De pastoor en de overige heeren waren met dit plan dadelijk bijzonder

ingenomen, en de vreemde dame, die blijkbaar van hoogen stand was en

Dorothea heette, haalde dus uit haar reiskoffer een prachtig fluweelen

kleed voor den dag, tooide zich met schitterende juweelen en schikte

zich zoo deftig op, dat elk haar wel voor eene echte ridderdame uit

den goeden ouden tijd moest houden. Allen stonden over haar prachtig

uitzien verbaasd, en vooral Sancho Panza, die intusschen teruggekeerd

was, kon niet ophouden haar te bewonderen, en verklaarde haar voor

de schoonste dame, die hij nog ooit in zijn leven gezien had. Hij

vroeg heimelijk den pastoor, of die niet wist, wie zij was.

"Zeker weet ik dat, vriend Sancho," antwoordde de pastoor, om den

schildknaap wat te foppen. "Deze schoone jonkvrouw is eene prinses

en de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon. Zij is hierheen

gekomen, om de hulp van uw meester in te roepen tegen een reus,

die haar ten schandelijkste beleedigd heeft, en stelt het hoogste

vertrouwen op zijn heldenmoed en zijne dapperheid."

Sancho Panza nam deze gekheid voor echte munt op en zeide vergenoegd:

"Waarlijk, dan heeft zij zich tot den rechten man gewend, want mijn

heer weet met reuzen om te springen, alsof het ratten en muizen

waren. Och toe, heer, zorg, dat hij die schoone prinses tot gemalin

en zoodoende haar gansche koninkrijk krijgt. Stellig maakt hij mij

dan tot zijn stadhouder, en mijn fortuin is voor altijd gemaakt. Maar

hoe heet de schoone prinses eigenlijk?"

"Zij heet prinses Micomicona naar haar koninkrijk Micomicon,"

antwoordde de pastoor; "en ik wil mijn uiterste best doen, om uw

meester tot een huwelijk met haar te bewegen. Maar zeg, in welken

toestand hebt gij den edelen ridder eigenlijk gevonden?"

"Och lieve hemeltje," zeide Sancho Panza, "ik vond hem half naakt, in

't bloote hemd, vervallen, geel, van honger blaffend en voortdurend

naar zijne Dulcinea zuchtend. Ik droeg zorg, dat hij mij niet te zien

kreeg, en ben maar dadelijk tot u teruggekeerd."

Onderwijl werd Dorothea op des pastoors muilezel geholpen, bond

de barbier zijn ossestaart weer voor en beval de pastoor Sancho,

die beiden in Don Quichots nabijheid te brengen. Hij prentte hem

goed in, op geenerlei wijze te verraden, dat hij den barbier kende,

en wendde zich toen tot Dorothea, om de rol van het op te voeren

kluchtspel nog eens met haar door te loopen. Hierop gingen de dame,

de barbier en Sancho Panza op weg, terwijl de anderen, om het spel

niet te bederven, vooreerst achterbleven.

Zij konden misschien een kwartier afgelegd hebben, toen Dorothea een

maar half gekleeden man in het oog kreeg en van Sancho hoorde, dat

dit de dolle ridder in hoogsteigen persoon was. Terstond spoorde zij

nu haar muildier aan en de ossebaardige barbier volgde haar op den

voet. Zoodra zij dicht bij den ridder waren, sprong de voorgewende

palfrenier van zijn ezel en hielp Dorothea van haar muildier. De dame

viel dadelijk voor Don Quichot op de knieën neer; deze wilde haar

oprichten, doch zij wilde niet opstaan, maar begon op hoogdravenden

toon de volgende toespraak:

"Dappere, edele en grootmoedige ridder! niet eer zal ik van mijne

knieën opstaan, voordat gij mij uw ridderlijk woord hebt gegeven,

de sterkte van uwen arm tot hulp eener ongelukkige aan te wenden,

die op de faam uwer daden uit verre landen is toegesneld, om u te

smeeken, aan haren nood en hare ellendigheid een einde te maken."

