Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net
Don Quichot van La Mancha
Naar
Miguel Cervantes de Saavedra
Op nieuw bewerkt
Door
J. J. A. Goeverneur
Met 8 gekleurde platen
Tweede druk
Amsterdam
Tj. van Holkema
Boekdrukkerij van P. W. M. Trap, Leiden.
HOOFDSTUK I.
JONKER DON QUICHOT.
Nog zoo heel, heel lang niet geleden woonde in een dorp van La Mancha,
een edelman, gelijk men die heden ten dage in Spanje nog bij de
vleet vinden kan. Zijne inkomsten waren slechts matig, en hij had
daarvan althans drie vierden tot zijn dagelijksch schraal onderhoud
noodig. Voor het laatste vierde schafte onze edelman zich zijne
kleeding aan, die elk jaar in een nieuwen lakenschen rok, een fluweelen
broek en leeren pantoffels bestond. Zijne verdere huisgenooten waren
zijne nicht, een jong knap meisje van achttien jaren, eene oude
huishoudster en eindelijk een jonge knaap, die het paard voeren,
water halen, hout klooven en verder huiselijk werk verrichten moest.
Op den tijd, dat onze geschiedenis begint, had onze edelman, wiens
naam Don (Don is in Spanje ons: Heer) Quichot was, zijn vijftigste
jaar bijna bereikt. Evenwel was hij nog kloek, krachtig en lang,
ofschoon ontzettend schraal en mager van gestalte, met een smal,
ingevallen gezicht, en een bijzonder groot vriend van de jacht. Zijne
allergrootste liefhebberij was echter, zich in het lezen van
riddergeschiedenissen te verdiepen, waardoor hij niet alleen vaak
eten, drinken en slapen vergat, maar ook het beheer van zijn vermogen
verwaarloosde en zich gedwongen zag, het eene stuk goed land na het
ander te verkoopen, alleen om tot aanschaffen van zulke avontuurlijke
en zeldzame boeken het benoodigde geld in handen te krijgen. Op deze
wijze bracht hij daar mettertijd dan ook een groot aantal van bijeen,
in 't lezen waarvan hij zich van den vroegen morgen tot den laten
avond zoozeer verdiepte, dat zijn hoofd er van op hol raakte en hij
er zoetjes aan stapelgek door werd. Zijne arme hersens waren vol van
tornooien en gevechten, van lansen en zwaarden, van betooveringen
en minneliederen, van uitdagingen en wonden, van reuzen en draken;
en 't ongeluk daarbij was, dat hij al dien onzin voor wezenlijke
en waarachtige waarheid hield en er niet minder geloof aan schonk,
dan aan de beste wereldgeschiedenis, die hem toevallig in handen kwam.
De vreemde verwarring zijner begrippen bracht hem tot het nog vreemder
voornemen, om tot vermeerdering van zijn roem en tot heil der wereld
een dolend ridder te worden, in ridderlijke wapenrusting het land door
te trekken en even zoo groote heldendaden te verrichten, als waarvan
hij in de oude romans gelezen had. Zijne verbeelding spiegelde hem met
levendige kleuren de ongehoorde avonturen en gevaren voor de oogen,
door welker heldhaftig bestaan hij zich een onvergankelijken roem
verzekeren moest. Door de kracht van zijn arm zag hij zich zelf reeds
tot machtig keizer gekroond, en hij meende, dat het hem althans zeker
gelukken moest een koningskroon te veroveren, gelijk al verschillende
dolende helden dat in den ouden tijd hadden gedaan. Hij gaf zich meer
en meer aan deze streelende gedachten over en achtte nu eindelijk
den tijd gekomen, om zijn dolzinnig besluit ten uitvoer te brengen.
Zijn eerste werk was, dat hij aan het opknappen en schoonmaken van eene
overoude, door een zijner voorzaten gedragen wapenrusting ging, welke
hij uit een donkeren hoek van de rommelkamer had opgeschommeld. In 't
zweet zijns aanschijns wreef hij er met een wollen lap en puimsteen de
roestvlekken af, en hij was innig voldaan, als hij na uren poetsen weer
een deel van het harnas goed glad en blank had gekregen. Eerst toen
hij hiermee eindelijk klaar was, bemerkte hij tot zijn niet geringe
schrik, dat nog een zeer belangrijk stuk aan zijne uitrusting ontbrak:
de helm namelijk.
Deze ongelukkige omstandigheid bracht hem in de grootste verlegenheid
en gaf hem veel kommer en zorg. In de hoop van den ontbrekenden helm
op te sporen, haalde hij in de rommelkamer alles onderstboven, doch
vond niets dan een oude stormkap, die bij de overige wapenstukken
volstrekt niet paste en vroeger denkelijk aan den een of anderen
geringen voetknecht had toebehoord. Desniettemin was hij met die vondst
niet weinig ingenomen en wist zijne scherpzinnigheid zeer spoedig
middelen te vinden, om de stormkap in een behoorlijken, schoon al niet
prachtigen helm te herscheppen. Hij nam bordpapier, waarvan hij met
veel moeite en getob de benedenhelft van den helm knutselde, hechtte
die aan de stormkap, verfde alles staalkleurig en kreeg zoo een ding,
dat wel nagenoeg het fatsoen van een ridderlijk hoofddeksel had.
Nu diende nog de proef te worden genomen, of zijn meesterstuk ook
sterk genoeg was, om den houw van een vijand te kunnen weerstaan. Om
daar zeker van te zijn, zette hij den helm op tafel, trok zijn zwaard
en deed dat met al de kracht van zijn arm daarop neervallen. Terstond
lag het heele ding in stukken, en onze held moest met schrik zien,
hoe de arbeid van verscheidene dagen, die hem zoo menigen zweetdroppel
gekost had, in een ommezien tijds was te niet gegaan.
Diep bedroefd zag hij de verwoesting aan. Hij had moeite, om zijne
tranen in te houden en zette zich stil in een hoek neer, om door diep
nadenken een middel uit te vinden om de schade te herstellen en in
weerwil van alle hindernissen toch in het bezit van een behoorlijken
helm te komen.
Na lang hoofdbreken kwam hij tot het besluit, om het bordpapier
van binnen van ijzeren staafjes te voorzien, ging terstond aan
het werk en kwam ook eindelijk tot zijn genoegen klaar. "Nu is hij
sterk genoeg!" dacht hij, maar had toch den moed niet, zijn maaksel
nogmaals aan zulk eene gevaarlijke proef te onderwerpen, zoodat hij
zich vergenoegde met zonder omstandigheden zijn helm voor den besten
en volmaaksten helm te verklaren, die ooit het hoofd eens dapperen
ridders had gedekt.
