Op eens hield Don Quichot zijn ros staande, want zie, de onschuldige

oorzaak van het zoo geducht alarm, dat hen den halven nacht in onrust,

vrees en spanning had gehouden, lag daar open en bloot voor hen. Dat

waren namelijk de zes stampers van een pletmolen, die, door de

kracht des waters gedreven, door hunne slagen den omliggenden grond

in voortdurende trilling en schudding hielden.

Toen Don Quichot zich hiervan ten volle overtuigd had, werd hij bleek

van teleurstelling en ergernis. Hij liet het hoofd op de borst zinken

en schaamde zich zoo, dat hij liefst dadelijk in den grond zou zijn

weggezonken. Sancho Panza daarentegen barstte in zulk een luid en

schaterend lachen uit, dat hij zich onmogelijk op de been kon houden,

maar als een meelzak neerplofte en zich in het gras rondwentelde van

pleizier. Dit kluchtig gezicht verdreef eindelijk ook des ridders

mismoedigheid, zoodat de diepe rimpels van zijn voorhoofd verdwenen

en hij zelf hartelijk meelachen moest.

Zoodra Sancho Panza dit bemerkte, ontwaakte zijn overmoed en deed

hem de vrijheid nemen met zijn heer den spot te drijven door alles,

wat die in de verwachting van een groot gevaar tot hem gesproken

had, onder schaterend lachen te herhalen. Deze bespotting verdreef

nochtans weder de blijmoedige stemming van zijn heer en maakte dezen

zoo verbolgen, dat hij zijne lans ophief en zijn schildknaap een paar

slagen over de schouderbladen gaf, die aan zijn ondeugenden spotlust op

eens een einde maakten. Hij stond op en nam zijne vroegere onderdanige

en bescheiden houding weder aan.

"Vergeef mij, gestrenge heer," zeide hij; "ik gekte maar wat."

"Nu, al gekt gij, knaap, zoo houd ik toch niet van gekken," antwoordde

de ridder. "Daar gij uwe straf nu reeds bekomen hebt, zal ik u uw

onbehoorlijk gedrag echter voor ditmaal vergeven."

Intusschen begon het een weinig te regenen, en Sancho Panza betoonde

grooten lust, een paar uren in den pletmolen te schuilen. Zijn meester

had echter zulk een afkeer gekregen van het gebouw, dat hem op eene

zoo belachelijke wijze gefopt had, dat hij voor Sancho's voorstel

geen ooren had, maar zijn tocht onverwijld voortzette. Hij keerde zich

rechts en kwam op een weg, dien hij tot hiertoe nog niet betreden had.

Het duurde niet lang, of hij kreeg een man te paard in het oog,

die een blinkend ding op het hoofd droeg, dat in de hoogste mate Don

Quichots aandacht trok. Zoodra hij het gezien had, keerde hij zich

tot zijn schildknaap om en zeide:

"Sancho, het noodlot maakt alle teleurstelling goed, die ons zoo

bitter heeft verdroten. Zie, daar komt ons een man te gemoet, die op

zijn hoofd den helm van een hoogberoemden held, den ridder Mambrino,

draagt."

"Als ge u maar niet vergist, gestrenge heer!" antwoordde Sancho

Panza. "Wees niet al te voorbarig!"

"Gij schandelijke twijfelaar! Hoe zou ik mij op helderlichten dag

zoo kunnen vergissen?" riep de ridder, wiens hoofd weer op hol begon

te raken. "Ziet gij dien ridder op zijn appelschimmel niet? Ziet gij

den gouden helm op zijn hoofd niet?"

"Och, ik met mijn dom verstand zie niets dan een man op een grauwen

ezel, die veel van den mijnen heeft," was het koele antwoord. "Wel

heeft hij een blinkend ding op zijn hoofd, dat ik niet recht

onderscheiden kan; maar een helm is het zeker niet."

"Het is de helm van Mambrino, domkop!" schreeuwde Don Quichot. "Ga op

zij, kerel, en laat mij met dien ridder alleen. Weldra zult gij zien,

dat ik met hem kampen en den helm veroveren zal."