"En ik," antwoordde Don Quichot op denzelfden toon, "zal u niet

eer antwoord geven, alleraanminnigste en allerschoonste jonkvrouwe,

voordat gij van dien vuilen grond zijt opgestaan."

"Neen, edele heer," verklaarde de smeekelinge, "hier zal ik neerknielen

in het stof, tot uwe goedertierenheid mij de genade heeft toegezegd,

welke ik smeekend van u durfde vragen."

"Welaan dan," sprak Don Quichot, "zoo zij uwe bede u toegestaan, mits

zij namelijk niet strijdt tegen wat ik mijn vaderland, mijn koning

en mijn hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso verschuldigd ben."

"Tegen niets van dat alles strijdt zij," antwoordde de hulpzoekende

jonkvrouw en richtte zich op.

Inmiddels kwam Sancho Panza achter zijn meester staan en fluisterde

hem in het oor: "Toe, toe maar, edele heer! Gij kunt aan de dame

veilig alles beloven, want zij verlangt eenvoudig maar, dat gij een

geweldigen en schrikbarenden reus voor haar kapot maakt. Zij is de

verheven prinses Micomicona, de erfgename van het groote koninkrijk

Micomicon in 't land van Aethiopië."

"Zwijg!" beval de ridder op barschen toon. "Zij moge wezen, wie zij

wil, ik zal doen, wat mijn plicht als dolend ridder voorschrijft."

Hierop keerde hij zich weer tot de dame en sprak: "Spreek, doorluchtige

jonkvrouwe! Wat is uwe begeerte?"

"Ik bid en smeek, hooge ridder," zeide de dame, "dat uw grootmoedig

persoon met mij komen en beloven moge, geen ander avontuur te beginnen,

voordat gij mij wraak en genoegdoening tegen den snooden verrader

hebt verschaft, die in strijd met alle menschelijke en goddelijke

wetten mijn koninkrijk overweldigd heeft."

"Het zij u toegestaan, edele dame," antwoordde de ridder met veel

grootmoedigheid. "Verban derhalve de droefgeestigheid van uw aanminnig

aangezicht en verheug u, want met Gods hulp zal ik uwe goede zaak recht

verschaffen en u weder op den troon uwer vaderen plaatsen. Laat ons

moedig en wakker tegen de schurken en roovers te werk gaan, want uit

talmen en dralen komt niets dan gevaar en tegenspoed voort."

De eerst beproefde, maar thans wonderbaarlijk vertrooste jonkvrouwe

wilde met alle geweld den ridder de handen kussen, wat deze als

hoffelijk en welgemanierd held evenwel volstrekt niet toestaan

wou. Veeleer omhelsde hij haar met groote aandoening, waarna hij zijn

schildknaap beval, Rocinante den gordelriem vaster aan te halen en

hemzelf de wapenstukken aan te leggen. Dit geschiedde, en nu riep hij:

"Welaan, in naam van Dulcinea, laat ons gaan, want de aanminnige dame

moet geholpen worden."

De barbier had, terwijl dit alles voorviel, nog altijd op de knieën

gelegen en zichzelf alle geweld aangedaan, om 't niet hardop uit

proesten en daardoor de heele grap op eens te bederven. Toen hij zag,

dat de terugreis zou worden aangenomen, sprong hij op, hielp zijne

gebiedster op het muildier en steeg vervolgens ook zelf op. Don

Quichot stapte op Rocinante; doch Sancho, voor wien paard noch ezel

meer overbleef, moest te voet het gezelschap volgen. Niettegenstaande

dat bleef hij blij en welgemoed, want hij waande zijn meester thans op

den besten weg, om door het huwelijk met de prinses keizer te worden;

en dan kon 't niet uitblijven, of ook hij zou geborgen zijn en tot

een groot stadhouderschap geraken. De eenige zorg, die hem kwelde,

bestond in de omstandigheid, dat zijne toekomstige onderdanen Negers

zijn zouden. Evenwel wist hij zich ook daarover te troosten, daar hij

het plan opvatte, hen tot een handelsartikel te maken en er zoovelen

van te verkoopen, als hij maar goedschiks slijten kon.