Toen dit nu beredderd was, besteedde hij drie of vier dagen, om een
gepasten en welluidenden naam voor zijn strijdros te bedenken. Het
arme beest had wel meer gebreken, dan een gulden centen en een pond
wichtjes heeft, aan zijn lijf, maar Don Quichot was toch van oordeel,
dat de hengst, daar die voortaan een edelen en beroemden ridder zou
dragen, ook volstrekt een naam moest hebben, die met zijne nieuwe
roeping en waardigheid strookte. Hij koos en koos weer, snuffelde al
zijne ridder- en heldengeschiedenissen door en kwam na veel wikken en
wegen tot het besluit, om aan zijn knol den liefelijken en welluidenden
naam van Rocinante te geven.
Na het afdoen van deze hoogst gelukkige aangelegenheid viel hem in, dat
ook hij zelf aan zijn ouden eerlijken naam een deftigen staart moest
hechten, en besloot hij dus, in 't vervolg als manhaftig en dapper
ridder onder den naam van Don Quichot van La Mancha op te treden.
Nu eindelijk zoo de hoofdzwarigheden overwonnen waren, nu zijne
wapenrusting blank gepoetst, Rocinante gedoopt en hij zelf van een
deftigen naam voorzien was, nu haperde er alleen nog maar aan, dat hij,
gelijk alle dolende ridders vóór hem, naar eene schoone dame rondzag,
tot wier eer en verheerlijking de te verrichten groote daden moesten
bedreven worden.
"Een dolend ridder," sprak hij bij zich zelf, "is een onding zonder
ridderlijke liefde. Hij is een boom zonder blad en bloesem, een lichaam
zonder ziel en geest. Hoe toch, als ik nu op mijne tochten een reus
ontmoet en hem door de kracht van mijn arm en van mijne dapperheid in
het stof neerwerp of hem van den kop tot de teenen in tweeën hak, moet
ik hem dan niet naar iemand heen zenden, om den roem mijner dapperheid
te verkonden en door heel de wereld te verbreiden? En tot wien kan ik
hem beter zenden, dan tot de uitverkorene dame van mijn hart, gelijk
in alle tijden ieder avontuurlijk ridder er eene bezeten heeft? Ik moet
en wil eene aangebedene van mijn hart en van mijne gedachten vinden!"
Eens tot dit besluit gekomen, vond hij de uitvoering er van zoo heel
moeielijk niet.
In de nabijheid zijner woning, in een klein gehucht, Toboso genaamd,
woonde eene flinke, stevige, gezonde boerenmeid. Don Quichot had haar
in vroeger tijd wel menigmaal gezien, en zij scheen hem recht geschikt
toe, om tot de koningin van zijn hart te worden uitverkoren. Zij
heette eigenlijk Aldonza Lorenzo, maar daar die naam hem niet mooi
en deftig genoeg klonk, zoo noemde hij haar Dulcinea van Toboso, daar
hij dit voor een recht hoogdravenden, welluidenden en geheimzinnigen
naam hield, die eerder aan eene prinses en hooge dame, dan aan eene
gewone boerendeerne deed denken. En dat immers was de hoofdzaak voor
onzen held.
HOOFDSTUK II.
HOE DON QUICHOT ZIJN EERSTEN TOCHT ONDERNEEMT.
Alle toebereidselen waren gemaakt en Don Quichot wilde dus de
volvoering van zijn koen en grootsch opzet niet langer uitstellen.
Op een warmen Julimorgen legde hij dus, zonder een sterveling iets
van zijn voornemen mede te deelen, zijne wapenrusting aan, zette den
kunstig gefatsoeneerden helm op het hoofd, stak het schild aan zijn
arm, greep zijne lans, besteeg Rocinante en reed door het achterdeurtje
van zijn hoenderhof de wijde wereld in. Zielsvergenoegd, dat de eerste
stap op zijne loopbaan als held hem zoo uitstekend gelukt was, zat hij
op zijn strijdros, aan welks uitstekende heupschonken hij gevoeglijk
al de stukken zijner rusting als aan een paar stevige kapstokken had
kunnen ophangen. Zijne voldoening was evenwel niet van langen duur;
want op eens schoot hem tot zijn geweldigen schrik te binnen, dat hij
nog niet werkelijk tot ridder geslagen was en zich dus ook niet met
een ridder, die hem in den weg kwam, in een kamp mocht inlaten. Deze
gedachte viel hem zoo drukkend zwaar op het hart, dat hij bijna zijn
plan opgegeven en weer naar huis teruggekeerd was. Reeds wilde hij
Rocinante den kop doen omwenden, toen hem nog tijdig inviel, dat
hij zich immers door den eersten den besten, die hem bejegende, den
ridderslag kon laten geven. Deze gedachte vervulde hem met nieuwen moed
en bewoog hem, zijn gelukkig begonnen tocht getroost voort te zetten.
Toen de avond begon te vallen en Don Quichot zoowel als zijn knol
van vermoeidheid en honger uitgeput waren, keek onze held naar alle
kanten rond, of hij niet ergens een trots opstekenden ridderburcht
of een gastvrij slot kon ontdekken, waar hij gelegenheid vond, om
zijne behoeften te bevredigen en nachtrust te houden. Tot zijne
blijdschap zag hij niet ver van zijn weg eene herberg staan,
waarop hij aanreed en die hij, voordat het nog ten volle donker
was, bereikte. Toevallig stonden voor de deur twee ganzenmeiden,
die vroolijk met elkaar praatten en wier heldere stemmen hem reeds
van verre in de ooren klonken.
Daar nu echter vriend Don Quichot alles, wat hem voorkwam, met de oogen
van zijn verwarden geest zag en zich zoodoende de wonderlijkste dingen
inbeeldde, zoo hield hij ook de herberg hier niet maar voor een gewone
kroeg, maar meende in haar een echten en wezenlijken ridderburcht
met torens en grachten, met wallen en ophaalbruggen voor zich te
hebben. Toen hij er nog weinig passen van verwijderd was, bracht hij
zijn paard tot staan en geloofde niets anders, of daar zou nu een
dwerg op den torentrans verschijnen en door schetterend hoorngeschal
verkondigen, dat een ridder door de burchtpoort verlangde toegelaten
te worden. Tevergeefs wachtte hij eene poos, en Rocinante, die niet
weinig naar den stal, naar voeder en rust verlangde, nam eindelijk de
teugels tusschen de tanden en stapte bedaard op de deur van de herberg
toe, zonder dat Don Quichot in staat was, het koppig dier tegen te
houden. Voor de huisdeur bleef hij staan, en Don Quichot kreeg nu de
beide morsige ganzenmeiden in het oog, welke zijne dolle verbeelding
echter dadelijk in edele en hoogst bevallige jonkvrouwen herschiep, die
zich voor de burchtpoort een weinig in de koele avondlucht vermeidden.
