zakken en gaf dat een slag op den rug.
"Vlucht weg," riep hij dat toe, "vlucht weg, mijn edel ros! Ik geef
u uwe vrijheid weer, daar ik zelf in de boeien en banden van den
waanzin zal vervallen. Vlucht weg en dool als een rustelooze schim
in bosschen en wildernissen rond."
"Nu ja, van een schim begint Rocinante al vrij wat te krijgen, heer
ridder," zeide Sancho Panza; "maar toch reken ik 't beter, dat ik
maar op hem ga zitten en op zijn rug mijne reis naar uwe Dulcinea
aanvaard. Ik zal dan des te gauwer hier terug kunnen zijn."
"Goed, Sancho, doe, wat gij verkiest," antwoordde de ridder van de
droevige figuur. "Evenwel moet gij op zijn minst nog drie dagen in
mijne tegenwoordigheid blijven, om aan mijne uitverkorene te kunnen
berichten, wat ik al niet tot hare verheerlijking gedaan heb."
"Zal ik nog meer razende dolligheden zien, dan ik nu al gezien heb,
heer?" vroeg Sancho Panza verwonderd.
"O, ik zal er nog zooveel vertoonen, dat ge u van verbaasdheid de oogen
uit het hoofd kijkt," antwoordde de ridder. "Vooreerst moet ik, daar ik
nog niet weet, of ik in mijne dolheid Amadis van Gallië of den razenden
ridder Roland wil navolgen, mijne kleeren verscheuren, mijne wapens
te grabbel gooien, met mijn hoofd tegen de rots aanrennen en nog meer
dergelijke dingen uitvoeren, zoodat ge verbluft staat van wat ge ziet."
"Doe, wat ge niet laten kunt, edele heer," antwoordde de schildknaap;
"maar wees in 's hemels naam wat voorzichtig met dat met het hoofd
tegen de rots rammeien. De steenen zijn hard en hebben allerlei hoeken
en punten. Als ge toevallig op zoo'n punt te land kwaamt, kon 't met
alle malligheid op eens gedaan wezen. Zoo gij werkelijk oordeelt, dat
die kopstooten volstrekt noodig zijn, kondt gij, dunkt me, volstaan
met het hoofd in 't water te plompen of met vooraf een week, zacht
ding tegen de rots te plakken. Dan doet de stoot geen zeer, en ik
wil Dulcinea van Toboso er toch een relaas van geven, dat de haren
haar te berge rijzen. 't Is toch alles maar fopperij en malligheid,
edele heer!"
"Dan verkeert gij in een geweldige en betreurenswaardige dwaling,
vriend Sancho," antwoordde Don Quichot. "Al de dingen, die ik wil
uitvoeren, zijn geenszins malligheid, maar hooge, heilige ernst. Ik
zal koen en krachtig tegen de rotsen aanrennen, en 't zou dus niet
kwaad zijn, dat gij mij wat linnen tot het verbinden der daardoor
aan mijn hoofd toegebrachte wonden achterliet."
"Heer, al 't linnen is met den ezel naar de maan gegaan," verzekerde
de schildknaap. "Daarom verzoek ik u ook dringend, die gekheid van met
het hoofd tegen de harde steenen te loopen maar achterwege te laten
en u liever in te beelden, dat de drie dagen van razernij al voorbij
zijn. Ik voor mij wil aannemen, dat ik al uwe dwaze stukken gezien heb,
en zal de edele jonkvrouwe Dulcinea daar de ongeloofelijkste dingen
van vertellen. Schrijf den brief en laat het overige aan mij over."
Don Quichot gaf aan dit verstandig voorstel gehoor. "Gij hebt gelijk,
Sancho," zeide hij. "Doch hoe moeten wij 't aanleggen, om den brief
klaar te krijgen?"
"Ja, en 't papiertje, waarop ze mij de drie ezels moeten afgeven,"
voegde zijn schildknaap er bij.
"Juist, juist!" riep Don Quichot, "dat mogen wij niet vergeten. Ik zal
alles in mijn zakboek schrijven, en gij moet het dan door den eersten
den besten koster in het naaste dorp mooi en netjes laten kopieeren."
