HET REIZEN MET DE STOKKEN.

Men onderscheidt gewoonlijk tweeërlei wijze om de bijenteelt uit

te oefenen. De eerste bestaat daarin, dat de bijenstokken altijd op

denzelfden stand gehouden worden; men noemt haar tuincultuur, omdat men

den stand dan ook meestal digt bij zijne woning heeft. Wil men echter

meer voordeel van zijne bijen trekken, hetgeen noodzakelijk is voor

hem, die in de bijenteelt zijn middel van bestaan zoekt, dan verplaatst

men de stokken steeds naar streken, waarin eene ruimere weide gevonden

wordt, dan in zijne woonplaats. Men ontziet daartoe noch verre reizen,

noch groote kosten, want de moeite en de kosten worden gewoonlijk

ruim beloond. Zoo trekt de bijenhouder, die in eene streek woont,

waar boekweit gekweekt wordt, en waar dus slechts eene late weide

bestaat, naar de plaatsen waar de zaadbloem wordt gevonden. Is het zaad

uitgebloeid, dan trekt hij weder naar de boekweit, en levert die niets

meer op, dan zoekt hij de heidebloem. Zoo gaat men in Noord-Braband,

wanneer het weder er geschikt toe is, gewoonlijk in het midden van

April, naar Zeeland, waar veel koolzaad wordt verbouwd. Op het zaad

verzamelen de bijen veel honig en bloemenstof; zij kunnen er dus veel

voorraad opleggen en veel broed aanzetten. Bij gunstig weder kunnen

de stokken al vroeg honig- en volkrijk worden. In het laatst van Mei

of in het begin van Junij geven zij gewoonlijk hunne voorzwermen,

en soms zelfs reeds eenige nazwermen af.

Om de stokken zonder gevaar te kunnen vervoeren, dient men eenige

voorzorgen te nemen. Een of twee dagen voor dat men vertrekken wil,

zet men den korf op den kop, en steekt tusschen elke twee op elkander

volgende tafels een of twee houten pinnen, welke met de punt in den

korf worden gedrukt. De dikte der pinnen moet gelijk zijn aan de

wijdte der straten; zij houden dan de tafels op den vereischten

afstand; zonder de pinnen konden zij wel eens tegen elkander

vallen. De korf wordt nu weder op zijne plaats gezet. Naardat

men veel of weinig stokken te behandelen heeft, begint men in den

namiddag of tegen den avond, die den nacht, waarin men de reis wil

aanvangen, voorafgaat, met de vlieggaten der korven digt te maken;

daarna plaatst men hen op den kop, en legt over de opening van den

korf een vierkant stuk zoogenaamd bijendoek, waarvan de vier punten,

elk tusschen twee stukjes leder, met een tweeduims kopspijker, op

den buitenkant van den korf worden bevestigd. De doek wordt zoo strak

mogelijk aangehaald, en door de punten een paar malen om te draaijen,

kan men de kanten van den doek zoo sterk tegen den korf doen sluiten,

dat er geene enkele bij kan ontsnappen. Nu maakt men een der spijkers

weder los, en trekt de vrij geworden punt van den doek van den korf,

zoodat zijne opening maar voor de helft meer gesloten is. De korf

wordt nu in den stal in eene schuinsche rigting op zijde gelegd,

door den kop een weinig te ligten; de opening moet vooraan liggen,

daar waar zich vroeger het vlieggat bevond. De bijen zullen nu wel

eenigzins verward rondvliegen, maar zich toch al spoedig in den korf

begeven; daar de warmte daarin aanmerkelijk verminderd is, zullen zij

zich zoo digt mogelijk tusschen het werk te zamen trekken. Wanneer

de avond gevallen is, zullen alle bijen in den korf zijn; dan trekt

men den doek weder over de opening en steekt hem met den spijker vast.

Zijn alle korven aldus gesloten, dan worden zij zoo op een wagen

op zijde gelegd, dat de tafels regtop staan, dat de lucht in elken

korf vrij kan binnendringen, en dat men den doek van elken korf met

eene spuit kan bereiken, om hem te bevochtigen. Dit kan noodig zijn,

wanneer de bijen, door te sterk tegen den doek te liggen, de toetreding

der lucht beletten. Een weinig water doet haar dan gedeeltelijk van

den doek vallen, en het frischt haar tevens op. Gewoonlijk worden er

30 à 40 korven op een wagen geladen.