Terwijl hij haar nog vol eerbied aanzag, wilde het toeval, dat de
varkenshoeder met zijne kudde van een stoppelland naar huis kwam en
bij het bereiken van het dorp uit zijn horen eenige luide, krachtige
tonen lokte. Nu geloofde Don Quichot wat zijne verbeelding hem had
voorgespiegeld ten volle bewaarheid te zien; want hij hield den
zwijnenhoeder voor den ontbrekenden dwerg en sprong vroolijk van het
paard, om de beide schoone adellijke jonkvrouwen, dat wil zeggen de
ganzenhoedsters, met eerbiedige buiging te begroeten. De meiden echter,
toen zij zoo onverwachts een geharnasten ridder voor zich zagen,
gilden en gierden het uit en vluchtten vol schrik de herberg in. Don
Quichot, die zich dit vreemd gedrag niet verklaren kon, snelde haar na,
riep haar terug, lichtte het vizier van zijn helm op, ontdekte zijn
mager, bestoven gezicht en zeide met lispelende stem en onder eene
diepe buiging: "Mijne edele en hooggeboren jonkvrouwen, vlucht toch
niet zoo voor een ridder, van wien gij nooit in der eeuwigheid eenige
oneerbiedige behandeling te duchten hebt, maar die veeleer bereid is,
u ten allen tijde naar zijn beste vermogen te dienen en bij te staan."
Op eene haar zoo vreemde en ongehoorde wijze aangesproken, barstten
de beide deernen in een luid, schaterend lachen uit en maakten zulk
een leven en misbaar, dat Don Quichot in 't eind ernstig boos begon
te worden. Evenwel bedwong hij zijne drift en sprak:
"Mijne geëerde dames, zonder reden zoo te lachen verraadt
onverstand. Gelieft dit echter niet als eene beleediging te beschouwen;
want ik herhaal u met den diepsten eerbied, dat ik bloed en leven
aan uw dienst wensch toe te wijden."
De dolle taal van den gekken ridder deed de meiden, in plaats van
haar tot bedaren te brengen, nog maar harder te lachen, en Don
Quichots ergernis klom reeds tot een bedenkelijken graad, toen nog
juist van pas de dikke herbergier voor de deur verscheen en als een
vreedzaam man vrede zocht te stichten. Niettegenstaande zijne goede
bedoeling was hij echter bijna zelf in den lach geschoten, toen hij
de wonderbaarlijk kluchtige figuur van onzen ridder wat nader had
opgenomen; alleen het gezicht van de dreigende lans in Don Quichots
vuist maakte, dat hij zich met geweld goedhield. Hij trad met eene
beleefde buiging op den held toe en zeide uitermate vriendelijk:
"Heer ridder, ingeval gij misschien nachtkwartier zoekt, zult gij in
mijn huis op de kostelijkste manier bediend worden."
Don Quichot nam den dikken waard van het hoofd tot de voeten op en
meende uit zijne woorden te mogen opmaken, dat deze de bewaarder van
den ingebeelden burcht was. Zoo antwoordde hij dan, dat hij zelf met
alles zou tevreden zijn, mits men maar zorg wilde dragen voor zijn
ros, welks weerga in kracht en schoonheid men in de geheele wereld
tevergeefs zou zoeken.
De waard keek den mageren Rocinante aan en schudde glimlachend zijn dik
hoofd. Evenwel greep hij het dier gewillig bij den teugel, leidde het
in den stal en keerde vervolgens tot zijn gast terug, om te vernemen,
wat die verder zou te gelasten hebben.
In de gelagkamer tredend, vond hij daar Don Quichot onder de handen
der beide ganzenmeiden, die na eene roerende verzoening thans druk
bezig waren, den dolenden ridder van zijne zware wapenstukken te
ontlasten. Borst- en rugharnas hadden zij hem reeds losgegespt;
maar met den helm konden zij onmogelijk klaarkomen, daar die met
eenige groene koorden stijf aan het pantser vastzat. Die koorden waren
dusdanig in de war geraakt, dat men ze zou moeten doorknippen, om den
held van den zwaren last van den helm te bevrijden. Dit echter wilde
Don Quichot volstrekt niet toelaten, en daarom hield hij den helm
liever den ganschen nacht op het hoofd; wat wel zeer krijgshaftig
stond, maar ook zeker een weinig lastig en vermoeiend moest wezen.
Onderwijl vroeg de waard, die telkens moeite had, het niet uit te
proesten, wat de edele ridder wel tot avondmaaltijd verlangde, en deed
daarbij een hoog woord van zijn visch, die wat smakelijkheid betreft,
in geheel Spanje haar weerga niet moest hebben. Don Quichot dacht nu
natuurlijk aan versche visch, aan baars en forellen; maar de waard had
stokvisch bedoeld en kwam met een groot stuk daarvan aansleepen. Dit
was slecht gekookt en ellendig toebereid; maar nog ellendiger was het
zwarte en beschimmelde brood, dat daarbij den armen dolenden ridder
werd voorgezet.
Daar hij een honger als een paard had, stoorde onze held zich daar
nochtans weinig aan. Hij viel terstond gretig op de spijzen aan; doch
toen hij den eersten hap aan zijn mond wilde brengen, kwam hij tot zijn
schrik tot de ontdekking, dat hij om zijn helm geen beet over de lippen
zou kunnen krijgen. De ondeugende meiden stonden eerst te schudden van
lachen over zijne verlegenheid, maar waren toen toch goedhartig genoeg
om hem tot het gewichtig werk der spijziging haar gullen bijstand te
verleenen. De eene hield daartoe het vizier van zijn helm in de hoogte,
terwijl de andere hem visch en brood brok voor brok in den mond stopte.
De honger van den edelen held werd op die wijze dan ook gestild. Maar
hoe zou hij nu den dorst lesschen, die door den sterk gezouten
visch in niet geringe mate was toegenomen?--De dikke waard wist raad
daarvoor. Hij stak hem de dunne pijp van een trechter in den mond en
goot daar van boven den wijn in, die op die manier heel verkwikkelijk
in des armen lijders droge keel neerstroomde. Dat de helft van den
wijn den mond voorbij en hem de broekspijpen weer uitliep, oordeelde
de held van zoo groot belang niet tegenover de zoete voldoening,
dat hij daardoor de groene koorden van zijn helm had gered.
Terwijl hij nog aan de pijp zoog, kwam toevallig een ezeldrijver
de herberg voorbij en begon onder de vensters een deuntje op zijne
dwarsfluit te blazen. Deze toevallige omstandigheid versterkte Don
Quichot ten volle in zijne inbeelding, dat hij zich in een beroemd
ridderlijk kasteel ophield, dat hij door edele dames werd bediend,
dat de stokvisch forellen en 't beschimmelde brood pasteitjes waren,
en dat eindelijk de dikke waard de slotvoogd was. Door die zekerheid en
misschien zoo wat half door den hem ingepompten wijn geraakte hij dan
ook zoetjes aan in eene vrij jolige stemming en bleef de gedachte, dat
hij nog niet tot ridder was geslagen, bijna 't eenige, dat hem kwelde.
HOOFDSTUK III.
DE RIDDERSLAG.
