"Die dingen daar, doorluchtige heer?" vroeg Sancho, ten uiterste

verbaasd. "Wel, lieve hemeltje, dat zijn immers windmolens, maar geen

reuzen. Wat gij de armen noemt, dat zijn de wieken, die door den wind

rondgedraaid worden en de molensteenen aan den gang brengen."

"Ik merk, dat gij nog heel weinig van avonturen weet," riep Don

Quichot. "Dat zijn de reuzen; en als u de angst om het hart slaat,

blijf dan op een afstand en zie toe, hoe ik den geduchten en ongelijken

strijd met hen wagen zal."

Met deze woorden drukte hij den mageren Rocinante de sporen in de

ribben en stoorde zich niet meer aan het roepen van zijn verwonderden

schildknaap, die hem nog altijd met al de kracht zijner longen

naschreeuwde, dat hij gewone windmolens en geen reuzen of ridders

voor zich had. Don Quichot had zich nu eens die reuzen in het hoofd

gezet en zag zelfs zijne dwaling nog niet in, toen hij reeds dicht

bij de molens gekomen was. Met donderende stem riep hij hun toe:

"Staat, gij ellendige en lafhartige schepsels! Staat en vlucht

niet! Een eenig ridder nadert, die u het hoofd biedt en u in het stof

zal nederwerpen!"

Op dit oogenblik stak een lichte wind op; die de wieken der molens

langzaam in beweging bracht. Don Quichot hield dit voor een antwoord

en eene uitdaging en schreeuwde vol strijdlust:

"En al had gij ook zooveel armen, als de honderdarmige reus Briareus,

toch zult gij overwonnen worden en mij aan mijne voeten om genade

smeeken."

Met deze woorden maakte hij zich tot den kamp gereed, dacht aan zijn

hooge gebiedster Dulcinea van Toboso, riep hare machtige bescherming

tegen het dreigende gevaar in, dekte zijn borst met het schild,

velde de lans, stoof in wilden galop vooruit en richtte onversaagd

zijn aanval op den naastbij staanden windmolen. De scherpe lans ging

door een der wieken heen, welke de wind juist op dat oogenblik met

vermeerderde snelheid ronddraaide; zij brak dadelijk in stukken,

terwijl ruiter en ros overhoop geworpen en, leelijk bezeerd en

gekneusd, een eind ver weggeslingerd werden. Nu schoot Sancho Panza

toe, zoo vlug als zijn grauwtje maar draven kon, en ontdekte met

schrik, dat zijn dappere meester zulk een geweldigen smak had gekregen,

dat hij geen lid meer verroeren kon.

"Och lieve hemeltje!" riep Sancho, toen hij zijn edelen heer daar

zoo jammerlijk vond toegetakeld. "Heb ik u niet gezeid, dat ge u in

acht moest nemen? Ieder verstandig mensch moest toch zien, dat hij

windmolens en geen reuzen voor zich had."

"Stil, stil, vriend Sancho!" kreunde Don Quichot met matte stem. "Ik

zie wel, dat alle krijgsgeluk wisselvallig en onbestendig is. De een

of ander boosaardige toovenaar, waarschijnlijk dezelfde, die mij

mijne kamer en mijne boeken ontstal, moet de reuzen in windmolens

hebben veranderd, om mij de eer en den roem der overwinning uit de

handen te rukken. Zijne vijandigheid is groot, maar zal eindelijk

toch door de voortreffelijkheid van mijn goed zwaard en door mijne

dapperheid overwonnen worden."

"Dat hoop ik!" zeide Sancho Panza, terwijl hij zijn ridder overeind

en weer op Rocinante hielp, die bijna de ruggegraat had gebroken.

Hierop vervolgden beiden hunne reis en richtten zich naar den bergpas

van Lápice, waar Don Quichot, daar het eene druk bezochte plaats was,

eene menigte avonturen hoopte te beleven. Het verlies van zijne lans

griefde hem uitermate zeer en hij dacht lang na, op wat wijze hij

dat best kon herstellen. Eindelijk besloot hij, van den eersten den

besten eik of beuk een stevigen tak af te kappen en dien dan voortaan

als lans te gebruiken.

