De nacht ging verder rustig voorbij. Den volgenden morgen echter

kwam Don Quichot, die nu uitgeslapen en weer tamelijk goed bij zijne

zinnen was, uit zijne slaapkamer te voorschijn en vernam naar de

prinses Micomicona en de heeren van haar gevolg. De pastoor maakte hem

volgens afspraak wijs, dat die was vooruitgereden, om de woonplaats

van een zoo beroemden ridder als Don Quichot te leeren kennen, en

dat zij aldaar zijne aankomst rustig afwachten wilde. De goede man

stelde zich met deze verklaring dan ook dadelijk tevreden en drong nu

zelf op vertrekken aan, daar zijn harte brandende was van verlangen,

om zijne edele beschermelinge ten spoedigste weer te ontmoeten.

Vóór de afreis daagde nu ook de barbier op, die tot hiertoe de

betrekking van palfrenier bij de prinses Micomicona had vervuld,

en begroette Don Quichot, alsof hij hem in tijden niet gezien en

gesproken had. Don Quichot verwelkomde hem op dezelfde wijze en

noodigde hem uit, zich aan zijn gezelschap aan te sluiten. Hierop

besteeg hij Rocinante; de overigen, ook Sancho Panza die een muildier

van Dorothea ten geschenke had gekregen, volgden op hunne ezels,

en de reis naar de woonplaats des dolenden ridders werd ondernomen.

De eerste dag leverde niets opmerkelijks op. Don Quichot hield zich

tamelijk rustig, Sancho Panza keuvelde met den barbier, en de pastoor

vleide zich meer en meer met de hoop, dat men des ridders huis wel

zonder tegenspoed bereiken en hem daar zijne dolle ideën eindelijk

uit het hoofd drijven zou.

Voordat zij hunne bestemming bereikten, moesten zij echter nog een

avontuur bestaan, dat den Ridder van de Droevige Figuur bijna 't

leven kostte.

Op den tweeden dag hunner reis vernam deze de tonen eener trompet,

keek op en zag van eenen heuvel eene schaar geheel in 't wit gedoste

lieden afkomen. Dit waren geeselaars, die, daar de hemel dit jaar

allen regen had geweigerd, onder gebed en boetedoening eene bedevaart

naar eene kluizenaarshut ondernamen, om daar van God af te smeeken,

dat Hij zijne milde hand mocht openen en een verkwikkenden regen op de

verdorde velden doen neerruischen. Bij 't zien van hunne zonderlinge

en ongewone kleeding beeldde Don Quichot zich nu echter naar gewoonte

in, dat hem weder een avontuur wachtte, en dat hij als dolend ridder

verplicht was, dat met koenheid en moed te bestaan. In dezen waan werd

hij door een beeld in rouwkleederen nog meer versterkt. Hij hield dat

namelijk voor de eene of andere edele en voorname vrouw, die door deze

schaamtelooze en schandelijke roovers met geweld voortgesleept werd.

Zoodra hij dit alles in zijne dolle verbeelding zoo had vastgesteld,

greep hij zijne teugels vaster, hield zijn schild voor, trok met

geweldigen zwaai zijn blinkend zwaard uit de scheede en riep met

dreunende stem:

"Geeft acht, gij mannen; thans zult gij met eigen oogen aanschouwen,

dat er helden in de wereld zijn, die zich uit vrije verkiezing voor

het algemeen welzijn opofferen en tot de beroemde orde der dolende

ridders behooren."

Na dit geroepen te hebben, stiet hij Rocinante, daar hij geen sporen

had, met de kuiten en hakken in de ribben en stormde in een zwakken

galop, die echter de snelste was, dien de knol aannemen kon, op de

geeselaars in. Tevergeefs schreeuwden de pastoor en de barbier zich

heesch, om hem van zijn roekeloos opzet af te brengen. Don Quichot

was daar doof voor. Ook Sancho Panza verhief zijne stem, om den ridder

tot staan te brengen, doch met hetzelfde gevolg.