Toen de wonderbaarlijke maaltijd op die wijze was afgeloopen, wenkte
Don Quichot den waard ter zijde, bracht hem in den stal, sloot zich
daar met hem op, viel voor hem op de knieën neder en hief smeekend
de handen tot hem op.
"O, gij dapperste van alle ridders en slotvoogden," sprak hij tot hem,
"hier wil ik knielen en ik zal niet weer opstaan, voordat gij mij
met bovenmenschelijke goedheid en genade één wensch vervuld hebt,
waarvan de verhooring u tot eeuwigen roem en de gansche wereld tot
heil en zegen zal strekken."
De dikke herbergier zag den knielenden held met verbaasde oogen
aan en was niet weinig verlegen. Hij wist niet, hoe hij zich in dit
geval gedragen moest, en verzocht Don Quichot met alle beleefdheid,
dat hij toch maar opstaan en zijne wenschen op verstandige manier
aan den dag leggen mocht. Don Quichot verroerde zich echter niet
van de stee en rustte niet, voordat de waard beloofd had te doen,
wat hij van hem begeeren zou.
"Ik dank u voor uwe grootmoedigheid," sprak hij hierop "en zal u
nu mijn verlangen openbaren. Dat bestaat hierin, dat gij mij morgen
vroeg tot ridder slaan en mij vergunnen wilt, dezen nacht in de kapel
van uw kasteel mijne wapenwake te houden. Hebt gij dat gedaan, dan
wil ik de wijde wereld intrekken en wil vechten en strijden, totdat
de roem mijner daden de aarde met verbazing en bewondering vervult;
want dit is de plicht der dolende ridderschap, tot welke ik van den
dag van morgen af hoop te behooren."
De dikke herbergier was een guit van een kerel, en nu hij den edelen
ridder daar zoo hoorde doordraven, begreep hij terstond, dat het
bij dezen in de bovenverdieping niet recht pluis moest wezen. Dus
nam hij zich dan ook voor eens terdege pret met hem te hebben, en
antwoordde met een deftig, uitgestreken gezicht, dat hij zeer gaarne
bereid was, den wensch van een zoo dapper, volmaakt en roemruchtig
ridder te vervullen. Hij versterkte hem in het geloof, dat hij zich
werkelijk in een groot en prachtig slot bevond, en betreurde alleen
voor 't oogenblik geen kapel tot zijne beschikking te hebben, daar
de oude kort geleden was afgebroken, om weer nieuw te worden opgebouwd.
"Maar toch, waardige held," voegde hij er bij, "kunt gij hier getroost
uwe wapenwake houden, daar in tijd van nood iedere plaats tot dat doel
goed en passend is. Doe het dezen nacht in een binnenhof van het slot,
en morgen wil ik alsdan de noodige toebereidselen maken en alles
zoo inrichten, dat gij tot een zoo volmaakt ridder wordt geslagen,
als er maar een op twee beenen loopt."
Na deze troostrijke toezegging vroeg hij Don Quichot, of hij ook geld
bij zich had. Tot zijne verwondering antwoordde de ridder ontkennend en
voegde er bij, nog nooit gelezen te hebben, dat een braaf dolend ridder
met ander nietig metaal, dan zijn goed harnas, was bezwaard geweest.
"Ei, dan moeten de schrijvers van uwe heldengeschiedenissen 't
niet recht goed geweten hebben," antwoordde de guitige herbergier
met gemaakte deftigheid. "Ik voor mij heb altijd gehoord, dat alle
avontuurzoekende ridders op hunne tochten wel wezenlijk goed gespekte
beurzen, schoone hemden en buitendien een doosje met wonderbalsem
meenamen, om de in 't gevecht bekomen wonden en kwetsuren te heelen,
en dat zij die dingen, als ze geen schildknaap bij zich hadden,
in een daartoe aan den zadel aangebrachten knapzak bewaarden. Neem
dus goeden raad van mij aan, hoogedele Don Quichot: rijd, als ge
van mij den ridderslag hebt ontvangen, naar huis, zorg voor geld en
andere noodwendige behoeften, neem, zooals dat een held betaamt,
een schildknaap in dienst en rijd dan in vredesnaam opnieuw op
ontmoetingen en avonturen uit."
Don Quichot beloofde dezen welgemeenden raad stiptelijk te zullen
opvolgen, en verklaarde zich bereid, zijne wapenwake op een binnenhof
van den burcht te houden.
Zonder dralen sleepte hij daarop de stukken zijner wapenrusting naar
buiten, legde die op den trog voor den waterput en begon toen, met
het schild aan den arm, de lans in de vuist, met de grootst mogelijke
deftigheid en waardigheid daarvoor op en neer te stappen.
Het was onderwijl vrij laat geworden en de dikke waard haastte zich
al de wonderlijke dingen van ridderslag en wapenwake, die hij van
Don Quichot vernomen had, aan zijne gasten in de gelagkamer zoo heet
van den rooster over te vertellen. De menschen liepen nu lachend
naar het venster en, daar de maan helder scheen, zagen zij daar den
goeden Don Quichot parmantig en in volle glorie voor zijne wapens
heen en weer kuieren. Nu en dan bleef hij, op zijne lans leunend,
eenige oogenblikken nadenkend staan, keek zuchtend tot de maan op en
begon dan opnieuw zijne eentonige wandeling.
Nu schoot een muilezeldrijver onder de gasten op eens te binnen, dat
hij zijne beesten nog te drinken moest geven. Hij trad dus buiten in
den hof en naderde den put, om de wapenstukken van den trog te nemen,
daar hij anders niet bij het water kon komen. Zoodra nu echter Don
Quichot hem in het oog kreeg, stelde deze zich dreigend in postuur
en keek den komende grimmig aan.
"Terug, vermetel ridder!" riep hij. "Wie gij ook zijn moogt, die u zoo
roekeloos verstout de hand naar mijne wapens uit te steken, hoed u,
dat gij niet het leven laat tot straffe voor uw dolzinning bestaan!"
De ezeldrijver stoorde zich zoo weinig aan die hoogdravende taal,
dat hij de hem in den weg liggende wapens zonder omstandigheden bij
de riemen oppakte en ze, 't eene stuk rechts, 't ander links, op den
grond smeet.
Toen Don Quichot dit zag, ontstak hij in hevigen toorn, verdraaide
de oogen, liet zijn schild los, greep met beide handen zijne lans en
liet die met zooveel geweld op het hoofd van den armen ezeldrijver
neervallen, dat dezen hooren en zien verging en hij dadelijk
bewusteloos neerstortte.
Zonder verder naar den overwonneling om te zien, raapte Don Quichot
bedaard zijne wapens weer op, legde ze andermaal op den trog neer en
zette zijne wandeling met alle deftigheid voort.
