"Zonder dralen beval de kapelaan den bestuurder, den candidaat van

behoorlijke kleederen te voorzien. De bestuurder pruttelde hier wel erg

tegen en deed alles, om den kapelaan tot andere gedachten te brengen;

maar dat hielp niet, hij moest gehoorzamen. De candidaat kreeg dus

een fatsoenlijk splinternieuw pak aan en verzocht den kapelaan zeer

beleefd, van zijne voormalige lotgenooten afscheid te mogen nemen. Dit

werd toegestaan en de kapelaan zelf bood aan, hem op deze wandeling

te vergezellen. Zoo kwamen zij bij de cel van een krankzinnige, wien

de candidaat goedendagzeide, terwijl hij aanbood, zoo de ander de eene

of andere boodschap mocht hebben, die zonder haperen over te brengen.

""Beschik vrij over mij," zeide hij tot den waanzinnige. "Nu ik mijn

verstand weerom heb gekregen, wil ik dat ook gebruiken, om al mijnen

medemenschen van dienst te zijn."

"Deze woorden hoorde een andere gek, die in eene cel tegenover die

van den eersten zat. Hij sprong dus van zijne mat op en vroeg, luid

schreeuwend: "Wie is het toch, die daar gezond en verstandig heen

mag gaan?"

""Ik ben het, lieve broeder," antwoordde de candidaat; "ik behoef

hier niet langer te blijven en ben dankbaar, dat mij zoo groote genade

is verleend."

""Ei, ge weet niet, wat ge zegt," schreeuwde de gek den candidaat

toe. "Laat je niet door den duivel verblinden, maar blijf stil in je

cel, zoodat ze je niet terug hebben te brengen."

""O, dat heeft geen nood," riep de candidaat lachend. "Ik weet, dat

ik volkomen goed bij mijn verstand ben en hier dus niet behoef terug

te komen, om het ellendig leven van een krankzinnige te leiden."

""Jij volkomen bij je verstand?" riep de gek. "Jij gezond? Loop

heen! De tijd zal 't gauw anders leeren. Ik zweer je bij Jupiter,

wiens plaats ik op aarde bekleed, dat ik de onnoozele stad Sevilla,

die zoo'n razenden gek, als jij bent, vrijlaat, voor die dwaasheid

hard zal straffen en kastijden. Van vandaag af zal het drie volle

jaren lang niet regenen over deze stad, en alle vruchten zullen

verdorren en alle weiden verschroeid en verzengd worden. Je zoudt goed

bij je verstand wezen, terwijl men mij hier gebonden en opgesloten

houdt? Daar moet straf voor wezen! Voordat die drie jaren om zijn,

zal geen droppeltje regen over Sevilla vallen."

"De omstanders hoorden vreemd op bij dien zottepraat van den gek, en

ook de kapelaan zag hem verwonderd aan. Nu echter klopte de candidaat

dezen op schouder en voegde hem vertrouwelijk toe:

""Wees maar niet bang, waarde heer, en stoor u niet aan de dreigementen

van dien armen zot. Als hij Jupiter is en niet wil laten regenen, dan

ben ik daarentegen Neptunus, de vader der zeeën en van alle wateren,

en kan dus ook regen zenden, zooveel ge maar hebben wilt."

""Ei, wat ge zegt!" riep de kapelaan, die nu zijn man had leeren

kennen. "Als gij Neptunus zijt en heer Jupiter wilt beleedigen, oordeel

ik het toch maar beter, dat gij vooreerst hier in huis blijft. Een

ander maal, als 't mij eens gelegen komt, wil ik terugkeeren en u

van hier weghalen."

"De bestuurder van het gesticht lachte, en de gekke candidaat kreeg

zijn oude pak weer aan en kon weer naar zijne oude cel stappen.

"Dit is mijne geschiedenis," zeide de barbier; "en de toepassing kan

ieder licht zelf maken."