"Heer, bedroefde ridder," schreeuwde hij hem na, "waar wilt gij

dan eigenlijk naar toe? Welke booze duivel is in u gevaren, dat gij

zelfs tegen ons eigen heilig geloof wilt vechten? Ziet gij dan niet,

dat die optocht eene schaar boetelingen en dat de vrouw, die zij op

dat voetstuk dragen, enkel het beeld der heilige Moedermaagd is? God

helpe ons en sta ons bij! Bedenk wel, heer ridder, wat gij doet,

en stel u niet moedwillig aan schimp, schande en schade bloot!"

Zoo brulde Sancho; doch 't was, zooals gezegd is, voor doovemansooren

gepraat. Don Quichot van La Mancha stoof, om de in diepen rouw gekleede

vrouw te bevrijden, met zulk een dolle vaart op de boetelingen in,

dat hij nergens naar luisterde. En ook als hij elk woord verstaan

had, zou hij daarom toch niet omgekeerd zijn. Eens door zijne

razernij aangetast, liet hij zich door geen woord en geen koning

meer tegenhouden.

Op korten afstand gekomen, hield hij zijn hijgend en kuchend strijdros

in en riep met dreigende stem: "Gij daar in witte kleederen, die uwe

aangezichten zeker alleen bedekt houdt, omdat gij booze dingen in

het schild voert, houdt stil en verneemt mijne rede!"

De voorsten in de rij droegen het beeld en waren dus natuurlijk

ook de eersten, die 's ridders toeroep vernamen en vol verbazing

bleven staan. Het waren vier geestelijken, en bij 't zien van de

wonderbaarlijke uitrusting, het magere paard en heel het potsierlijk

voorkomen van onzen held nam een hunner het woord en riep terug:

"Hoor, mijn beste heer, zoo gij ons iets van belang hebt mede te

deelen, doe dat wat kort en bondig en houd ons, als 't wezen kan,

niet op. De vrome lieden hier achter ons doen boete en kastijden hun

lichaam, tot wij daar bij de hermitage zullen zijn aangekomen. Wij

mogen hun lijden niet onnoodig verlengen, en als gij dus wat lang

van stijl zijt, zwijg dan liever en maak u wat spoedig uit de voeten."

"Nu, wat ik wil is in korte woorden te zeggen en af te doen,"

antwoordde Don Quichot. "Ik verlang van u, dat gij zonder verwijl

die arme en in tranen wegsmeltende dame in vrijheid stelt, naardien

gij haar zonder twijfel tegen haar wil medesleept en haar hemeltergend

geweld hebt aangedaan. Ik, die in de wereld ben gezonden, om het kromme

recht te buigen en de onderdrukten te helpen, zal niet dulden, dat men

de arme bedrukte jonkvrouwe nog verder onrecht doet. Voordat gij een

stap verder moogt gaan, moet gij haar de volle vrijheid teruggeven,

die zij gewisselijk verdient."

Uit deze onzinnige taal merkten allen, die 't hooren en verstaan

konden, dat er bij den ridder van de droevige figuur een vrij

erge streep door moest loopen, en het gevolg was, dat allen in een

schaterend lachen uitbarstten. Dit lachen was echter olie in het vuur

gegoten. Don Quichots toorn ontvlamde; zonder een woord te spreken,

schuimbekkend van woede, zwaaide hij zijn zwaard en stoof tot den

aanval vooruit. Zoodra de dragers van het heilige beeld dit zagen,

liet de sterkste zijn last aan een ander over, trad den dolleman in

den weg en weerde diens eersten houw af met eene soort van vork,

waarmee hij bij het uitrusten het beeld der Heilige Maagd placht

te stutten. Die vork of gaffel werd wel door 's ridders geweldige

zwaardslagen in tweeën gehakt, doch de drager verloor daarom den

moed niet, maar bracht met het stuk, dat hij nog in de hand hield,

onzen armen held een zoo geduchten veeg over de schouders toe,

dat deze waggelde, tuimelde en half kopjebuitelend op den harden,

zandigen grond neerplofte.