"Maar hoe moet het dan met de onderteekening?"
"De brieven van den grooten ridder Amadis van Gallië waren nooit
onderteekend," verzekerde Don Quichot.
"Voor den brief komt dat er ook zooveel niet op aan," zei Sancho;
"maar met het papiertje voor de ezels is dat anders gelegen. Daar
moet uw edelheids handteekening onder staan, of ze zullen mij als
een afzetter en bedrieger de deur voor den neus toesmijten."
"Dat is zoo," erkende Don Quichot, "en ik zal dus de lastgeving in
het dagboek zelf met mijn naam onderschrijven. Als mijne nicht dat
ziet, zal zij u de ezels gewillig afstaan. En onder den brief kunt
gij zetten: De uwe tot in den dood. Don Quichot van La Mancha, de
ridder van de droevige figuur.--Daar Dulcinea niet lezen kan, voor
zoover ik weet, zal zij met dat onderschrift volkomen tevreden wezen,
en dan heb ik haar ook nog maar pas een- of tweemaal gezien, omdat zij
door haar vader, Lorenzo Corchuelo, en hare moeder, Aldonza Nogales,
zeer streng wordt opgevoed."
"Ei, de dochter van Lorenzo, die dikke vette, is dat dus uwe hooge
en edele gebiedster?" vroeg Sancho Panza heel verwonderd.
"Ja, die is het, en zij verdient tot meesteresse van het gansche
heelal te worden verheven."
"O, haar ken ik wel," zeide Sancho Panza en lachte, dat zijn buik
schudde. "Dat is een meid van stavast. Zij gooit met knuppels zoo
goed als de beste jongen in het dorp, en kan haar mondwerk roeren,
dat iedereen voor haar wegloopt. Een stemmetje heeft ze als een
trompet, en ze is van top tot teen een echte, stevige, plompe
boerendeern. En ik, ezel, heb me altijd verbeeld, dat uwe hooge en
edele gebiederesse Dulcinea van Toboso heel wat bijzonders was, een
prinses of een koningin of zoo'n andere voorname hoogheid. Dat valt
me dan danig tegen! En 't is maar een geluk, edele heer, dat al de
lui, die ge in bloedige gevechten overwonnen hebt, niet naar haar toe
gegaan zijn. Die hadden uwe Dulcinea dan licht bij 't vlashekelen of
druk aan het dorschen gevonden, en zouden u in dat geval niet weinig
hebben bespot en uitgelachen."
"Sancho, ik zeg, dat gij een stomme ezel zijt!" riep Don Quichot
verstoord. "Mij behaagt mijne Dulcinea en in mijn oog is zij de hoogste
en edelste prinses op aarde. Zoo gij nog een woord ten haren nadeele
zegt, zal ik u mijne lans dwars door het lichaam boren."
"Goed, goed, ik heb er vrede mee, als uwe edelheid met zulk eene
schoonheid tevreden is," verklaarde Sancho Panza. "Schrijf nu den
brief maar en laat mij stilletjes mijns weegs gaan."
Don Quichot haalde zijn zakboek uit, ging op zij, bedacht zich lang
en schreef toen zijn brief aan Dulcinea van Toboso. Toen hij dien
klaar had, keerde hij tot zijn schildknaap terug en zeide, hem het
stuk te willen voorlezen, zoodat hij het in zijn hoofd had, ingeval
het geschrift onderweg door eenig ongelukkig toeval mocht verloren
gaan. Sancho Panza wilde daar echter niets van hooren.
"Schrijf mij den brief liever een maal of tien twaalf af," zeide hij,
"en maak er veilig staat op, dat ik al die afschriften trouw bewaren
zal. Dat voorlezen echter helpt niemendal. Mijne memorie is zoo zwak,
dat ik geen tien letters onthouden kan, en nog veel minder zoo'n
langen brief."