Men begint de reis laat in den avond, kiest altijd de beste

wegen, al moet men daar ook een omweg voor maken, en rijdt zeer

langzaam. Aanvankelijk worden de bijen door de ongewone beweging

onrustig, en men moet dan, minstens om de vijf minuten, een weinig stil

houden, om haar te doen bedaren. Gaandeweg kan men het ophouden wat

langer uitstellen, totdat men eindelijk geregeld blijft doorrijden,

dat echter altijd stapvoets gaan moet.

Moet men meer dan een nacht onderweg zijn, dan moeten de korven

tegen den morgen in een stal of in eene schuur afgeladen worden,

waar zij zoo donker mogelijk geplaatst, en nu en dan een weinig met

water bespoten worden. Den volgenden nacht vervolgt men zijne reis.

Wanneer de reis ook voor een gedeelte met een vaartuig moet geschieden,

dan legt men de korven met den kop tegen den scheepswand, en laat

den doek ongehinderd, zoodat de lucht vrijen toegang heeft, en men

langs de korven gaan kan, om zich aanhoudend van den toestand der

bijen te overtuigen.

Op de plaats van zijne bestemming aangekomen, legt men eene laag stroo

of planken op den grond, zet de korven daarop, opent de vlieggaten

en dekt de korven voor den regen met losse pannen. Sommigen nemen

er maar ééne voor elken korf, doch het is beter er twee of drie te

nemen. Hebben de korven aldus een dag gestaan, zoodat de bijen de

vlugt hebben leeren kennen, dan neemt men er de kleedjes af, en trekt

de pinnen tusschen de tafels weg.

Gewoonlijk blijft men tot het laatst van Junij of het begin van Julij

op het zaad, en trekt dan naar de boekweit, die omstreeks dezen tijd

begint te bloeijen. Wie er maar eenigzins gelegenheid toe heeft,

verzuimt niet de boekweit te bezoeken. Bij gunstige dagen, met een

half bewolkten hemel en zuiden of westen wind, en vooral kort voor

het regenen of terwijl het reeds zacht regent, kunnen de bijen er

ongeloofelijk veel op verzamelen. Het is of het dan honig regent. Een

volkrijke stok kan op zulk een dag gemakkelijk 5 Ned. pond binnen

brengen. Bij helder weder honigt de boekweitbloem soms ook sterk, en

de dragt kan zelfs ruim zijn als het, bij eene geheel betrokken lucht,

zeer zoel is; de bloem honigt dan wel eens tot laat in den namiddag;

bij helder, droog weder doet zij dit zelden langer dan tot den middag,

waarna de bijen haar dan ook weinig meer bevliegen [20].

Als men van het zaad komt, heeft men in den regel het getal van zijne

stokken verdubbeld. Gewoonlijk zijn dan toch meest alle voorzwermen

en reeds vele nazwermen afgevlogen. Daar men evenwel eene te sterke

vermeerdering voor ongunstig houdt, verhindert men het nazwermen

zooveel mogelijk. Twee kleine voorzwermen voegt men soms bijeen,

en van de afgevlogen nazwermen vereenigt men er soms drie of vier;

veeltijds geeft men hen ook aan den moederstok terug.

De terugreis gaat met veel meer moeite gepaard dan de heenreis. Men

heeft niet alleen een grooter getal stokken te vervoeren, maar de

moederstokken kunnen ook, wanneer de gelegenheid gunstig geweest is,

een aanmerkelijk gewigt bekomen hebben. Daarbij komt nog dat het nieuwe

werk veel zwakker is dan het overjarige, en dat het weder veel warmer

is geworden. Met de meeste zorg moeten er pinnen tusschen de tafels

gestoken worden, en de zwermen, welker bouw nog zeer teeder is, dient

men vooral goed te voorzien. Door het gewigt van het broed en den honig

kon de bouw toch al zeer ligt instorten. Men moet ook goed zorgen voor

eene vrije toetreding der lucht, en dikwijls water tegen de kleedjes

spuiten, daar de bijen anders veel gevaar loopen van te stikken.