Op dit oogenblik schreeuwde Sancho Panza, die hijgend aan kwam loopen,

den overwinnaar toe, den gevallene te ontzien en hem verder geen

kwaad meer te doen. Don Quichot was een arme behekste en verbijsterde

ridder, die niet wist, wat hij deed, en derhalve het medelijden van

alle verstandige menschen verdiende.

De boer hief zijn knuppel dan ook niet weer op; doch 't was niet

Sancho's kermen, dat hem tot deze verschooning bewoog, maar alleen

de opmerking, dat Don Quichot als een blok op den grond lag en

geen vin meer verroerde. Deze omstandigheid deed den boer denken,

dat hij den armen ridder had doodgeslagen, en daarom pakte hij zijn

lang sleepkleed op, trok het tot den gordel in de hoogte, wierp zijn

knuppel weg en zette het met de snelheid van een hert op een loopen.

Inmiddels waren ook de pastoor en de barbier nader gekomen en hadden de

geeselaars zich om den gevallene opeengedrongen, ten gevolge waarvan

een kluchtig tooneel van verwarring en misverstand ontstond. De

bedevaartgangers meenden, dat zij zouden worden aangevallen, trokken

hunne kappen over het hoofd, zwaaiden hunne geeselroeden en wachtten

het begin van den kamp af met het vaste voornemen, om iederen vijand

ongenadig van de taart te geven. Toen zij nu echter zagen, dat Sancho

Panza, zonder zich aan iets anders te storen, bij het lichaam van zijn

meester neerknielde en, in de stellige verbeelding, dat die werkelijk

morsdood was, de akeligste jammer- en klaagtonen uitstiet, toen ook de

pastoor door een der priesters, die de bedevaart aanvoerden, herkend

werd, toen maakten op eens haat en vijandschap voor vrede en verzoening

plaats en werd van geen van beide kanten aan vechten meer gedacht.

Onze pastoor deelde den priester in korte woorden mede, hoe het

eigenlijk met den armen ridder gesteld was, en ging daarop met nog

eenige anderen bij den gevallene, om te zien, of die werkelijk den

adem had uitgeblazen of alleen maar buiten kennis lag. Op de kampplaats

aangekomen, hoorde hij den trouwen schildknaap luid krijten en huilen

en aan zijne droefheid lucht geven in de volgende bewoordingen:

"O gij, bloem van alle ridderschap, roem en glorie dezer eeuw,

eer en sieraad van uw gansche geslacht, waarom moest gij door

zoo een ellendigen knuppelslag uw doorluchtig leven eindigen? Nu,

daar gij gestorven zijt, zullen alle zondaars en boosdoeners weer

stoutmoedig de hoofden opsteken, zonder te vreezen, dat zij voor hunne

goddeloosheden gestraft worden. Hoe beklaag en betreur ik uwen dood,

o grootmoedigste en milddadigste van alle dolende helden, die mij voor

de korte dienstbaarheid van weinig maanden 't schoonste eiland zoudt

hebben gegeven, dat gij maar op de wereld veroveren kondt. Rust zacht,

deemoedige onder de hoovaardigen, wreker der beleedigden, helper

der bedrukten, tuchtroede der boozen en godslasteraars, schrik der

schelmen en gauwdieven en vervolger der wreedaardigen! Rust zacht,

zeg ik, want gij verdient dat, als de beste dolende ridder, dien ooit

de wereld gezien en bewonderd heeft."

Dat laatste woord had Sancho Panza echter pas over de lippen, of Don

Quichot sloeg na het uitstooten van een diepen zucht zijne oogen op

en keek uiterst verbijsterd rond.

"Waar ben ik?" vroeg hij. "Ha, ik herinner mij: een vreeselijke reus en

toovenaar heeft mij met zijn ijzeren knods ter aarde geveld. Bezorg

mij een voertuig, waarde vriend Sancho Panza, want ik ben niet

meer in staat mijn strijdhengst Rocinante te beklimmen. Mijne

schouderbladen zijn stukgebeukt, en wij moeten ons haasten onze

woonplaats te bereiken, als ik er het leven afbrengen zal. Ach, wat

zal van de edele prinses Micomicona van Micomicon worden, nu mijn

heldenarm haar niet langer beschermen kan!"