Het duurde echter niet lang, of daar kwam een tweede ezeldrijver
die volstrekt niet wist van hetgeen met zijn kameraad gebeurd was,
en ontving van Don Quichot dezelfde waarschuwing, om zich op een
afstand te houden. Daar de man dit nu niet dadelijk deed, hief de
bedreigde ridder andermaal zijne lans op en bracht den armen drommel,
die heel niet wist, wat hem overkwam, een paar zoo geweldige slagen
op het hoofd toe, dat het bloed er bij neerstroomde en de onnoozele
sukkel jammerlijk begon te schreeuwen en te huilen. Dit gerucht
deed den herbergier en zijne gasten verschrikt toeschieten en
met verbaasdheid zien, wat gebeurd was. En toen hij bemerkte, welk
machtig leger tegen hem in aantocht was, greep de wakkere ridder nu
zijn zwaard en riep uit:
"Nu, o Dulcinea, koninginne van mijn hart, nu is het tijd, dat gij uwe
oogen op mij richt en ziet, welk vreeselijk en schrikbarend avontuur
ik hier te bestaan heb."
De dreigende gebaren, waarmede Don Quichot zijne wapens zwaaide,
zijne vlammende blikken en onmiskenbare vastberadenheid boezemden den
menschen zooveel ontzag in, dat zij terstond staan bleven en zich niet
nader waagden. Om toch iets te doen, raapten zij echter steenen van
den grond op en begonnen daarmee op veiligen afstand zulk een hevig
bombardement, dat Don Quichot zich daar met zijn schild onmogelijk
tegen kon dekken. Hij ontving dus menig harden bons, maar week geen
voet van de plaats, daar hij liever zijn leven dan ook maar één enkel
stuk van zijne wapenrusting wilde verliezen.
De herbergier, die medelijden met den armen held begon te krijgen,
trad eindelijk als bemiddelaar op en zocht de aanvallers tot bedaren te
brengen door hun te herinneren, dat Don Quichot niet recht wijs was,
wat hij hun vroeger ook al had gezegd. Zijne dringende toespraak en
des ridders ernstige bedreiging, dat hij den een na den ander den
schedel zou klooven, hadden eindelijk ten gevolge, dat men den bont
en blauw gesteenigden held verder met rust liet. Deze gaf nu den
deerlijk gekwetsten ezeldrijver vrijheid, om zijns weegs te gaan,
vatte de lans weer op en zette zijne wandeling voort, alsof er
hoegenaamd niets was voorgevallen.
Onderwijl begreep de waard, dat het nu tijd werd, aan de grap voorgoed
een einde te maken, en besloot dus onzen heldhaftigen vriend maar
terstond zonder verder uitstel tot ridder te slaan.
"Hoogedele heer," sprak hij op eerbiedigen toon, "gij hebt thans
ten volle uw plicht vervuld en door de heldhaftige verdediging uwer
wapens uwe bovenmenschelijke dapperheid doen blijken. Ik acht het dus
niet noodig, dat gij hier tot den morgen staan blijft, maar reken mij
verplicht, u nu dadelijk hier onder den blooten hemel den ridderslag
te geven."
Door deze nederige toespraak, waarin een zoo hooge lof voor hem
lag opgesloten, niet weinig gestreeld, toonde Don Quichot zich
dan ook terstond bereid den slag te ontvangen; en om aan de zaak de
behoorlijke plechtigheid bij te zetten, haastte de herbergier zich de
beide ganzenmeiden en een keukenjongen te halen, om er als getuigen
bij te dienen. Hierop beval hij den gekken ridder, neer te knielen,
vroeg hem zijn zwaard en bracht hem daarmee twee zoo duchtige slagen
op de schouders toe, dat ieder ander dan onze standvastige held het
daarbij van pijn zou uitgeschreeuwd hebben. De dikke waard hield hierop
eene korte toespraak, beval toen aan de meiden, welke Don Quichot
nog altijd voor voorname, schoone jonkvrouwen hield, hem zwaard en
sporen aan te gespen, en verklaarde, dat de ceremonie hiermee naar
eisch was afgeloopen.
De nieuwbakken ridder dankte alle drie, den slotvoogd en de dames, voor
hunne liefdediensten, hunne gunst en genade, en ging vervolgens in den
stal, om Rocinante te zadelen en buiten te brengen. Hij kon namelijk
niet besluiten den ganschen nacht in de herberg door te brengen. De
dorst naar avonturen en ridderlijke daden dreef hem voort; en de waard,
maar blij, dat hij hem kwijtraakte, liet hem trekken, zonder zelfs voor
de huisvesting en de ellendige stokvisch betaling van hem te vergen.
HOOFDSTUK IV.
WAARIN BRAAF GEROST EN GERANSELD WORDT.
De morgen begon juist te schemeren, toen Don Quichot de herberg verliet
en welgemoed zijn tocht vervolgde. Zijne opgewonden verbeelding
spiegelde hem reeds allerlei grootsche en ongehoorde wapenfeiten
voor, toen hem op eens de goede raad inviel, dien de waard hem had
meegegeven, te weten, om zich vooral van geld, schoon linnen en
een schildknaap te voorzien. Dit deed hem dus besluiten naar zijne
woonplaats terug te keeren en Rocinante den weg te doen inslaan naar
het dorp, waar hij het levenslicht aanschouwd had. Het paard scheen
zijn voornemen te begrijpen en nog meer dan hij naar den bekenden
stal te verlangen. Het draafde lustig voort en scheen met zijne hoeven
nauwelijks de aarde te raken.
Op eens trok Don Quichot de teugels aan en luisterde. Een klagend
gekerm drong hem uit een dicht kreupelbosch in de ooren, en terstond
stuurde hij zijn paard op de plaats, van waar dat geluid kwam, aan. Hij
was nauwelijks vijftig passen ver, toen hij eene vastgebonden merrie
en daar dicht bij een ongeveer veertienjarigen knaap ontdekte, welke
die klagende tonen uitstiet. De jongen was aan een boom vastgebonden
en zijn bovenlichaam tot aan de heupen ontbloot. Een stevige boer
stond achter hem, ranselde den schreeuwenden knaap met een dik touw
ongenadig af en deed op iederen slag de vermaning volgen: "Mond open,
oogen toe, mijn jongen!"
Don Quichots hart zwol van toorn en verontwaardiging, terwijl hij
den boer met donderende stem toevoegde: "Gij zijt een schandelijk
en eerloos ridder, daar gij u zoo aan een weerlooze vergrijpen
durft! Laat hem los, bestijg uw strijdros en grijp uwe lans, opdat
wij elkaars krachten beproeven; want ik zweer u en wil u bewijzen,
dat uwe handelwijze de ergste lafhartigheid verraadt."
Bij het hooren van de dreigende stem en 't zien van den geharnasten
ridder, die met gevelde lans op hem toe kwam, hield de boer zich
reeds voor een man des doods en antwoordde met schrik: "Edele heer,
deze knaap hier heeft zijne tuchtiging dubbel en dwars verdiend. Hij
is een van mijne knechts en hoedt mijne schapen, maar past zoo slecht
op zijn plicht, dat ik om den anderen dag een stuk kwijtraak, om 't
nooit weer te zien te krijgen. Als ik hem dan een pak ransel geef, dan
zegt hij, ofschoon 't een schandelijke leugen is, dat ik dat uit booze
vrekkigheid doe en omdat ik hem zijn verdiende loon niet wil betalen."