"Gij zult zien, Sancho," zeide hij, "dat ik zelf met een zoo ellendig

werktuig de stoutste en ongeloofelijkste daden volvoeren zal."

"'k Mag een boontje wezen, als ik dat niet hoop, edele heer,"

antwoordde de schildknaap, "Maar waarom zit gij toch zoo scheef in den

zadel en hangt zoo op de eene zij van het paard? Hebt ge u misschien

bij den val wat bezeerd?"

"Zoo is het," erkende de ridder, "en dat ik het niet hardop van pijn

uitschreeuw, is alleen maar, omdat ik wel vaak gehoord en gelezen

heb, dat zulk kermen en jammeren aan kloeke dolende ridders niet

betaamt. Zij klaagden nooit over eenige kwetsuur of verwonding, al was

't ook, dat hun de darmen uit het lijf hingen."

"Nu, ieder zijn meug, zooals mijne grootmoeder placht te zeggen,"

antwoordde de schildknaap. "Ik had evenwel liever, dat gij maar

schreeuwdet, edele heer, als ge pijn voelt ergens; want ik voor mijn

part zal terdege een keel opzetten, als mijn arm lichaam erg schade

of letsel krijgt. Of is 't misschien ook aan de schildknapen der

dolende ridders verboden, te klagen, als hun iets overkomt?"

Don Quichot haalde over deze vraag van zijn dienaar de schouders op,

maar gaf hem toch volle vrijheid, om bij voorkomende gelegenheid naar

hartelust te kermen, te krijten en te huilebalken, daar hij nog nooit

gehoord had, dat in de voorschriften voor de ridderschap iets voorkwam,

dat zulks bepaald verbood. Sancho stelde zich hiermede tevreden,

doch deed een poosje later opmerken, dat de etenstijd gekomen was.

"Eet en drink, zoo gij wilt," antwoordde de ridder. "Ik voor mij voel

nog geen honger."

Sancho liet zich dit geen tweemaal zeggen, maar maakte 't zich zoo

gemakkelijk, als dat bovenop een ezel maar eenigszins mogelijk is;

hij haalde proviand uit den welgevulden knapzak en at zich dik en

zat. Vervolgens bleef hij een weinig achter, opende den bokkevellen

wijnzak, bracht dien aan den mond en dronk met zulke geduchte teugen,

dat de grootste nathals in heel Spanje 't niet beter zou hebben

kunnen doen.

Zoo ging de reis voort. Don Quichot gaf zich aan zijn hoogvliegende

gedachten over en Sancho Panza zocht zijn troost bij den wijnzak,

totdat de avond hen midden in een groot bosch overviel. Zij maakten

halt en sloegen onder een groep dicht gebladerde eikeboomen hun

nachtleger op. Sancho, die braaf moe en wiens hoofd buitendien door

de wijndampen een weinig beneveld was, lag dadelijk vast in slaap

en snorkte zoo geweldig, dat de vogels en vleermuizen in den omtrek

er verschrikt de vlucht voor namen. Don Quichot daarentegen deed

geen enkel oog toe. Hij droomde van zijne zielekoninginne Dulcinea,

tot de morgen weer aanbrak. Toen stond hij op, beroofde een der eiken

van een langen, taaien tak, stak daar zijn lansijzer in en verschafte

zich opnieuw een ridderlijk wapen. Vervolgens, toen de eerste gouden

zonnestralen in het dichte groene bosch doordrongen en duizenden van

vogels hun orgelend en schetterend morgenlied aanhieven, wekte hij

zijn schildknaap, die anders een gat in den dag zou hebben geslapen,

en vervolgde zijn tocht. Sancho had eerst al eens hoogte van den

wijnzak genomen en tot zijn groot verdriet bevonden, dat die veel

magerder dan den dag te voren was. Na eene poos noodigde hij zijn

meester tot het ontbijt, maar verteerde dat alleen, daar Don Quichot,

die van honger noch dorst scheen te weten, geen beet over de lippen

wilde nemen. Drie uren later bereikten zij den pas van Lápice, die door

den ridder met van moed en strijdlust flonkerende oogen werd begroet.