"Maak u daar niet ongerust over," antwoordde de pastoor, die dit

oogenblik gunstig oordeelde, om Don Quichot het vertrek van de

jonkvrouw mede te deelen. "Zoo pas heb ik daar eene boodschap van de

prinses ontvangen, dat zij uwe bescherming niet meer noodig heeft. De

reus is door hare onderdanen doodgeslagen, en haar terugkeer in haar

koningrijk staat dus niets meer in den weg. Reeds is zij daarheen

op reis gegaan en zij laat u door mij duizendmaal groeten en haren

innigsten dank betuigen."

"Dat verheugt mij hartelijk," antwoordde de ridder. "Ik wensch der

edele dame zegen en voorspoed op haar weg toe en verblijd mij, dat

zij ook zonder mijne hulp tot hare rechten is gekomen. Maar waar is

de karos? Sancho Panza, zorg gij, dat ik een rijtuig krijg."

"Terstond, terstond, edele heer!" riep Sancho en liep heen, om ergens

in de nabijheid een voertuig op te loopen. Hij vond gelukkig eene

oude, deerlijk gehavende herderskar op het veld staan, kwam daarmee

aankruien en laadde met behulp van den pastoor en den barbier den

gekwetste er op. Rocinante werd er als trekpaard voorgespannen en zoo

de reis voortgezet. De bedevaartgangers stelden zich weder in beweging,

en Don Quichot werd langzaam naar huis gekruid.

Tegen den middag kwamen zij in Don Quichot's geboortedorp aan. Het

was juist op een Zondag en bijna al de bewoners der plaats hadden

zich op het marktplein verzameld, dat de kar van den ridder dwars

moest oversteken. Oud en jong stroomden nieuwsgierig toe, om met de

lading van het vreemde voertuig kennis te maken, en waren niet weinig

verbaasd, toen zij hunnen edelen landsman herkenden. Een jongen liep

op een drafje naar 's ridders huis vooruit, om aan de huishoudster en

de nicht bericht te brengen, dat haar meester en oom bont en blauw

geslagen, bleek, vermagerd, op een bos hooi op eene ellendige kar

liggend, in aantocht was.

De beide vrouwen waren door dit bericht zoo ontsteld, dat het met

geen woorden te beschrijven is. Zij maakten een gruwelijk misbaar,

rukten zich haren en krullen uit het hoofd en verwenschten opnieuw

de onzalige ridderboeken, die al deze ellende hadden veroorzaakt.

Nog raasden zij op deze wijze tegen hare eigen hoofden en tegen

die verwenschte romans, toen de hofpoort knarsend op hare verroeste

hengsels draaide en de kruiwagen met den gewonden ridder voor de deur

stilhield. Terstond schoten de beide vrouwen toe, namen den armen held

op, droegen hem met behulp van den pastoor en den barbier in huis,

ontkleedden hem en brachten hem eindelijk in zijn ouderwetsch ledikant

ter ruste. Don Quichot zei geen woord, maar liet zich alles bedaard

welgevallen. De pastoor drukte echter het nichtje op het hart, haar

oom toch met de meeste zorg te verplegen en in 's hemels naam toe

te zien, dat hij nog niet eens ontsnapte en als dolend ridder het

land op stelten zette. Hierop vertelde hij, wat moeite het gekost

had, den gekken held weer naar huis te krijgen, en zocht de arme

vrouwen te troosten, die alweer hardop begonnen te huilen en haar

hart vasthielden, dat haar meester en oom die dolle kuren opnieuw

zoude beginnen.

Of dit al of niet gebeurde, zullen wij spoedig genoeg vernemen.

