rond en viel mij een prachtig koninklijk paleis in het oog, welks
dak en wanden uit glinsterende kristallen schenen te bestaan. De
vleugeldeuren vlogen open, en nu trad een eerwaardig, met een lang
slepend gewaad bekleed grijsaard te voorschijn. Hij kwam op mij toe,
groette mij heel vriendelijk, sprak mij aan en vroeg, of hij mij
de wonderen van het betooverde paleis mocht vertoonen. Ik boog mij
dankbaar ten teeken van toestemming en volgde hem in het slot. Door
wijde portalen gingen wij, door lange gangen en onmetelijk groote
zalen. Overal, waar wij kwamen, stonden prachtige monumenten uit
goud en diamanten, en op ieder prijkte een kristallen standbeeld
van meer dan levensgrootte. Het waren de grafsteden der overleden
dolende ridders, die zich door deugd en dapperheid beroemd gemaakt
hebben, en de standbeelden stelden hen voor, gelijk zij er bij hun
leven hadden uitgezien. Daar zag ik Amadis van Gallië, en Roland, en
Durandarte, den spiegel der ridderschap, en nog vele, vele anderen,
welker namen ik niet weet op te noemen. Toen ik mij met het aanzien
dezer helden lang genoeg verkwikt had, bracht de grijsaard mij in
een heerlijken lusthof, waaruit mij de geur der kostelijkste bloemen
en gewassen tegensloeg en die met allerlei kunstwerken, beelden,
grotten en fonteinen koninklijk versierd was. En hier zag ik iets,
dat mijn geheele ziel in zoete verrukking bracht, namelijk ik zag
mijne doorluchtige gebiedster, de aanminnige jonkvrouwe Dulcinea van
Toboso. In een eenvoudig gewaad, als herderin gekleed en begeleid door
twee gesluierde hofdames, verlustigde zij zich in de lanen van den
betooverenden lusthof, lachte en schertste en deed nu en dan sprongen,
die mij door hunne hoogte verbaasd deden staan.
"De grijsaard sprak mij aan en zeide: "Zie, in zulke nederige en
armoedige gedaante wandelt uwe schoone thans op aarde rond. Maar wees
getroost! Een booze toovenaar heeft haar slechts voor korten tijd
veranderd, en eens zult gij haar in de volle glorie harer verheven
schoonheid aanschouwen. Opdat gij zien moogt, wat glans haar dan
omstralen zal, wil ik u hare beeltenis toonen, gelijk die hare
natuurlijke gedaante volkomen waar en getrouw teruggeeft."
"Hij wenkte met den vinger, en oogenblikkelijk verdween het omhulsel
der herderin, en Dulcinea zelve stond van aanminnigheid stralende
voor mij. Hare schoonheid overweldigde mij dusdanig, dat ik een luiden
kreet van verrukking uitstiet en daarop onmachtig neerstortte.
"Wat verder met mij gebeurde, weet ik niet. Ik kwam eerst weer tot
bezinning, toen gij mij met geweld aan mijne zoete droomen ontruktet."
"Neen, dat is te wonderbaarlijk, om waar te kunnen wezen!" riep
Sancho Panza uit. "Gij moet noodzakelijk gedroomd hebben, of een of
ander booze toovenaar heeft u dolle kluchten vertoond om uwe ziel te
verstrikken en u naar den afgrond des verderfs te lokken."
"Spreek niet zoo, Sancho," zeide Don Quichot. "Alles, wat ik gezien
heb, heb ik met gezonde, wakende zinnen gezien. De tijd zal nog eens
openbaar maken, dat ik geen tittel of jota bezijden de waarheid sprak."
Onderwijl bestegen zij hunne dieren weder, keerden de wondergrot
den rug toe en gingen hun nachtverblijf zoeken in eene herberg,
waar dienzelfden avond eene poppencomedie zou worden vertoond. De
directeur van het spel, een reizend genie, bood Don Quichot en zijn
twee geleiders plaatsen aan, kreeg zijn geld daarvoor, en liet hierop
het gordijn naar boven gaan.