Intusschen kwam het gezelschap weder op de vlakte aan den voet van het

gebergte, waar de pastoor en de begeleiders van jonkvrouwe Dorothea

het opwachtten. Om zich zonder omstandigheden te kunnen aansluiten,

kwam de pastoor met open armen op Don Quichot toe, viel hem te voet,

omhelsde zijne knie en hield eene toespraak tot hem, die zoo rijkelijk

met vuistdikke bloemen en pluimpjes voor den dolenden ridder doorspekt

was, dat Don Quichot zelf hem en die bij hem waren uitnoodigde, met

hem te gaan. Ja, hij wou zelfs afstijgen en den pastoor zijn eigen

Rocinante ten gebruike overlaten.

Dit aanbod werd nochtans door den pastoor niet aangenomen, en er

volgde eene kleine vriendschappelijke schermutseling, totdat de dame

tusschenbeide kwam en haar palfrenier, d. i. den barbier met den

ossestaart, verzocht zijn plaats aan den geestelijken heer af te

staan en achter dezen op het muildier te kruipen.

De gehoorzame palfrenier was hier aanstonds toe bereid; hij steeg

af en liet den pastoor zijne plaats in den zadel over. Toen hij nu

echter achter hem opzitten wilde, begon het muildier te steigeren en

achteruit te slaan, en toonde zich zoo koppig, dat meester Nicolaas

op den grond tuimelde en onder den val zijn ossestaart verloor.

Don Quichot was niet weinig verwonderd, toen hij op eens den

roodbruinen baard van des barbiers gelaat verdwenen zag, doch stelde

zich spoedig gerust, toen de pastoor hem toeschreeuwde, dat alleen dat

verwenschte muildier den armen palfenier zoo deerlijk gehavend had. Hij

zou echter wel zorgen, dat de baard ten spoedigste weer aangroeide.

Alles, wat den schijn van het wonderbare had, was voor den goeden

ridder het geloofwaardigste ter wereld. Hij gaf dus ook volstrekt geen

bevreemding te kennen, toen hij zag, hoe de pastoor den baard opraapte,

bij de borst van den barbier neerknielde, eenige wonderlijke grimassen

maakte en een paar tooverwoorden mompelde, die den baard op eens zoo

vast deden zitten, als die vroeger gezeten had. Men steeg opnieuw op

en de door dit toeval vertraagde reis werd nu onverwijld voortgezet.

Onderweg kraamde Don Quichot nochtans zoo veel onzin uit en overstelpte

Sancho Panza, om zich zijn stadhouderschap te verzekeren, zijn

meester met zoo veel dwaze en kant noch wal rakende loftuitingen en

pluimstrijkerijen, dat de vreemde dame de klucht spoedig moe werd en

van harte blij was, toen zij den volgenden dag de herberg bereikten,

van waar de pastoor en de barbier waren opgebroken, om Don Quichot

op te zoeken en door list naar huis terug te lokken.

Wat nu echter in deze herberg gebeurde en welke heldendaad de Ridder

van de Droevige Figuur aldaar verrichtte, daarvan zal in het volgende

hoofdstuk uitvoerig verslag worden gegeven.

HOOFDSTUK XIII.

DON QUICHOT VELT EENIGE REUZEN EN WORDT NAAR HUIS GEBRACHT.

In de herberg aangekomen, werd Don Quichot door den waard zeer beleefd

verwelkomd en de ridder nam dit teeken van eerbied met zichtbaar

welgevallen aan. Op zijne vraag, of hij een goed nachtverblijf kon

bekomen, antwoordde de waard toestemmend en verklaarde, dat, mits hij

goed betalen wilde, hij een zoo groot en kostelijk bed zou krijgen,

dat een keizer of koning er in hun paleis geen beter hadden. Don

Quichot beloofde te zullen betalen, en werd hierop door den waard in

hetzelfde vertrek gebracht, waar hij voor eenigen tijd dat merkwaardig

avontuur met den muildierdrijver, den gerechtsdienaar en Maritornes,

de meid, bestaan had. Ten einde zijn doel te bereiken, dat hij geen

oogenblik uit het oog verloor, volgde Sancho Panza hem daarheen;

doch de overigen bleven in de algemeene gelagkamer, waar 's ridders

ongehoorde dwaasheid hun stof tot lachen in overvloed gaf.