"En toch is het geen helm," bromde de schildknaap.

"Hondsvot, rekel, zwijg!" riep Don Quichot vol woede. "Als gij nog

een woord spreekt, zweer ik u de ziel uit het lijf te beuken."

Door deze bedreiging verschrikt, vond Sancho 't maar het verstandigst,

op zij te gaan en geen mond meer open te doen.

Er lagen daar in den omtrek twee dorpen, die te klein waren, om er

ieder een eigen barbier op na te houden. Daarom bediende dan ook

maar één scheerbaas beide plaatsen en ging op zijn grauwtje bij zijne

verschillende klanten rond. Dit was ook heden weer het geval en, om

zijn nieuwen hoed tegen de regendroppels te beschutten, had de goede

man zijn geelkoperen scheerbekken daar bovenop gezet. Dat bekken, blank

geschuurd, blonk van verre als een spiegel en werkte zoo levendig op

des Dons ziekelijke verbeelding, dat alles, als gewoonlijk, in zijn

oog eene herschepping onderging, dat hij een grauwen ezel voor een

appelschimmel hield en een ridder met gouden helm zag, waar daar in

werkelijkheid niets van bestond.

In zijne dolle verblinding stoof Don Quichot dan nu ook op den aan

geen kwaad denkenden baardschrabber aan en richtte in vollen ren zijne

lans op hem met het vaste voornemen, om hem met de scherpe punt zonder

genade door en door te priemen. Eerst toen hij al heel dicht bij was,

schreeuwde hij hem toe: "Verweer u, roover en dief! of sta af, wat

u niet toekomt!"

De arme, verschrikte barbier wist geen ander middel om den dreigenden

lansstoot te vermijden, dan dat hij zich maar terstond van den ezel

liet vallen. Dit deed hij, en nauwelijks had hij met zijne volle

lengte den bodem gemeten, of hij sprong weer op, nam, gelijk men dat

noemt, zijne beenen onder den arm en zette het op een loopen met eene

snelheid, dat een stormwind hem bezwaarlijk zou hebben ingehaald.

Don Quichot liet hem loopen, zonder aan eene vervolging te denken;

want bij den val was den verschrikten barbier zijn bekken van het hoofd

gevlogen en lag nu als goud in de zon te blinken. Don Quichot beval

zijn schildknaap, den helm op te nemen, en Sancho Panza gehoorzaamde,

terwijl hij zeide: "Waarachtig, een heel goed scheerbekken, en onder

broeders zijne acht realen waard."

Met deze woorden reikte hij het bekken aan Don Quichot over, die

het terstond op zijn hoofd zette en omdraaide, om het vizier te

vinden. Wijl dit er nu niet was, vond hij het ook niet en zeide:

"Die held Mambrino moet een geweldig dik en groot hoofd hebben! Jammer

maar, dat de helft van den helm ontbreekt!"

Toen Sancho Panza zag, dat zijn meester nog altijd hardnekkig bij

zijne verbeelding bleef, kon hij toch onmogelijk het lachen laten en

proestte het hardop uit.

"Waarom lacht gij?" vroeg Don Quichot dadelijk.

"Ei," antwoordde de schildknaap, "ik lach, als ik mij den dikken kop

voorstel, die onder dat barbiersbekken moet gezeten hebben."

"Sancho, gij spreekt onverstandig!" zeide de ridder op berispenden

toon. "Ik wil u zeggen, hoe ik over dit wapenstuk denk. Stellig zeker

is de helm eens door een of ander toeval in de handen van een mensch

gekomen, die er den prijs niet van wist te waardeeren en, zonder te

weten wat hij deed, de helft er van smolt, om er geld van te maken,

maar de andere helft tot een ding misvormde, dat misschien wel wat

op een barbiersbekken lijkt. Dat zal mij echter niet beletten hem in

eere te houden, en zoodra wij bij eene smederij komen, wil ik hem zoo

laten opknappen, dat hij zelfs den krijgshelm zal overtreffen, dien

Vulcanus, de god der smeden, voor Mars, den oorlogsgod, vervaardigd

heeft. Tot zoo lang wil ik hem dragen, gelijk hij is; want in allen

gevalle is hij beter dan in 't geheel niets en kan hij mij desnoods

tegen een steenworp dekken."