"O baardschrabber, o baardschrabber!" riep Don Quichot uit, "meent

ge werkelijk, dat deze dwaze historie zoo goed op onze omstandigheden

past? Ik voor mijn part geloof dat niet; want ik weet opperbest, dat ik

niet Neptunus ben, en verlang van niemand, dat hij mij voor wijs houdt,

als ik een domme ezel, een onwijze sukkel ben. Mijn streven is edel en

groot, en door de plichten der dolende ridderschap te vervullen doe

ik eenvoudig, wat goed en recht is. Zwijgt allen en leutert me niet

langer met zulke beuzelpraatjes om de ooren! Ik ga mijn eigen weg,

en er is geen mensch in de wereld, die mij daarvan afbrengen zal."

Verstoord keerde Don Quichot hun den rug toe, zoodat de pastoor

en de barbier het 't best oordeelden, maar stilletjes weer op te

trekken. Zij moesten alle hoop, om den armen ridder Don Quichot van

zijne dwaze inbeeldingen terug te brengen, nu eindelijk wel opgeven,

en deden dat dan ook.

Bij het verlaten van het huis kwamen zij een zeer aardig en verstandig

jonkman, zekeren Sanson Carrasco, tegen, die een geleerde en met onzen

welmeenenden pastoor bevriend was. Bij hem stortte deze laatste zijn

hart uit, en de jonge Carrasco gaf al spoedig een middel op, om Don

Quichot van zijne avontuurlijke hersenschimmen te bevrijden. Dat middel

kwam den pastoor goed voor en terstond overlegde hij met zijn vriend,

op welke wijze men dit het best zou kunnen aanwenden.

Weinige dagen daarna, toen Don Quichot weer ten volle hersteld was en

zich juist met Sancho Panza over zijne toekomstige plannen onderhield,

liet Sanson Carrasco zich bij hem aanmelden en werd zonder verwijl in

zijn vertrek toegelaten. Na eenige voorafgaande komplimenten deelde

hij den edelen ridder mede, dat hij zeer veel goeds en schoons van

zijne roemruchtige daden had vernomen en nu opzettelijk gekomen was,

om van aangezicht tot aangezicht den held te zien, wiens naam sinds

eenigen tijd het gansche heelal vervulde. Na deze inleiding spoorde hij

hem met krachtige taal aan, toch spoedig weer een nieuwen krijgstocht

tegen de ondeugden, verkeerdheden en zonden der goddelooze wereld te

beginnen, en bracht het toch al zwakke hoofd des edelen Dons daardoor

dusdanig op hol, dat deze terstond besloot, aan de inblazingen van den

welbespraakten Carrasco gehoor te geven. Nauwelijks had deze met de

belofte van hem een prachtigen ridderhelm te zullen vereeren van hem

afscheid genomen, of hij gaf Sancho Panza last, zijn ezel en zichzelf

gereed te houden, om binnen drie dagen op nieuwe avonturen uit te

gaan. Sancho verklaarde zich daartoe gaarne bereid, daar Don Quichots

beloften en voorspiegelingen nog altijd een open oor bij hem vonden,

en hierop deelde Don Quichot zijn besluit ook aan huishoudster en nicht

mede. De arme vrouwen, die van Carrasco's fijn plan niets wisten,

waren radeloos, en kermden en huilden, maar richtten daardoor niets

uit, dan dat Don Quichot haar voor malloten en domme, onverstandige

vrouwlui uitmaakte, zonder zich door al dat misbaar van zijn voornemen

te laten afbrengen.

Den volgenden dag zond Carrasco den beloofden helm. Deze was met

roest en schimmel overdekt en had niets aan zich, dat aan blank en

glanzig staal deed denken. Dat achtte Don Quichot evenwel maar eene

kleinigheid. Hij nam puimsteen en schuurlappen, poetste hem zoo goed

mogelijk op en besteedde de overige dagen, om alles voor zijne reis

in gereedheid te brengen.

Het was Don Quichot echter gedurende zijne ziekte door het hoofd

gegaan, wie hij tot hiertoe voor jonkvrouwe Dulcinea had gehouden,

zoodat deze voor hem een zuiver phantasiebeeld geworden was.

HOOFDSTUK XV.

DON QUICHOT ZOEKT ZIJNE HOOGE GEBIEDERES DULCINEA VAN TOBOSO OP.