Zoodra de Ridder van de Droevige Figuur zich met zijn schildknaap

alleen bevond, nam hij dezen een examen af, dat Sancho Panza hoegenaamd

niet beviel. Don Quichot vroeg namelijk naar zijne aangebedene Dulcinea

van Toboso, en Sancho had het gesprek veel liever op de prinses van

Micomicon gebracht, om in zijn heer den wensch op te wekken, om die

schoone dame te huwen, en zichzelf op die wijze het vurig begeerde

stadhouderschap te verzekeren. Desniettemin moest hij op Don Quichots

vragen antwoorden geven; doch hij richtte die in, zooals zij best in

zijn kraam te pas kwamen.

"Nu, Sancho Panza," begon Don Quichot, nadat hij zich languit op zijne

legerstede had uitgestrekt, "waar en hoe hebt gij de aanbiddelijke

Dulcinea aangetroffen? Wat deed zij, wat zeide zij? Hoe dacht zij over

mijn brief? Spreek, maar hoed u, met leugens voor den dag te komen,

want die zouden u hals en hoofd kosten."

"Ja, heer, om de waarheid te zeggen, heb ik den brief niet kunnen

doen overschrijven en overbrengen," antwoordde Sancho Panza met de

handen in het haar. "Ik heb uw zakboek verloren, edele ridder."

"Sancho Panza, hieraan zie ik, dat gij mij geen leugens op de mouw wilt

spelden," sprak Don Quichot uitermate tevreden. "Gij moet weten, dat ik

zelf het zakboek vond, toen gij mij nog pas een uur hadt verlaten. Uwe

waarheidsliefde draagt mijne volle goedkeuring weg en ik verzoek u,

het verhaal van uwe verdere lotgevallen te beginnen. Spreek op en zeg,

waarmede mijne gebiedster zich bij uwe aankomst bezighield? Reeg zij

niet parels aan gouden draden of zat zij eenig zinnebeeld voor haren

in staat van razernij verkeerenden ridder te stikken?"

"Neen, dat deed zij niet," bromde Sancho Panza verdrietig. "Zij was

bezig voor haar vader twee schepels tarwe te ziften."

"Wat?" vroeg Don Quichot. "Tarwe? Dan zaagt gij zeker ook, dat

de korrels onder hare fijne handen in diamanten en edelgesteenten

veranderden?"

"Daar heb ik niemendal van gemerkt. Ze bleven heel gewone, grove,

gele tarwe."

"Nu, dan wordt zekerlijk het fijnste brood daaruit gebakken,"

verklaarde de ridder. "Maar ga voort! Hoe nam zij de boodschap van

mij op? Geraakte zij niet buiten haarzelve van verrukking, toen zij

u mijnen naam hoorde noemen?"

"Neen, volstrekt niet," antwoordde Sancho. "Zij stond midden in het

dichtste stof en stak wat den gek met mijne tijding van u. Ik zei,

dat gij half naakt in den wildernis rondliept, op den blooten grond

sliept, geen kam, water of handdoek gebruiktet en uw tijd doorbracht

met uw lot te beweenen en te verwenschen. Toen antwoordde zij mij,

dat gij een gek en een vuile, morsige kerel waart, en wou niets meer

van u hooren. Dus, lieve heer, laat die domme boerendeerne loopen en

houd u aan de schoone prinses Micomicona. Deze moet gij trouwen, want

gij trouwt met haar een heel groot koninkrijk en kunt dan uwen trouwen

schildknaap beloonen, die u altijd braaf en eerlijk gediend heeft."

"Zwijg!" beval Don Quichot met somberen ernst. "Ik mag uw wensch niet

vervullen en nimmer aan trouwen denken, zoolang Dulcinea van Toboso

nog mijne hooge en verhevene gebiedster is."