Don Quichot staarde met verwondering op de poppen, die, door
onzichtbare draden bestuurd, zich op de natuurlijkste wijze bewogen.
Met gespannen aandacht volgde hij den loop der voorstelling, die
hoofdzakelijk in een gevecht tusschen Christenen en Mooren bestond. De
Christenen werden verslagen en de Mooren vervolgden hunne vluchtende
vijanden tot onder de torens van eene versterkte stad.
Toen Don Quichot zag, dat de Heidenen hier nog eens een aanval op de
arme Christenen deden, steeg het bloed hem naar her hoofd en oordeelde
hij het niet meer dan billijk, dat hij de zwakkere partij te hulp kwam.
"Houdt op! Houdt op!" riep hij, driftig opspringend, het Heidensche
poppenvolk toe. "Vervolgt mijne geloofsbroeders niet langer, of gij
krijgt het met mij te doen."
Onder deze haastig uitgestooten woorden trok hij zijn zwaard, was
met een wip op het kleine tooneel en begon met ongehoorde woede
op de onschuldige poppen in te houwen. Sommige trapte hij als een
pannekoek plat, andere sloeg hij den kop af, nog andere verminkte
hij op deerlijke manier, kortom, hij zou een gruwelijk bloedbad
hebben aangericht, indien de poppen, in plaats van leder en werk,
van vleesch en bloed waren geweest.
Bij het zien van deze verwoesting schoot de ontstelde tooneeldirecteur
toe, viel den verbolgen ridder te voet en smeekte hem met tranen in
de oogen, zijne arme levenlooze schepsels toch te sparen. Don Quichot
evenwel luisterde daar niet naar, en zou den armen poppenman zelven
het hoofd hebben afgeslagen, indien deze zich niet met alle snelheid
uit de voeten had gemaakt.
De slagen des ridders vielen als hagelsteenen bij eene donderbui.
In minder dan een kwartier tijds had hij het gansche tooneel tot
splinters geslagen, al de toeschouwers, die hem voor razend en dol
hielden, op de vlucht gejaagd, en zelfs Sancho Panza tot de stomme
bekentenis genoodzaakt, dat zijn meester wel al veel gekke dingen
had vertoond, maar nooit nog zoo'n gek stuk, als nu dit hier.
Eerst toen het Heidensche leger de volle neerlaag had geleden, kwam
Don Quichot eenigszins tot bedaren, leunde hijgend op zijn zwaard en
zei: "Nu mocht ik nog wel eens iemand hooren zeggen, dat een dolend
ridder een onnut ding in de wereld is! Was ik hier niet gekomen, dan
was een gansch Christenleger vernietigd geweest, terwijl nu de snoode
Heidenen tot den laatsten man toe verslagen liggen. En daarom zeg ik:
eere, lof, roem en glorie der dolende ridderschap!"
"Ja, ja, dat is goed en wel," riep de poppenman, die zich nu ook weer
kwam vertoonen: "maar in allen gevalle moet gij mij de schade betalen,
die gij mij moedwillig hebt toegevoegd."
"Wat dan betalen?" vroeg Don Quichot verwonderd. "Wat heb ik u dan
bedorven?"
"Hoe! dat weet gij niet?" vroeg meester Pedro, de eigenaar van het
poppenspel. "Ziet gij dan niet het armzalig overschot van mijne poppen,
die gij met uw zwaard in gruizels en splinters hebt geslagen?"
"Poppen?" vroeg Don Quichot. "Poppen heb ik vernield? Ja, waarlijk,
het zijn poppen, en geen menschen van vleesch en bloed. Daar ziet men
weer, hoe ik door die snoode toovenaars vervolgd word! Zij verblindden
mijn oog, zoodat ik de poppen voor levende menschen moest aanzien, en
dat ik alles, wat gespeeld werd, voor echte werkelijkheid hield. Maar
wat te doen? Daar ik nu eens uit dwaling zoo groote schade aangericht
heb, is het ook mijn plicht, die ten volle te vergoeden, en ik zal
dus mijzelf tot alle kosten veroordeelen. Overleg, meester Pedro,
welke som u als schadeloosstelling toekomt, en laat u die door mijn
schildknaap Sancho Panza uitbetalen."