Terwijl nu daar binnen in huis over den ridder geklaagd, getreurd en

gelamenteerd werd, kreeg zijn arme schildknaap het daarbuiten op den

hof bitter zwaar te verantwoorden. Op het bericht van Don Quichots

terugkeer kwam namelijk Sancho Panza's vrouw toe en vond haren

echtvriend op het punt van zijn ezel te bestijgen, om naar zijne hut

en zijne dierbare gade terug te keeren. De schimp- en scheldwoorden,

waarmede de vergramde vrouw hem overstelpte, omdat hij zoo heimelijk

den huiselijken haard had verlaten, willen wij hier liever niet

herhalen. Wij zeggen alleen, dat den armen knaap terdeeg de ooren

werden gewasschen, en dat hij zeer mak en gedwee onder geleide van

zijne kijvende wederhelft thuis aankwam.

HOOFDSTUK XIV.

HOE DON QUICHOT TOT EEN NIEUWEN TOCHT WORDT BEWOGEN.

Verscheiden weken achtereen lag de ridder aan de gevolgen van de

bekomen wonden en kwetsuren vrij ernstig ziek. In plaats van hem

gedurende zijne krankheid te bezoeken, hielden de pastoor en de

barbier zich opzettelijk op een afstand, om de voorvallen van den

laatsten tijd maar niet weer in zijn ontsteld brein op te frisschen,

doch verzuimden niet, van tijd tot tijd de huishoudster en het nichtje

te komen zien, om haar in de behandeling van den ridder naar hun

beste weten te onderrichten.

"Geeft hem goeden, stevigen kost en praat hem niet van de dolle

streken, die hij uitgevoerd heeft," zeide de pastoor. "Misschien

vergeet hij dan zijne waanzinnige hersenschimmen en wordt mettertijd

weer een zoo wat half verstandig man."

De vrouwen volgden deze aanwijzing met alle stiptheid en Don Quichot

kwam eindelijk zoo ver, dat hij bezoekers toelaten en zijne oude

vrienden, den pastoor en den barbier, ontvangen kon. Bij hunne komst

vonden zij hem overeind in zijn bed zitten. Hij had een buis van groen

laken aan, droeg eene groene Toledomuts op het hoofd en zag er zoo

mager en uitgedroogd uit, dat hij wel haast eene mummie geleek. Voor

't overige ontving hij zijne gasten met veel vriendelijkheid, sprak

zeer bedaard en verstandig en bediende zich van zulke uitgezochte en

gepaste uitdrukkingen, dat de goede pastoor reeds hoop begon te voeden,

dat hij zich die dwaze dolende ridderschap nu toch voorgoed uit het

hoofd had gezet. Om daarvan de zekerheid te verkrijgen, besloot hij

eene afdoende proef te nemen, en bracht zoo in den loop van het gesprek

te pas, dat de Turken met eene geweldige legermacht in aantocht waren

en het eiland Sicilië, dat destijds nog tot het koningrijk Spanje

behoorde, met een inval bedreigden. De koning had dat eiland evenwel

reeds doen versterken en er een sterke krijgsmacht heengezonden.

Bij dit verhaal schudde Don Quichot bedenkelijk het hoofd.

"De koning," zeide hij na eene poos, "heeft zeker bij deze gelegenheid

als een wijs en zeer voorzichtig veldheer gehandeld en zijne staten

gedekt, zoodat de vijand die niet onvoorbereid en weerloos zal

vinden; maar als hij mijn raad wou volgen, zou hij toch met veel

geringer aanwending van geld en krachten veel grooter uitkomsten

kunnen verkrijgen."

Bij het vernemen van deze woorden kreeg het vertrouwen van den

pastoor op Don Quichots herstelling weer een bedenkelijken stoot en

bij zichzelf dacht hij: "Mijn goede beste Don Quichot! daar tuimelt

gij weer hals over kop in den afgrond van uwe dolle inbeeldingen neer!"

De barbier had nagenoeg dezelfde gedachten; maar om niet te voorbarig

te oordeelen, vroeg hij Don Quichot, waar zijne voortreffelijke

maatregelen dan wel eigenlijk in bestonden? Misschien behoorden

zij wel tot die, welke men in het dagelijksch leven dolzinnige en

ongerijmde noemt.