"Sancho," sprak hij, "hier op deze plaats zal het ons niet aan

avonturen ontbreken, en ik reken mij dus verplicht u een bevel

te geven, waaraan gij u strikt houden moet. Nooit en in geen geval

namelijk moogt gij wagen, mij te hulp te komen en uw degen te trekken,

behalve wanneer misschien gemeen volk en laag gepeupel zich in den

strijd mocht willen mengen. Tegen ridders te kampen is u, volgens de

wetten der ridderschap, ten strengste verboden, zoolang gij niet zelf

tot ridder geslagen zijt."

"Ei," antwoordde Sancho Panza, "in dit punt wil ik u dol gaarne

gehoorzamen, gestrenge heer, daar ik van nature zoo vreedzaam als een

pasgeboren lam ben. Wanneer mij echter iemand te lijf wil, tegen dien

verweer ik mijne huid, om 't even of 't een ridder, een schildknaap

of maar een uit het gemeene volk is."

Terwijl Sancho nog sprak, zag Don Quichot twee Benedictijner monniken

aankomen. Zij reden op groote muildieren, droegen lange zwarte gewaden

en dekten zich door groote schermen tegen de zonnestralen. Een weinig

achter hen aan kwam eene koets, door eenige mannen te paard en een paar

ezeldrijversjongens te voet begeleid. In die koets zat eene dame uit

Biscaye, die naar haren gemaal te Sevilla reisde. De monniken, hoewel

zij dienzelfden weg gingen, behoorden niet tot het reisgezelschap

van de dame en schenen zich ook maar weinig om haar te bekommeren.

Nauwelijks had Don Quichot de naderenden in het oog gekregen, of hij

zeide tot zijn schildknaap:

"Hoor, Sancho Panza, dat is een avontuur, als den besten ridder nog

niet fraaier bejegend is. Die zwarte gedaanten daar zijn zonder twijfel

twee toovenaars, die eene geschaakte prinses helpen voortsleepen,

en ik reken het mijn plicht, mij tegen zulk een schandelijk bestaan

met al de kracht van mijn arm te verzetten."

"Allerdapperste heer ridder," riep Sancho Panza vol schrik, "gij

bedriegt u. Die mannen in het zwart zijn eerwaardige monniken van

de Benedictijner orde en hebben zeker zoomin eene prinses als eenige

andere edele dame geroofd. Hoed u, dat gij door uwe inbeelding niet

allerleelijkst in de klem komt."

"Sancho Panza, zwijg stil!" gebood Don Quichot op hoogen toon. "Ik

heb u al eens gezegd, dat gij van hooge en merkwaardige avonturen

nog heel geen begrip hebt, en gij zult spoedig zien, dat al, wat ik

van die zwarte toovenaars zei, de zuivere onvervalschte waarheid is."

De schildknaap zweeg beschaamd stil, en zijn meester reed de reizigers

nog een kort eind te gemoet. Midden op den weg hield hij toen zijn

klepper staande, en toen de mannen dichtbij genoeg waren, om zijne

woorden te kunnen verstaan, riep hij hun met luider stemme toe:

"Gij verfoeilijke, heidensche snoodaards, houdt dadelijk stil en

geelt terstond en zonder weigeren de doorluchtige prinses over,

die gij daar in de koets in gevangenschap wilt sleepen. Draalt gij,

mijn bevel te gehoorzamen, dan zult gij hier tot straffe voor uwe

misdaad op staanden voet de zwarte ziel uitblazen."