Heeft men de plaats van zijne bestemming bereikt, dan handelt men weder

even als vroeger. Wie in de nabijheid der boekweitvelden woont, plaatst

de stokken weder op hun gewonen stand, en zoo mogelijk ieder op zijne

oude plaats. Er zullen nu altijd nog vele nazwermen, en zelfs enkele

voorzwermen afkomen, zoodat men de stokken nog geregeld moet bewaken.

In de eerste helft van Augustus houdt het bloeijen van de boekweit

gewoonlijk op, waarna men met de zwermen, en de ligt gebleven

moederstokken, de heide opzoekt, die tot half September bloeit, en

soms nog eene ruime dragt kan geven. Vroeger hebben wij reeds gezien

dat de heidehonig, die op het einde van de dragt wordt ingezameld,

gewoonlijk onbedekt meet blijven, daar het dan reeds te koud is,

om was te bereiden. Hij gaat dan tot verzuring over, en kan de bijen

den loop doen krijgen.

In de streken van Noord-Braband, welke mij bekend zijn, gaat men met

de stokken, die reeds veel ingezameld hebben, niet naar de heide,

als de bloeitijd van de boekweit voorbij is. Het vervoer van zulke

stokken zou nutteloos zijn, daar gebrek aan ruimte hun de verdere

dragt zou verbieden. Zelfs zouden de spinnewebben, waarmede de heide

veelal overdekt is, eene menigte bijen doen omkomen. Men brengt

dan ook gewoonlijk slechts die bijen naar de heide, die men bij den

honigoogst te veel heeft.

Ik heb getracht in het bovenstaande zoo volledig mogelijk op te geven,

hoe men in Noord-Braband met zijne korven reist. Zoover mij bekend is,

zijn er hier te lande geene bijenkweekers, die Dzierzon'sche woningen

gebruiken. Zij kunnen er dus niet grondig over oordeelen. Enkelen,

die haar bij mij zagen, beweerden dat zij nooit algemeene navolging

konden vinden, daar zij naar hun inzien, geheel ongeschikt waren,

om er mede te trekken. En toch moet ik, en zullen allen met mij,

die haar goed hebben leeren kennen, haar ook in dit opzigt boven

strookorven verkiezen. Het is wel waar dat deze woningen eene grootere

plaats innemen, en dat haar vervoer dus kostbaarder is; maar er zullen

toch wel twintig enkelvoudige woningen op een wagen geladen kunnen

worden. De groote transportkosten zijn niet alleen geen overwegend

bezwaar, maar worden ruim opgewogen door de voordeelen, die zij,

met de korven vergeleken, aanbieden. Men is vrij wat spoediger en

gemakkelijker tot de reis gereed. Heeft men geene luchtgaten in

de deuren laten maken (zie bl. 88), dan maakt men voor elke woning

een raam, dat in de deuropening past, spijkert hierop vliegengaas

of bijendoek, en zet het in de plaats van de deur; een plankje,

waarin zoovele zaagsneden als mogelijk is, gemaakt zijn, zou ook al

kunnen volstaan.

Niet alle woningen zijn geschikt om er mede te reizen. De zamengestelde

en de staande woningen leenen er zich minder goed toe. Maar

met de bijen uit die woningen kan men toch wel andere plaatsen

bezoeken. Men maakt daartoe, van planken of dunne stroowanden, ligte

kastjes, waarin men het werk hangt; de bijen, die nog in de woning

teruggebleven zijn, doet men ook in het kastje. Het is duidelijk dat

men het werk en de bijen, uit elk vak van eene zamengestelde woning,

in een afzonderlijk kastje plaatst. De ledige tafels, zoowel als die

met broed en bloemenstof, hangt men allen in het kastje, doch van de

honigtafels geeft men er slechts eene, waaraan de bijen voor de reis

genoeg zullen hebben: de verligting, die de stok hierdoor ondergaat,

maakt het vervoer veel gemakkelijker. De tafels, die in het kastje

gehangen zijn, moeten, daar zij aan de kanten geheel los zijn, van

onderen nog door een paar latjes ondersteund worden. Men moet goed

toezien dat ook de moederbij in het kastje komt, of dat er ten minste

in elken stok ongedekt broed voorhanden is, opdat een stok, welke

zijne moederbij toevallig miste, hulpwiegen zou kunnen aanzetten,

en daardoor zich zelven redden.