De ridder zag dus van zijn voornemen af en vergenoegde zich met op
een tweede blad van zijn dagboek de aanwijzing tot het uitleveren der
ezels te schrijven. Vervolgens vertrouwde hij die gewichtige papieren
aan zijn schildknaap toe, drukte hem op het hart, er toch vooral
goed op te passen, en gaf hem de verzekering, dat alles uitmuntend
afloopen zou, zoo hij ijverig in den dienst en stipt in de volvoering
van zijne taak was.
"Heb daar maar geen zorg voor, heer ridder," zeide Sancho. "Geef
mij uwen zegen, laat mij Rocinante bestijgen, en houd mij nu maar
niet langer op. Uwe dwaze stukken behoef ik niet te zien, daar ik
er zonder dat wel zooveel van zal vertellen, dat uwe meesteres er
versteld en verbijsterd van staat."
"En toch verlangde ik, dat gij althans een dozijn van mijne dolheden
met eigen oogen aanschouwdet," zeide Don Quichot. "Gij kunt dan
bezweren, dat gij mij in den staat van volslagen razernij hebt gezien,
en deze betuiging zal ontwijfelbaar een diepen indruk op de aangebedene
van mijn hart maken."
"Neen, neen, laat dat rusten," antwoordde Sancho. "Wij hebben nog
gewichtiger dingen af te doen. Wat, bij voorbeeld, zult gij te eten
krijgen in den tijd, dat ik weg ben? Teerkost heeft geen van ons
beiden meer."
"Maak u daar niet bezorgd over, mijn zoon," zeide Don Quichot. "Al
waren wij nog zoo ruim van mondvoorraad voorzien, toch zou ik daar
niets van aanraken. Ik zal mijn leven rekken met de kruiden, die hier
in de weide groeien en met de vruchten des wouds, want zoo verlangt
het de waanzin, waaraan ik mij prijs zal geven."
"Nu, dan wensch ik u smakelijk eten!" zeide Sancho. "Maar nog één
ding! Hoe zal ik de plaats weervinden, waar ik u nu verlaat? Ze
schijnt mij vrij wat afgelegen, en 't zou een leelijk ding wezen,
als ik weken lang omdwalen moest en u nergens weerom kon vinden."
"Prent u onder het rijden goed de merkteekens van den weg in het
hoofd," antwoordde Don Quichot. "Ik voor mij zal dezen omtrek niet
verlaten en tegen den tijd, dat ik u terug mag verwachten, de hoogste
toppen der omliggende bergen beklimmen, om naar u uit zien. Ook kunt
gij uw weg door boomtakken merken, die gij van tijd tot tijd in den
grond steekt, en de groene twijgen zullen u dan als zekere wegwijzers
in mijne nabijheid terugbrengen."
"Welaan, dat wil ik doen," riep Sancho en sneed al dadelijk een
voorraad takken af. Hierop verzocht hij den edelen ridder om zijn
zegen, nam onder heete tranen van hem afscheid, besteeg Rocinante
en aanvaardde zijn tocht. Hij was echter nog geen honderd passen ver
gereden, of hij keerde op een drafje weerom en riep:
"Luister, heer ridder! Daar valt mij in, dat het toch niet kwaad
zou wezen, dat ik althans één van uwe dolle stukken zag. Ik kan dan
met een goed geweten bezweren, dat gij wis en waarachtig stapelgek
zijt geworden."
"Ziet gij wel, dat ik gelijk had?" riep Don Quichot verheugd
uit. "Wacht maar, mijn zoon! Ik zal er u dadelijk een vertoonen."
Na deze woorden trok hij met den meest mogelijken spoed zijne kleeren
uit en hield niets aan zijn lichaam buiten het bloote hemd. Hierop
buitelde hij een paar malen over den kop, vertoonde allerlei gekke
bokkesprongen, ging op zijn hoofd staan, kortom, stelde zich zoo boven
alle beschrijving gek aan, dat Sancho Panza met de volste overtuiging
van zijns meesters dolheid weg kon rijden.