De monniken hielden hunne muildieren in en wisten niet, wat zij van

de wonderbaarlijke figuur van den ridder en van zijn dreigende woorden

denken moesten. Eindelijk antwoordde een van hen:

"Heer ridder, ik bid u, laat ons in vrede trekken! Wij zijn noch

verfoeilijke, noch heidensche snoodaards, maar twee doodonschuldige

dienaren des Heeren, die rustig huns weegs gaan en niet weten, of in

die koets daar prinsessen of prinsen zitten."

"Gij liegt, duivelsche heksenmeesters!" riep Don Quichot woedend,

velde de lans, gaf Rocinante de sporen en stoof in galop op den eersten

monnik los. Hij was zoo grimmig en verwoed, dat hij den onschuldigen

man doorboord zou hebben, indien deze zich niet met verwonderlijke

vlugheid van zijn muildier had laten glijden. De andere monnik drukte

zijn beest de hielen in de zijden en wist door overhaaste vlucht

gelukkig zijn lijf te bergen.

Thans viel Sancho Panza, wiens anders niet groote moed door het stoute

heldenfeit van zijn meester verbazend gerezen was, op den eersten

monnik aan, wierp hem ter aarde en begon hem de kleederen van het

lijf te rukken. Terstond echter kwamen nu de ezeldrijversjongens toe,

vroegen hem, wat kwaad de heer hem gedaan had, pakten hem in haar en

baard en ranselden hem zoo ongenadig af, dat hij moord en brand begon

te schreeuwen. Terwijl de jongens hem nog zoo onder hunne knuisten

hadden en hem bont en blauw sloegen, wist de sidderende en bevende

monnik weer in den zadel te komen, greep de teugels, bracht zijn

muildier in snellen draf en haalde eerst weer adem, toen hij den

onstuimigen ridder en zijn ruwen, pootigen schildknaap ver achter

zich had gelaten.

Intusschen was Don Quichot de koets genaderd, om de daarin zittende

dame aan te spreken.

"Hooge en edele prinses," begon hij, "gij moogt nu weder naar

welgevallen over uw persoon beschikken, want daareven heb ik uw belager

door de kracht van mijn sterken arm ter aarde geworpen. Indien gij

mijne daad beloonen wilt, zend dan een heraut aan de meesteresse mijns

harten, de verhevene dame Dulcinea van Toboso, en laat haar melden,

wat ik volvoerd heb en hoe ik u door mijne dapperheid uit het geweld

van twee schandelijke toovenaars bevrijdde."

Deze woorden vernam een palfrenier der dame, een Biscayer van

geboorte. Daar hij zag, dat Don Quichot zich niet verwijderde en dat

zijne gebiedster zeer verschrikt scheen, ging hij op den dollen ridder

toe, greep zijne lans en zeide:

"Maak, dat je weg komt, ridder! Zoo waar als ik leef en een Biscayer

ben, haal ik je van het paard, als je niet dadelijk de koets verlaat."

Don Quichot staarde den palfrenier met groote oogen aan. Daar hij

nochtans zag, dat hij slechts een dienaar en niet een ridder voor

zich had, antwoordde hij met de grootste bedaardheid:

"Laat mij met vrede, mensch! Zoo gij een ridder waart, zou ik u

tuchtigen, maar nu pak u weg, onbeschaamde lijfeigen hond!"

"Wacht!" riep de Biscayer, "ge zult zien, met wien ge te doen

hebt. Gooi die lans weg en trek het zwaard! We willen gauw zien,

wiens haan victorie zal kraaien. Trek van leer, zeg ik, en toon wat

ge kunt, kale jakhals van een edelman!"

Don Quichot geraakte nu in drift. Hij wierp de lans van zich, dekte de

borst met het schild, trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los,

met het stellig voornemen om hem zonder barmhartigheid den schedel

te klooven. De palfrenier ontblootte insgelijks zijn wapen, greep

tot zijne dekking een kussen uit den wagen, hield dat als een schild

voor zich, en de tweekamp begon met vreeselijk geweld. Men riep den

strijdenden toe, vrede te maken; doch zij luisterden daar niet naar. De

dame in de koets beval nu haren koetsier, een weinig door te rijden,

waar zij op veiligen afstand ooggetuige van het gevecht kon zijn.

