ontvangen, Don Quichot in zoo jammerlijken staat op den ezel meer
hangen dan zitten zag, vroeg hij aan Sancho, wat zijn heer toch
wel scheelde. Sancho antwoordde, dat de arme man van eene rots was
gevallen en zich daarbij de ribben wat had bezeerd. Deze mededeeling
wekte het medelijden van den waard en nog meer van zijne vrouw op,
die dadelijk met hare dochter aankwam, om den ongelukkige de noodige
hulp te verleenen. De ridder werd, daar hij nog niet gaan kon, in
huis gedragen, verbonden en toen te bed gebracht.
In de kamer, waar Don Quichot, over zijn geheele lichaam met pleisters
beplakt, slapen zoude, was wat meer naar achteren een tweede bed,
waarvan een stevige muilezeldrijver bezit had genomen.
Het werd avond en nacht; maar Don Quichot voelde zich zoo ellendig,
dat hij onmogelijk slapen kon. Hij kermde en kreunde zoo luid en
aanhoudend, dat de muilezeldrijver daar eindelijk door wakker werd
en hem met barsche woorden verzocht, zich stil te houden en niet
andere menschen in hun slaap te storen. Don Quichot antwoordde alleen
met een nieuw dof gekreun, waardoor de ezeldrijver zoo boos werd,
dat hij opsprong en den armen lijder zulk een duchtigen vuistslag op
zijne dorre kinnebakken gaf, dat het bloed hem terstond uit den mond
liep. Hiermede nog niet tevreden, stapte hij op zijn mager lichaam,
trappelde daar met de voeten op, en deed hem al de ribben in het lijf
kraken. Don Quichots bed, dat buitendien al op zwakke, tuitelige beenen
stond, stortte in en dit veroorzaakte zulk een geraas, dat de waard
wakker werd en vol schrik kwam toesnellen. Onderwijl kwam ook Sancho
Panza, die aan de voeten zijns meesters sliep, op de been, en sloeg,
slaapdronken, als dol en bezeten links en rechts. Zijne vuistslagen
troffen de meid van het huis, Maritornes geheeten, die insgelijks
op het verontrustend rumoer was toegekomen. De meid stelde zich te
weer, de waard gebruikte niet minder wakker zijne knuisten, en zoo
ontstond een alarm en een spektakel, waarvan men zich onmogelijk een
denkbeeld kan maken. De muilezeldrijver, nog altijd op den kermenden
ridder omtrappelende, sloeg op Sancho los, Sancho roste de meid, de
meid roste hem, de waard roste allen zonder onderscheid, en dat alles
gebeurde met zoo blinden ijver en dolle drift, dat geen een er ook maar
een oogenblik mee ophield. In de donkerheid vielen allen over elkaar
heen en deelden rechts en links zulke zwaarwichtige stompen en slagen
uit, dat, waar een vuist trof, zeker ook een blauwe plek te zien was.
Toevallig had voor dien nacht ook een gerechtsdienaar zijn intrek
in de herberg genomen en sliep in eene andere kamer. Het vreeselijk
gerucht, dat de algemeene kloppartij veroorzaakte, schrikte ook hem
uit den slaap wakker; hij sprong met beide voeten uit zijn bed, greep
zijn ambtsstaf en eene blikken doos, waarin hij zijne aanstelling als
koninklijk ambtenaar bewaarde, kwam in het donker in de kamer en riep
met donderende stem: "Vrede in naam van de overheid! Vrede en rust!"
De eerste, dien hij met de handen grijpen kon, was Don Quichot, die
bewusteloos in zijn neergetrapt bed lag. Hij pakte hem bij den baard,
trok hem daarbij en hield niet op te roepen: "Achting en ontzag voor
de hooge overheid!"
Al spoedig bemerkte hij echter, dat de man, dien hij gepakt had,
geen lid verroerde, en geloofde nu, dat die dood en door de anderen
in de kamer vermoord was. Nu brulde hij: "De deuren toe! Alle deuren
in het huis gesloten! Geen sterveling mag in of uit, want hier is
een mensch vermoord."