Toen de dolende ridder en zijn wakkere schildknaap het open veld

bereikt hadden, snoof en brieschte Rocinante luid en begon ook

het grauwtje uit volle keel zijn welluidend Yah in de lucht te

brullen. Beiden zagen deze omstandigheid voor een zeer gunstig

voorteeken aan en hunne harten klopten van blijdschap, nu ze zich

de daden voorstelden, die zij in 't vervolg zeker bedrijven, en den

onvergankelijken roem, dien zij daarvoor inoogsten zouden.

"Sancho Panza," sprak Don Quichot, toen zij eene poos zwijgend zij

aan zij hadden voortgedraafd, "Sancho Panza, de avond valt en het

zal donkerder worden, dan wij wenschen, voordat wij Toboso bereiken,

dat ik in allen gevalle bezoeken moet. Daar, waar Dulcinea leeft en

ademt, wil ik haar zegen afsmeeken, naardien ik overtuigd ben, dat ik

daardoor ieder avontuur gelukkig zal te boven komen. Niets, moet gij

weten, maakt de dolende ridders gelukkiger en dapperder, dan dat zij

van de genade en de bescherming hunner meesteressen verzekerd zijn."

"Daar wil ik niets tegen zeggen, gestrenge heer," antwoordde Sancho

Panza, die wist, wat hij van Dulcinea te denken had; "maar toch kan

't u nog wel wat moeite kosten, Dulcinea te spreken te krijgen en

eene geschikte plaats te vinden, waar gij den zegen van de hooge

dame ontvangen kunt. Ik vrees, dat ze u dien over de schutting of

door een gat in den muur zal moeten geven."

"De schutting, Sancho?" vroeg Don Quichot verwonderd. "Zijt gij

dan blind geweest, of hebt ge uwe oogen niet gebruikt? Wat gij voor

een schutting aanzaagt, was zeker eene rij van trotsche galerijen,

gangen en booggewelven, zooals men die altijd bij rijke koninklijke

paleizen heeft."

"Nu, dan weet ik het niet," verklaarde Sancho. "Voor zoover mij

voorstaat, was 't een gewoone schutting, en nog wel in niet al te

besten staat, want ik meende er vrij wat scheuren, spleten en gaten

in te zien."

"Dat mag wezen, hoe 't wil," zeide Don Quichot een weinig verdrietig;

"maar toch zullen wij haar een bezoek brengen. Als ik haar maar te

zien krijgt, raakt het mij weinig, of over eene schutting, of door een

raam, of door een traliehek de straal van haar oog op mij valt en mijne

ziel verlicht. Een blik van haar zal mij bezielen en wel zoo geweldig,

dat ik onvergelijkelijk moet worden in deugd en in dapperheid."

Sancho Panza schudde het hoofd, zonder op deze hoogdravende taal iets

te antwoorden, en zwijgend vervolgden ridder en knaap nu voortaan

hun weg. Het zal tegen middernacht hebben geloopen, toen zij, bij

een heuvel neerdalende, Toboso bereikten. In het dorp heerschte de

diepste rust; want natuurlijk lagen al de bewoners te bed en rustten

in de armen van de slaap. De maan stond aan den hemel, en de nacht was

dus niet zoo donker, als Sancho Panza gewenscht had. 't Zou hem liever

geweest zijn, dat geen sterretje aan den hemel had geblonken, daar de

donkerheid hem dan tot verontschuldiging voor zijne onwetendheid kon

hebben gediend. Hij had, gelijk wij weten, Toboso nog met geen voet

betreden, hoewel hij den bedrogen ridder duizend dingen van Dulcinea

en zijne boodschap aan haar had weten op de mouw te spelden.

Zooals gezegd is, lagen de bewoners van het dorp nog in den diepsten

slaap, en men vernam niets dan het blaffen van honden, dat den ridder

hoogst onaangenaam in de ooren klonk, terwijl het den vreesachtigen

schildknaap niet minder beangstigde. Toen het blaffen niet ophield,

voegden zich daar nog andere tonen bij: ezels balkten, varkens knorden,

paarden snoven, katten miauwden, wat alles in de stilte van den

nacht duidelijker dan ooit hoorbaar was. Don Quichot behaagde dat

volstrekt niet, daar hij al die geluiden voor slechte voorteekens

hield, hoewel hij er niets van zei, maar stil aan Sancho Panza's

zijde doorreed. Eindelijk brak hij het lange stilzwijgen af en sprak:

"Sancho, breng mij naar het paleis mijner gebiedster. Misschien wil

een gelukkig toeval, dat wij haar wakende vinden."