Meester Pedro boog dankend voor den grootmoedigen ridder, die nu niet
weinig beschaamd zijn slaapkamer opzocht. Sancho Panza echter moest
de beurs trekken en voor de dwaasheden van zijn heer eene aanzienlijke
som betalen.
HOOFDSTUK XVIII.
DE BETOOVERDE BOOT EN DE SCHOONE JAGERES.
Den volgende morgen zetten Don Quichot en Sancho Panza, na van hun
reisgenoot tot zoover, den vreemden heer, vriendschappelijk afscheid
te hebben genomen, hun tocht verder voort. Zij kwamen aan de rivier
de Ebro, welks helder doorzichtig water den dolenden leeuwenridder
uitstekend behaagde. Hij reed langzaam langs den oever voort, deed
Sancho al de schoonheden van het landschap opmerken en zweeg eerst
stil, toen hij op eens eene kleine boot bemerkte, die dicht aan den
stroom aan een boomstam vastlag en noch riemen, noch zeil, noch ander
scheepstuig bevatte. Hij keek rechts en links uit, en toen hij nergens
een mensch ontdekte, steeg hij van Rocinante en beval Sancho insgelijks
van zijn grauwtje te komen en beide dieren ergens in de nabijheid aan
een boom vast te binden. Sancho Panza vroeg, wat dan gebeuren zou,
en kreeg tot antwoord:
"Weet, dat deze boot mij oproept en mij uitnoodigt haar te bestijgen
en met haar mee te varen, om een of anderen in nood zijnden ridder of
verongelukte jonkvrouw te hulp te komen. Bind dus de dieren vast en
kom mee, want, zoo waar ik leef, ik wil de tot mij gekomen roepstem
volgen en mij zonder schroom in deze bark inschepen."
"Heer," antwoordde Sancho Panza, "ik laat mij hangen, als dat niet weer
een nieuwe gekheid van u is. De boot is volstrekt niet betooverd, maar
komt zeker aan den een of anderen visscher in dezen omtrek toe, waar
men de beste visschen van de wereld kan vangen. Niettegenstaande dit
is het mijn plicht u te volgen, en ik zal dus maar weer gehoorzamen,
gestrenge heer."
Zoo sprak Sancho en bond de dieren vast.
"Wat moet ik nu verder doen?" vroeg hij.
"In de boot stappen," antwoordde Don Quichot; "als wij daarin zitten,
snijden wij het touw door, dat haar vasthoudt, en geven ons aan ons
lot over."
Met deze woorden sprong hij er zelf in en Sancho volgde hem
gewillig. Het touw werd doorgesneden en de boot gleed langzaam
van den oever weg. Pas echter waren zij tien passen van den oever,
of Sancho Panza begon als een popelblad te trillen en erg bang voor
zijn eigen dierbaar ik te worden. Zijn angst nam toe, toen hij zijn
ezeltje hoorde balken en Rocinantes bewegingen zag, om zich los te
rukken en zijn meester te volgen.
"Heer droevige ridder," zei hij, "hoor maar, hoe jammerlijk mijn
grauwtje schreeuwt en hoe Rocinante staat te trippelen om ons na te
loopen. Die arme, arme schepsels! Ze zullen ons misschien nooit weer
te zien krijgen."
Bij deze woorden begon hij zoo hard te huilen en te krijten, dat Don
Quichot ernstig boos werd.
"Gij onnoozele hals, waar zijt gij dan toch eigenlijk bang voor?" riep
hij verstoord. "Waarom zet ge zoo'n keel op? Wie vervolgt u? Wie heeft
kwaad tegen ons in den zin? Houd den mond, kerel, of wees verzekerd,
dat ik je een stoot geef en hals over kop in 't water doe tuimelen."
Daar Sancho wist, waartoe zijn heer in zijne drift in staat was, hield
hij op met huilen, droogde zijne tranen en vertrok geen gezicht meer.
