Niets staat voorzeker de algemeene beoefening der bijenteelt meer in
den weg dan de vrees voor den bijensteek. De angel is een geducht
verdedigingswapen, dat alleen de bijen van het vrouwelijk geslacht
bezitten, en waarvan zij zich hoofdzakelijk bedienen, tegen haars
gelijken, wanneer vreemde bijen in hare woning willen dringen, om
daar rooverij te plegen. Ook gebruiken zij het niet zelden tegen
den mensch, of tegen dieren, wanneer die op de eene of andere wijze
haar toorn hebben gaande gemaakt. Men moet daarom, in den omtrek der
bijenstokken, nooit naar eene bij slaan, of haar door hard wegloopen
zoeken te ontgaan, want dan zal men in de meeste gevallen den steek
ontvangen. Wordt men door eene bij boosaardig vervolgd, en blijft
zij steeds rond het hoofd vliegen, dan is het beste zich langzaam te
verwijderen, zonder er naar te slaan; in de meeste gevallen zal men
haar dan ontkomen.
Wanneer men sterk bezweet is, worden de bijen zeer boos, omdat zij
den zweetreuk niet verdragen kunnen. De reuk van geestrijke vochten,
van ajuin en van de meeste sterk riekende stoffen, is haar zeer
hinderlijk. Bij het zien van donkere kleuren, vooral van zwart,
en op den reuk van haar eigen gift, worden zij zeer toornig. Het is
daarom raadzaam zich niet te donker te kleeden, wanneer men iets aan
de stokken moet verrigten, en ook geene kleederen te dragen, waarin
de bijen reeds menigmaal gestoken hebben, zoodat er zich nog angels
in bevinden. Ook wordt haar steeklust sterk opgewekt, als zij in hare
woning verontrust worden.
De bijen steken alleen in den omtrek van hare woning; die in het veld
honig opzamelen behoeft men nooit te vreezen.
Het is niet zoo zeer de steek zelf, die gevreesd moet worden, dan
wel de gevolgen, die hij na zich sleept, welke zeer hinderlijk kunnen
zijn. Het bijengift, dat bij den steek door den angel in de wond komt,
werkt bij verschillende personen niet met dezelfde hevigheid. De
eene is vatbaarder dan de andere voor den invloed daarvan; sommigen
hebben er weinig hinder van, bij anderen daarentegen heeft het hevige
zwelling ten gevolge, die gepaard gaat met brandende pijn, welke dagen
kan aanhouden. Langzamerhand gewent men er aan, zoodat iemand, die
meermalen gestoken is, er bijna geene zwelling of pijn meer van heeft.
Het bijengift is een zuur, dat dezelfde eigenschappen bezit als het
mierenzuur. Meestal heeft het ontsteking ten gevolge, en het is daarom
goed het gestoken deel met verkoelende middelen te behandelen. Omslagen
met koud water zijn het best. Vooraf moet men er evenwel den angel
uithalen en de wond een weinig overdwars krabben, om er zoo mogelijk
eenig gift uit te drukken; overlangs moet men nimmer krabben, daar
dit het dieper zou doen dringen.
De steeklust der bijen is niet altijd even groot. Hij hangt veel af
van de dragt en het weder. Is er in het veld veel te halen, dan moet
men vooral zorgen niet te digt voor de stokken te staan, want zoo de
bijen dan slechts de minste verhindering in hare vlugt ondervonden,
dan kon men verzekerd zijn door haar gestoken te zullen worden. Bij
zoel, drukkend weder, zijn zij ook zeer steeklustig. Men moet het
werken aan de stokken dan vermijden. Is het echter noodzakelijk er
iets in te verrigten, dan is het beste om dit op het midden van den
dag te doen; de meeste bijen zijn dan van huis en van die, welke het
broed verzorgen, heeft men niets te vreezen; deze zijn niet geschikt
om dadelijk op te vliegen; door het plotseling invallende licht
worden zij zelfs eenigzins vreesachtig, hetgeen zij toonen door zich
tusschen de tafels te verbergen. Men moet echter zorgen haar niet te
drukken, want dan zouden zij uit noodweer steken. De groote storing,
die de bijen in de korven ondergaan, door dat men deze van hunne
plaats nemen en omwenden moet, wekt haar toorn niet zelden op. De
te huis komende bijen, die hare woning niet vinden, vliegen verward
rond en vallen spoedig haar verstoorder aan, om zich te wreken. Bij
het gebruik van Dzierzon'sche woningen, heeft men veel minder steken
te wachten. Opent men de deur, dan vliegen de bijen toch in en uit,
zonder het als het ware te bemerken, dat hare rust verstoord is;
de bijen, die zich in het voorste gedeelte der woning bevinden,
bespeuren er ook weinig of niets van.