"Als die maar niet uit een slinger komt," merkte Sancho spotachtig

aan. "Maar wat moet nu met het beest gebeuren, dat uw edelheid voor

een appelschimmel gelieft te houden? Het is niet te denken, dat de

eigenaar er van terugkomt, en, bij mijn baard, het is zoo kloek en

krachtig, dat het mij bevallen zou, zelfs als 't mijn eigendom was."

"Gij moogt het u niet toeëigenen," antwoordde Don Quichot. "Het zou

onedel zijn, een overwonnene te berooven. Laat daarom den appelschimmel

stilletjes staan."

"Nu, als ik hem niet met huid en haar mag nemen, wil ik toch zijn

zadeltuig voor mijn dier meepakken," mompelde Sancho Panza en ging

dadelijk tot dezen ruil over, zonder dat zijn gestrenge meester

daar iets tegen inbracht. Hij knapte nu zijn eigen ezel netjes op,

zoodat hij er tienmaal fraaier dan vroeger uitzag, en volgde toen

op een sukkeldrafje zijn heer, die reeds een tamelijk eind vooruit

was. Rustig trokken zij nu met elkaar voort en lieten aan Rocinante

over zijn eigen weg te zoeken. Rocinante bleef op den grooten rijweg,

zeker omdat die hem de gemakkelijkste toescheen.

HOOFDSTUK X.

HOE DON QUICHOT EENIGE ONGELUKKIGEN IN VRIJHEID STELT EN WAT HEM

VERDER OVERKOMT.

Ongeveer een uur waren onze beide helden, in vertrouwelijke gesprekken

verdiept, huns weegs getrokken, toen Don Quichot toevallig zijne

oogen opsloeg en van verre twaalf menschen zag aankomen, die aan

handen en voeten met ijzeren kettingen geboeid schenen. Twee mannen

met geweer en twee anderen met pieken en sabels gewapend gingen te

voet bij hen aan. Hij maakte daar Sancho opmerkzaam op, en deze zeide:

"Het is een koppel galeislaven, die tot dwangdienst voor den koning

naar de haven worden geleid."

"Wat, tot dwangdienst?" riep Don Quichot verontwaardigd uit. "Doet

de koning zelf zijnen onderdanen dwang en geweld aan?"

"Dat zeg ik niet," sprak Sancho. "Die menschen zijn boosdoeners,

die tot straf voor hunne misdaden tot de galeien veroordeeld zijn."

"In allen gevalle gaan zij dus niet uit vrije verkiezing, maar

gedwongen daarheen?"

"Ja, zoo is het," zeide Sancho.

"Welaan, ik zal mijn plicht doen en den ongelukkigen hulp en bijstand

verleenen," sprak Don Quichot.

"Maar in 's hemels naam, bedenk toch, edele heer, dat de gerechtigheid,

en dus in zeker opzicht de koning zelf, die menschen tot hunne straf

heeft veroordeeld," riep Sancho angstig.

Don Quichot luisterde niet naar deze verstandige voorstelling,

en de koppel galeiboeven kwam nader. De ridder wendde zich tot de

wachters en verzocht die in beleefde bewoordingen wel zoo goed te

willen zijn, de redenen op te geven, waarom zij die arme menschen

geboeid meesleepten. Een der wachters antwoordde kortaf, dat het

schelmen en gauwdieven waren, die naar de haven werden gebracht,

en dat hij daar verder zijn nieuwsgierigen neus niet in had te steken.

Dit onheusche antwoord verdroot den dolenden held in hooge mate; maar

toch hield hij zich nog in en vroeg beleefd: "Niettegenstaande dat

wensch ik van ieder dezer menschen in het bijzonder de oorzaak van

zijn ongeluk te vernemen, en ik hoop en vertrouw, dat gij, heeren,

mij daarin niet hinderlijk zult zijn."

Lachend werd hem de gevraagde vergunning gegeven, en Don Quichot vroeg

den eersten den besten van den troep, hoe hij in zijn ongelukkigen

toestand was geraakt.