"Mijn denkbeeld, meester baardschrabber, is zeer gerijmd," antwoordde

Don Quichot op barschen toon, "en stellig lang niet zoo dolzinnig

als gij zelf."

"Kom, kom, heer ridder, ik meende 't zoo boos niet, als gij het

daar opvat," zei de barbier. "Ik wou alleen maar zeggen, dat veel

voorslagen, die den koning reeds gedaan zijn, onuitvoerbaar en

onmogelijk zijn bevonden en, wou men er gevolg aan geven, het rijk

enkel schade en verlies zouden toebrengen."

"Dat is echter met mijn voorslag niet het geval," verzekerde Don

Quichot. "'t Is het lichtste, gemakkelijkste, doelmatigste en

vernuftigste middel, dat ooit in de hersens van een verstandig man

is opgekomen."

"En wilt gij het ons ook mededeelen, heer?" vroeg de pastoor.

Don Quichot zag hem wantrouwig van ter zijde aan. "Ik zal mij wel

wachten, het te verklappen," zeide hij. "Wie staat mij borg, dat gij

niet, zoodra gij het plan vernomen hebt, dat dadelijk aan de ministers

des konings mededeelt en u zoo den roem en de eer toeëigent, die mij,

als den uitvinder, heel alleen toekomt?"

"Ik voor mij zweer bij alles, wat heilig is, dat ik mij nooit aan zulk

een schandelijk verraad zal schuldig maken," riep de barbier. "Wat

gij ook spreken moogt, nooit zal eene syllabe over mijne lippen komen,

en noch koning noch bedelaar zal mij immer bewegen mijn eed te breken."

"Dat is genoeg, dat is genoeg," zeide Don Quichot. "Ik ken u als een

eerlijk man, heer barbier, en vertrouw u ten volle."

"En was dat niet zoo, dan durfde ik wel voor hem instaan," verklaarde

de pastoor. "Hij zou niet meer over deze zaak spreken, dan een stomme,

op straffe der boete, die ik hem opleggen zou."

"Maar wie is mij borg voor u zelf, heer pastoor?" vroeg Don Quichot.

"Mijn heilig ambt," antwoordde de pastoor met waardigheid, "mijn

heilig ambt, dat mij streng stilzwijgen tot een onverbrekelijken

plicht maakt."

"Welaan dan," riep Don Quichot, die thans zijne toehoorders ten

volle vertrouwde: "waarom laat dan de koning niet uitroepen, dat op

een vastgestelden dag alle dolende ridders en helden van Spanje zich

ten hove verzamelen moeten? Indien ook maar een dozijn verschenen,

zou toch reeds dit gering aantal toereikend zijn, om de gansche

macht van den heidenschen Turk geheel te vernielen. Heeft niet al

vaak een eenig dolend ridder een leger van tweemaal honderd duizend

krijgers op de vlucht gejaagd? Waarom zou in den tegenwoordigen tijd

zulk eene heldendaad niet meer kunnen voorkomen? Waarlijk, waarlijk,

nog heden ten dage zijn er mannen, die voor de ridders uit den ouden

tijd in sterkte noch in dapperheid onderdoen! God hoort mij en ziet

in mijn hart.... Meer wil ik niet zeggen."

"Och grut!" riep hier de nicht, die met de huishoudster het gansche

gesprek had aangehoord, "och grut, dat is weer de oude mallepraat;

en ik wil een boon wezen, als hij niet weer lust heeft, om op zijne

dolle avonturen uit te gaan."

"Ja," zeide Don Quichot op ernstigen toon, "als dolend ridder wil

ik leven en sterven, en geen sterveling zal mij van mijn voornemen

afbrengen. Laat de Turken maar komen! Al zijn zij nog zoo machtig en

geweldig, ik zal."