"Maar naar wat paleis moet ik u dan brengen, edele heer?" riep Sancho

verlegen uit. "Hier heeft men geen paleizen en, zooals ik u al zei,

uwe Dulcinea woont in een ellendig klein kot van een huisje."

"Gij vergist u zeker, vriend," beweerde Don Quichot. "Waarschijnlijk

had mijne edele gebiedster zich toen maar in een zijvleugel van haar

vorstelijk paleis afgezonderd, gelijk hooge dames wel eens meer de

stilte en eenzaamheid zoeken."

"Gestrenge heer," antwoordde Sancho, "gesteld nu al, dat gij gelijk

hadt, is het dan toch wel gepast, dat wij zoo in het holle van den

nacht de rust uwer meesteresse storen? Als wij op de deur kloppen,

zullen ook de buren wakker worden en ons voor zeer dwaze en onzinnige

menschen houden."

"Dat moeten wij afwachten," zeide de ridder. "Laat ons eerst maar

haar burcht opzoeken, en dan zal ik u zeggen, wat verder te doen. Zie

daar eens, Sancho! Een donker gebouw rijst daar hoog op in den nacht

en ik bedrieg mij zeker niet, als ik dat voor de woonstede mijner

onvergelijkelijke dame houd."

"Rijd er dan maar op los," bromde de schildknaap; "maar 'k laat mij

hangen, als ge 't niet glad mishebt."

Don Quichot gaf Rocinante de sporen en reed vooruit. Toen hij echter

in de nabijheid van het groote gebouw was gekomen, zag hij wel,

dat hij niet het slot eener edele prinses, maar enkel de kerk van

het dorp voor zich had.

"Het is de kerk," zeide hij, onaangenaam verrast.

"Ja, dat zie ik," zeide Sancho Panza, "en de hemel geve maar, dat

wij niet op het kerkhof ons graf vinden. Voor 't overige heb ik u wel

gezeid, dat de woning van uwe Dulcinea in een of ander achterafstraatje

moet liggen."

"Ezel! Domkop! Stommerik!" bulderde Don Quichot. "Waar hebt ge dan ooit

van uw leven gezien, dat riddersloten en paleizen in achterafstraatjes

liggen?"

"Gehoord en gezien heb ik dat niet," was Sancho's koel antwoord; "maar

's lands wijs 's lands eer, zegt het spreekwoord, en misschien is

't hier in Toboso wel gebruikelijk groote huizen en voorname gebouwen

wat achteraf te zetten. Wilt gij mijn raad volgen, gestrenge ridder,

laat mij dan maar eens op mijn eigen houtje gaan zoeken. Misschien lukt

het ons wel 't paleis van uwe gebiedster te vinden, dat mijnentwege

in den grond mag verzinken, zoo veel ergernis heb ik er al van gehad."

"Sancho Panza," zeide de ridder op dreigenden toon, "ik raad u, met

achting van alle dingen te spreken, die met mijne gebiedster ook maar

van verre in verband staan. Ga nu voorts in vrede, zoek al uw best,

en als ge het paleis gevonden hebt, val dan niet zoo dadelijk met de

deur in huis. Overleg, Sancho, overleg en bedaardheid bij alle dingen

en in alle omstandigheden moet de hoofddeugd van iederen dolenden

schildknaap zijn."

"Ik ben bedaard genoeg," antwoordde Sancho Panza, "maar hoe zou ik

mijn geduld niet verliezen, als uwe edelheid verlangt, dat ik midden

in den nacht een huis weerom zou vinden, dat ik nog maar eens bij

helder daglicht gezien heb? Waarom zoekt gij zelf het dan niet? Gij

moest het toch, dunkt mij, in een ommezien kunnen vinden, daar gij

het meer dan duizendmaal moet gezien hebben."