"Dat moogt gij gerust weten," antwoordde de kerel. "Kijk, ik was op

een mand met schoon linnen verliefd geraakt en hield die zoo stevig

gepakt, dat ik haar eerst losliet, toen de strenge hand van de politie

mij daartoe dwong. Zij hielden mij vast, gaven mij een goed getelde

honderd op den rug en nu brengen ze mij naar de galeien, om mij daar

drie jaren lang vrij kost en logies te geven."

"En waarom zijt gij geboeid, vriend?" vroeg Don Quichot aan den

tweeden uit den troep.

"Omdat ik een paar schapen heb gestolen en stom genoeg was schuld te

bekennen. Dat was ezelachtig dom van mij; want ik had evengoed Neen

kunnen zeggen."

"Dat is waar," zeide Don Quichot en vroeg den derden naar zijn

vergrijp.

"Ik moet naar de galeien, omdat mij tien dukaten te kort kwamen,

juist toen ik die noodig had," antwoordde de schelm.

Don Quichot vroeg verder, tot hij bij den laatsten van het edele

gezelschap kwam. Dit was een kloek, knap man van om de dertig jaren,

die geen ander gebrek had, dan dat hij wat heel erg scheel zag. Zijne

boeien waren veel zwaarder dan die der overigen, en op zijne navraag

vernam de ridder, dat hij wegens vele en zware misdaden tot levenslange

galeistraf was veroordeeld. Hij heette Gines van Pasamonte en stond

als de ergste en sluwste gauwdief van geheel Spanje te boek.

Nadat de edele ridder zoo van alles, wat hij weten wou, nauwkeurig

onderricht was, wendde hij zich weer tot de wachters en zeide:

"Mijne heeren, ik bid u uiterst beleefd deze arme menschen zonder

verwijl van hunne boeien te ontdoen en hen vrij en ongehinderd te laten

gaan, waarheen 't hun goeddunkt. Zij hebben zich wel aan eenige kleine

verkeerdheden schuldig gemaakt, maar daarom kunnen zij nog altijd goede

en brave menschen zijn. Laat hen goedwillig los, zeg ik, of reken er

op, dat ik u daar met deze lans en dit zwaard toe zal dwingen."

De wachters lachten hardop.

"Ge schijnt mij een rare snaak toe!" riep hun aanvoerder. "Maak,

dat je wegkomt, zet je scheerbekken terecht en bemoei je voortaan

niet met dingen, die je geen zier aangaan!"

"Gij vlegel, gij onbeschaamde rekel!" schreeuwde Don Quichot vol

woede, en rende met zooveel geweld op den wachter in, dat deze geen

tijd vond, om zich te weer te stellen, maar terstond op den grond

lag. De lans was hem bijna midden door het lichaam gegaan. Een

oogenblik stonden de overige wachters door deze koene daad als

verbijsterd; maar toen rukten zij hunne zwaarden uit de scheeden,

tastten naar hunne verdere wapens en keerden zich tegen Don Quichot,

die hun aanval met veel koelbloedigheid afwachtte. Niettegenstaande

dit zou het slecht met hem zijn afgeloopen, zoo niet de gevangenen

zich dit plotseling ontstaan tumult hadden ten nutte gemaakt om hunne

boeien te verbreken en zich in vrijheid te stellen. Het gevolg was,

dat de wachters niet recht wisten, waarheen zij zich het eerst wenden

moesten, en zich dus deels tegen Don Quichot verweerden, deels op

de vluchtende gevangenen wierpen, en zoo met verdeelde krachten

weinig konden uitrichten. Sancho maakte onderwijl de zware ketens

van Gines van Pasamonte los. Zoodra deze handen en voeten vrij had,

greep hij sabel en buks van den gevallen wachter op, welke laatste hij,

zonder vuur te geven, nu op dezen dan op genen aanlegde. De dreigende

houding van het geweer boezemde den wachters meer schrik in, dan al

Don Quichots vechtkunst. Toen nu eindelijk de ontboeide gevangenen

hen met een hagelbui van steenen begonnen te overstelpen, wisten zij

geen raad meer en zochten hun eenige en laatste heil in de vlucht.