In de leêg gemaakte woningen verzamelen zich altijd nog eenige bijen,

welke men den volgenden morgen, indien haar getal groot genoeg is,

bijeenvoegt en in eene woning plaatst, welke met ledige wastafels

voorzien is, en waarin men ook eene tafel met honig, en eene met

ongedekt broed hangt. Vond men soms eene teruggeblevene koningin,

dan plaatst men die in een moederhuisje en geeft haar aan den zwerm,

dien men nu naar een verwijderden stand brengt; na een paar dagen laat

men de koningin los. Zijn er te weinig bijen, om er een kunstzwerm

van te maken, dan versterkt men er een stok mede, dien men dan, na wat

muscuswater op de bijen gesprenkeld te hebben, naar een verwijderden

stand brengt.

Bij alle reizen neemt men de honigtafels op eene na uit de woningen,

en hangt of legt deze in daartoe bestemde kistjes, welke goed digt

moeten zijn, opdat de honig er niet uit zou vloeijen, al braken er op

de reis enkele tafels. Het is juist doordat zij de gelegenheid geven,

om den honig gedurende de reis uit de woning te nemen en dien later,

zoo noodig, er weder in te hangen, dat Dzierzon's woningen boven alle

andere zijn aan te bevelen, om met de bijen te reizen. De grootere

reiskosten worden door dit voordeel ruim vergoed. De bijen loopen

niet alleen geen gevaar om door het breken van tafels om te komen,

maar hare woning wordt er ook ruimer en koeler door, hetgeen bij heet

weder voor de reis hoogst wenschelijk is.

De woningen, die ik op bladz. 91, aan het slot van het hoofdstuk,

waarin de liggende woningen beschreven worden, opgaf, zijn de

meest geschikte voor het reizen. Worden deze woningen, als men

ter bestemder plaatse gekomen is, weder zoo tegen en op elkander

gezet, als zij vroeger gestaan hebben, en met hetzelfde dak gedekt,

dan zullen de bijen zich zeer spoedig te huis gevoelen, en op de

inzameling uitvliegen. De dubbele liggende woning, en die woningen,

welke tusschen de staande en de liggende in vallen (zie bl. 91,

bovenaan) zijn ook vatbaar voor verplaatsing.

Wanneer men den stokken lucht gegeven, de vlieggaten gesloten en de

schuifjes toegebonden heeft, dan neemt men (het best geschiedt dit

door twee personen), de woningen van hare plaats, zorg dragende

haar goed regt te houden, en zet haar zoo op den wagen, dat de

wastafels in dezelfde rigting loopen als de wagenassen, en door het

schokken niet tegen elkander kunnen vallen of afbreken. Neemt men de

opgegeven voorzorgen in acht, dan zal men geene ongelukken te vreezen

hebben. Indien men op de plaats van zijne bestemming gekomen is,

zet men alle woningen zooveel mogelijk even als zij te huis stonden,

dekt haar voor den regen, opent de vlieggaten, en zet de gewone

deuren weder in de woningen, nadat de latten, die tot ondersteuning

der tafels gediend mogten hebben, er uitgenomen zijn. In korten tijd

zullen de bijen nu de nieuwe vlugt leeren kennen. Wanneer de eerste

dagen soms ongunstig voor de inzameling zijn mogten, dan geeft men

den stokken, welke daar behoefte aan hebben, eene der honigtafels,

die men tot dat einde op reis medeneemt.

Is men van zijne reis teruggekomen, dan geeft men den stokken, die

men door den winter brengen wil, zooveel tafels, als men rekent dat

zij noodig zullen hebben; daarbij moet men liever wat ruim dan te

karig te werk gaan.

Indien men het reizen met strookorven vergelijkt, met het reizen

met Dzierzon'sche woningen, dan laat het zich niet betwijfelen,

of de laatste de overwinning wel zullen behalen. De voordeelen van

Dzierzon's woningen, ook in dit opzigt, vallen te zeer in het oog,

om er verder over uit te weiden.

Handboek voor Bijenhouders · 第 104 / 109 题