Deze woorden verwekten een algemeenen schrik en deden het gevecht
staken. De waard sloop stilletjes weer de kamer uit, de muilezeldrijver
kroop op zijn bed en hield zich slapend, de dienstmeid maakte, dat
zij wegkwam, en alleen Don Quichot en Sancho Panza konden geen ander
heenkomen zoeken. Onderwijl zocht de gerechtsdienaar al tastend de
keuken te vinden en daar licht aan te krijgen.
Terwijl de gerechtsdienaar buiten was, kwam Don Quichot weer tot
bewustzijn en riep klagend: "Sancho Panza, slaapt gij? Slaapt gij,
Sancho Panza?"
"'t Mocht wat, slapen!" bromde de schildknaap. "Ik wou maar, dat ik
sliep. Al de duivels uit de hel zijn los en hebben dezen nacht een
aanval op mij, armen, ongelukkigen kerel gedaan."
"Neen, gij vergist u, vriend!" antwoordde Don Quichot. "Wij zijn in
een betooverd slot; want weet, toen ik op mijn bed lag te kreunen,
kwam onvoorziens, zonder dat ik wist waar vandaan, eene hand, die zeker
aan den arm van een ontzettenden reus vastzat, en bracht mij een zoo
geduchten slag op mijne kinnebakken toe, dat mijn aangezicht terstond
één bloed was en ik bijna mijne kennis verloor. Toen stampte en beukte
de reus mij met handen en voeten, en ik maak daaruit op, dat hij een
allergruwelijkst en meedoogenloos monster en wangedrocht moet wezen."
"Ik heb er nog erger van gelust," zeide Sancho Panza; "mij hebben
vier- of vijfhonderd Mooren zoo onbarmhartig onder handen genomen, dat
de portie slaag, waarop ons gisteren de paardenhoeders onthaalden,
daar als honig en zoete koek bij was. O wee, o wee! Ik ben geen
dolend ridder en toch krijg ik van alle ongeluk, dat ons overkomt,
altijd dubbel en dwars mijn part."
"Dus hebben ze u ook gemolesteerd, vriend?" vroeg de ridder meelijdig.
"Bont en blauw geslagen hebben ze me!" antwoordde Sancho Panza op
grimmigen toon. "Geen lid aan mijn lijf, dat niet zeer doet!"
"Wees maar bedaard, vriend!" troostte Don Quichot; "ik zal u den
kostelijken balsem van Fierabras bereiden, die in eene minuut tijds
alle pijnen en smarten wegneemt."
Hier werd hun gesprek door den gerechtsdienaar afgebroken, die met
licht kwam, om den vermeenden doode nader te bezichtigen. Hij trad
voor het bed en was zeer verwonderd, toen hij onze helden daar bedaard
hoorde praten. Don Quichot lag nog wel altijd op den rug en kon zich
van pijn en pleisters niet bewegen; maar toch scheen hij zoo goed
bij zijne kennis als de beste. De gerechtsdienaar liet het licht van
zijne lamp op hem vallen en vroeg deelnemend: "Nu, hoe gaat het je,
goede vriend?"
"Ik zou toch wat beleefder spreken," antwoordde Don Quichot op hoogen
toon. "Spreekt men dolende ridders met je en jij aan, lompe vlegel?"
Toen de ambtenaar zich door iemand van zulk een jammerlijk uitzicht
zoo barsch behandeld zag, werd hij driftig, nam de lamp en wierp haar
Don Quichot met zooveel geweld naar het hoofd, dat men een harden bons
hoorde. Vervolgens liet hem in het donker liggen en ging brommend en
pruttelend heen.
"Ei," sprak Sancho Panza, "als dat geen lomperd is, dan laat ik mij
hangen. Die gooit iemand met de dingen naar den kop, alsof 't maar
een aardigheid was."