Terwijl Sancho Panza zijns weegs trok, staakte de ridder zijne
luchtsprongen en kopjebuitelingen en beklom eene hooge rots, om
daar bedaard te overleggen, of hij verder voor razenden Roland of
eenvoudig voor den smachtenden Amadis wilde spelen. Na lang, ernstig
nadenken besloot hij eindelijk zich Amadis tot voorbeeld te kiezen,
omdat hij daarbij noch zoo veel builen te vreezen, noch ook boomen
uit den grond te rukken en rotsen te vergruizelen had. Zoo kortte hij
zich dus den tijd met op de groene weide rond te kuieren, den zoeten
naam zijner Dulcinea in de schors der boomen te snijden en verzen te
maken, die in liefelijkheid alles overtroffen, wat nog ooit door een
menschenkind gedicht is.
HOOFDSTUK XII.
HOE DON QUICHOT UIT HET ROTSDAL BEVRIJDT WORDT.
Onderwijl reed Sancho Panza door de bosch- en bergstreken en kwam
al spoedig op den grooten heerweg uit. Dezen houdende kwam hij den
volgenden dag aan de herberg, waar hij eerst voor eenige dagen door
eenige reizigers zoo erg beet was genomen, en zoodra hij haar in het
oog kreeg, had hij een gevoel, alsof hij weer hoog in de lucht werd
opgegooid. Dus wilde hij hier liever maar niet pleisteren, alhoewel hij
juist tegen den besten tijd van den dag, tegen etenstijd namelijk,
in de nabijheid kwam. Zijne maag kwam echter tegen dezen zijnen
wil in opstand, en daar de mensch bijna altijd aan de eischen van
zijne maag moet gehoorzamen, zoo voldeed ook Sancho Panza aan hare
dringende aanmaning en reed regelrecht op de herberg toe, om haar
door eene warme soep en een duchtig stuk vleesch tevreden te stellen.
Juist toen hij in de deur trad, kwamen twee heeren naar buiten,
die hem terstond herkenden. De een sprak tot den ander: "Kijk eens,
heer pastoor, is dat niet Sancho Panza, die met den gekken ridder
Don Quichot op avonturen is uitgegaan?"
"Ja, waarlijk, hij is het," antwoordde de pastoor, "en hij zit op
den knol van zijn meester."
Die beide mannen waren, gelijk wij reeds geraden hebben, de pastoor
en de barbier uit Don Quichots dorp, die voor eenigen tijd met de
huishoudster van den dolenden ridder al diens mooie ridderboeken
verbrand en den ingang tot de bibliotheek dichtgemetseld hadden. Zij
naderden den schildknaap, en de pastoor, uiterst verlangend, om iets
van Don Quichot te vernemen, riep hem bij zijn naam en vroeg hem:
"Vriend Sancho Panza, waar is uw heer?"
De ondervraagde herkende de beide mannen op het eerste gezicht,
doch nam zich voor, hun van het verblijf en de lotgevallen van zijn
meester geen enkel woord te verklappen. Hij antwoordde dus kortaf,
dat zijn heer ergens een gewichtige zaak had in orde te brengen,
waarvan hem streng verboden was iets naders te zeggen.
"Nu, als de zaken zoo staan, vriend Sancho," sprak de barbier, die
terstond begreep, hoe het was, "als gij niet zeggen wilt, waar de
ridder zich ophoudt, dan moeten wij aannemen, dat hij door u vermoord
en geplunderd is geworden. Gij rijdt op zijn paard en gij moet dus
ook uw meester terugbezorgen, of 't zal leelijk met u afloopen."
"Ho, ho, maar zoo driftig niet!" riep Sancho Panza op barschen toon,
alhoewel de bedreiging van den barbier hem wel eenigszins ongerust
maakte. "Ik ben geen man, om andere eerlijke menschen dood te slaan,
en als gij mijn heer vinden wilt, zoek hem dan daarginder in het
gebergte, waar hij zich met veel kunst en knapheid stapelgek houdt."
Op verder navragen der beide heeren bracht hij hen nu bij de rij af al
de avonturen en dolheden van zijn meester over en voegde er bij, dat
hij was afgezonden, om aan de dochter van den boer Lorenzo Corchuelo
een brief over te brengen. De beide heeren hoorden dit bericht met
verwondering aan; want ofschoon zij Don Quichot een tamelijk hoogen
graad van gekheid toeschreven, moesten zij erkennen, dat wat zij nu
van zijne dollemansstreken vernamen, hunne stoutste verwachtingen
nog verre overtrof. Eindelijk verzochten zij Sancho, hun den brief
te toonen, dien de ridder aan zijne aangebedene Dulcinea van Toboso
geschreven had.