De koetsier gehoorzaamde en de zwaarden vervolgden hun werk. De

Biscayer bracht zijn vijand een houw over den schouder toe, die

dezen van den romp zou gescheiden hebben, ware hij niet door schild

en harnas beschut geweest. Desniettemin voelde de ridder de zwaarte

van den slag, die hem door alle ribben dreunde, en riep zijne hooge

patronesse Dulcinea van Toboso smeekend aan. De gedachte aan haar

bezielde hem met nieuwen moed, leende zijn arm nieuwe sterkte, en

vol woede drong hij op den Biscayer in. Zijne zwaardslagen kletterden

op hem neer, en de arme palfrenier zag vol schrik zijne nederlaag te

gemoet. Had hij een goed paard gehad, zoo zou hij gevlucht zijn; doch

hij bereed een ellendigen knol, dien hij bijna niet van de plaats kon

krijgen. Derhalve verweerde hij zich met de grootste vertwijfeling,

waardoor 't hem dan ook gelukte zich den razenden ridder nog een

tijdlang van 't lijf te houden. Daar hij echter ongeharnast was,

terwijl Don Quichot van kop tot teen in ijzer staal stak, moest

hij natuurlijk eindelijk het onderspit delven. Onze ridder richtte

zich op in zijn zadel, pakte zijn zwaard met beide handen, hieuw den

Biscayer over den schedel en raakte hem zoo geducht, dat het bloed

hem terstond uit mond en neusgaten spoot en hij met paard en al op

den grond stortte.

Thans steeg Don Quichot uit den zadel, hield den gevallene de punt

van zijn zwaard voor het gezicht en beval hem, zich verwonnen te

verklaren. De man was evenwel te erg verbijsterd, om antwoord te kunnen

geven, en de verbolgen ridder zou hem ongetwijfeld zijn zwaard door

den strot gejaagd hebben, indien de dame in de koets niet vol angst

tusschenbeide was gekomen en in roerende bewoordingen om het leven

van haar dienaar had gesmeekt. Don Quichot liet zich vermurwen en die

deemoedige bede goot water op den vlammenden gloed zijner gramschap.

"Het leven zij hem dan geschonken," riep hij; "doch slechts onder

voorwaarde, dat deze ridder mij belooft, naar Toboso te trekken en

mijner onvergelijkelijke meesteres, Dona Dulcinea, te verhalen, op

wat heldhaftige, ridderlijke wijze ik hem met mijn zwaard heb geveld."

De arme vrouw beloofde in haar angst alles, en Don Quichot bracht

zijn overwonneling dan ook geen verder leed toe. Deze kwam met moeite

weer op de been en was blij, dat hij de reis met zijne meesteres

kon vervolgen.

In dien tusschentijd had ook Sancho Panza zich uit de handen der jonge

ezeldrijvers weten los te wringen en kwam nu op zijn meester toe,

die al weer hoog te paard zat en de wegrollende koets triomfeerend

naoogde. Toen deze in eene kromming van den weg verdween, keerde hij

zich tot zijnen stom wachtenden schildknaap om en begon zijn nooit

geëvenaard heldenfeit in klinkende woorden te verheffen.

"Ja, dat alles is mooi en wel," viel Sancho Panza hem eindelijk in

de rede; "maar waar, edele heer, is het stadhouderschap, dat gij mij

na uw eerste schitterende avontuur vast beloofd hebt? 'k Wil mezelf

niet roemen, maar 'k geloof, dat ik zoo'n knappe, fiksche stadhouder

zou wezen, als maar één denken durft."

"Sancho," antwoordde de ridder, "toen ik dat zei, meende ik een

eilandsavontuur, en dit hier is enkel een vastelandsavontuur, dat niets

dan eer en roem aanbrengt. Heb geduld, mijn zoon! Als de tijd gekomen

is, zult gij ook stadhouder worden. Maar verbind nu mijn oor eens, dat

die booze ridder vrij erg geraakt heeft, en waar 't bloed uitloopt."