"Sancho Panza, gij zult mij nog tot razernij brengen," schreeuwde Don

Quichot. "Ik heb u wel honderdmaal gezegd, dat ik de gebiederesse

mijner ziel nog geen enkel maal met eigen oogen aanschouwd, dat ik

nog nooit den drempel van haar geheiligd paleis betreden heb."

"Nu, edele heer, als gij haar nog niet gezien hebt, dan heb ik haar ook

niet gezien," antwoordde Sancho. "Men kan uit u niet wijs worden! Nu

spreekt gij zus, dan spreekt gij zoo, al naar 't u best past, en

meent, dat gij uwen schildknaap vrij de huid vol moogt liegen. Fop

je mij, ik fop je weer, zegt het spreekwoord; en dat heb ik ook al

vaak genoeg gedaan. Ik zeg u nu ronduit, dat ik noch uwe Dulcinea,

noch haar vader, noch een van hare familie ooit met mijne oogen gezien

heb,--en daarmee basta!"

"Sancho, Sancho," sprak Don Quichot, "met heilige dingen mag men niet

gekscheren. Hoe kunt gij dus zeggen, dat gij Dulcinea nooit gezien

hebt, daar gij mij zooveel van haar hebt verteld?"

"Wat ik vertelde, heb ik maar zoo van hooren zeggen gehad," antwoordde

de schildknaap.

Voordat de ridder antwoordde, bemerkte hij, dat hem een man met twee

muilezels voorbijkwam, die een ploeg trokken. Waarschijnlijk wou de

man naar den akker gaan en voor dag en dauw zijn arbeid beginnen,

en Don Quichot nam de gelegenheid waar, om bij hem naar Dulcinea's

woning te vernemen.

"Kunt gij mij ook zeggen, goede vriend," riep hij hem toe, "waar ik

hier ergens het paleis van de onvergelijkelijke prinses Dulcinea van

Toboso vind?"

De boer hield zijn span ezels stil en keek verwonderd op.

"Heer," zei hij na kort beraad, "ik ben hier zelf nog vreemd, daar

ik mij hier eerst voor korte dagen bij een boer als knecht verhuurd

heb. Als gij alles precies weten wilt, ga dan bij den pastoor,

die daar recht tegenover in dat groote huis woont. Evenwel kan ik

kwalijk gelooven, dat hier in het dorp eene prinses verblijf houdt,

ofschoon er vrouwen genoeg zijn, die binnen hare vier muren wel voor

prinsessen doorgaan kunnen."

Na deze woorden dreef de man zijne dieren weer aan en reed door,

terwijl Don Quichot hem verdrietig nakeek.

"Gestrenge heer," zeide Sancho tot den ridder, "de dag begint te

lichten en ik geloof niet, dat het goed is, dat wij ons hier vóór de

zon op straat laten vinden. 't Zou beter wezen, dat gij u hier in

den omtrek ergens in een boschje verborgen hieldt, terwijl ik geen

hoekje ondoorzocht wil laten, tot ik uwe prinses gevonden heb. Het

moest al vreemd toegaan, als ik haar niet eindelijk te pakken kreeg!"

"Uw raad bevalt mij, Sancho Panza," antwoordde Don Quichot na kort

nadenken. "Volg mij dus eerst tot buiten het dorp en keer terug om

haar te hooren, te zien en te spreken."

Van harte blij, dat hij zijn heer zoo gewillig vond, maakte Sancho,

dat hij buiten het dorp kwam, en hield eerst een heel eind daar vandaan

stil bij een boschje, waar Don Quichot zich tusschen de boomen schuil

kon houden, terwijl Sancho Panza onverwijld naar het dorp terugkeerde.