Deze woorden van den ridder deden zijn schildknaap in hevigen toorn

ontvlammen. "Bij hoog en bij laag zweer ik, dat gij de grootste

gek zijt, die op twee beenen loopt, als gij de prinses Micomicona

niet trouwt!" schreeuwde hij. "Denkt gij, dat u elken dag eene zoo

goede gelegenheid wordt aangeboden, als u hier onder den neus wordt

geduwd? Meent gij, dat uwe smerige Dulcinea maar half zoo mooi is

als de prinses? Niet het honderdste part zoo mooi is ze en ze is niet

waard de wezenlijke en waarachtige prinses de voeten te kussen. Trouw

haar in 's hemels naam, zeg ik, en neem het koninkrijk, dat u maar

zoo vanzelf in den mond komt vliegen! Als gij eerst koning zijt en

mij tot stadhouder hebt gemaakt, doe dan, wat ge niet laten kunt,

en mijnenthalve mag je de drommel halen, als ik eerst geborgen ben

en mijne schaapjes geschoren heb."

Toen Don Quichot zijn schildknaap zulk eene taal hoorde voeren,

geraakte hij van verbaasdheid zoo geheel buiten zichzelf, dat hij geen

woord over de lippen kon brengen. Hij richtte zich langzaam in zijn bed

op, greep naar zijne lans en liet die met zooveel geweld op Sancho's

breede schouderbladen neervallen, dat deze tuimelde, waar hij stond.

"Neem dat, gemeene boerenziel!" riep hij alstoen, "en hoed u in het

vervolg, één smalend woord tegen mijne meesteresse Dulcinea uit te

brengen. Gij moet niet denken, dat gij haar ooit ongestraft beschimpen

moogt, hondsvot, deugniet, schavuit, domme rekel, die ge zijt! Zwijg,

zeg ik je, of reken er op, dat ik je je beetje hersens uit den dikken

schedel zal stampen."

Na aan zijne gramschap in deze niet zeer kiesche en malsche

bewoordingen lucht te hebben gegeven, liet de Ridder van de Droevige

Figuur zijn hoofd op het kussen neervallen, strekte de lange beenen

uit en sliep in. Sancho echter, wien de rug nog gloeide, stond op,

dook in een hoek neer en hield zich doodstil.

Intusschen hadden de pastoor, de barbier en het overige gezelschap er

in de herberg hun gemak van genomen en bij den waard een duchtig maal

besteld. Terwijl zij daarop wachtten, brachten zij het gesprek opnieuw

op Don Quichot en overlegden, wat zij verder aanvangen moesten, om

hem veilig naar huis terug te brengen. De dame had hare bekomst van

de grap en wilde met hare begeleiders de reis voortzetten, zonder

zich verder om den dollen ridder te bekommeren. De pastoor stelde

dus voor, dezen wijs te maken, dat de prinses met haar geleide was

vooruitgereisd en den ridder in zijn eigen huis opwachten wilde.

"Als wij hem eens daar hebben," voegde hij er bij, "zullen wij wel

zorgen, dat hij ons zoo spoedig niet weer ontsnapt."

Nog praatten zij hierover, toen plotseling Sancho Panza geducht

ontsteld uit de kamer van zijn heer kwam aanloopen en met luider

stemme riep: "Komt, heeren, komt toch den ridder Don Quichot te hulp,

want daar zoo pas is hij in het vreeselijkste gevecht gewikkeld,

dat nog ooit op de aarde geleverd is. Haast u, haast u! want, zoo

waar als ik hier sta, heeft hij den reus, den snooden vijand van de

prinses Micomicona, een slag toegebracht, die hem den kop dadelijk

glad van den romp heeft weggesabeld."

"Wat domme dingen praat gij daar weer, Sancho?" vroeg de pastoor. "Zijt

ge dan nog gekker dan uw gekke heer geworden? Hoe kan Don Quichot

dien reus geveld hebben, daar hij voor 't minst twee duizend mijlen

ver van hier woont!"

Sancho antwoordde niet, maar wel vernamen thans allen uit des ridders

kamer een geweldig gerucht en hoorden diens luid schreeuwen en roepen.