Sancho Panza tastte dadelijk in den zak, om aan hun verlangen te
voldoen, maar ontdekte tot zijn schrik, dat hij het boekje moest
verloren hebben. Hij werd doodsbleek van schrik, woelde en grabbelde
in al zijne zakken om en geraakte in zulk eene vertwijfeling, dat hij
haar en baard uitrukte en zich met beide vuisten zoo in het gezicht
sloeg, dat het bloed hem uit den neus sprong. De barbier en de pastoor
verwonderden zich natuurlijk zeer over zijn gedrag en vroegen hem,
waarom hij dan toch zoo tegen zijn eigen vleesch woedde.
"Daar is mij 't grootste ongeluk van mijn geheele leven
overkomen!" huilde Sancho. "Ik heb drie jonge ezels verloren, waarvan
ieder althans een gravenslot waard was."
"Ei! En hoe heeft dat zich toegedragen?" vroeg de barbier.
"Wel, doodeenvoudig," antwoordde Sancho. "Ik ben het zakboekje kwijt,
waarin de brief van mijn heer aan zijne Dulcinea en buitendien ook de
door hem eigenhandig onderteekende aanwijzing staat, dat zijne nicht
mij drie van de jonge ezels, die hij op stal heeft, moet uitleveren."
De pastoor troostte hem over dat verlies en beloofde hem, zijnen
heer te zullen bewegen eene tweede aanwijzing op de drie ezels af
te geven. Deze toezegging stelde den schildknaap ten volle gerust,
terwijl het verlies van den brief voor Dulcinea hem niet de koude
kleeren scheen te raken.
"Ik ken hem bijna van buiten, daar ik hem onder weg verscheiden malen
gelezen heb, en kan hem desnoods uit mijne memorie opschrijven,"
zei hij op onverschilligen toon.
"Toe dan, zeg hem ons voor," antwoordde de barbier. "Wij willen hem
dan later op papier brengen."
Bij deze uitnoodiging krabde Sancho zich verlegen achter de ooren
en gaf zich alle mogelijke moeite, om de woorden van het schrijven
in zijn geheugen terug te roepen. Hij trok daarbij nu het eene, dan
het andere been in de hoogte, keek nu naar de lucht en dan naar den
grond, scheen zich de nagels van de vingers te willen zuigen en riep
eindelijk in zijne verlegenheid:
"Hoort, mijne heeren, de drommel mag me halen, als ik nog veel van
den brief weet! Mij heugt alleen nog maar het begin en dat was:
Allerverhevenste en alleromgeperste gebiederesse!"
"Alleronbeperktste zal er gestaan hebben," zei de barbier lachend.
"Ja, ja, zoo was het vast," zeide Sancho; "en dan kwam verder: "De
verwonde, blauwgebeukte en slapelooze kust u de hand, onbekende en
ondankbare jonkvrouwe!" en zoo al voort tot aan het slot, dat was:
"De uwe tot den dood, Don Quichot van La Mancha, Ridder van de
Droevige Figuur."
De beide mannen lachten, dat de tranen hun over de wangen rolden,
en lieten zich den brief nog eenige malen herhalen. Sancho Panza vond
daar zelf pleizier in en vertelde buitendien nog eene menigte andere
geschiedenissen, zonder echter van het onbetaald gebleven gelag in
de herberg ook maar met een woord te reppen.
"Als mijn meester," zoo vervolgde hij, "zijne penitentie in het
rotsdal volbracht heeft, zullen wij terstond op weg gaan, om ons een
keizerschap of toch voor 't minst een koningschap te veroveren. Zoo
hebben wij het tusschen ons beiden afgesproken, en 't kan niet
anders, of het zal mijn heer met zijne ontzettende koenheid heel
licht gelukken, dit doel te bereiken. Als wij eenmaal zoover zijn,
dan wil mijn heer mij eene edele jonkvrouw tot gemalin geven en mij
tot gouverneur van een eiland benoemen, dat minstens zoo groot als
heel Spanje is."