Toen de knaap echter zoo ver was, dat zijn meester hem niet meer

zien kon, liet hij zich doodbedaard van zijn ezel neerglijden, wierp

zich onder een boom in het malsche gras neer en hield de volgende

alleenspraak:

"'k Moest wel zot wezen, als ik naar prinsessen en paleizen ging

zoeken, die heel niet in de wereld zijn. Mijn heer moet gefopt worden

en zal gefopt worden. Zooveel is zeker, dat hij gek is, stapelgek, 't

eene ding voor het ander houdt en zwart voor wit, maar wit voor zwart

aanziet, zooals bij die windmolens, die schapenkudden en de hemel weet

waar meer zonneklaar gebleken is. De eerste de beste boerenmeid, die ik

te zien krijg, stel ik hem als prinses Dulcinea voor. Gelooft hij mij

niet, dan bezweer ik 't, en vloekt hij, dan bezweer ik 't weer en wil

't zoo lang bezweren, totdat ik hem eindelijk de baas word. Hij laat

mij dan òf later met zijne malle boodschappen ongemoeid, of misschien

denkt hij ook, dat de eene of andere toovenaar zijne prinses, om hem

te plagen, heeft omgehekst, en 't een is mij zoo lief als 't ander

en zal mij voortaan 't leven minder zuur maken."

Na die stichtelijke redeneering legde Sancho rustig zijn hoofd

neer, sloot de oogen en deed een dutje, dat tot den laten namiddag

duurde. Toen eerst besteeg hij zijn ezel weer en ging zijn meester

opzoeken. Zijn goed geluk wou, dat hij drie boerenmeiden inhaalde,

die op muilezels denzelfden weg reden, en nu was zijn plan dadelijk

ontworpen. Zijn grauwtje in draf zettend, was hij spoedig bij zijn

ridder en vond dien stijf te paard zittend, en luid zuchtend en

weeklagend over het lang uitblijven van zijn schildknaap.

"Nu, hoe is het, Sancho" vroeg hij, "moet ik dezen dag met een zwarten

of mag ik hem met een witten steen teekenen?"

"Met een witten, of nog liever met een vuurrooden," antwoordde Sancho

Panza. "Gij hebt uw Rocinante maar aan te sporen en den weg op te

rijden, om uwe aanminnige Dulcinea te zien. Zij komt daar met twee

van hare hofdames aandraven, om u een bezoek te brengen."

"Wat zegt gij daar?" riep Don Quichot half verschrikt. "Hoed u, hoed

u, Sancho, mij opzettelijk te misleiden, om door eene bedrieglijke

boodschap mijne diepe treurigheid in een snel vervliegend geluk

te verkeeren."

"Maar, heer ridder, wat zou 't mij baten, dat ik u trachtte te

bedriegen?" vroeg Sancho met een doodonnoozel gezicht. "Gij zoudt

dat bedrog immers in een ommezien ontdekken. Kom, kom, en spoor uw

ros, om uwe verheven gebiedster van aangezicht tot aangezicht te

aanschouwen. Och, wat is zij mooi, heer! Zij en hare staatsiedames

glimmen van klinkklaar goud, van juweelen, van parels en van

brocaat. Haar krullend haar blinkt in den zonneschijn en fladdert in

den wind. Zij rijden op drie telgangers, zooals ik ze mijn leven lang

nog niet gezien heb."

"Nu, dan willen we ons haasten, vriend Sancho," antwoordde Don

Quichot. "Heb dank voor de heuglijke tijding en maak er staat op,

dat ik u daar koninklijk voor beloonen zal."

Zij brachten hunne dieren in draf en zagen, uit het bosch komende,

de drie boerinnetjes reeds dicht voor zich. Don Quichot keek deze

echter nauwelijks aan, maar liet zijne oogen over den weg naar Toboso

rondgaan, om de schoone prinses Dulcinea met hare hofdames te zien

te krijgen. Met groote verwondering bemerkte hij echter, dat van

de drie geen spoor te ontdekken was, en vroeg dus zijn schildknaap,

of die haar reeds buiten het dorp had gezien.

"Wel zeker heb ik dat," zei Sancho Panza. "Heeft uwe edelheid dan

geen oogen in het hoofd en ziet de prinses niet, die daar aankomt,

schitterend als de zon en flikkerend als tienmaal honderdduizend

diamanten."

"Sancho Panza, ik zie niets dan drie boerenmeiden op drie magere

bonken van muilezels."

"Wel drommel en geen einde!" riep Sancho met geveinsde

verwondering. "Is het mogelijk, dat gij drie zulke juweeltjes

van paarden voor muilezels en uw hooge gebiederes voor eene boerin

aanziet? De rossen zijn spierwit, als versch gevallen sneeuw; en mijn

naam mag geen Sancho Panza wezen, als 't niet waarempel waar is."