"Luister, beste heer," wendde de barbier, die een poosje stil

nagedacht had, zich hier tot den koenen ridder: "vergun mij, eene

kleine geschiedenis te vertellen, die in Sevilla is voorgevallen en

op deze dingen past, als het deksel op den pot."

Don Quichot gaf dadelijk de gevraagde vergunning, en de barbier

vertelde de volgende aardige kleine geschiedenis:

"In het dolhuis te Sevilla was een man, dien zijne verwanten daarheen

gebracht hadden, omdat het met zijn hoofd niet goed was. Hij was van

den geestelijken stand en had zijn examen al gedaan, toen zijn vroeger

verstandige en vlugge kop op eens van streek raakte en niemand raad

meer met hem wist.

"De candidaat woonde eenige jaren in het gekkenhuis en hield zich

stil en bedaard, totdat hij op eens op de gedachte kwam, dat hij

zijn verstand weerom had gekregen en dat hem niets meer haperde. In

deze vreemde overtuiging ging hij zitten, schreef een langen brief

aan den aartsbisschop, meldde hem in verstandige woorden, dat hij

door Gods goedheid al zijne vijf zinnen weer bij elkaar had, en dat

men hem alleen nog maar als een gevangene hield opgesloten, omdat

zijne verwanten uit hebzucht en vrekkigheid het weinigje vermogen,

dat hem toekwam, niet uitkeeren wilden.

"Daar de eerste brief onbeantwoord bleef, stelde de waanzinnige

candidaat een tweeden op; toen een derden, een vierden en zoo voort,

totdat de aartsbisschop zich eindelijk door zijne mooie, sierlijke

woorden liet verleiden om een kapelaan naar het gekkenhuis af te

vaardigen. Dezen gaf hij de bepaalde order, eerst bij het hoofd van het

gesticht te vernemen, of alles waar was, wat de candidaat geschreven

had; vervolgens moest hij den candidaat zelf in verhoor nemen, en

bevond hij dan, dat die werkelijk gezond en goed bij zijn hoofd was,

dan moest hij hem dadelijk op vrije voeten stellen.

"De kapelaan handelde stipt volgens het voorschrift van den bisschop;

doch toen hij in het gekkenhuis kwam, werd hem door den bestuurder

verzekerd, dat de bewuste jonge geestelijke even gek was, als in den

beginne, en al sprak hij soms eens een verstandig woord, dan sloeg

hij daarvoor al spoedig weer zoo hard door, dat aan loslating niet

te denken viel.

"Om in alles naar het voorschrift van zijn aartsbisschop te

handelen, antwoordde de kapelaan hier niet op, maar liet zich bij den

krankzinnige brengen, om te zien, of hij zoo ook achter de waarheid zou

kunnen komen. Hij sprak langer dan een uur met den jongen geestelijke,

hoorde in al dien tijd geen enkel onwijs of zelfs maar onverstandig

woord van hem, en kon dus moeielijk anders, dan den gekken candidaat

voor een mensch met gezonde hersens houden. De waanzinnige beklaagde

zich er onder andere ook over, dat de bestuurder hem alleen daarom voor

een lijder, die slechts nu en dan heldere oogenblikken had, uitgaf,

omdat hij daarvoor door zijne verwanten rijkelijk werd betaald. Zoo

kwam het dan, dat zijn vermogen de steen des aanstoots, de bron van

alle kwaad bij hem geworden was. Alleen om genot van zijne have te

hebben, overstelpten zijne verwanten hem met smaad en schande en

loochenden stoutweg, dat een wonder aan hem gedaan was en hem van

een krankzinnig tot een verstandig mensch gemaakt had.

"De kapelaan, die al deze verklaringen zeer geloofwaardig vond, vatte

nu argwaan tegen den bestuurder van het gesticht op en geloofde den

gek liever dan zijn dokter. Hij besloot dus, den candidaat in vrijheid

te stellen en hem bij den aartsbisschop te brengen, zoodat deze zelf

zich van het helder verstand van den armen man overtuigen kon.

Don Quichot van La Mancha · 第 8 / 19 段