Sancho kwam met deze ongerijmdheden met zooveel bedaardheid en
innerlijke overtuiging voor den dag, dat zijne beide toehoorders vol
verwondering de hoofden schudden.
"Hoever," fluisterde de pastoor den barbier toe, "hoever moet het
met Don Quichots waanzin gekomen zijn, dat hij ook het verstand van
dezen armen sukkel zoo deerlijk op hol kon brengen!"
Nochtans besloten zij, zich geen moeite te geven, om Sancho Panza
uit zijn droom te helpen. Zijne ziel werd er niet door in gevaar
gebracht, en zij zelven beloofden zich van zijne verdwaasdheid nog
vrij wat pret. Zij zeiden hem derhalve slechts, dat hij maar op
de gezondheid zijns meesters moest hopen, opdat die al zijne stoute
plannen en ontwerpen zou kunnen volvoeren en hijzelf mettertijd keizer
of aartsbisschop of wat anders heel hoogs en voornaams zou worden.
"Wat!" vroeg Sancho, "kan een dolend ridder ook aartsbisschop
worden? Wat heb ik, als zijn trouwe schildknaap, dan niet eene
belooning te wachten!"
"Wel zeker, gewoonlijk krijgen de schildknapen de eene of andere vette
prebende of toch ten minste eene goede kostersplaats," antwoordde
de pastoor.
"Welaan," verklaarde Sancho, zich vergenoegd de handen wrijvende,
"dan wil ik mijn meester daarheen leiden, waar 't voor hemzelf het
best is en hij mij de vetste happen kan toeduwen."
"Gij zijt een vroom man en een goed Christen, Sancho," sprak de
pastoor. "Doch 't wordt nu tijd, een middel uit te denken, om uw heer
van zijne onnutte boete af te brengen, en me dunkt, we stappen daartoe
hier de herberg binnen, om dat eens op ons gemak te bepraten. Kom,
vriend Sancho, wees onze gast bij den maaltijd."
Sancho's schrik voor de herberg was intusschen weer levendig geworden
en hij zei dus, dat zij maar moesten binnengaan; hij zelf zou zoolang
buiten wachten en hun later de reden zeggen, waarom hij van hunne
uitnoodiging geen gebruik kon maken. Evenwel zouden zij hem groot
pleizier doen, indien zij hem eene portie warm eten en Rocinante een
maaltje gerst buiten wilden zenden.
De beide mannen drongen na deze verklaring niet verder bij Sancho
aan, maar traden in de herberg. De barbier verzuimde echter niet, den
hongerige en zijn rijbeest al spoedig ruim van het noodige te voorzien.
Terwijl Sancho Panza in eenzaamheid zijn maal verteerde, overlegden de
pastoor en de barbier, op welke wijze zij het best hun doel bereiken en
Don Quichot van zijn dol opzet afbrengen konden. Na lang heen en weer
praten, kwam de pastoor op een denkbeeld, dat zoowel met des ridders
dweperij, als ook met hunne bedoelingen in volmaakte overeenstemming
was. Hij had namelijk den inval, zichzelf als eene dolende jonkvrouw
te vermommen, terwijl de barbier zich als stalmeester van de edele
dame in het pak zou steken. Zoo verkleed wilden zij Don Quichot gaan
opzoeken; de pastoor zou zich voor eene vervolgde, hulpbehoevende
edelvrouwe uitgeven en hem bezweren, haar te volgen en den smaad en
hoon te wreken, haar door een boozen, ondeugenden ridder aangedaan. Om
het geheim niet voor den tijd te verraden, wilde de pastoor eene
gelofte voorwenden, die haar verbood, zich te ontsluieren, voordat
Don Quichot haar tegen den valschen ridder recht had verschaft,
en hij vertrouwde ten volle, dat het op die wijze gelukken zou,
den krankzinnigen ridder naar zijne oude woonstee terug te brengen
en hem daar geheel van zijne kwaal te genezen.