Hoe blij ook, dat zij hunne piek schuurden, kon Sancho Panza toch

niet zonder bezorgdheid aan de mogelijke gevolgen van dit avontuur

denken. Hij zocht zijn heer aan het verstand te brengen, dat de

wachters ongetwijfeld dadelijk alarm maken, versterking halen en alsdan

de misdadigers vervolgen zouden, waarom het maar het best zou zijn,

dat zij beiden zich stilletjes uit de voeten maakten en de wijk naar

het nabijgelegen gebergte namen.

"Zwijg stil!" voegde Don Quichot hem barsch toe. "Ik weet best,

wat mij in dit roemrijk geval te doen staat."

Hij riep de galeiboeven in zijne nabijheid, deed hen een kring sluiten,

hield eene lange toespraak en verlangde van hen, dat zij zich naar

Toboso begeven en zijne schoone Dulcinea van hunne bevrijding bericht

brengen zouden.

"Hoor, uwe edelheid," gaf Gines van Pasamonte in naam der overigen tot

antwoord, "daar is geen denken aan, want als wij ons niet schielijk

naar al de windstreken verstrooiden, zou men ons al gauw weer bij de

lurven hebben gepakt. Heb overigens dank voor de ons bewezen goede

diensten, en wees hiermee vriendelijk gegroet."

"Hoe is dat, ondankbare snoodaard?" vroeg Don Quichot ten hoogste

verontwaardigd. "Zoo weigert gij dus den heiligen plicht der

dankbaarheid te vervullen? Wacht, man, dan zal ik je toonen, met wien

gij te doen hebt."

Gines van Pasamonte, die al van den beginne had gemerkt, dat het

met het verstand van den edelen ridder niet recht in den haak moest

wezen, wenkte zijne kameraden hem te volgen, en bracht hen een eind

ver achteruit. Van daar, op veiligen afstand, deden de schelmen nu

zulk een dichten regen van steenen op den grootmoedigen ridder en

zijn schildknaap neerkletteren, dat de eerste zich moeielijk met zijn

schild konde dekken, terwijl de laatste in aller ijl achter zijn ezel

wegkroop. De bui duurde voort, tot eenige keisteenen den armen Don

Quichot zoo gevoelig raakten, dat hij in den zadel waggelde en in zijne

kletterende wapenrusting ter aarde stortte. Pas lag hij daar weerloos,

of Gines van Pasamonte was bij hem, rukte hem het scheerbekken

van het hoofd, bracht hem een paar moorddadige houwen toe en sloeg

den zoogenaamden helm bijna in stukken. De overigen trokken hem den

wapenrok, dien hij over het harnas droeg, uit en zouden hem ook zijn

broek hebben ontstolen, indien de stevig vastgegespte dijplaten zijner

rusting hun dat niet hadden belet. Sancho Panza moest insgelijks zijn

bovenkleed afstaan en mocht blij zijn, dat men hem zijn wambuis liet,

waarna de dievenbende zich links en rechts verstrooide, om niet weer

opnieuw in de klauwen der straffende gerechtigheid te geraken.

Don Quichot en Rocinante benevens Sancho en zijn grauwtje bleven alleen

op het slagveld achter. De ezel stond daar als in droefgeestig gepeins

en schudde van tijd tot tijd zijne ooren, alsof 't hem verwonderde,

dat de hagelbui, die ook hem niet weinig pijnlijk getroffen had, nu

toch voorbij was. Rocinante lag bij zijn heer op den grond en stak al

zijne vier pooten in de lucht. Sancho Panza beefde van angst en woede,

en de edele ridder van La Mancha smeekte de wraak des hemels af over

de schelmen en gauwdieven, die hem zoo schandelijk en verregaand

ondankbaar behandeld hadden.

HOOFDSTUK XI.

SANCHO PANZA VERLIEST ZIJN EZEL EN DON QUICHOT SPEELT VOOR GEK.