"Ja, ja," kreunde Don Quichot, wien zijn hoofd bitter zeer deed;
"maar sta op, Sancho, laat u door den burgtvoogd van dit slot wat
olie, azijn, zout en rosmarijn geven en breng mij dat alles hier,
om er den kostelijken balsem uit te bereiden, die spoedig al onze
pijnen verzachten zal."
Sancho stond op, niettegenstaande al zijne ledematen geradbraakt
schenen, hinkte al tastend naar de kamer van den waard, en ontmoette
onder weg den gerechtsdienaar, die voor de deur stond te luisteren.
"Wie gij ook zijn moogt, waarde heer," zeide hij, "bezorg ons een
weinig olie, azijn, zout en rosmarijn, om den besten dolenden ridder,
dien de aarde ooit gedragen heeft, van zijn lijden te bevrijden en
van den dood te redden. Hij ligt zwaar gekwetst door de hand van een
betooverden Moor op zijn bed."
De gerechtsdienaar hield Sancho Panza, nu hij zoo sprak, voor
stapelgek. Daar de morgen nu echter reeds begon te lichten, riep hij
den herbergier en zeide dien, den knaap het verlangde te geven. De
waard deed dat bereidwillig en Sancho bracht alles aan zijn heer, die
van pijn lag te krimpen en zijn hoofd met beide handen vasthield. Hij
nam de verschillende stoffen, mengde ze duchtig door elkaar en kookte
ze toen op een komfoor, dat men hem brengen moest, tot hij dacht,
dat alles goed gaar was. Hierop verlangde hij eene flesch; doch
toen die in de herberg niet te vinden was, vergenoegde hij zich met
eene oude blikken oliekan, goot den drank daarin en zegende hem. Nu
draalde hij niet om van de kracht van dit kooksel op zichzelf de
proef te nemen, en dronk er wel bijkans de helft van. Nauwelijks
had hij het mengelmoes binnen, of hij begon schrikbarend over te
geven. De inspanning, de angst en het gruwelijke braken brachten hem
geducht aan het zweeten, en hij verzocht, dat men hem goed toedekken
en alleen laten mocht. Men voldeed aan zijn verlangen, en Don Quichot
viel nu in een zachten slaap, die wel ruim drie uren aanhield. Bij
zijn ontwaken voelde hij zich merkbaar verlicht en deden zijne wonden
en builen hem bijna geen pijn meer. Hij achtte zichzelf dus weer ten
volle hersteld, kwam tot de vaste overtuiging, dat hij werkelijk den
wonderbalsem van den toovenaar Fierabras ontdekt had, en leefde in de
hoop, dat hij, in 't bezit van dit middel, in 't vervolg alle kampen,
tweestrijden en gevechten, hoe gevaarlijk die ook schijnen mochten,
geheel onbezorgd te gemoet kon gaan.
Zoodra Sancho Panza zijn heer zooveel beter zag, verzocht hij
dringend, het overschotje van den drank te mogen opdrinken. De ridder,
altijd grootmoedig, stond hem dat toe, en Sancho pakte de blikken
kan met beide handen, dronk met volle teugen en liet er geen enkel
droppeltje in.
Maar of nu de schildknaap eene minder gevoelige maag had dan zijn
meester, of om wat andere reden ook, genoeg, de drank bekwam hem zoo
bitter slecht, dat de arme sukkel ieder oogenblik dacht te moeten
sterven. In zijne benauwdheid verwenschte hij het venijnig goed
en den spitsboef, die hem dat gegeven had, ja, hij betoonde zelfs
grooten lust om zijn eigen meester voor zijne welgemeende bedoeling
eens danig af te ranselen. Don Quichot zocht hem echter te troosten
en tot bedaren te brengen.
"Hoor, Sancho," zeide hij, "ik geloof, dat de schuld alleen daaraan
ligt, dat gij nog niet tot ridder zijt geslagen. De drank kan alleen
maar een ridder helpen."