"Halt, roover," brulde hij, "halt, schandelijke booswicht! Ik heb u

nu in mijne macht en die groote sabel zal door de kracht mijner vuist

in splinters worden geslagen."

En terwijl hij zoo tierde, deelde hij rechts en links geweldige

houwen uit en stampte en beukte tegen den wand, dat het halve huis

er van trilde.

"Waarom staat gij en wacht, in plaats van toe te snellen en mijn

meester bijstand te verleenen?" riep Sancho Panza. "Gaat in de kamer,

scheidt de strijdenden of redt en helpt althans den dappersten van

alle dolende ridders! Maar toch zal dat, hoop ik, niet eens noodig

zijn, want zeker ligt de reus al verslagen aan zijne voeten en braakt

zijne zwarte ziel uit, om daarboven rekenschap te geven van het snoode

leven, dat hij hier geleid heeft. Immers heb ik zelf zijn bloed over

den vloer zien stroomen en het afgehouwen hoofd, dat wel de dikte

van een wijnzak had, in een hoek zien liggen."

"De drommel hale me, als ik het niet al begrijp!" riep nu op eens

de waard. "Dan heeft me die malle ridder zeker een van de zakken vol

rooden wijn, die vlak boven zijn hoofd hangen, een stoot toegebracht,

en de uitgeloopen wijn is het bloed, dat hier dit domme uilskuiken

gezien heeft."

Met deze woorden draafde hij naar de kamer van den ridder en alle

overigen volgden hem.

Zij troffen Don Quichot in den potsierlijksten toestand van de wereld

aan. Hij stond daar in zijn hemd, dat hem pas tot aan de knieën

reikte, en had eene niet al te zindelijke nachtmuts op het hoofd;

hij had zich zijn beddelaken om den linkerarm gewikkeld, om zich

daarvan als schild te bedienen, en in de rechterhand hield hij zijn

verroesten degen, waarmee hij als een dolleman naar rechts en links

steken en houwen uitdeelde. Daarbij schreeuwde hij als bezeten en

stelde zich aan, alsof hij werkelijk met een reus aan het vechten

was. Het wonderlijkste van het geval was echter, dat zijne oogen

vast gesloten schenen, en dat hij werkelijk nog in slapenden toestand

verkeerde. Vermoedelijk had een bedrieglijke droom hem voorgespiegeld,

dat hij zich reeds in het koninkrijk Micomicon bevond en met den reus,

die het land tegen alle recht overmeesterd had, den strijd op leven

en dood had begonnen. In deze inbeelding had hij aan de zakken, die

met rooden wijn gevuld waren, zooveel moorddadige steken toegebracht,

dat de kamer onderliep van den wijn, die nog altijd uit de door zijn

degen geboorde gaten stroomde.

Bij dit gezicht werd de herbergier zoo woedend, dat hij, zonder een

woord te spreken, op Don Quichot aanviel en met beide vuisten grimmig

op zijn rug begon te trommelen. Hij zou hem hebben doodgeslagen, was

niet de pastoor tusschenbeide gekomen en had beloofd, den verloren

geganen wijn tot den laatsten duit toe te betalen.

Niettegenstaande de duchtige stompen, die de waard hem met

zijne stevige vuisten had toegediend, werd de slaapwandelaar niet

wakker, maar raasde voort, totdat de barbier een grooten emmer vol

ijskoud water uit den put haalde en hem dat over het gansche lichaam

uitgoot. Toen eerst deed hij de oogen open, maar was nog te verward en

te verbijsterd, om te begrijpen, wat er gebeurd was en wat deerlijke

verwoesting hij had aangericht.

Onderwijl zocht Sancho naar het hoofd van den gevelden reus, doch kon

dat nergens vinden en riep op krijterigen toon: "Ik wist al lang,

dat in dit huis alles behekst en betooverd is, want hier op deze

zelfde plaats kreeg ik oorvijgen en stompen, zonder dat ik wist waar

ze vandaan kwamen, en nu zoek ik vruchteloos naar den kop, dien ik

met eigen oogen den reus van den romp zag vallen. Het bloed stroomde

na en spoot uit het lichaam op, als het water uit eene fontein."