Intusschen dreef de boot in het midden van den stroom voort en
streek, door den lichten golfslag voortgestuwd, met snelle vaart
langs de oevers. Op eens ontdekte Don Quichot eenige groote drijvende
watermolens, die in het midden van de rivier lagen, en pas had hij
die in het oog gekregen, of hij riep driftig uit:
"Ziedaar, vriend! daar is de stad of de burgt, waar de benarde ridder
op mij wacht, of eene gevangen jonkvrouw naar verlossing uit de dikke
kerkerwanden hijgt."
"Wat drommel, ziet ge daar weer, gestrenge heer?" riep Sancho Panza
verdrietig. "Een toovenaar moet u opnieuw de oogen verblinden, want
die dingen daar op het water zijn eenvoudig een paar molens, waarin
koren wordt gemalen."
"Zwijg, Sancho!" bulderde Don Quichot. "Al lijken het op het oog
ook al molens, toch zijn ze dat niet, en ik weet zeer goed, hoe het
daarmee gelegen is."
Intusschen werd de boot door den stroom met snelheid op de molens
aangedreven. De molenaars, die haar zagen aankomen en vreesden,
dat zij tusschen de schepraderen mocht geraken, schoten ijlings in
menigte toe en grepen naar lange stokken, om haar tegen te houden. Don
Quichot zag hen, en daar zij er in hunne met meel bestoven werkpakken
vrij wonderlijk uitzagen, meende hij dadelijk, hen voor tegen hem
uitgezonden vijandige geesten en spookgedaanten te moeten houden.
"Stommerikken!" schreeuwden intusschen de molenaarsknechts; "waar wilt
gij dan toch naar toe? Wilt ge hier met geweld verzuipen of door de
molenraden verpletterd worden?"
"Ziet gij wel, Sancho," sprak Don Quichot vol zelfvoldoening,
"ziet gij wel, dat wij nu de plaats bereiken, waar als gewoonlijk de
sterkte van mijn arm moet blijken? Zie, wat een menigte schelmen en
spitsboeven op ons aankomen! Zie, wat leelijke bekken ze trekken,
die monsters, die spookgedrochten! Maar wacht, ik zal hen wel tot
hun plicht brengen of anders van het aardrijk verdelgen."
En zich in de boot hoog oprichtend, begon hij het molenaarsvolk met
harde woorden te bedreigen.
"O gij vuig, ontaard en nietswaardig volk," schreeuwde hij hun toe,
"laat zonder verwijl de gevangenen vrij, die gij in uw ellendig
kasteel houdt opgesloten, van wat stand, rang en geslacht ze dan ook
zijn mogen. Weet, dat ik Don Quichot van La Mancha ben, de dolende
leeuwenridder en de beschermer en 't schild van alle ellendigen en
onderdrukten."
Met deze woorden trok hij zijn zwaard en schermde er wild mee in de
lucht rond. De molenaars hoorden zijn geschreeuw wel, maar konden er
geen woord van verstaan en hielden zich met hunne stokken gereed,
om de boot tegen te houden, die reeds in de strooming geraakte,
die met vreeselijke snelheid op de molenraden toeschoot.
Bij het zien van het gevaar wierp Sancho Panza zich vol angst op
de knieën neer. Don Quichot daarentegen hieuw met zijn zwaard op de
stokken der molenaars in en bewerkte daardoor, dat de boot, in plaats
van tegengehouden te worden, omsloeg en alle twee, ridder en knecht,
hals over kop in het water tuimelden. Nu kon Don Quichot wel zwemmen
als een eend; doch al zijne bekwaamheid zou hem in zijn tegenwoordigen
toestand en bij de zwaarte zijner wapenrusting niets gebaat hebben,
indien de molenaars hem niet waren te hulp gesprongen. Zij haalden
hem en Sancho uit het water en sleepten hen zoo nat als gewasschen
poedels op het droge.
Onderwijl kwamen ook de visschers, wien de boot toebehoorde, toe
en begonnen, toen zij deze door de molenraden verbrijzeld vonden,
een leven als een oordeel te maken. Zij verlangden van Don Quichot,
dat die haar betalen en hun alle schade vergoeden zou.