Bij het behandelen der bijen neemt men altijd eenige voorzorg. Hoe
meer en hoe langer men met de bijen heeft omgegaan, hoe beter men
haar heeft leeren kennen, des te minder denkt men er aan zich tegen
haar te beveiligen. Men moet evenwel nooit nalaten eene bijenkap op
te zetten. Eerstbeginnenden kunnen zich ook van handschoenen bedienen,
welke van dubbel linnen gemaakt worden, en eveneens zijn ingerigt als
gewone wanten: de vier vingers bijeen, doch de duim afzonderlijk. Zij
worden zoo wijd en lang gemaakt, dat zij over de mouwen getrokken en
boven den pols toegebonden kunnen worden. Trekt men nu nog laarzen aan,
en bindt men de broekspijpen daarover toe, dan kan de meest bevreesde
zich onder de bijen begeven: het is haar onmogelijk hem te steken.
Men moet de bijen onbevreesd behandelen, zich steeds langzaam
haastende. Altijd moet men er op bedacht zijn, dat men gestoken zou
kunnen worden. Anders kon men, een steek ontvangende, verschrikken,
daardoor een korf of eene tafel met bijen laten vallen, en dus schade
aanrigten en de bijen in toorn brengen. Gaat men bedachtzaam en bedaard
te werk, dan blijven de bijen het rustigst, en men zal weinig gevaar
loopen van gestoken te worden. En een enkele steek heeft dan ook zoo
bijzonder veel niet te beteekenen; het is geene doodwond.
Het beste middel, om de bijen meer handelbaar te maken, is rook. De
boosaardigste stok wordt daardoor gedwee. Men begeeft zich dan ook
nooit naar de stokken, zonder rook te kunnen maken. Eene gewone,
goudsche pijp is veeltijds voldoende. Zoodra men een korf heeft
omgekeerd, of eene Dzierzon'sche woning heeft geopend, blaast men
er eenige rookwolken in, waarop de bijen een bruisend geluid doen
hooren. Men kan dan met het inblazen van rook ophouden, en dit bruisen
als een teeken beschouwen, dat de bijen zich hebben onderworpen. Zij
trekken zich tusschen de tafels terug, en blaast men nu en dan nog
eenigen rook in de woning, dan zal men weinig last van de bijen hebben.
Is men bevreesd dat de bijen, bij het omkeeren van een korf of het
openen van eene Dzierzon'sche woning, te woest zullen zijn, hetgeen
bij volkrijke stokken dikwijls het geval is, dan ligt men den korf een
weinig op, of opent de deur met eene reet en blaast rook in den stok,
totdat men de bijen hoort bruisen; dan kan men zijn gang gaan.
Men moet voorzigtig wezen het berooken niet te ver te drijven, want
het onbedekte broed zou daardoor afsterven.
Wil men geene rookpijp bezigen, dan kan men ook goed droog, vermolmd
hout gebruiken; wordt dit aangestoken, dan blijft het vuur houden en
rook geven. Ook kan men eene lont maken van linnen lappen, en daar
een weinig haar tusschen doen. De rook van haar is voor de bijen
bijzonder hinderlijk en maakt haar spoedig gedwee. Van hennip of vlas
kan men ook lonten maken, die gedompeld worden in eene oplossing van
salpeter in water. Zijn zij goed gedroogd, dan blijven zij branden,
en de bijen worden door den rook van deze lonten zeer handelbaar. Ook
heeft deze rook de minst nadeelige gevolgen. Alleen bij Dzierzon'sche
woningen kan men van de hier opgegeven middelen gebruik maken. Het
hout of de lont wordt brandend op den bodem gelegd, de rook klimt dan
van zelf tot de bijen op. Bij korven kan dit niet geschieden, daar zij
omgewend moeten worden. Men moet daar dus den rook altijd in blazen.