweep door

eene niet te zwakke vuist worde gevoerd."

"Dat alles is goed en wel," riep Sancho, "maar ik laat mij noch door

mijn eigen noch door vreemde vuist afrossen, en wil mijn heer zijne

Dulcinea onttooverd hebben, laat hem haar dan zelf onttooveren en zijne

magere schouders zoo bont en blauw slaan, als hij maar verkiest. Ik

voor mijn part zal zoo gek niet wezen, om tegen mijn eigen vleesch

te woeden."

Op dit woord rees nu eensklaps de vrouwelijke gedaante, die naast

Montesinos zat, overeind, sloeg haar doorzichtigen sluier op en zag

den weerspannigen schildknaap met een van verontwaardiging vlammenden

blik aan.

"Nietswaardige," riep zij; "man, met uw steenen hart en ziel van

graniet, wat groote dingen verlangt men dan van u, dat gij u verstout,

op zulk een toon te spreken? Indien u bevolen werd, van een hoogen

toren te springen, of gesmolten lood door te slikken en met bloote

voeten een half uur ver over gloeiende ijzeren platen te gaan,

dan zou ik niets zeggen, zoo gij dat weigerdet; maar om een paar

ellendige zweepslagen zoo'n leven te maken, dat noem ik boosaardig

en slecht. Roert u dan mijne bloeiende jeugd en mijne betooverde

schoonheid niet? Moet ik altijd en eeuwig als een gemeene boerendeerne

omdolen, terwijl ik toch de schoonste prinses op aarde ben? Schaam u,

flauwe lafaard! Schaam u en laat mij niet van hier weggaan zonder

den troost, dat gij u tot mijne onttoovering aan eene lichte boete

wilt onderwerpen. En zoo mijn beden en tranen u niet vermurwen, laat

u dan bewegen door de ellendigheid van uwen heer, die van verdriet

en hartzeer zal wegkwijnen, zoo gij niet tot een besluit komt, den

schildknaap eens zoo beroemden helds waardig."

"Neen, zoo gek ben ik niet," bromde Sancho. "Om een ander wil ik mijn

eigen vleesch niet mishandelen."

Don Quichot van La Mancha · 第 13 / 19 段