"Dat liegt gij, goddelooze schobbejak!" riep Don Quichot, die uit
pure ridderlijkheid voor den zwakkere partij koos. "Gij liegt! Bind
terstond den jongen los en betaal hem, wat hem toekomt, als gij niet
op staanden voet met mijne lans doorboord wilt worden."
In zijn angst bond de boer den jongen rekel los, en Don Quichot vroeg
dezen laatsten, hoe veel geld zijn heer hem schuldig was.
"Negen en zestig realen," antwoordde snikkend de gauwdief.
Zijn meester stond bij dit antwoord geheel verbijsterd en hief van
verbaasdheid beide handen omhoog; doch de ridder beval hem, die som
terstond zonder tegenspraak te betalen.
"En al moest ik hier nu zoo dadelijk op de plaats dood blijven,
dat geld geven kan ik niet," riep de boer. "Ik sleep de realen maar
zoo niet in mijn zak mee. Als de jongen echter met mij naar huis
wil komen, dan zweer ik u, heer ridder, dat hij hebben zal, wat hem
eerlijk toekomt."
"Neen, meegaan wil ik niet," huilde de knaap. "Geloof mij, edele
ridder, als hij mij weer onder zijn klauwen krijgt, dan haalt hij
mij bij levenden lijve 't arme vel over de ooren."
"Neen, dat zal hij niet, maar hij zal doen, wat ik hem gelast. Hij
moet mij op zijn woord beloven, dat hij u betalen zal, en de hemel
moge hem genadig zijn, wanneer hij als een slecht en valsch ridder
zijn woord brak. Ga gerust met hem."
"Maar hij is heelemaal geen ridder, heer!" huilebalkte de jongen. "Hij
is maar de rijke boer Juan Haldudo uit Quintanar en anders niets."
"Dat doet er niet toe," verklaarde Don Quichot; "ook onder de Haldudo's
kunnen ridders zijn, en ik zeg u, als uw heer u niet betaalt, dan zal
ik weeromkomen, om hem te tuchtigen. Weet, dat ik de beroemde dolende
ridder Don Quichot van La Mancha ben, de verdelger aller boozen, de
beschermer der onschuld en de toevlucht der onderdrukten. Ga daarom
met uw meester, mijn zoon! Hij zal niet wagen u kwaad te doen, daar
ik u onder mijne bescherming heb genomen."
De boer zwoer bij hoog en bij laag, dat hij den knaap behoorlijk
behandelen zou, en Don Quichot gaf zijn ros de sporen en stoof heen in
galop. Niet zoodra was hij echter uit het gezicht, of de boer keerde
zich tot zijn knecht en zeide: "Kom nu hier, m'n kereltje: ik wil
je betalen, wat je toekomt, en dat met rente en interest. Kom hier,
zeg ik!"
En met die woorden pakte hij hem, bond hem opnieuw aan den eik vast,
waar hij den bengel zoo jammerlijk afranselde, dat zijn huilend
brullen wijd en zijd door het bosch klonk en hij den wakkeren ridder,
aan wien hij dat pak te danken had, naar den diepsten afgrond wenschte.
"Roep nu je bevrijder, mijn zoon!" spotte de boer, terwijl hij zijne
slagen als hagel neer liet vallen. "Toe, roep hem nu en zie, of hij
je hooren en helpen zal! Wacht, ik wil je leeren, tegen je meester
rebellig te wezen. Klets, klets, klets!"
En hij beukte op den jongen los, tot zijn arm er lam van werd. Toen
eerst bond hij hem los en joeg hem weg met een duchtigen schop tot
reispenning.
Onderwijl sjokte Don Quichot in sukkeldraf zijns weegs en verheugde
zich over zijn werk, daar hij weinig vermoedde, hoe zijn pas bevrijde
beschermeling thans opnieuw onder de slagen zijns kastijders stond
te kreunen en te krimpen. Maar daar op eens zag hij in de verte eene
stofwolk opstijgen, welke hij terstond voor een troep stroopende
roofridders hield, niettegenstaande 't eenvoudig zes vreedzame
kooplieden met hunne dienaren waren, die van Toledo naar Murcia
trokken, om daar hunne handelszaken af te doen. Don Quichot herinnerde
zich intusschen wat hij vroeger in zijne oude riddergeschiedenissen
gelezen had, en besloot op dezelfde wijze te werk te gaan als die
onvergelijkelijke helden, welke hij zich eens voor al tot schitterend
voorbeeld had gesteld. Hij zette zich dus met kalme bedaardheid vaster
in den zadel, dekte zijne borst met het schild, legde de lans aan en
bleef in deze houding de langzaam naderende kleine karavaan roerloos
afwachten. Toen nu de vreemde ridders, want voor dezulken hield hij
hen, binnen het bereik zijner klinkende stem waren gekomen, deed hij
zijn mond open en schreeuwde hun uitdagend toe:
"Wie gij ook zijn moogt, ik zal u geen doortocht gunnen, voordat gij
verklaard en betuigd hebt, dat Dulcinea van Toboso, mijne uitverkorene
dame, de nobelste en schoonste jonkvrouw op den grooten, wijden
aardbodem is!"
De kooplieden konden uit Don Quichots gansche toetakeling en uit
de dolle taal, die hij uitsloeg, wel dadelijk opmaken, dat het met
hem daar boven niet recht pluis moest wezen, en een van hen, een
jolige snaak, antwoordde dus dadelijk met even groote deftigheid:
"Koen, dapper en roemwaardig ridder! wij hebben den naam van de
eerbare jonkvrouwe, dien gij daar uit- galmt, nog nooit gehoord en
hebben dus ook geen sikkepitje tegen haar in te brengen. Laat ons dan
zien, hoe zij is, en is zij werkelijk het toonbeeld van schoonheid,
waarvoor gij haar uitgeeft, dan zullen wij haar eer en lof volgaarne
overal uitbazuinen."
"Dat is maar dwaze praat!" voegde Don Quichot hun toe. "Als ik haar
toonde, zou 't geen verdienste wezen, dat ge voor haar op de knieën
neervielt. Neen, ook zonder haar liefelijk aangezicht te aanschouwen
zult gij gelooven, bekennen en bezweren, dat zij de schoonste op
aarde is, of allen door de kracht mijner lans in het stof worden
neergeworpen. Komt nader dan, komt nader, een voor een of allen te
gelijk, en ik wil u toonen, wat straf hen wacht, die wagen, aan de
edele en hooge dame Dulcinea van Toboso de verschuldigde achting
te ontzeggen."