"Wat drommel, als gij dat wist, heer, waarom gaaft gij mij dien
dan?" schreeuwde Sancho Panza in zijne benauwdheid.
Voordat Don Quichot antwoorden kon, begon het brouwsel te werken en
had bij Sancho Panza niet minder hevige braking ten gevolge dan bij
zijn meester. Daarbij geraakte hij in het zweet, lag onrustig op zijn
leger te woelen en kermde en jammerde op erbarmelijke manier.
Twee uren lang was hij doodziek, toen die aanval voorbij was, voelde
hij zich niet zoo wel en krachtig, als zijn heer, maar zoo flauw,
slap en ellendig, dat hij zich nauwelijks op de been kon houden.
Don Quichot liet zich aan den toestand van zijn schildknaap slechts
weinig gelegen liggen. Hij zelf was nagenoeg weer hersteld, en de
balsem vervulde hem met zulk een heldenmoed, dat hij vuriger dan ooit
naar nieuwe avonturen haakte. Hij ging in den stal, zadelde en tuigde
met eigen handen Rocinante, maakte ook het grauwtje tot de reis gereed
en trad toen weer in huis, om zijn schildknaap bij het aankleeden te
helpen. Met veel moeite en getob kreeg hij hem wakker en hielp hem
op de beenen. Toen dit beredderd was, pakte hij uit den eersten den
besten hoek een staak op, om tot lans te dienen, klom te paard en
riep met luider stemme den herbergier, om afscheid van hem te nemen.
"Heer slotvoogd," sprak hij, "gij hebt mij vele en belangrijke diensten
bewezen en mij daardoor tot dank verplicht. Indien ooit iemand,
hij zij ridder of knecht, u onrecht wil aandoen, roep mij dan en ik
wil u wreken. Zoo echter een of ander overmoedige u reeds schade of
schande heeft aangedaan, noem mij zijn naam en zijne misdaad, en bij
mijne riddereer zij 't gezworen, dat ik niet rusten zal alvorens ik
u volkomen voldoening heb verschaft."
"Mijn beste heer ridder," antwoordde de waard doodbedaard, "uwe
gestrengheid behoeft de moeite niet te nemen, zich voor mij met
wraakneming te belasten; waar dat noodig is, weet ik mijzelf wel
recht te verschaffen. Wel echter moet gij zoo goed zijn uw gelag te
betalen voor nachtlogies en voêr voor uwe dieren, en 't is daarom,
dat ik u met alle beleefdheid verzoek."
"Wat!" schreeuwde Don Quichot, "'t was dus een ellendige herberg,
waarin ik overnacht heb?"
"Eene herberg, ja," antwoordde de waard; "doch niet eene ellendige,
maar eene zeer voorname."
"Welnu, dan moet ik bekennen, dat ik in eene groote dwaling verkeerd
heb," antwoordde Don Quichot. "Voor 't overige zult gij maar best
doen, niet op betaling van het gelag te rekenen; want nog nooit heb
ik gehoord of in de boeken gelezen, dat een dolend ridder ooit in
eenige herberg ook maar een penning betaald heeft."
"Dat gaat mij niets aan!" riep de waard driftig. "Betaal uwe schuld
en leuter me niet met die malle ridderschap om de ooren, of 'k zal
weten, wat me te doen staat, zotte kerel!"
"O gij domme, ellendige schoelje en schobbejak!" schreeuwde Don
Quichot; "gij gemeenste van alle herbergiers, verstout je niet, je
onbeschaamde kaken weer open te doen, en maak plaats, als ik je niet
onder de hoeven van mijn strijdhengst tot gruizelmenten zal trappen."
En met deze woorden velde de ridder zijne lans, gaf Rocinante de
sporen en holde voort, zonder dat iemand hem dorst tegenhouden. Reeds
was hij buiten het gezicht en had nog niet eens omgekeken, om zich
te overtuigen, dat zijn trouwe schildknaap hem gevolgd was.