De nu anders een bitter droevig figuur makende, druipnatte ridder,
die zijne koelbloedigheid geen oogenblik verloren had, zeide met
de grootste bedaardheid, dat hij met genoegen de boot betalen zou,
mits men onverwijld de personen wilde in vrijheid stellen, welke men
in het slot gevangen hield.
"Welke gevangenen en wat kasteel meent gij dan?" vroeg een van de
molenaarsknechts. "Moeten wij u dan de menschen uitleveren, die ons
hier koren te malen brengen, domme vent?"
Don Quichot stond eene poos als voor 't hoofd
geslagen. "Genoeg!" mompelde hij eindelijk in zijn baard. "Genoeg;
't zou dwaasheid zijn, hier verstandige woorden te verspillen. Zooveel
merk ik wel al, dat twee booze toovenaars elkaar hier moeten hebben
tegengewerkt. De een zond mij de boot toe, de ander gooide haar
omver. Daar viel niets tegen te doen, en ik moet mij wel onderwerpen."
En zich naar de molens toekeerend, riep hij met luider stemme:
"Arme menschen en ongelukkige vrienden, die daar in een donkeren
kerker wegkwijnen moet, schrijft het aan mijn boos gesternte en aan
kwaadwillige toovenaars toe, dat ik u niet kan helpen en redden. Een
ander ridder moet komen en u bijstaan, daar ik tegen onzichtbare en
bovenaardsche wezens niet vermag te kampen."
Hierop keerde hij zich tot de visschers, betaalde hun vijftig realen
voor de verongelukte boot en sprak tot Sancho: "Nog één tocht, als
deze hier, mijn vriend, en we zullen van al ons reisgeld geen penning
meer overhouden."
De molenaars en de visschers hielden Don Quichot en zijn schildknaap
voor niet wijs en gingen hoofdschuddend heen; doch onze beiden keerden
met een bedrukt hart naar hunne dieren terug, bestegen die en reden
weg van de rivier, die hun zooveel onheil had berokkend.
Sancho Panza, inwendig boos om dat onvrijwillig bad en nog veel meer
boos, dat hij zooveel geld voor die ellendige boot had moeten betalen,
besloot heimelijk, bij de eerste gelegenheid zijn heer te verlaten
en tot zijne vrouw Teresa terug te keeren. Het noodlot beschikte
dat echter anders en verhinderde hem, zich aan zulk eene snoode
trouweloosheid schuldig te maken.
Den volgenden dag, juist toen onze beide helden uit een boschje op een
groene dalvlakte kwamen, ontdekte Don Quichot op een afstand eenige
lieden, welke hij bij scherper toezien voor valkenjagers hield. Wat
naderbij gekomen, onderscheidde hij midden onder hen eene schoone
dame op een sneeuwwitten telganger met groen tuig en een met zilver
beslagen vrouwenzadel. Die dame droeg een prachtig groen jachtkleed
en hield op hare linkerhand een valk, waaruit Don Quichot opmaakte,
dat zij eene hoogadellijke vrouwe en de gebiedster van heel dat
jachtgevolg moest zijn, 't geen dan ook werkelijk het geval was.
"Hoor, Sancho," sprak hij, na het schitterend gezelschap een poosje
te hebben opgenomen, "rijd heen naar de schoone dame op dat witte
jachtros, breng haar mijn groet over en zeg haar, dat ik, Don Quichot
van La Mancha, de leeuwenridder, haar de handen kus en vergunning
vraag, om haar mijne eerbiedige opwachting te maken."
"Die boodschap wil ik wel overbrengen," zeide Sancho, zette zijn
grauwtje de hakken in de zijden, draafde heen en was spoedig op de
plaats, waar de schoone jageres met haar gevolg stilhield. Hier steeg
hij af, boog zijne knie voor haar en sprak aldus:
"Wonderschoone en glansrijke Dona, de ridder, dien gij daar in de verte
ziet, is mijn heer, de leeuwenridder Don Quichot van La Mancha, en ik
ben zijn schildknaap, Sancho Panza met name. Gezegde leeuwenridder,
die vroeger de Ridder van de Droevige Figuur heette, zendt mij tot
u, om u vergunning te vragen, dat hij komen en u alle mogelijke
onderdanigheid betoonen mag, hetwelk hij als eene bijzondere gunst
en gratie zou beschouwen."