"Ei, heer ridder, hoe kunt gij u ook zoo schrikbarend driftig
maken?" antwoordde de spotzieke koopman, met moeite zijn lachlust
bedwingende. "Toont ons maar eene beeltenis van uwe aangebedene,
en al is die ook maar zoo groot als een gerstekorrel, we zullen
tevreden zijn en uwe heerlijkheid alle eer bewijzen, zelfs als uit
dat konterfeitsel blijkt, dat de edele Dulcinea erg scheel ziet en
voor en achter een bochel heeft."
"Ellendige, laaghartige schavuit!" riep Don Quichot, ten uiterste
verontwaardigd. "Doña [1] Dulcinea van Toboso kijkt niet scheel, en
nog veel minder wordt haar edele gestalte door een bult ontsierd. Maar
gij zult voor uwe snoode lastering het met den dood boeten."
En nog terwijl hij dit uitschreeuwde, gaf hij Rocinante de sporen
en stormde met zulk een geweld op den spotachtigen koopman in, dat
hij hem met zijne lans doorboord zou hebben, zoo niet een gelukkig
toeval dat dreigend gevaar had afgewend, De arme Rocinante namelijk,
op dat harde rennen nog niet afgericht, stiet tegen een steen aan,
struikelde, stortte neer en slingerde zijn ridderlijken berijder
met zooveel kracht uit den zadel, dat hij wel tien passen ver door
de lucht vloog. Hij deed wel al zijn best, om zich van zijn val
weer op te richten; doch de zware last zijner rusting belette hem
dat. Desniettegenstaande ging hij voort met schimpen en razen en
overstelpte de kooplieden met een vloed van scheldwoorden, terwijl
dezen daarbij zaten te schudden van lachen.
Maar het spektakel, dat hij maakte, begon eindelijk een der
muilezeldrijvers van het gezelschap te vervelen en deed hem besluiten,
den gevallen ridder op krachtdadige wijze tot zwijgen te dwingen. Hij
steeg van zijn lastdier, ging op Don Quichot toe, rukte hem de lans uit
de hand, brak die door midden, nam het dikste eind en beukte daarmee
zoo lang op den nog voortdurend schimpenden en scheldenden ridder los,
tot hij zijn knuppel in duizend splinters had geslagen. Vervolgens nam
hij het andere stuk van de lans en bediende zich daarvan op dezelfde
wijze tegen den armen gevallene, die daarom toch den mond niet hield,
maar hemel en aarde tot getuigen van de schandelijke behandeling
aanriep, die hij van zulke ellendige gauwdieven en straatroovers
ondergaan moest.
Toen eindelijk de kerel moe werd en Don Quichot eene ongenadige dracht
slagen had ontvangen, zetten de kooplieden hunne reis voort, zonder
zich verder om den jammerlijk toegetakelden held te bekommeren. Deze
hernieuwde nu nog eens zijne pogingen om overeind te komen; doch dat
gelukte hem niet, daar zijn gansche lichaam deerlijk gekneusd was en
hij zijne armen en beenen bijna heel niet kon bewegen.
HOOFDSTUK V.
HOE DON QUICHOT NAAR HUIS KWAM EN EEN SCHILDKNAAP VOND.
Verscheiden uren lag Don Quichot niet ver van zijn paard stijf en
roerloos op den grond en had tijd om over zijn treurig lot na te
denken, totdat toevallig een boer uit zijne nabuurschap dien weg langs
kwam en den ongelukkigen ridder daar zoo vond liggen. Die kwam hem te
hulp, maakte hem den helm van het hoofd los en vroeg deelnemend, hoe
het met hem was. De arme mishandelde gaf eerst volstrekt geen antwoord,
maar bracht toen op eens zulk een onzin en wartaal voor den dag, dat
de goede, eenvoudige boer er heel niet wijs uit kon worden. Het duurde
lang, voordat hij de waarheid eenigermate op het spoor kwam. Eindelijk
trok hij den gekneusde zonder omstandigheden de wapenrusting en de
kleederen van het lijf, onderzocht zijn geheele lichaam en vond
eene ontelbare menigte bruine, blauwe en groene plekken, die aan
de krachtige slagen van den verbolgen muilezeldrijver waren toe te
schrijven. Nu begreep hij zoo nagenoeg, wat hij te doen had, tilde
den armen ridder op Rocinante, bond hem op den zadel vast, pakte de
stukken der wapenrusting op zijn eigen paard, nam beide rossen bij
den teugel en geleidde den dolenden ridder op die wijze naar huis.
Onder weg kraamde Don Quichot zoo veel dwaze dingen uit, dat den
eenvoudigen boer hooren en zien verging en hij hartelijk blij was,
toen hij eindelijk zonder verdere ongelukken behouden Don Quichots
huis bereikt en daar terdege op de gesloten deur gebonsd had.
Zijne nicht en de oude huishoudster waren intusschen niet weinig
verbaasd geweest, toen zij op eens de afwezigheid van haren heer
bemerkten, die met ros en rusting spoorloos verdwenen scheen. In haar
angst en bezorgdheid zonden zij, toen eenige dagen verloopen waren,
naar den pastoor en den barbier van het stadje, verzochten dezen,
bij haar te komen, en deelden hun het vreemde geval in al zijne
kleuren en fleuren mee.
"Die verwenschte ridderboeken hebben hem het hoofd op hol gebracht,"
zeide de huishoudster tot den pastoor, "en het knapste verstand in
heel Spanje totaal te gronde gericht."
"Ja, ja, meester Nicolaas," klaagde het nichtje, zich tot den barbier
richtende, "mijn arme oom zat dagen en nachten lang in die domme boeken
te studeeren en las zoo lang, tot het hem groen en geel voor de oogen
werd. Soms smeet hij het boek weg, greep naar een ouden verroesten
degen, die aan den wand hing, haalde hem uit de schede en begon er als
een dolleman mee in de lucht te schermen. Als hij dan moe werd en 't
zweet hem bij 't gezicht neerliep, zeide hij, dat hij met vier machtige
reuzen had gekampt en alle vier doodgeslagen. Vervolgens dronk hij een
groot glas water en verklaarde, dat het een kostelijke wonderdrank
was, dien hij van zijn goeden vriend, den toovenaar Esquife, had
gekregen. En dan eindelijk nam hij zijne malle ridderhistories weer
op en las daarin, tot hij weer zoo'n nieuwe vlaag van razende dolheid
kreeg. Zoolang die ellendige boeken niet tot asch verbrand zijn,
krijgt mijn arme oom zeker zijn verstand niet weerom."
"Nu, dan willen wij er het vonnis over uitspreken en ze morgen aan
den dag zonder genade op het vuur te gooien."