Toen de edele ridder van La Mancha weer eenigermate van de werking

der zware steenworpen bekomen was, sprak hij:

"Sancho Panza, altijd heb ik gehoord, dat men een nutteloos en

vergeefsch werk doet, als men aan 't gemeene volk weldaden bewijst. Die

schurkachtige gevangenen hebben mij met den snoodsten ondank beloond,

en dit zal ons leeren ons nimmer weer met soortgelijk gespuis in

te laten."

"Nu, ik wil hopen, dat gij eindelijk door schade en schande wijs

wordt," antwoordde Sancho Panza. "Voorts is 't maar best, dat wij

ons zoo spoedig mogelijk uit de voeten maken. De politie heeft voor

dolende helden bitter weinig ontzag en zou, als zij u in handen

kreeg, aan uwe ridderschap spoedig een treurig einde maken. Zie,

dat gij weer op Rocinante komt, en laat ons vluchten."

"Gij zijt een bloodaard, Sancho! Toch wil ik voor ditmaal aan uw

verlangen toegeven en mij in de Sierra Morena begeven, in de hoop,

dat het ons daar geen dag aan avonturen ontbreken zal."

Sancho was van harte blij, dat hij zijn zin kreeg, en ging dadelijk

zijn best doen om eerst Rocinante en toen ook zijn meester weer op

de been te helpen. Gelukkig had hij zijn broodzak aan de handen der

roofzuchtige spitsboeven weten te onttrekken en kon dus zich zelf en

zijn heer een stevige hartsterking voorzetten. Hierop bestegen beiden

hunne dieren en kwamen nog voor den donker midden in de Sierra Morena,

waar zij in een eng rotsdal onder eenige zware, lommerrijke boomen

hun nachtleger opsloegen.

Nauwelijks lagen onze twee helden daar vast in slaap, of hun

ongelukkige gesternte wilde, dat de schelmachtige Gines van Pasamonte

toevallig dienzelfden weg langs kwam. Uit vrees voor den straffenden

arm der gerechtigheid was ook hij in de Sierra Morena zijn heil komen

zoeken en, vooral ter wille van den ezel, niet weinig verheugd,

hier zoo geheel onverwachts zijne beide bevrijders te vinden. Met

alle omzichtigheid sloop hij nader, maakte zich van des schildknaaps

langoor meester, ging daar op zitten en voerde zijn buit weg, zoo

hard als het dier maar loopen wou. Den volgenden dag was hij reeds

uren ver van de beroofde twee verwijderd.

De zon kwam zich tot verkwikking van al, wat leeft en ademt, boven de

kim vertoonen, doch ditmaal niet tot blijdschap van den armen Sancho

Panza, die door haar helder licht al spoedig onderricht werd van het

zware verlies, dat hij in den loop van dien nacht geleden had. Hij

vervulde de lucht met zijne jammerklachten en huilde zoo geweldig, dat

ook zijn meester ontwaakte en naar de oorzaak van dat klaaglied vernam.

"Ach," lamenteerde de knaap, "ach, mijn grauwtje is weg, mijn hartelap,

mijn suikerpop, de oogappel van mijn vrouw, de doorn in 't vleesch

van al mijne buren, de steun van al mijne lasten!"

"Kom, kom, Sancho, bedaar, man!" trooste de ridder zijn weeklagenden

dienaar; "gij zult voor den verloren ezel drie van de vijf hebben,

die ik bij mij thuis op stal heb staan. Ik zal u daar een papier van

geven en gij zult ze zelf halen. Nu kom en laat ons zorgen, dat wij

dieper in het gebergte komen."

De goede Sancho trooste zich en dankte zijn meester voor de

grootmoedige toezegging. Hierop braken zij op en vervolgden hunne reis.

Hoe dieper Don Quichot in de wilde bergstreek doordrong, des te meer

verblijde zich zijne ziel, terwijl hij zich al de wonderbare daden en

avonturen voor den geest riep, welke dolende ridders vóór hem in zulke

woestijnen en wildernissen volvoerd en beleefd hadden. Hij verzonk zoo

diep in gepeins, dat hij geen woord sprak en de tijd den armen Sancho,

die pruttelend achter hem aan sjokte, danig lang begon te vallen. Hij

had bijster gaarne eens een woordje gepraat, doch waagde niet een

gesprek aan te vangen uit vrees, dat hij zijn heer hierdoor beleedigen

zou. Ten laatste werd het hem echter toch al te erg en besloot hij,

op elk gevaar af, aan dat vervelende zwijgen een einde te maken.

