Men is het lang niet eens over het al of niet noodzakelijke van
het besnijden. De een vindt het hoog noodig om in het voorjaar de
stokken te besnijden: vooreerst om het oude werk te laten vernieuwen,
en ten andere om de bijen tot meer vlijt op te wekken, want besneden
stokken bouwen spoediger dan onbesnedene, en de moederbij bezet de
nieuw gebouwde cellen vroeger met eijeren dan de oude.--De ander
verwerpt het besnijden geheel: hij beschouwt het als een bepaald
nadeel om den bouw ook maar een duim in te korten, omdat men daardoor
de bijen slechts noodeloos werk zou bezorgen; nu moet toch de honig
aan een nieuwen bouw ten koste gelegd worden, terwijl anders het
opgezamelde in de voorhanden cellen kon worden geborgen.--Voor de
beide bovengemelde opvattingen bestaat eenige grond, doch er is nog
eene soort van bijenhouders, die de stokken wel besnijden, maar alleen
uit gewoonte en navolging, om de ledige tafels meester te worden en
op te smelten. Een bijenhouder, dien ik bezig vond met zijne stokken
sterk te besnijden, antwoordde mij op de vraag waarom hij dit deed:
"Wel dit is de eerste opbrengst die zij geven, en de bijen moeten
maar zorgen dat zij het weder volbouwen."
Een vaste regel kan er voor het besnijden niet aangenomen worden. Het
moet zich regelen naar de streek, waarin men woont. Heeft men eene
vroege hoofdweide, en moet deze als het ware den geheelen oogst
opleveren, dan besnijde men zoo weinig mogelijk, en neme alleen
de beschadigde of sterk beschimmelde gedeelten der tafels weg. Zij
zouden anders, door eene gedwongen bouwing, genoodzaakt worden om
den oogsttijd voor een gedeelte te verzuimen. Woont men daarentegen
in eene streek, waar de hoofdweide laat invalt, dan kan men zijne
stokken zonder nadeel matig besnijden; want tegen dat de hoofddragt
begint, zullen zij toch weder volbouwd zijn, en daar de moederbij
de nieuw gebouwde cellen werkelijk spoediger met eijeren bezet dan
de oude, zoo geeft het ook aanleiding dat de stokken, gedurende de
rijkste dragt, volkrijk zijn. Voorjarige zwermen moet men evenwel in
geen geval besnijden, zelfs dan niet, wanneer de punten der tafels
eenigzins beschimmeld zijn, want de bijen weten haar goed te zuiveren.
Is men het niet eens omtrent het nut van het besnijden, evenmin zijn de
voorstanders er van het eens, omtrent den tijd, die daarvoor geschikt
is. Is men echter eenigzins met de natuur der bijen bekend geworden,
dan weet men ook dat het niet te vroeg en niet te sterk mag geschieden;
want door sterk en vroeg besnijden, kan men zijne bijen in volkomen
ellende storten, ja haar geheel doen omkomen! Men verkoelt er toch
hare zitplaats aanmerkelijk door, en kwam er nog een nawinter, dan
konden zij zich niet voldoende meer verwarmen; aan broedzetten viel
niet meer te denken; veeleer zouden zij, ten gevolge der verkoeling,
aan loop gaan lijden, en bij duizenden omkomen. Ondanks het gevaar
dat er in gelegen is, kunnen toch velen, in hunne voortvarendheid,
niet nalaten de stokken vroeg te besnijden. Zoodra er in het laatst
van Februarij of het begin van Maart maar enkele schoone dagen
zijn, haasten zij zich om dit, naar hun inzien, noodzakelijk werk
te verrigten. En wat winnen zij daardoor? Dat de stokken aan groot
gevaar blootgesteld zijn, of voor het minst in hun vooruitgang zijn
gestuit; want broedaanzetting en wasbouw gaan steeds hand aan hand, en
zonder een aanmerkelijken warmtegraad en weder, dat de bijen toelaat
bloemenstof en water op te halen, is de wasbouw onmogelijk; vóór Mei
valt het geschikte weder zelden in. Als men de besneden stokken sterk
voêrde, hun tevens, ter vervanging van bloemenstof, meel aanbood, en
de woningen goed dekte, dan zou men hen tot het bouwen en broedzetten
kunnen brengen, hetgeen ik vroeger reeds heb opgemerkt. Maar waartoe
zich deze moeite te berokkenen, wanneer men niet weet of zij het
gewenscht gevolg zal hebben, ja veeleer vreezen moet er zich door te
benadeelen? Reeds vroeger is het aangetoond, in het voorjaar kan men
niet beter doen, dan zijne stokken zoolang mogelijk in rust laten.