Sancho Panza haalde aanstonds pluksel en zalf uit zijn knapzak en

nam zijn meester den helm af. Deze merkte nu eerst, hoe erg gedeukt

en gehavend die was, en dat ongeluk deed zijne gramschap opnieuw

ontbranden. Hij rukte zich de haren uit het hoofd, schermde met beide

handen in de lucht en zwoer bij kris en bij kras, niet weer van een

schoon tafellaken te zullen eten, voordat hij den snooden ridder,

die hem zijn ridderlijk hoofddeksel zoo had bedorven, daarvoor op

schrikkelijke manier had doen boeten. Sancho kreeg hem niet zonder veel

moeite tot bedaren, verbond zijn bloedend oor, en beiden gingen weer

op weg, nadat zij een stuk droog brood en geitenkaas genoten hadden.

Tegen den avond bereikten zij eenige hutten van geitenherders, en

ofschoon vooral Sancho wel een beter dak voor den nacht gewenscht had,

besloten zij toch, daar de zon onderging, hier kwartier te nemen.

Vriendelijk werden zij door de herders ontvangen en onthaald, en allen

behandelden vooral den geharnasten ridder met groote beleefdheid. Na

een rustig doorgebrachten nacht namen zij afscheid van de herders en

gingen nieuwe gevaren en avonturen te gemoet.

HOOFDSTUK VII.

HOE DON QUICHOT MET PAARDENHOEDERS TWIST KRIJGT EN WAT HEM IN DE

HERBERG OVERKOMT.

Op hun verderen weg kwamen Don Quichot en Sancho Panza in een bosch,

waarin zij verscheiden uren lang voortreden. Eindelijk hielden zij stil

op eene open plek, die met geurig gras begroeid was. Eene heldere,

liefelijk murmelende beek stroomde voorbij en ettelijke boomen gaven

verkoelende schaduw, zoodat onze beide helden weldra lust gevoelden

eene korte middagrust te houden. Zij stegen van hunne dieren, lieten

Rocinante en grauwtje vrij rondloopen en zich op het groene gras

vergasten, vlijden zich onder een boom neer, openden hun knapzak en

verteerden in vrede en eensgezindheid, wat daar in te vinden was.

Sancho Panza had verzuimd beide dieren de voorpooten te koppelen,

daar hij ook niet verwachtte, dat Rocinante uit lust en moedwil de

vette weide verlaten zou. Het trof nu echter, dat toevallig eene kudde

Galicische paarden door het dal werd gedreven. De hoeders kwamen aan

de plaats, waar Don Quichot zich reeds gelegerd had, en daar die plek

hun beviel, besloten zij, daar met hunne dieren insgelijks middagrust

te houden.

De paarden verstrooiden zich over de weide en het duurde niet lang,

of eenige dartele veulens begonnen den ouden Rocinante het leven

lastig te maken. De dieren werden wild en gingen hem met hunne tanden

en hoeven zoo ongenadig te lijf, dat zij hem al spoedig den gordel

losgemaakt en den zadel van den rug gehaald hadden. Op het gerucht,

dat dit veroorzaakte, kwamen toen ook de hoeders met hunne knuppels

en zweepen toe en ranselden den armen Rocinante zoo erg, dat hij

eindelijk neerstortte en onder de hoeven der overige viervoeters den

geest scheen te zullen uitblazen.

De ridder en zijn schildknaap ontdekten spoedig, op wat wijze het

arme dier mishandeld werd, en schoten hijgend toe. Onder weg zeide

Don Quichot tot zijn dienaar:

"Hoor, vriend Sancho: naar ik zie, zijn dat geen ridders en helden,

maar ze behooren tot het gemeene volk, en dus kunt gij mij zonder

bedenking bijstaan, als ik voor de beschimping, Rocinante hier voor

mijne oogen aangedaan, bloedig wraak neem."