"Ik zeg je evenwel," riep de ridder, "dat het drie ezelinnen en

drie boerenmeiden zijn, zoo waar als ik op Rocinante en jij op je

grauwtje zit."

"Zwijg stil, ridder, zwijg stil, genadige heer, en kijk beter uit de

oogen," zei Sancho. "Daar komt uwe dame al aan; rijd haar te gemoet

en betoon haar de verschuldigde achting en eerbied."

En zonder af te wachten, wat zijn heer doen zou, reed hij vooruit,

om de drie boerinnen te begroeten. Hij liet zich van zijn ezeltje

glijden, greep het paard van de zoogenaamde Dulcinea bij den teugel,

viel op beide knieën neer en sprak:

"Hooge en doorluchtige prinses, keizerinne der schoonheid, wilt gij

zoo goed wezen en uwen getrouwen ridder ontvangen, die daar, door uw

aanblik betooverd, als versteend staat en door uwe tegenwoordigheid

totaal is beteuterd? Ik ben Sancho Panza, de schildknaap, maar hij

is de wijdvermaarde en hoogbefaamde held Don Quichot van La Mancha,

Ridder van de Droevige Figuur."

Gedurende Sancho's deftige toespraak was ook Don Quichot naast

zijn schildknaap neergeknield en staarde verbaasd en verbijsterd

de schoone aan, die door zijn dienaar als prinses en keizerin werd

aangesproken. Daar hij nog altijd niets dan eene heel gewone en

daarbij nog vrij leelijke boerenmeid met platten neus en een mond

als een bakoven kon zien, geraakte hij zoo van streek, dat hij buiten

staat was ook maar een enkel woord over de lippen te brengen.

De boerinnen waren intusschen niet minder verlegen dan hij zelf. Eene

heele poos keken zij verbaasd op de knielende helden neer en wisten

niet, wat van Sancho's zotte toespraak te denken, totdat eindelijk

de vermeende Dulcinea het woord nam en vrij kribbig en boos riep:

"Loopt naar de maan en laat ons 't pad vrij! Wat hebben wij noodig

met al die malligheden!"

"O, bekoorlijke prinses en gebiederesse van Toboso," antwoordde Sancho

Panza, "wordt dan uw steenen hart niet verweekt door het leed van

den ridder aan uwe voeten?"

"Laat ons met vree, leelijke kerels!" schreeuwden de meiden. "Wij

doen geen mensch wat; wat heb je dan ons overlast aan te doen?"

"Sancho Panza, sta op!" beval Don Quichot op bedrukten toon. "Ik

zie wel, dat weer een ongelukkig gesternte boven mijn hoofd staat

en dat de bron van mijn lijden nog niet is opgedroogd. Gij echter,

aanbiddelijke Dulcinea, die, gelijk ik nu wel zie, door een snooden

toovenaar van uwe verrukkelijke schoonheid en aanminnigheid werdt

beroofd, buig u neder tot mij, verkwik en laaf mij door een zoeten

straal uit uwe oogen, en zie uit deze mijne kniebuiging, dat ik u

ten eeuwigen dage als mijne hooge gebiederesse vereeren zal."

"Die smerige ouwe vent is gek!" riep de meid, terwijl zij Sancho de

teugels van haar muilezel met geweld uit de handen rukte. "Laat los,

leelijke dikzak, en houd ons niet langer op met je dol gezanik."

Sancho Panza week op zij, en de boerendeernen zetten het nu dadelijk op

een draf. Zij waren echter niet ver, of daar kwam Dulcinea's ezel te

struikelen en wierp zijne berijdster af. Don Quichot schoot dadelijk

toe, om haar weer op de been te helpen; doch voordat hij nog bij haar

kwam, was zij weer opgesprongen, nam een aanloop, zette hare vuisten

op de achterschonken van haar rijdier, zat met een wip weer in den

zadel en galoppeerde voort, zonder ook maar eens naar den verbaasden

ridder om te zien. De dolende held tuurde haar na, tot zij uit zijn

gezicht verdwenen was, en keerde zich toen tot Sancho, met de woorden:

Don Quichot van La Mancha · 第 9 / 19 段