Vóór half April besnijde men zijne stokken nooit; is het weder
dan nog ongunstig, dan wacht men beter af. Bij de besnijding zorge
men het hommelwas zooveel mogelijk weg te nemen, en om het weder
opbouwen er van te beletten, stelt men er kleine stukjes wastafel,
met werkbijen-cellen, voor in de plaats, die met pennetjes worden
vastgestoken. Indien de stokken soms aan de achterzijde nog te veel
gevulde honigtafels hebben, dan neemt men ook deze gedeeltelijk weg,
wel toeziende hun niet al te veel te berooven, want het is beter hun
wat veel te laten behouden, dan hen te sterk te ontblooten.
Men besnijdt de stokken achter den bijenstal, waar men den korf op
den kop zet, en de bijen met rook terugblaast. Men gebruikt er een
mes voor, waarvan de punt omgebogen is, zoodat men de tafels vlak kan
afsnijden. De ledige en de met honig gevulde tafels, welke men heeft
afgesneden, moeten terstond in een pot of iets dergelijks, dat met
een deksel of een doek goed gesloten is, worden gelegd; anders zou
men ligt aanleiding tot rooverij geven. Doet men het op een dag dat de
bijen goed kunnen vliegen, dan heeft men daar het minst van te vreezen.
Het werk wordt van onderen eene kleine hand breedte, of zoover als
het beschadigd of beschimmeld is, weggesneden. De tafels snijdt men
zoo gelijk mogelijk af, zoodat de onderkanten er van in één vlak
komen. Valt er nu soms nog koude in, dan doet men goed met eenige
ledige wastafels plat tegen het werk te leggen, en met pennen vast
te steken; de bijen worden daardoor veel voor de koude beschut. Wordt
het weder warmer, dan neemt men die tafels weder weg.
Heeft men stokken met een te oud broednest, en wil men hen niet
uitbreken, en toch het broednest vernieuwen, dan kan dit het beste
gedaan worden door hen, veertien dagen na het afvliegen van den
voorzwerm, zoo diep mogelijk uit te snijden. Het broed is dan bijna
geheel uitgeloopen, en door de ledige cellen weg te nemen, brengt men
den stok bijna in den toestand van een zwerm (hij heeft alleen den
honigvoorraad bij dezen vooruit). De bijen hangen zich in een tros aan
het besneden werk, en zijn even ijverig in het verlengen van den bouw,
als een nieuw opgezette zwerm. Het verder zwermen kan den stok belet
worden, door de moederwiegen, die nog mogten aanwezig zijn, tot op
eene na te vernietigen. Hoewel zelden, zoo kon er toch nog een zwerm
afvliegen, dien men dan de moederbij maar behoeft te ontnemen, om de
bijen weder op den stok terug te doen vliegen; het zwermen heeft dan
zeker opgehouden.--De stokken, welke men op de hier vermelde wijze
behandeld heeft, worden meestal van een voldoenden wintervoorraad
voorzien, en men kan hun meestal nog eenige ledige wastafels ontnemen.
Bij Dzierzon's woningen komt geen besnijden te pas, of het zou moeten
zijn om wastafels te bekomen. In het laatst van Augustus of het begin
van September, neemt men den bouw uit de woning, verwisselt de oude
tafels uit het broednest met nieuwe, en verwijdert tevens al het
hommelwas. Zijn de stokken volkrijk in den winter gebragt, en hebben
zij voorraad genoeg, dan zullen zij gewoonlijk in het voorjaar nog
volkrijk genoeg zijn, om bij gunstig weder de beschimmelde tafels
te zuiveren. Men zorge slechts het voor de bijen toegankelijk
gedeelte der woning niet te vergrooten, voordat dit noodig is, en
neme het verwarmende dek, dat in de woning gebragt is, niet weg,
voordat bestendig, warm weder is ingevallen. Men kan zich niet te
zeer wachten voor het te vroeg verkoelen der woningen.