"Gij stomme rekel!" bulderde de waard, "wat leutert ge daar van bloed

en fonteinen! Ziet ge dan niet, ezel, dat al dat bloed niets anders

is dan de roode wijn uit de zakken, die je dolle heer me voor altijd

totaal bedorven heeft?"

"Wat zou ik weten?" snauwde Sancho daartegen in. "Ik weet alleen,

dat ik een ongelukkige sukkel ben, als ik den kop van den reus niet

vind; want mijn graafschap en stadhouderschap zijn dan voor altijd

naar de maan!"

De waard hoorde verbaasd op bij deze woorden van Sancho, wien de

beloften van zijn heer insgelijks het hoofd geheel op hol gebracht

hadden. Evenwel zwoer hij bij kris en bij kras, dat noch de ridder

noch zijn knecht ditmaal wegkomen zouden gelijk de vorige maal,

d.i. zonder gelag en schade ten volle te betalen.

Don Quichot was inmiddels weer wat tot zichzelf gekomen en meende,

zijn avontuur triomfantelijk ten einde te hebben gebracht. Hij viel

voor de vermeende prinses Micomicona op de knieën en sprak haar aan,

als volgt:

"Koninklijke hoogheid, doorluchtigste, edelmoedigste en schoonste

prinses! Van dezen gezegenden dag af kunt gij in rust en veiligheid

leven, want de verfoeielijke toovenaar, de reus, ligt hier verslagen

door mijne dappere hand. Ik echter heb mij ten volle van mijn

ridderplicht gekweten, daar ik met behulp van mijne meesteresse

Dulcinea van Toboso mijne beloften gehouden heb."

"Hoort gij 't nu wel?" riep Sancho vroolijk. "Heb ik 't niet gezegd? Ik

sprak toch niet in dronkenschap. Nu ziet gij, mijn heer heeft den

reus doodgemaakt en mijn stadhouderschap kan mij nu niet meer ontgaan."

Allen lachten hartelijk bij deze nieuwe dwaasheden van den ridder

en zijn knaap. Alleen de herbergier vloekte en schimpte nog altijd

voort en wenschte de twee gekken naar het land, waar de peper groeit.

Om echter aan deze klucht een goed einde te maken, brachten de

pastoor en de barbier den ridder weer te bed, dekten hem warmpjes

toe en merkten tot hunne blijdschap, dat hij van uitputting dadelijk

insliep. Zij lieten hem rusten, traden voor de deur van de herberg,

namen Sancho Panza mee en troostten hem, dat hij het hoofd van den reus

niet had kunnen vinden. De schildknaap was spoedig tevredengesteld;

doch meer moeite had men met den verbolgen waard, die nog altijd

over het verlies van zijn wijn en zijne kostelijke nieuwe zakken

lamenteerde. Hij zette eerst weer een lachend gezicht, toen de

begeleiders van jonkvrouwe Dorothea hem tot schadeloos stelling

eenige goudstukken, die zijne schade dubbel en dwars goedmaakten,

in de hand drukten.

Nu werd het eten opgedragen en allen schikten vroolijk aan den

maaltijd. Toen die was afgeloopen, nam jonkvrouwe Dorothea met hare

begeleiders van den pastoor en den barbier vriendelijk afscheid,

droeg den verbaasden Sancho op, zijn meester wel duizendmaal van haar

te groeten, en zette toen hare door het avontuur met den dolenden

ridder afgebroken reis met haar gezelschap voort. Eerst toen zij in de

verte verdwenen was, verklapte men aan Sancho, hoe 't met de zaak was

gelegen geweest; en deze maakte zich niet weinig boos over de comedie,

welke men met hem en zijn dapperen meester gespeeld had. Men wist hem

echter door vriendelijke toespraak al spoedig tot bedaren te brengen,

en eindelijk beloofde hij zelfs zijne medewerking tot het beraamde

plan, om den ridder Don Quichot goed- of kwaadschiks weer naar zijne

woonplaats terug te brengen.

Don Quichot van La Mancha · 第 7 / 19 段