De dame zag glimlachend op den knielenden schildknaap neer en
antwoordde: "Gij hebt uwe boodschap uitmuntend overgebracht, en zoo
uw heer werkelijk de wijdvermaarde dolende ridder Don Quichot is,
van wiens ongehoorde daden ik al zooveel heb vernomen, dan zal hij mij
en mijn gemaal op ons landgoed welkom zijn. Maar sta op! Het betaamt
mij niet, een zoo dapperen schildknaap zoo lang aan mijne voeten te
laten neerknielen."
Door de minzaamheid en genade der hooge dame geheel verrukt, stond
Sancho op, boog tot den grond en keerde hoogstvoldaan tot zijnen heer
terug, die de vriendelijke uitnoodiging met innig genoegen vernam. Hij
zette zich eerst behoorlijk in den zadel terecht, trad vast in de
stijgbeugels, schoof het vizier van zijn helm op, gaf Rocinante de
sporen en zette het toen in galop, om der hertogin de genadige handen
te kussen.
Deze had inmiddels haar gemaal laten roepen en dien de door Sancho
Panza overgebrachte boodschap medegedeeld. De hertog lachte daar
hartelijk over en, daar hij werkelijk reeds veel van den dwazen ridder
gehoord had, zag hij dien met brandend verlangen te gemoet en verheugde
zich op eene persoonlijke kennismaking, waarvan hij zich allerlei
kluchten en grappen beloofde. Hij kwam met zijne gemalin overeen,
dat zij zich geheel naar de luimen van den kluchtigen heer schikken,
hem gedurende zijn verblijf in alles als dolend ridder behandelen en
alle ceremonies in acht nemen zouden, waarvan in de oude ridderboeken
te lezen staat.
Intusschen kwam Don Quichot met opgeslagen vizier nader, en zoodra hij
eene beweging maakte, om van Rocinante te stijgen, kwam Sancho toe,
om hem den stijgbeugel te houden. Ongelukkig echter raakte Sancho
met den eenen voet in den strik van zijn pakzadel vast, tuimelde
voorover en lag languit op den grond, zonder den gevangen voet uit
den strik los te kunnen krijgen. Don Quichot, die alleen oogen voor
de schoone dame had, werd van dit ongeluk volstrekt niets gewaar en,
daar hij nooit afstapte, zonder zich door zijn schildknaap den beugel
te laten houden, meende hij, dat Sancho nu ook reeds bij de hand was,
om zich van zijn plicht te kwijten. Zonder toe te zien, beurde hij
zich zijwaarts van het paard en tuimelde nu plotseling rammelend en
kletterend naast Sancho op den grond neer.
De ridder schaamde zich geducht, dat hij juist op zulk een oogenblik
en voor zulke toeschouwers te vallen was gekomen, en mompelde de
vreeselijkste verwenschingen tegen den onschuldigen schildknaap, die
nog altijd aan zijn in den strik gevangen been lag te trekken. De
hertog gaf nu echter aan zijne jagers een wenk, den ridder en zijn
dienaar te hulp te komen, en Don Quichot kwam dus weer overeind. Hij
had een zwaren val gedaan; maar toch kwam hij hinkend aan, om, zoo goed
het maar gaan wou, den hertog en zijne gemalin te begroeten en zijne
knie voor beiden te buigen. Dit liet de hertog echter niet toe, maar
hij sprong zelf van het paard, omarmde Don Quichot en zeide tot hem:
"Het doet mij hartelijk leed, heer Ridder van de Droevige Figuur, dat
uw eerste aankomst op mijn gebied van zulk een kleinen tegenspoed moest
vergezeld gaan. Evenwel moet men zich troosten, daar de onhandigheid
dier knapen zelfs nog wel eens grooter ongelukken veroorzaakt."