De op die manier gefopte waard kwam nu als een brullende beer op Sancho
Panza aanschieten en verlangde, dat die hem instaan zou voor de kosten
der vertering; doch Sancho van zijn kant antwoordde heel bedaard, dat,
als zijn meester niet afdokken wou, hij voor zijn part daar nog veel
minder lust toe voelde. Hij was de schildknaap en wapendrager eens
dolenden ridders en moest in alle dingen het doorluchtig voorbeeld
van zijn heer en toonbeeld volgen.
De waard liet zich nochtans met deze verklaring volstrekt niet paaien;
hij werd boos, begon op zijn poot te spelen en dreigde Sancho, dat
hij zich alsdan zou laten betalen op eene manier, die dezen zeker
bijster weinig bevallen zou. Sancho evenwel hield voet bij stuk en
verklaarde, dat hij zelfs niet het tiende part van de helft van een
kwartpenning betalen zou.
Nu wou echter het ongeluk, dat juist dien morgen vier lakenscheerders
uit Segovia en vier wevers uit Sevilla in de herberg een uurtje waren
komen pleisteren. 't Waren vroolijke, jolige, lustige lui, die dus
veel van eene grap hielden en dan nu ook terstond op Sancho Panza
aanvielen en hem onder groot gejuich van zijn ezel trokken. Een hunner
liep in huis, om daar een beddelaken te halen. De overigen pakten den
armen schildknaap, legden hem op het beddelaken en begonnen hem in
de hoogte te gooien, zooals een oud wijf doet, als ze een pannekoek
in de pan 't onderst boven wipt. Hoe harder de sukkel schreeuwde, des
te hooger vloog hij in de lucht op en des te grooter was de pret. De
arme Sancho meende stellig en vast, dat hij onder een troep booze
duivels was vervallen, die hem tot kaatsbal gebruikten.
Intusschen was Don Quichot nog niet zoo ver, dat het brullen van
zijn geplaagden knecht niet zijn oor kon bereiken. Hij hield dus
stil, luisterde scherp toe en geloofde reeds, dat een nieuw avontuur
in aantocht was, totdat hij zich eindelijk overtuigde, dat het de
huilende stem van zijn schildknaap was, die hij hoorde. Terstond
wierp hij zijn paard om, keerde in strompelenden draf naar de herberg
terug en reed, daar hij de hofpoort gesloten vond, rondom het huis,
om ergens een ingang te vinden. Daarbij bemerkte hij, wat schandelijk
spel daar met zijn schildknaap gedreven werd, en dit gezicht bracht
hem in de grimmigste woede. Hij zag Sancho Panza in de lucht op-
en neervliegen als een bal, dien een knaap opgooit en weer opvangt,
en zou zeker om dit zonderlinge schouwspel hebben moeten lachen,
indien de gramschap over zulk eene mishandeling van zijn dienaar niet
zoo sterk was geweest.
Daar hij echter niettegenstaande al zijn zoeken geen ingang
ontdekte, beproefde hij, van zijn paard op den rand van den muur te
klimmen. Evenwel was hij nog altijd zoo zwak, dat hij zijne lange
beenen nauwelijks bewegen kon, en dus kon hij zijne woede niet anders
koelen, dan door een stroom van scheldwoorden en verwenschingen
over den herbergier en zijne gasten uit te storten. Dezen lieten
daarom echter den armen Sancho niet los, en beantwoordden elk nieuw
schimpwoord, dat Don Quichot tegen hen uitbraakte, met schaterend
gelach. Eindelijk, toen hunne armen zoo moe en lam waren, dat zij
die niet meer opheffen konden, gaven zij de grap op en lieten Sancho
Panza vrij. Zij brachten hem bij zijn ezel, hielpen hem daarop, pakten
hem in zijn mantel en joegen hem zoo de poort uit. Zeer tevreden,
dat hij er met een blauw oog was afgekomen, reed de schildknaap weg
en was zelfs vrij wat trotsch, dat hij toch zijn wil doorgezet en
den waard geen penning betaald had.