Op dit oogenblik bonsde de boer buiten op de huisdeur, en de
verzamelden sprongen op en haastten zich naar buiten, om te zien,
wat er gaande was. Toen zij den verloren ridder Don Quichot herkende,
gaf de huishoudster een kreet van blijdschap en vroeg hem, waar
hij zoo lang geweest was. De arme man was echter niet in staat een
verstandig antwoord te geven. Hij kwam met allerlei onzin voor den dag,
en de boer, die hem gebracht had, moest het woord nemen en vertellen,
in welken toestand hij den dolenden held gevonden had. Deze werd nu
met alle zorg van het paard getild en te bed gebracht, waarop hij
terstond in een diepen slaap verzonk. De overigen bleven echter nog
tot laat opzitten, om te overleggen, wat zij doen moesten om de dwaze
inbeeldingen van den armen man zooveel mogelijk te keer te gaan of
althans voor het vervolg onschadelijk te maken.
Den volgenden morgen was de dag nauwelijks aan den hemel, of de
ongelukkige riddergeschiedenissen ondergingen het vonnis, dat den
vorigen avond onherroepelijk over haar was uitgesproken. De pastoor,
de barbier, de huishoudster en de nicht trokken daartoe gezamenlijk
naar de bibliotheek, sleepten de gansche vracht boeken naar buiten,
stapelden ze als een houtmijt op elkander en legden er een duchtig vuur
onder aan. De oude stroosnijders brandden als zwavelstokken, en het
duurde geen half uur, of van heel den rommel was niets meer over dan
een hoopje grauwe asch, die de wind naar alle richtingen verstrooide.
Om nu het goede werk te voltooien, deed de huishoudster toen
een metselaar komen, die nog dienzelfden dag de deur naar de
bibliotheek dichtmetselen moest, zoodat men er geen spoor meer van
kon ontdekken. Toen dit gedaan was, stelde zij zich gerust en meende
haren meester nu alle dolle kuren uit het hoofd te hebben gedreven of
toch te kunnen drijven, daar de onzinnige ridderromans, waaruit hij
al dat vergift had gezogen, nu voor altijd onschadelijk waren gemaakt.
Onderwijl werd Don Quichot wakker, sliep weer in, werd weer wakker,
at en dronk en vertelde allerlei dwaze dingen, totdat hij zich
eindelijk weer tamelijk wel gevoelde. Hij trok zijne kleeren aan,
sukkelde naar zijne bibliotheek, om daar wat in zijne geliefde boeken
te studeeren, en vond--geen vertrek en zelfs geen deur meer. Op zijne
verwonderde vraag vertelde zijne nicht hem, dat een booze toovenaar
de geheele bibliotheek weggehaald had; en daar dit verzinsel met de
denkbeelden van den ridder vrij goed overeenkwam, nam deze dat dan
ook geloovig aan.
De eenige gedachte, die Don Quichot thans nacht en dag bezighield,
was hoe hij best weer een nieuwen tocht zou ondernemen en aan een
schildknaap komen, die hem daarop vergezellen kon. Zijn buurman, een
eerlijke boer zonder bijzonder veel verstand, scheen hem voor zulk eene
betrekking de meest geschikte persoon toe, en hij gaf zich dus alle
moeite om den man over te halen. In den beginne wilde Sancho Panza,
zoo heette de boer, van al die dolende ridderschap hoegenaamd niets
hooren; doch Don Quichot deed hem zulke fraaie beloften en stelde hem
zoo duidelijk voor, dat hij wat vroeger of later een koninkrijk of een
eiland veroveren moest, waarop hij dan Sancho Panza als stadhouder
zou aanstellen, dat de goede man eindelijk toegaf en, in spijt van
vrouw en kinderen, tot het besluit kwam, den edelen Don te vergezellen.
Nadat op deze wijze eene voorname zwarigheid uit den weg geruimd
was, moest de ridder van La Mancha nog geld en schoon linnen zien
te bekomen. Hij verkocht en verpandde derhalve een goed deel van
zijn eigendommen en bracht zoodoende eene vrij aanzienlijke som
bijeen. Hierop lapte hij zijne wapenrusting weder op, bracht zijn
helm in behoorlijken staat, kondigde Sancho Panza het uur aan, waarop
zij opbreken zouden, en drukte hem op het hart, zich toch vooral van
een duchtigen knapzak te voorzien. Sancho Panza beloofde niet alleen
voor den knapzak, maar ook voor een rijdier te zullen zorgen, daar hij
zijn ezel op de reis meenemen wou. Nu wist Don Quichot zich wel niet
te herinneren, dat ooit een schildknaap op een grauwtje op avonturen
was uitgegaan, maar toch had hij er vrede mee, daar hij zich voornam,
den eersten den besten onheuschen ridder, met wien hij te doen kreeg,
zijn strijdros af te nemen en op die wijze beter voor Sancho Panza
dan voor zichzelf te zorgen.
Nadat zoo alles bezorgd en in orde gebracht was, verlieten Don Quichot
en zijn schildknaap in het holst van den nacht stil en heimelijk
hun vredig dorp, zonder dat een van beiden van zijne betrekkingen
afscheid had genomen. Zij haastten zich zoo veel mogelijk, om
niet achterhaald te worden, zelfs als men hen misschien nazetten
mocht. Sancho Panza bungelde op zijn ezel, rookte uit zijn kort
pijpje, blies ontzettende rookwolken in de lucht en droomde van het
hem toegezegde stadhouderschap zoo levendig, alsof hij het reeds goed
en wel in den zak had. Zij volgden denzelfden weg, dien Don Quichot
reeds vroeger had genomen, en raakten al spoedig in een zeer wijs
en te gelijk onderhoudend gesprek verdiept, waarin de ridder zijn
schildknaap opnieuw ongehoorde dingen voorspiegelde en hem beloofde,
dat hij al heel gauw koning en zijne vrouw en kinderen koningin en
prinsen of prinsessen zouden zijn. De eerlijke knaap nam al, wat zijn
meester hem voorpraatte, geloovig aan, terwijl het uitzicht op eene
zoo hooge waardigheid zijne eerzucht niet weinig streelde en zijne
oogen blind maakte voor alle onwaarschijnlijkheden.
HOOFDSTUK VI.
DON QUICHOT EN DE WINDMOLENS.
Onze twee hadden reeds een goed eind weegs afgelegd, toen zij op
eens dertig tot veertig windmolens op de vlakte voor zich zagen. Op
dat gezicht keerde de ridder zich tot zijn schildknaap om en zeide:
"Vriend, het geluk lacht ons toe, vroeger dan wij hopen of verwachten
konden. Daar voor ons staan dertig en nog meer schrikbarende reuzen. Ik
wil er op losgaan, op leven en dood met hen kampen en hun allen het
levenslicht uitblazen. Als ik hen geveld heb, zullen wij rijken buit
en ik zelf onsterfelijken roem behalen, daar het een edel ridderlijk
en den hemel welgevallig werk is, dat men zulke snoode reuzen van
den aardbodem verdelgt."
"Wat voor reuzen dan?" vroeg Sancho Panza, verwonderd rondkijkend en
niets dan die onschuldige windmolens ontdekkend.
"Daar staan zij," antwoordde Don Quichot en wees op de windmolens,
"daar staan ze en zwaaien hunne geweldige armen, die wel twee mijlen
en meer lang zijn."