"Heer," begon hij, "ik verzoek u dringend, mij mijn afscheid te geven

en stilletjes naar huis te laten terugkeeren. Thuis kan ik althans met

vrouw en kinderen praten, als ik daar lust toe voel; maar hier in de

wildernis moet ik als een gek achter Rocinante aansukkelen en krijg

geen woord te hooren, en dat noem ik dood wezen bij levenden lijve."

"Sancho Panza," antwoordde de ridder, "daar is raad voor, want weet,

dat ik juist van plan ben, eene daad te verrichten, die mij tot

den beroemdsten ridder moet maken, dien de aardbodem ooit gedragen

heeft. En daartoe heb ik uwe medewerking noodig."

"Is er gevaar bij, heer ridder?" vroeg Sancho Panza.

"Neen; met gevaar is de daad niet verbonden. Echter hangt alles van

uwe werkzaamheid af."

"Van mijne werkzaamheid?" vroeg Sancho verwonderd.

"Zeker, mijn zoon," luidde des ridders antwoord, "want weet, dat, zoo

gij schielijk van de plaats, waarheen ik u zenden zal, terugkeert,

gij den tijd van mijn lijden zult verkorten, en dat dan mijn triomf

een aanvang zal nemen. Ten einde gij echter in staat moogt zijn,

mij te verstaan, moet ik u zeggen, dat vóór tijden de beroemde Amadis

van Gallië een der beste, dapperste dolende ridders was, en dat hem

na te volgen mij tot onvergankelijke eer moet strekken. En dit moet

geschieden ten opzichte van de beste daad, die van hem verhaald

word. Toen namelijk de schoone Oriana hem versmaad had, begaf hij

zich naar de wildernis, deed boete en kastijdde zich en noemde zich

gedurende dien tijd Beltenebros."

"Maar, gestrenge heer, gij wordt toch niet door uwe Dulcinea

versmaad?" zeide Sancho Panza.

"Dat is juist de zaak waar het op aankomt, Sancho," antwoordde Don

Quichot; "want versta mij wel: dat een dolend ridder om goede redenen

dol en razend wordt, dat is niet de moeite waard, dat men er over

praat. De groote kunst is, zonder grond of oorzaak dol te worden,

en van deze kunst wil ik blijk geven. Gij echter, Sancho, moet u naar

mijne aanbiddelijke meesteres Dulcinea van Toboso begeven en haar een

brief overbrengen, die haar van mijn waanzin onderrichten moet, opdat

zij de sterkte van mijne vereering en aanbidding leere waarderen."

Sancho Panza wist niet, wat hij op deze dollemanspraat zeggen

moest. Hij schudde het hoofd en stapte zwijgend nevens Don Quichot

voort, totdat zij aan den voet van een hoogen rotskegel kwamen, die

rondom met naakte wanden van graniet omgeven was. Daar borrelde eene

heldere bron uit op en rondom breidde zich een groen graskleed uit,

dat met bonte bloemen sierlijk getooid was. Deze plaats scheen den

edelen ridder tot volvoering van zijn avontuurlijk opzet uiterst

geschikt toe, en hij besloot hier zijne dolle razernij maar terstond

den vrijen teugel te vieren.

"Ha, ha!" riep hij met bulderende stem, alsof hij op eens stapelgek

was geworden, "ha ha! dit is dus de plaats, waar ik mijn ongeluk wil

beschreien. Ha, ha! dit is de plaats, waar mijn tranen dit beekje

tot een schuimenden bergstroom zullen doen aanzwellen. Ha, ha! dit

is de plaats, waar ik zuchten ga loozen, die als een stormwind door

de boomtoppen en hunne groene bladeren zullen ruischen."

Don Quichot van La Mancha · 第 5 / 19 段