De arme drommel bemerkte later eerst, dat de slimme herbergier zijn
knapzak in beslag gehouden en daardoor de kosten van het gelag dubbel
en dwars betaald gekregen had.
HOOFDSTUK VIII.
DON QUICHOT EN DE SCHAPENKUDDEN, MET NOG ANDERE AVONTUREN.
Toen Sancho Panza tot zijn heer terugkeerde, was hij zoo mat en
krachteloos, dat hij zijn grauwtje maar met moeite vooruit kon
krijgen. Hem in dien toestand ziende, sprak de ridder:
"Nu, mijn goede Sancho, houd ik het er stellig en vast voor, dat dat
kasteel of die herberg betooverd was, daar de bewoners, die u zoo
gruwelijk mishandeld hebben, toch niet anders dan spoken en geesten
kunnen geweest zijn."
De schildknaap antwoordde met eene diepe verzuchting, maar zei verder
geen woord.
Terwijl beiden nu langzaam verder reden, bemerkte de ridder, dat
eene ontzettend groote en dichte stofwolk op hen toekwam. Hij zag
daar met fonkelende oogen naar uit en keerde zich toen tot Sancho.
"Hoor, Sancho," sprak hij, "dit is de dag, dien de hemel tot mijn
geluk heeft uitverkoren. De kracht van mijn arm zal worden op de
proef gesteld en ik wil daden verrichten, waarvan de menschheid nog na
honderden van jaren met bewondering spreken zal. Zie daar die stofwolk,
Sancho! Een groot krijgsheir, uit velerlei volken saamgesteld, doet
haar opstijgen."
"Dan moeten er twee legers zijn," zeide Sancho. "Daar van gindschen
kant komt eene tweede stofwolk op."
Don Quichot volgde met de oogen de aangewezen richting en was
uitermate verheugd, toen hij de verklaring van zijn schildknaap door
eigen aanschouwing bevestigd vond. Hij geloofde nu stellig, dat de
twee legers elkaar op de vlakte een grooten veldslag zouden leveren;
want zijn zwak hoofd was met betooveringen, avonturen, uitdagingen,
gevechten en wapenfeiten geheel volgepropt en alles, wat hij sprak en
dacht, placht op zulke wonderbare dingen uit te komen. Die stofwolken
werden intusschen geenszins door twee gewapende legers opgejaagd,
maar eenvoudig door twee groote kudden schapen, die langs den grooten
weg rustig voorttrokken, doch door het dichte stof, dat zij deden
opstuiven, niet duidelijk onderscheiden konden worden. Don Quichot
verzekerde nochtans met zooveel drift en heftigheid, dat het oprukkende
heirlegers waren, dat Sancho dit eindelijk ook geloofde en angstig
de vraag opwierp, wat men dan nu in dit geval moest beginnen.
"Wat te beginnen?" riep Don Quichot, zich in den zadel
vastzettende. "Wij moeten de zwakken helpen en den hulpbehoevenden
bijstand leenen. Weet, Sancho, dat het eerste dezer legers wordt
aangevoerd door den beroemden keizer Alifanfaron, beheerscher van het
eiland Trapobana, en het ander door Pentapolin met de opgestroopte
mouw, die koning is van de Garamanten."
Sancho Panza keek zijn heer verwonderd aan. Hij wist niet, dat deze al
zijne hoogdravende en dolle benamingen uit oude ridderromans had geput
en ze nu te pas bracht, alsof die wonderbaarlijke geschiedenissen
waarheid geweest waren. Zijne phantasie spiegelde hem de zotste
dingen voor.
"Maar wat hebben die beide legers tegen elkaar?" vroeg Sancho Panza
eindelijk.