"Maar hoe drommel wilt gij hier wraak nemen, gestrenge heer?" vroeg

Sancho. "Zij zijn meer dan twintig sterk, en wij maar met ons tweeën."

"Ik tel voor honderd," antwoordde de ridder en trok meteen zijn

zwaard. Met onstuimigheid greep hij de hoeders aan en Sancho Panza,

hierdoor krachtig aangemoedigd, volgde wakker zijn voorbeeld.

Den eersten hoeder bracht Don Quichot een houw toe, die door 's mans

lederen wambuis ging en hem nog buitendien diep in den schouder

drong. Toen de herders zich op die wijze door slechts twee mannen

zagen aangetast, werden ook zij verstoord, namen onze beide helden in

hun midden, pakten hunne knuppels en lieten eene hagelbui van forsche

slagen op hen neervallen. Deze begroeting had ten gevolge, dat Sancho

Panza al spoedig luid huilend op zijn dikken buik lag. Terstond daarna

volgde ook zijn meester dit voorbeeld, niettegenstaande hij zich met

veel kracht en vlugheid een tijdlang manmoedig verweerd had; en het

toeval wilde, dat hij midden tusschen de beenen van zijn Rocinante

neertuimelde, die daar nog altijd, door de vreeselijke slagen en

trappen bedwelmd, als een blok neerlag en geen lid verroerde.

Nadat de hoeders nog een poosje op ridder en knecht losgebeukt

hadden, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne paarden te

hoop, vervolgden hun weg en lieten de arme afgeroste helden in zeer

slechten staat en in nog slechter gemoedsstemming achter. Sancho was

de eerste, die weer bijkwam. Hij richtte zich met moeite en onder veel

steenen en kreunen overeind, keek naar zijn heer om en zei met matte,

klagende stem:

"Och, och, dat hebben wij er nu van, gestrenge heer!"

"Wat wilt gij van mij, Sancho?" vroeg Don Quichot op even flauwen en

klagenden toon.

"Ach, ach, wat hebben we daar een pak gekregen!" kreunde Sancho

Panza. "Ik ben heelemaal tot stokvisch gebeukt."

"Ja, wel een pak!" stemde de ridder toe. "Als ik ongelukkige nu maar

den wonderdrank van Fierabras had! Twee druppels daarvan zouden ons

gezond maken, onze builen genezen en alle pijn wegnemen."

"Is er dan geen kans, dat gij dien drank krijgt, edele ridder?" vroeg

Sancho.

"Jawel," antwoordde Don Quichot; "ik zweer u, bij onze

dolende-riddereer, dat ik niet rusten zal, voordat het geluk mij hem

in handen speelt."

"Wie was dan die Fierabras, die dien drank heeft uitgevonden?"

"Dat was een beroemd toovenaar, zooals in een heerlijken ridderroman

beschreven staat," antwoordde Don Quichot. "Wij moeten opbreken en

hem opsporen. Zoodra wij hem vinden, zal ik hem door mijne dapperheid

dwingen, ons den kostelijken balsem af te staan."

Onderwijl kwamen de beide deerlijk toegetakelde helden overeind en

hielpen ook den armen Rocinante weer op de been. Met gekromden rug,

want zich recht oprichten kon hij nog niet, tuigde de schildknaap

zijn ezel op en drong zijn meester, op diens zadel plaats te nemen,

daar het paard in zijn tegenwoordigen toestand onbekwaam was om eenigen

last, hoe licht ook, op zijn gewonden rug te torsen. Don Quichot steeg

op, Sancho Panza leidde den ezel bij den halster, Rocinante bij den

teugel, en de avontuurzoekende helden gingen langzaam op weg. Na korte

wandeling kwamen zij aan eene herberg, welke de ridder terstond weer

voor een adellijken burcht aanzag, terwijl zijn metgezel strijk en zet

volhield, dat het een gewone kroeg was. De strijd duurde voort totdat

zij voor de deur kwamen en Sancho de dieren zonder omstandigheden in

den stal bracht.

Don Quichot van La Mancha · 第 2 / 19 段