"Doorluchtige vorst," antwoordde Don Quichot op deze vriendelijke
toespraak, "ik kan dit ongeluk niet meer als een ongeluk beschouwen,
nu gij mij op zoo minzame wijze hebt weten te troosten. Schoon 't is
waar, die verwenschte schildknaap weet beter zijn tong los te laten
en domme dingen uit te brengen, dan behoorlijk, zooals het betaamt,
den stijgbeugel te houden. Maar in welken staat ik ook verkeeren mag,
te paard of te voet, vallend of staand, zittend of liggend, overal en
te allen tijde zal ik u ten dienst staan en uwer verhevene gemalin
als toonbeeld van schoonheid en lieftalligheid mijne hulde in alle
nederigheid toebrengen."
"Stil, stil, heer ridder van La Mancha!" riep de hertog. "Wie de edele
jonkvrouwe van Toboso tot gebiederes heeft, mag andere schoonheden
en lieftalligheden niet zoo roemen."
Gedurende dit gesprek had Sancho Panza zich eindelijk losgewrongen
en trad haastig toe.
"Dat is waar," zeide hij, "en ik kan bekrachtigen, dat mijne genadige
jonkvrouw Dulcinea van Toboso eene ware schoonheid is; doch met dat
al moet ik erkennen, dat mevrouw de hertogin voor haar in schoonheid
en lieftalligheid volstrekt niet onderdoet."
"Doorluchtige vrouw," keerde Don Quichot zich tot de hertogin, "uwe
hoogheid mag vrij gelooven, dat nu en nooit, zoolang de wereld staat,
een dolend ridder een babbelzieker, praatachtiger en onbeschaamder
rekel tot schildknaap gehad heeft, dan ik hier, zooals blijken zal,
als uwe hoogheid zich ons gezelschap eenigen tijd laat welgevallen."
"De goede Sancho moet werkelijk een oolijke guit zijn," antwoordde
de hertogin, "en dat verblijdt mij, omdat ik er uit opmaak, dat hij
geest en verstand heeft en niet tot de vervelende domkoppen behoort."
"In allen gevalle zal hij een onthaal vinden, dat hem geen reden tot
klagen geeft," voegde de hertog er bij.
Inmiddels had Sancho zijn ezel weer bestegen, terwijl Don Quichot op
Rocinante zich aan de zijde der hertogin hield en zich met haar in
een leerzaam en onderhoudend gesprek verdiepte.
HOOFDSTUK XIX.
WAT RIDDER EN SCHILDKNAAP OP HET SLOT AL BELEVEN.
Terwijl de hertogin zich met Don Quichot onderhield en soms over
Sancho Panza's kluchtige invallen lachte, reed de hertog in vollen
ren vooruit, om aan al zijne dienaren voor te schrijven, op wat
wijze de dolende ridder moest ontvangen worden. Toen deze dus met
de hertogin voor de slotpoort aankwam, werd hij daar door twee rijk
gekleede stalknechts opgewacht, die hem van het paard hielpen en hem
in 't oor fluisterden, dat hij niet verzuimen mocht, de hertogin bij
het afstijgen behulpzaam te zijn.
Don Quichot trad op de hooge dame toe, die nochtans weigerde, andere
hulp dan van haren gemaal aan te nemen. De hertog maakte aan dezen
twist een einde door zelf te komen en zijne gemalin de hand te reiken.
Zoodra nu het gezelschap het binnenhof betrad, kwamen twee jonge
hofdames te voorschijn, die den ridder een grooten scharlakenrooden
mantel over de schouders wierpen. Op hetzelfde oogenblik vertoonden
zich alle toegangen en portalen van het slot met dienaren opgevuld,
die de bloem en den roem der dolende ridderschap met een daverend
Vivat! welkom heetten. Te gelijk goten zij een geurigen regen van
welriekende wateren over Don Quichot, den hertog en de hertogin uit,
waarover de eerste zich niet weinig verwonderde.