"Zij bevechten elkaar, omdat Alifanfaron een heiden is en de
christelijke dochter van den koning Pentapolin tot gemalinne heeft
begeerd. Pentapolin zal hem haar niet geven, voordat de heiden een
goed christen is geworden."
"Waarachtig, dan heeft die opgestroopte mouw gelijk," zeide
Sancho. "Als 't van mij afhangt, staan wij hem bij, zoo goed wij
maar kunnen."
"Gij hebt het rechte inzicht, vriend," antwoordde Don Quichot; "maar
wees nu stil en rijd met mij rechts die hoogte op. Van dat punt kunnen
wij het krijgsvolk beter zien, en ik zal u dan meteen met de beste
en dapperste ridders van beide legers bekendmaken."
Zij reden den heuvel op en kozen eene plaats, waar zij de beide kudden
nauwkeurig hadden kunnen onderscheiden, als de dwarlende stofwolken
niet alles als in een dichten nevel hadden gehuld. Desniettemin zag
Don Quichot met behulp van zijn gloeiende verbeeldingskracht alles,
wat hij maar verkoos te zien, en begon dus dadelijk met luid klinkende
stem zijne inlichtingen te geven.
"Die ridder daar met de gele wapens," begon hij, "die een gekroonden
leeuw in zijn schild voert, is de dappere Laucalco, de heer van de
zilveren brug. Die met de gouden bloemen op zijne rusting en de drie
zilveren kronen in het azuurblauwe wapenschild is de groothertog
van Quirocia. Die daar aan zijne zijde met de reusachtige ledematen
is de nooit overwonnen Brandabarbaran van Bolicho, heer van de
drie Arabiën. Naast hem rijdt de nooitvolprezen held Timonel van
Carcassonne aan de spits. Zijne rusting vertoont vier kleuren, blauw,
groen, wit en geel, en in het schild draagt hij eene roode kat op
donkerbruin veld met het opschrift "Miauw!" ter eere van zijne dame,
die Miulina van Algarvië moet heeten. De ridder daar op het witte
ros met de witte wapens is een ridder uit Frankrijk. Pierre Papin
is zijn naam; en die op den gestreepten wilden zebra met de ijzeren
sporen is Espartafilardo, hertog van Nervië."
Nog vele ridders en heeren noemde Don Quichot op, en 't zou vermoeien
die allen te vermelden. Sancho Panza hoorde met open mond toe en
zijne verbazing steeg ten top, toen hij eindelijk zag, dat heel die
schitterende ridderschap in werkelijkheid niets anders dan eene kudde
vetgemeste hamels was.
"Loop naar den drommel, heer!" barstte hij op eens los. "Ik zie noch
reuzen, noch ridders, noch knapen, maar enkel schapen, zoo ver mijn
oog reikt."
"Hoe kunt gij zulk een onzin uitkramen?" antwoordde Don Quichot. "Hoort
gij dan niet het brieschen der paarden, het schetteren der trompetten
en het doffe dreunen en bommen der legerpauken?"
"Ik hoor niets dan een ontzettend geblaat, heer!" verzekerde Sancho,
en hij had gelijk. De beide kudden waren nu vrij dichtbij gekomen,
en ieder mensch met gezonde hersens moest zien, dat het schapen en
rammen waren en anders niet. Don Quichot bleef nochtans verblind.
"Uwe lafhartigheid, Sancho Panza, benevelt uw verstand," zeide
hij met fierheid. "Als gij bevreesd zijt, blijf dan vrij achter en
berg uw leven. Ik echter zal mij in den heeten strijd storten en de
overwinning zal met mij zijn."
Zonder het antwoord van zijn schildknaap af te wachten, drukte hij
Rocinante de sporen in de ribben en stoof met gevelde lans pijlsnel
den heuvel af. Sancho schreeuwde hem wel na: "Blijf, blijf, heer! Zoo
waar ik een zondig mensch ben, 't zijn enkel hamels en schapen,
waarop gij instormt!" Maar Don Quichot luisterde niet naar zijne stem.