Den barbier kwam dit plan zoo goed voor, dat hij terstond op de
uitvoering er van aandrong. Zij verzochten dus van de waardin een
vrouwenkleed en een hoofdkap met toereikend dichten sluier ter leen en
werden aan een en ander volgens hun wensch geholpen. De barbier echter
maakte zich een ontzettenden baard van een roodbruinen ossestaart,
waarin hij gewoonlijk zijn kam placht te steken. Op haar vragen vernam
de herbergiersvrouw, waartoe deze verkleeding eigenlijk moest dienen,
en nu begreep zij oogenblikkelijk, dat die gekke ridder haar gewezen
gast en de heer van dien geplaagden schildknaap moest zijn. Zij
vertelde den pastoor, wat toenmaals was voorgevallen, en verzweeg
ook niet het geringste van wat Sancho Panza zoo zorgvuldig verborgen
had gehouden.
Hierop verkleedde zij den pastoor met zooveel zorg, dat hij zichzelf
bijna niet herkend zou hebben. Zij trok hem een lakenschen rok
aan, die met breede zwartfluweelen strooken bezet was, gaf hem een
groenfluweelen rijglijf en wou hem ook nog het haar kappen, zooals de
vrouwen gewoon zijn, dat te doen. Dit laatste liet de brave man evenwel
niet toe, maar hij bedekte zijn hoofd met eene witte linnen slaapmuts
en bond daar een sluier aan, die zijn baard en zijn geheele gezicht ten
volle bedekte. Daarop drukte hij zich zijn grooten breedgeranden hoed
diep in de oogen, wierp een langen mantel om en ging, op vrouwenmanier,
dwars op zijn muildier zitten. Ook de barbier met zijn roodbruinen
langen baard besteeg zijn ezel, en zoo zeiden zij de wakkere waardin
vaarwel en gingen bij Sancho, die over de wonderlijke toetakeling
der beide eerzame mannen lachen moest, dat zijn buik er van schudde.
Terwijl zij nu den weg naar het gebergte insloegen, begreep de
pastoor, dat het in den grond nergens toe diende, dat zij nu reeds
hunne verkleeding droegen, en besloot dus die vooreerst af te
leggen en eerst weder aan te nemen, als zij in de nabijheid van de
schouwplaats hunner daden en van Don Quichots dwaasheid zouden zijn
aangekomen. Dit geschiedde, en in zeer vroolijke stemming vervolgden
zij hierop hunnen tocht.
Den volgenden dag kwamen zij aan de plaats, waar Sancho Panza de
boomtakken in den grond had gestoken, om hem tot wegwijzers te
dienen. Hier vonden zij een lustig gezelschap van personen, die,
naar het scheen, eene reis door het gebergte hadden gedaan. Het
bestond uit drie heeren en eene dame van buitengewoone schoonheid.
Sancho Panza haastte zich vooruit, om voorloopig naar zijn heer om
te zien; doch de pastoor liet zich in een gesprek met de reizigers
in en vertelde op hunne vraag, hoe hij hierheen kwam, alles wat hij
van Don Quichot wist, van zijne wonderbaarlijke dwaasheid en van zijn
waanzinnig besluit, om in een rotsdal van het gebergte den razenden
Roland of den smachtenden Amadis van Gallië te spelen.
De jonge dame had dit verhaal onder veel lachen aangehoord, en daar
zij van een zeer vroolijken en spotzieken aard was, wist zij hare
begeleiders over te halen, den braven pastoor in zijn goed werk te
ondersteunen en den dollen ridder van La Mancha eens eene heilzame
poets te helpen spelen.
"Ik wil de vervolgde jonkvrouw voorstellen," zeide zij, "en kan die rol
recht natuurlijk spelen, daar ik toevallig eenige kleeren bij mij heb,
die daarbij uitmuntend te pas kunnen komen. Ook weet ik zeer goed, hoe
dergelijke dames in de riddergeschiedenissen doorgaans spreken en zich
aanstellen, en dus twijfel ik niet, of de grap zal kostelijk gelukken."